Resolutie van het Europees Parlement van 23 mei 2007 over de impact en gevolgen van uitsluiting van gezondheidsdiensten uit de richtlijn betreffende diensten op de interne markt (2006/2275(INI))
Het Europees Parlement,
– gelet op de artikelen 16, 49 en 50, artikel 95, lid 1 en artikel 152 van het EG-Verdrag;
– gelet op artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
– gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ("Hof van Justitie") van 28 april 1998 in de zaak C-120/95 Decker(1)
, van 28 april 1998 in de zaak C-158/96 Kohll(2)
, van 12 juli 2001 in de zaak C-157/99 Geraets-Smits en Peerbooms(3)
, van 12 juli 2001 in de zaak C-368/98 Vanbraekel(4)
, van 25 februari 2003 in de zaak C-326/00 IKA(5)
, van 13 mei 2003 in de zaak C-385/99 Müller-Fauré en Van Riet(6)
, van 23 oktober 2003 in de zaak C-56/01 Inizan(7)
, van 18 maart 2004 in de zaak C-8/02 Leichtle(8)
en van 16 mei 2006 in de zaak C-372/04 Watts(9)
,
– gelet op Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(10)
, en in het bijzonder artikel 2, lid 2, punt f), en overwegingen 22 en 23,
– gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2006 met de titel "Raadpleging over communautaire maatregelen op het gebied van gezondheidsdiensten" (SEC(2006)1195/4),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 juni 2005 over de mobiliteit van patiënten en ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Europese Unie(11)
,
– gezien de conclusies van de Raad betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de Europese Unie(12)
,
– gelet op artikel 152, lid 5 van het Verdrag, waarin het subsidiariteitsbeginsel op het gebied van de volksgezondheid is verankerd, en gelet op Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(13)
, Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(14)
,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0173/2007),
A. overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de organisatie, het beheer, de verstrekking en financiering van de zorgstelsels, die per lidstaat verschillend zijn,
B. overwegende dat het Hof van Justitie een aantal arresten heeft gewezen over onder meer de vraagstukken in verband met de toegang tot medische hulp en de vaststelling van criteria voor procedures voor voorafgaande toestemming of voor de vergoeding van kosten, die de burgers van de EU toestaan om zich vrij te verplaatsen voor medische hulp in een andere lidstaat,
C. overwegende dat de Raad in het kader van zijn reeds aangehaalde conclusies betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de Europese Unie een verklaring van de 25 ministers van Volksgezondheid van de Europese Unie heeft aangenomen betreffende de gemeenschappelijke waarden en beginselen die ten grondslag liggen aan de gezondheidsstelsels in Europa,
Beginselen
1. is van mening dat de grensoverschrijdende mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers de komende jaren zal toenemen, zodat de patiënten meer keuzemogelijkheden krijgen; is van mening dat alle Europese burgers, ongeacht hun inkomensniveau en plaats van vestiging, gelijke, betaalbare en tijdige toegang dienen te hebben tot medische hulp, krachtens de beginselen van universaliteit, kwaliteit, veiligheid, continuïteit en solidariteit, wat bijdraagt tot de sociale en regionale samenhang in de Unie en zorgt voor de financiële duurzaamheid van de nationale gezondheidsstelsels; is van mening dat de mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers overeenkomstig deze beginselen kan bijdragen tot een meer toegankelijke en kwalitatief betere gezondheidszorg;
2. merkt op dat de lidstaten de gezondheidszorg onvoldoende bevorderen, waardoor de rechten van patiënten worden beperkt;
3. herinnert eraan dat de lidstaten die uitvoering hebben gegeven aan de bestaande jurisprudentie van het Hof van Justitie niet zijn geconfronteerd met belangrijke verhogingen van het budget voor gezondheidszorg als gevolg van de patiëntenmobiliteit;
4. houdt rekening met het feit dat de lidstaten alleen een systeem van voorafgaande toestemming kunnen invoeren indien is gebleken dat de grensoverschrijdende patiëntenmobiliteit een negatief effect heeft op het financiële evenwicht van het nationale gezondheidsbudget; dringt er bij de lidstaten op aan nota te nemen van de mogelijkheid van een proefperiode waarin geen voorafgaande toestemming is vereist;
5. beklemtoont dat mobiliteit van patiënten en beroepsbeoefenaren voor een lidstaat geen voorwendsel mag zijn om niet te investeren in zijn eigen gezondheidszorgstelsel;
6. benadrukt dat toegang tot grensoverschrijdende zorg vereist is om het vrij verkeer van burgers binnen de Gemeenschap tot stand te brengen en bijdraagt aan meer werkgelegenheid en concurrentievermogen in de lidstaten;
7. benadrukt dat de administratieve rompslomp in verband met het gebruik en het verlenen van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten moet worden beperkt;
8. wijst erop dat het ter beperking van de administratieve rompslomp in verband met het gebruik van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten noodzakelijk is de elektronische systemen voor patiëntenidentificatie en aanvragen voor vergoeding te verbeteren;
9. verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen de invoering van e-health en telegeneeskunde actief te steunen;
10. wijst erop dat de lidstaten overeenkomstig de Verdragsbepalingen de eerste verantwoordelijkheid behouden voor het verlenen van efficiënte gezondheidszorg van hoge kwaliteit aan hun burgers; benadrukt dat zij met het oog hierop in staat moeten zijn gebruik te maken van passende reguleringsinstrumenten op EU-niveau en op multilateraal en bilateraal niveau, om hun nationale zorgstelsels en gezondheidsdiensten te beheren, en zich bij de uitoefening van die bevoegdheid te allen tijde dienen te houden aan de bepalingen van de Verdragen en het subsidiariteitsbeginsel;
11. benadrukt dat de Verdragsbepalingen, met inbegrip van de specifieke bepalingen inzake diensten van algemeen economisch belang en de jurisprudentie van het Hof van Justitie, van toepassing zijn op gezondheidsdiensten, en dat zorgverleners volledig het recht hebben om zich overeenkomstig nationale en EU-regels in een lidstaat te vestigen en diensten te verlenen; benadrukt tevens dat patiënten volledig gerechtigd zijn om voor medische hulp naar ongeacht welke lidstaat te gaan;
12. merkt op dat de zorgstelsels weliswaar niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen, maar dat gebieden die met de zorgstelsels verband houden, zoals de toegang tot medicatie en behandeling, patiëntenvoorlichting en het verkeer van verzekeraars en gezondheidswerkers een grensoverschrijdend karakter hebben; merkt op dat de Unie op deze gebieden actief dient te zijn;
13. wijst erop dat patiënten altijd gelijke toegang dienen te hebben tot een gepaste behandeling die zich zo dicht mogelijk bij hun woonplaats bevindt en in hun eigen taal plaatsvindt; is in dit verband van mening dat moet worden gezorgd voor een betere toepassing van Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988(15)
betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, ten einde de termijnen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen te bespoedigen, innovatie en veiligheid van de geneesmiddelen te bevorderen en de gebruikmaking van gecentraliseerde toestemmingsprocedures voor het in de handel brengen sterker te bevorderen;
14. benadrukt dat de lidstaten onderdanen van een andere lidstaat bij de toegang tot de gezondheidsdiensten op voet van gelijkheid moeten behandelen, ongeacht of het om particuliere of ziekenfondspatiënten gaat;
15. wijst erop dat patiënten toegang dienen te hebben tot informatie waarvoor de zorgverlener een internationale officiële erkenning heeft verkregen en dat de officieel erkende zorgverleners, ongeacht waar zij in de EU zijn gevestigd, ervoor moeten zorgen dat de gezondheidszorg veilig is en gebaseerd op meetbare internationale kwaliteitsindicatoren;
16. onderstreept dat beleidsinitiatieven die verband houden met de gezondheidsdiensten zoveel mogelijk voorwerp dienen te zijn van wetgeving op parlementair niveau in plaats van op ad-hocbasis te worden ontplooid via arresten van het Europees Hof van Justitie;
17. is van mening dat de veiligheid en rechten van patiënten in de grensoverschrijdende voorziening van gezondheidsdiensten niet gegarandeerd zijn en dat er juridische onzekerheid bestaat met betrekking tot vergoedingsregelingen, verplichtingen van nationale instanties om informatie over regelgeving te delen, de zorgplicht voor de eerste en volgende behandelingen en de voorzieningen voor risicobeheersing voor particuliere patiënten;
Definities
18. vraagt om een heldere definitie van gezondheidsdiensten om het toepassingsgebied van toekomstige wetgeving op dit gebied te verduidelijken en duidelijk af te bakenen; vraagt om te verduidelijken welke elementen van een zorgstelsel in dit verband relevant zijn;
19. merkt op dat gezondheidsdiensten qua doelstellingen vergelijkbaar zijn met andere sociale diensten van algemeen belang aangezien zij op het solidariteitsbeginsel zijn gebaseerd, vaak deel uitmaken van nationale socialebeschermingsstelsels, persoonsgericht zijn, waarborgen dat de burgers verzekerd zijn van hun grondrechten en van een hoog niveau van sociale bescherming, en de sociale en territoriale cohesie versterken;
20. is van mening dat alle maatregelen van de Gemeenschap op het gebied van gezondheidszorgdiensten moeten aansluiten bij de communautaire maatregelen met betrekking tot sociale diensten van algemeen belang;
21. wenst dat verdere verduidelijking van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie gebruikte concepten niet leidt tot een verandering in het door het Hof van Justitie vastgestelde evenwicht tussen de voorrechten van de lidstaten op het gebied van de volksgezondheid en de rechten van de individuele patiënt; wijst er in dit verband nogmaals op dat het Hof van Justitie met betrekking tot het concept "redelijke wachtperiode" duidelijk heeft aangegeven dat dit uitsluitend moet worden gedefinieerd in het licht van een beoordeling van de medische situatie van elke patiënt en dat economische overwegingen hierbij geen rol mogen spelen;
22. vraagt om verduidelijking van de concepten "redelijke wachttijd" en de definitie van intramurale en extramurale zorg;
23. wijst erop dat de procedure voor het verlenen van toestemming in geval van ziekenhuisdiensten in een andere lidstaat patiënten een waarborg dient te verlenen zodat zij beschermd zijn tegen willekeurige besluiten van nationale instanties; wijst erop dat ziekenhuisbehandeling, ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van patiënten zonder afbreuk te doen aan de planningsdoelstellingen van de lidstaten, in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie strikt moet worden gedefinieerd als een behandeling die alleen kan worden verleend binnen de ziekenhuisinfrastructuur en bijvoorbeeld niet in de spreekkamer van een arts of bij de patiënt thuis; wijst er met name op dat een weigering om toestemming te verlenen kan worden betwist in (buiten)gerechtelijke procedures en dat met het oog op de beoordeling van de medische situatie van elke patiënt volledig objectief en onpartijdig advies moet worden gevraagd van onafhankelijke deskundigen;
Mobiliteit van patiënten
24. merkt op dat er grote verschillen bestaan bij de mobiliteit van patiënten en dat deze op zeer uiteenlopende redenen is terug te voeren: patiënten worden door hun nationale gezondheidsstelsel naar het buitenland verwezen, patiënten gaan op eigen initiatief op zoek naar medische zorg in het buitenland, toeristen worden ziek, er zijn migrerende werknemers, studenten, gepensioneerden, en iedereen die in een andere lidstaat van de Unie is gevestigd dan zijn land van oorsprong, of in een grensregio woont; benadrukt dat bij het uitstippelen van het beleid met deze verschillen rekening moet worden gehouden;
25. beklemtoont dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen grensoverschrijdende gezondheidsdiensten, dat wil zeggen diensten die gesitueerd zijn aan beide zijden van een grens tussen twee lidstaten om patiënten een hoog niveau van toegang en zorg te bieden en dat in stand te houden, en internationale gezondheidsdiensten binnen de Europese Unie, die gezondheidszorg aanbieden voor de behandeling van zeldzame ziekten of weesziekten of ziekten waarvoor zeldzame en erg dure technologieën (referentiecentra voor zorg) gebruikt dienen te worden, of toegang verschaffen tot zorg die de lidstaat of het land van verblijf patiënten op dit moment niet kunnen bieden;
26. verzoekt de Commissie jaarlijks voor elke lidstaat statistische gegevens te verstrekken over de mobiliteit van patiënten, het aantal gevallen waarin vergoeding wordt geweigerd en de redenen daarvoor;
27. erkent weliswaar dat het gezondheidsbeleid in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort en benadrukt dat de verstrekking van een goede gezondheidszorg in het land van herkomst noodzakelijk is, maar juicht niettemin het initiatief van de Commissie toe om een raadpleging te starten over de wijze waarop aan communautaire maatregelen het best vorm kan worden gegeven met het oog op verbetering van de toegang van patiënten, binnen een redelijke termijn, tot een veilig, hoogwaardig en doeltreffend kader voor grensoverschrijdende aspecten van de gezondheidszorg, en verzoekt de Commissie met concrete voorstellen te komen om vorderingen op dit gebied te stimuleren en te controleren;
28. wijst erop dat een groot aantal patiënten uit verschillende lidstaten in hun eigen land wegens de lange wachtlijsten niet binnen een redelijke termijn de noodzakelijke medische behandeling kunnen krijgen en stelt vast dat deze patiënten derhalve afhankelijk zijn van medische behandeling in het buitenland;
Verbetering van informatie aan patiënten
29. constateert dat patiënten moeilijk toegang kunnen krijgen tot duidelijke en nauwkeurige informatie over gezondheidszorg, met name in verband met grensoverschrijdende gezondheidszorg, en dat de te volgen procedures complex zijn; stelt vast dat dit probleem, dat niet alleen door taalbarrières wordt veroorzaakt, in potentie het gevaar voor de veiligheid van de patiënt vergroot;
30. is van mening dat de EU een belangrijke rol dient te spelen bij de verbetering van de toegang van de patiënt tot informatie over de toegang tot grensoverschrijdende gezondheidszorg;
31. wijst erop dat het op doeltreffende en transparante wijze delen en uitwisselen van informatie over gezondheid een cruciaal vereiste is om te zorgen voor consistentie en handhaving van hoogwaardige gezondheidszorg wanneer gebruik wordt gemaakt van gezondheidszorgdiensten in verschillende lidstaten;
32. is van mening dat het belangrijk is patiënten het recht te bieden gezondheidszorg in een andere lidstaat te kiezen, als zij met deze keuze passende zorg kunnen krijgen, waarbij zij volledig geïnformeerd zijn over de voorwaarden voor toegang tot dergelijke zorg en over de implicaties van een dergelijke keuze, meent dat voorafgaande toestemming voor ziekenhuiszorg overeenkomstig de reeds vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie gemakkelijk moet kunnen worden verkregen, en verzoeken onmiddellijk in behandeling moeten worden genomen en worden beoordeeld op basis van objectieve en neutrale criteria; is van oordeel dat weigering van toestemming moet worden gerechtvaardigd op basis van objectieve redenen die op transparante wijze moeten worden getoetst en gemotiveerd en dat elke weigering moet worden gemotiveerd met verwijzing naar het advies van onafhankelijke deskundigen;
33. dringt aan op een Europees handvest inzake patiëntenrechten op basis van de verschillende handvesten die in de lidstaten bestaan en het door het niet-gouvernementele organisaties verrichte werk;
Vergoeding
34. erkent de bestaande verschillen tussen de zorgstelsels in de lidstaten en de ingewikkelde wettelijke regelingen voor vergoeding; dringt aan op codificatie van de bestaande jurisprudentie inzake de vergoeding van grensoverschrijdende gezondheidszorg ten einde te zorgen voor een correcte toepassing van de jurisprudentie door alle lidstaten en om de voor patiënten, nationale verzekeringsstelsels en zorgverleners beschikbare informatie te verbeteren zonder dat extra bureaucratische rompslomp voor de lidstaten ontstaat;
35. verzoekt de Commissie alle lidstaten aan te moedigen met betrekking tot de vergoeding van grensoverschrijdende gezondheidszorg de bestaande procedures te hanteren; is van mening dat de Commissie de mogelijkheid moet hebben de lidstaten die dit nalaten te vervolgen;
36. dringt aan op de invoering van een Europese referentieregeling inzake vergoeding om de burgers in staat te stellen een en ander te vergelijken en de voor hen meest geschikte keuze qua behandeling te maken;
37. dringt erop te onderzoeken hoe werkzaamheden kunnen worden ondersteund en bevorderd die erop gericht zijn het gebruik van de Europese ziekteverzekeringskaart, met een gestandaardiseerde reeks elektronische patiëntengegevens, algemeen ingang te doen vinden ten einde de procedures voor het verkrijgen van medische hulp in andere lidstaten voor de Europese burgers te vereenvoudigen; is van mening dat de houders van de kaart zelf moeten beslissen over de gegevens die op de kaart worden vermeld; dringt aan op het opstellen van Europese gezondheidsindicatoren om optimaal van dit systeem gebruik te maken; is van mening dat het met het oog op de veiligheid van de patiënt van fundamenteel belang is de nationale autoriteiten aan te sporen informatie uit te wisselen over registratie en disciplinaire aangelegenheden met betrekking tot grensoverschrijdende zorgverleners; acht het wenselijk de Europese ziekteverzekeringskaart (regeling) uit te bouwen tot een systeem van internationale uitwisseling van gegevens over de verzekeringsstatus van de patiënt;
38. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat zorgverleners een duidelijk zichtbaar symbool aanbrengen waaruit (op dezelfde wijze als bij creditcards in hotels of restaurants enz.) blijkt dat een Europese ziekteverzekeringskaart van een patiënt in een bepaalde lidstaat kan worden geaccepteerd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 883/2004; dringt aan op een hoog niveau van gegevensbescherming voor patiënten met betrekking tot grensoverschrijdende samenwerking bij gezondheidsdiensten ten einde de vertrouwelijkheid van gevoelige medische gegevens te waarborgen;
Mobiliteit van gezondheidswerkers
39. wijst erop dat Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(16)
niet alle bestaande lacunes in de regelgeving binnen de EU op het gebied van het vrije verkeer van gezondheidswerkers opvult, met name met betrekking tot permanente educatie, het recht van vestiging en waarborging van de huidige competentie van gezondheidswerkers; benadrukt dat toekomstige wetgeving op dit terrein de verlening van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten en de vestiging van zorgverleners uit andere lidstaten in sterke mate dient te vergemakkelijken;
40. wijst erop dat er in de Unie weliswaar sprake is van een onderlinge erkenning van beroepskwalificaties, maar dat er voor de inhoud van de beroepsopleidingen alsmede de wijze van beroepsuitoefening nog steeds onvoldoende kwaliteitsovereenstemming bestaat;
41. benadrukt dat de Unie overeenkomstig artikel 35 van het Handvest van de grondrechten een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid dient te waarborgen en wijst er in dit verband op dat de kwaliteit van de gezondheidszorg en het vermogen van de sector om personeel aan zich te binden afhangen van de kwaliteit van het werk en de arbeidsomstandigheden van de gezondheidswerkers, zoals rusttijden en opleidingsmogelijkheden; wijst er tevens op dat begeleidende maatregelen zoals kwaliteitscontrole, supervisie en het gebruik van nieuwe informatietechnologieën moeten zorgen voor de best mogelijke medische zorg voor de patiënten;
42. acht het van groot belang dat zorgverleners die in direct contact met de patiënt staan over adaquate kennis van de taal van het ontvangende land beschikken;
43. verzoekt de Commissie een mechanisme in het leven te roepen voor het verzamelen van gegevens en het uitwisselen van informatie tussen de diverse nationale autoriteiten met betrekking tot zorgverleners, een Europese kaart in te voeren met informatie over de vaardigheden van gezondheidswerkers en die informatie aan de patiënten beschikbaar te stellen, alsmede een betrouwbaar gezondheidsinformatiesysteem voor dienstverleners te ontwikkelen, waarbij de nationale autoriteiten worden verplicht dergelijke informatie te delen;
44. verzoekt de Commissie, gezien de groeiende beroepsmobiliteit in Europa, nationale autoriteiten wettelijk te verplichten om informatie over de registratie van, en disciplinaire informatie over beoefenaren van medische beroepen uit te wisselen, ten einde de veiligheid van de patiënt te verzekeren;
45. is verheugd over de werkzaamheden van de grensoverschrijdende gezondheidswerkers welke een goed voorbeeld zijn van nauwe multilaterale samenwerking tussen de regelgevende instanties op het gebied van de gezondheidszorg in de lidstaten;
46. onderstreept de noodzaak om gezondheidswerkers beter te informeren over hun recht op mobiliteit binnen de EU door gebruik te maken van bestaande instrumenten van de Commissie zoals EURES (Europese werkgelegenheidsdiensten);
Wettelijke aansprakelijkheid
47. dringt erop aan dat de patiëntenmobiliteit waarborgen vereist betreffende gelijktijdige en duidelijke regels inzake de aansprakelijkheid voor de verlening van grensoverschrijdende gezondheidsdiensten en de daaruit voortvloeiende noodzaak van gemakkelijke toegang tot rechtsmiddelen en tot de rechter, vooral als behandelingen in meerdere landen hebben plaatsgevonden;
48. wijst erop dat de combinatie van de huidige regels van het internationale privaatrecht inzake rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht, met verschillende communautaire instrumenten, leidt tot een ingewikkeld en moeilijk netwerk van regelingen inzake wettelijke aansprakelijkheid dat gemakkelijke toegang tot de rechter niet bevordert, hetgeen een voorwerp van bijzondere zorg is met betrekking tot de gezondheidsdiensten die gezien hun aard zowel persoonlijk als individueel zijn; wijst er bovendien op dat een patiënt die verhaal zoekt waarschijnlijk niet alleen kwetsbaar is, maar bovendien in zijn eentje moet procederen tegen een instelling of een beroepsorgaan;
49. onderstreept dan ook dat de rechtszekerheid van patiënten en beroepsbeoefenaars dient te worden gewaarborgd en vraagt om verduidelijking van de aansprakelijkheid voor het geval er lichamelijke schade ontstaat; vraagt voorts dat alle gezondheidsmedewerkers worden verplicht te beschikken over een aansprakelijkheidsverzekering, tegen redelijke kosten;
50. onderstreept de noodzaak de bescherming van patiënten te versterken door van de gezondheidswerkers een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te verlangen; wijst er echter op dat zowel het middel om dit te waarborgen als de definitie van een gezondheidswerker wordt vastgesteld door de desbetreffende verzekerings- of andere financiële zekerheidsregelingen die bestaan in elke lidstaat;
51. wijst erop dat medische follow-up in de gezondheidszorg vaak noodzakelijk is; verzoekt om verduidelijking van de regels inzake de verdeling van aansprakelijkheid tussen zorgverleners in verschillende fasen van de behandeling ten einde de continuïteit in de zorg te waarborgen; wijst erop dat de ontwikkelingen inzake telegeneeskunde en E-health dermate omvangrijk zijn dat er nieuwe spelregels moeten worden afgesproken inzake sociale dekking, financiering en toegang tot deze zorg;
Samenwerking tussen de lidstaten
52. is van mening dat de Europese burger door betere samenwerking tussen de gezondheidsstelsels op lokaal, regionaal, intergouvernementeel en Europees niveau toegang dient te kunnen krijgen tot een passende behandeling in andere lidstaten en een betere kwaliteit van de geboden diensten, wat tot meer vertrouwen leidt bij de burger;
53. wijst erop dat grensoverschrijdende samenwerking tussen de betrokkenen ertoe kan leiden dat passende oplossingen worden gevonden, zoals het voorbeeld van Euroregis aantoont;
54. verwacht van de lidstaten een grensoverschrijdende samenwerking bij het aanbieden van gezondheidsdiensten, teneinde hun gezondheidszorgstelsels kosteneffectiever te kunnen maken;
55. verzoekt de Commissie technische normen op te stellen en verzoekt de regeringen van de lidstaten om actieve steun voor de invoering van interoperabele en transparante informatiesystemen die het op doeltreffende wijze delen en uitwisselen van informatie over gezondheid tussen zorgverleners in de verschillende lidstaten mogelijk maken;
56. spoort aan tot het opzetten van netwerken van referentiecentra, met inbegrip van elektronische referentiecentra voor bepaalde zeldzame, specifieke en chronische ziekten en het uitwisselen van kennis tussen de lidstaten over de beste praktijken inzake behandeling en de organisatie van zorgstelsels; verzoekt de Commissie dan ook aanzienlijke middelen toe te kennen voor optimalisering van transnationale administratieve samenwerking;
57. is van mening dat de EU een belangrijke rol kan spelen bij het toegankelijker maken van informatie voor patiënten betreffende grensoverschrijdende mobiliteit, onder meer door Europese gezondheidsindicatoren te bevorderen;
58. erkent dat er vraag is naar goed gereglementeerde, grensoverschrijdende gezondheids- en farmaceutische diensten van hoge kwaliteit, en naar samenwerking en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische ervaringen tussen hooggespecialiseerde medische centra; wijst er evenwel op dat uit onderzoeken blijkt dat de meeste mensen liever een goede behandeling krijgen in de buurt van hun eigen woonplaats; is van mening dat om op dit gebied een zo adequaat mogelijke wetgeving op te stellen, de Commissie eerst uitgebreid onderzoek moet verrichten naar de werkelijke noodzaak van mobiliteit van patiënten en vervolgens naar de patiënten waarvoor mobiliteit van belang kan zijn, waarbij zij beoordeelt welke uitwerking een dergelijke mobiliteit op de gezondheidssystemen heeft;
59. verwacht (met het oog op de bestaande verschillen) dat er tussen de lidstaten zelf oplossingen worden gevonden voor kwesties als toegang tot zorg, kwaliteit van de zorg en kostenbeheersing;
60. is van mening dat de open coördinatiemethode een van de geschikt middelen is om een nauwere samenwerking tussen de lidstaten te organiseren;
61. staat de ontwikkeling van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten, regio's, lokale overheden en tussen de actoren in de gezondheidszorg voor, waarmee meerdere landen zouden kunnen beschikken over materiaal en personeel in grensoverschrijdende gebieden en kennis, met name in gebieden met grote aantallen bezoekers voor korte tijd, en kennis en vaardigheden zouden kunnen worden uitgewisseld;
62. dringt aan op het creëren en gebruiken van een één-loket op basis van bestaande communautaire instrumenten, in overeenstemming met het specifieke karakter van de organisatie van elk zorgstelsel, waarmee patiënten, gezondheidswerkers, zorginstellingen en de bevoegde autoriteiten toegang krijgen tot objectieve en onafhankelijke informatie; is van mening dat gezondheidswerkers patiënten kunnen bijstaan bij het zoeken naar deze informatie;
63. moedigt de Commissie aan gebruik te maken van alle bestaande instrumenten zoals SOLVIT en inbreukprocedures ten einde patiënten bij te staan aan wie vergoeding (voor andere dan ziekenhuiszorg) of toestemming (voor ziekenhuiszorg) is geweigerd, zelfs al is voldaan aan de voorwaarden zoals in de jurisprudentie vastgesteld;
64. moedigt de Commissie aan door te gaan met het verzamelen van gegevens van de lidstaten en verder trends en uitdagingen te analyseren die te maken hebben met de grensoverschrijdende mobiliteit van patiënten en gezondheidswerkers;
Conclusies
65. verzoekt de Commissie haar beleid inzake de vervolging van schendingen van de EU-wetgeving te versterken ten einde ervoor te zorgen dat alle lidstaten voldoen aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie en dat de bij verdrag verleende rechten ongeacht het land van herkomst ten goede komen aan alle Europese patiënten;
66. nodigt de Commissie uit de Raad en het Parlement een voorstel voor een richtlijn te presenteren voor een passend instrument, met name met het oog op de codificatie van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
67. verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen waarin zij rekening houdt met deze resolutie met de arresten van het Hof van Justitie inzake de rechten van patiënten; roept ertoe op te garanderen dat patiënten de grootst mogelijke toegang tot gezondheidsdiensten hebben in heel Europa, en tevens te garanderen dat zorgverleners gebruik kunnen maken van de vrijheid van dienstverlening en de vrijheid van vestiging;
68. wijst er met nadruk op dat, aangezien het voorstel van de Commissie om gezondheidsvraagstukken te regelen in Richtlijn 2006/123/EG niet werd aanvaard door het Europees Parlement en de Raad, thans verdere stappen nodig zijn om bestaande rechten te handhaven; verzoekt derhalve de Commissie als hoedster van de Verdragen, de handhaving van die rechten te waarborgen;
69. is van mening dat een nieuw Europees regulerend kader voor grensoverschrijdende gezondheidszorg vooral gericht moet zijn op een betere toegang tot goede gezondheidszorg bij ziekte, moet bijdragen aan de veiligheid van de patiënt en de keuzemogelijkheden moet vergroten voor alle patiënten in de Europese Unie, zonder de ongelijkheid in de verstrekking van medische zorg te vergroten;
o o o
70. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.