Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2624(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B6-0351/2007

Debatten :

PV 25/09/2007 - 5
CRE 25/09/2007 - 5

Stemmingen :

PV 26/09/2007 - 6.4

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0412

Aangenomen teksten
DOC 46k
Woensdag 26 september 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
In China vervaardigd gevaarlijk speelgoed
P6_TA(2007)0412B6-0351, 0352, 0353, 0354, 0355 en 0356/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 26 september 2007 over de veiligheid van industriële producten, vooral speelgoed

Het Europees Parlement ,

–   gezien Richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de veiligheid van speelgoed(1) (de Speelgoedrichtlijn),

–   gezien Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid(2) ,

–   gezien de adviezen van de wetenschappelijke comités van de Commissie en haar verschillende studies over de veiligheid van speelgoed,

–   gezien de internationale overeenkomsten met derde landen over de veiligheid van industriële producten, vooral speelgoed,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat er in augustus en september 2007 in de EU door een reeks vrijwillige en grootschalige terugroepingen van onveilig speelgoed dat een gevaar voor de gezondheid betekent, ongerustheid onder het publiek gerezen is,

B.   overwegende dat de terugroepingen de aandacht op het probleem gevestigd hebben dat er ondanks de harmonisering van producten en het toezicht op de gehele EU-markt nog altijd onveilige producten gemaakt, ingevoerd en in de EU op de markt gebracht worden,

C.   overwegende dat hoogwaardige bescherming van de consument een sociale en beleidsprioriteit is waarvoor de verantwoordelijkheid bij de wetgever berust, die voor productveiligheid in de volledige keten van economische activiteiten moet zorgen (leveranciers, fabrikanten, invoerders),

D.   overwegende dat de vrijwillige terugroepingen voor een deel ingegeven zijn door verwondingen en voor een ander deel aan de controle van de betreffende bedrijven te danken zijn, maar niet aan doelmatig toezicht op de markt, en dat er reële ongerustheid heerst dat niet alle fabrikanten en invoerders zich aan de regels houden,

E.   overwegende dat 48% van de onveilige producten die in 2006 ontdekt zijn, uit China kwamen, 21% uit de EU-25, en 17% van onbekende oorsprong waren, terwijl 24% van alle producten die onveilig bevonden worden, kinderspeelgoed zijn, en dat een bijzonder groot aandeel van het speelgoed dat in de EU op de markt gebracht wordt, uit China afkomstig is,

F.   overwegende dat terugroeping van onveilig speelgoed volkomen verantwoord is, maar niet meer als een laatste redmiddel vertegenwoordigt, dat niet voor doelmatige bescherming van de consument zorgt, want - afgezien van het feit dat de terugroeping dikwijls op een laat tijdstip gebeurt - het percentage artikelen die bij terugroeping van speelgoed terugkomen, ligt over het algemeen zeer laag, zodat de overgrote meerderheid onveilige speelgoedartikelen normalerwijs dus in handen van de consument blijft,

G.   overwegende dat het toezicht op de markten, de controle bij toegang tot de EU en het verbod op verhandeling van onveilige producten onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen,

H.   overwegende dat de Commissie een voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad over een gemeenschappelijk raamwerk voor de toegang van producten tot de markt (COM(2007)0053), heeft voorbereid, alsmede een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende voorschriften voor erkenning en toezicht bij de verhandeling van producten (COM(2007)0037),

1.   vraagt de Commissie en de lidstaten om alle nodige wetgevende en administratieve stappen te ondernemen om te zorgen dat verbruiksartikelen die in de EU op de markt gebracht worden, niet alleen volledig aan de bestaande EU-normen voldoen maar ook de veiligheid en gezondheid van de consument niet in gevaar brengen;

Herziening van de Speelgoedrichtlijn

2.   vraagt de Commissie om de geplande herziening van de Speelgoedrichtlijn tegen einde 2007 voor te leggen en te zorgen dat ze daadwerkelijke en doelgerichte eisen voor de productveiligheid stelt - aangezien overwegingen van volksgezondheid en consumentenbescherming een belangrijk deel van de speelgoedrichtlijn vertegenwoordigen, zijn er veel duidelijker bepalingen nodig om de veiligheid van de producten te verzekeren en de verbruikers vertrouwen in het veilig gebruik te geven;

3.   vraagt de Commissie om bij de herziening van de Speelgoedrichtlijn een werkwijze te volgen waarbij specifieke uitvoeringsmaatregelen bij de voornaamste bepalingen via een volgens de regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld comitologiebesluit aangenomen worden, zodat het Parlement tot op zekere hoogte toezicht op de uitvoering van de veiligheidsvoorschriften voor speelgoed kan uitoefenen;

4.   vraagt de Commissie om bij de herziening van de Speelgoedrichtlijn bepaalde gevaarlijke chemische stoffen onvoorwaardelijk te verbieden, zoals alle stoffen die kankerverwekkend zijn, mutaties kunnen veroorzaken of giftig voor het voortplantingstelsel zijn in categorie 1, 2 of 3, en andere giftige stoffen die evenzeer verontrustend zijn, zoals hormoonontregelaars, gevoeligmakers en geurstoffen;

5.   vraagt de Commissie om de tenuitvoerlegging van de Speelgoedrichtlijn te verbeteren, o.a. met daadwerkelijke sancties bij overtreding;

Toezicht op CE- en andere keurmerken

6.   vraagt de Commissie om ervoor te zorgen dat het CE-merk de waarborg van overeenstemming met de technische regelgeving van de EU geeft, en wijst er met nadruk op dat het CE-merk door zijn zelfregulerend karakter nooit als veiligheidskeurmerk voor heel het grondgebied van de EU bedoeld is;

7.   dringt er bij de Commissie op aan om de toegevoegde waarde van een gemeenschappelijk Europees veiligheidsmerk voor de consument te onderzoeken, ter aanvulling van het CE-merk en van toepassing op heel het bedrijfsleven, om de consument een verantwoorde keuze in het productaanbod te helpen maken;

8.   benadrukt dat dit Europees veiligheidsmerk een vrijwillig karakter moet dragen en als het door een fabrikant gebruikt wordt, alle nationale veiligheidsmerken moet vervangen;

9.   moedigt de Commissie aan om samen met de lidstaten krachtig op te treden om de rechten van de consument te beschermen in elk geval van bedrieglijk opzet en/of gebruik van vervalste of misleidende herkomstmerken door buitenlandse producenten en importeurs;

10.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de goede betrouwbaarheid van het CE-merk te verzekeren door de wetgevende voorstellen voor verplichte strengere controle en toezicht op de markt, samen met degelijk toezicht door de douanediensten en de uitvoeringsprocedures spoedig aan te nemen;

11.   vraagt de Commissie om de aansprakelijkheid van producenten en invoerders in geval van misbruik van het CE-merk duidelijk vast te leggen ; meent dat er doeltreffende strafmaatregelen tegen misbruik ingevoerd moeten worden en wenst dat ook misbruik van andere keurmerken op vrijwillige basis aan sancties onderworpen wordt;

Rapex

12.   vraagt de Commissie om de doelmatigheid van het systeem voor snelle uitwisseling van informatie (Rapex) te verbeteren zodat de lidstaten onveilige producten zoveel mogelijk kunnen ontdekken en er zo voor kunnen zorgen dat ze uit de markt worden genomen dan wel teruggeroepen;

13.   vraagt de Commissie om in het Rapex-systeem ook toezicht en rapportering op te nemen, zodat het mogelijk wordt om de doelmatigheid van de terugroeping van producten na te gaan;

Naspeurbaarheid van producten en maatregelen tegen namaak

14.   meent dat de verbruiker het recht heeft om de herkomst van de producten te kennen die in de EU ingevoerd worden en dat de toeziende overheden over de nodige gegevens moeten beschikken om de oorsprong van de producten te kunnen achterhalen;

15.   vraagt de Raad om onverwijld zijn instemming met het lopend voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad op de aanduiding van het land van oorsprong op bepaalde producten uit derde landen te geven (COM(2005)0661);

16.   wijst op het groeiend probleem van namaakproducten voor de veiligheid van de consument en vraagt de Raad en de Commissie om de uitwisseling van informatie en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren om toezicht te houden op nagemaakte invoerproducten en deze te vernietigen;

Invoerverbod voor gevaarlijke verbruiksartikelen

17.   vraagt de Commissie om geval per geval de procedure te verduidelijken met betrekking tot invoerverboden als blijkt dat de veiligheidsvoorschriften regelmatig niet vervuld zijn;

18.   dringt er bij de Commissie op aan om gebruik te maken van haar bevoegdheid om verbruiksartikelen van de EU-markt te verwijderen als ze niet veilig blijken;

Samenwerking met China en andere derde landen

19.   vraagt de Commissie en de lidstaten om de samenwerking met de bevoegde overheden van derde landen uit te breiden die belangrijke uitvoerders van verbruiksartikelen naar de EU zijn, vooral het Chinees algemeen bestuur kwaliteitscontrole, -inspectie en quarantaine (Aqsiq), met name door en technische bijstand te verlenen voor de inachtneming van de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften en betere samenwerking van de douanediensten;

20.   vraagt de Commissie om de overheidsdiensten van derde landen technische bijstand te verlenen om de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften over heel het productieproces in acht te kunnen nemen en de samenwerking van inspectie- en douanediensten te verbeteren;

21.   vraagt de Commissie om haar lopende handelsbeleid tegenover mogelijk gevaarlijke producten in het algemeen, en speelgoed en textielproducten in het bijzonder te verduidelijken en aan te geven hoe ze de restrictieve toepassing van de bestaande regels in overeenstemming denkt te brengen met de dwingende noodzaak om het recht van de Europese burgers op gezonde producten te waarborgen;

22.   vraagt de Commissie om in de onderhandelingen over de volgende generatie partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en vrijhandelsakkoorden ook gemeenschappelijke veiligheids- en gezondheidsnormen ter sprake te brengen en procedures uit te werken om na te gaan in hoeverre de normen in acht genomen worden;

23.   vraagt de lidstaten om actief samen te werken met alle handelspartners om toezicht te houden op de markt en de veiligheid van de producten te verzekeren ; vraagt de Transatlantische Economische Raad (TEC) om markttoezicht en productveiligheid in de lijst van aangelegenheden op te nemen die voor bespreking in aanmerking komen;

Rol van de lidstaten

24.   vraagt de lidstaten om voor strikte inachtneming van de wetten op de kwaliteit van producten te zorgen, vooral de wetten op de veiligheid van speelgoedartikelen, en om meer inspanningen te leveren om het toezicht op de markt en vooral de nationale inspectie te verbeteren;

25.   vraagt de lidstaten om voldoende middelen beschikbaar te stellen om daadwerkelijke en volledige controle te kunnen uitoefenen; vraagt ze om actief alle aanwijzingen over gebrekkige producten op te volgen en o.a. ook gevoelige verbruiksartikelen aan tests te onderwerpen;

26.   vraagt de lidstaten om, met inachtneming van de Gemeenschapswetgeving volledig gebruik te maken van alle wettelijke mogelijkheden waar ze over beschikken om te zorgen dat speelgoedartikelen die niet aan de voorschriften voldoen of onveilig zijn, niet op de markt gebracht of van de markt verwijderd of teruggeroepen worden;

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 187 van 16.7.1988, blz. 1.
(2) PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

Laatst bijgewerkt op: 2 juni 2008Juridische mededeling