Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2646(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0412/2007

Debatten :

PV 25/10/2007 - 13.1
CRE 25/10/2007 - 13.1

Stemmingen :

PV 25/10/2007 - 14.1
CRE 25/10/2007 - 14.1

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0488

Aangenomen teksten
DOC 51k
Donderdag 25 oktober 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
Iran
P6_TA(2007)0488B6-0406, 0407, 0410, 0412, 0418 en 0419/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2007 over Iran

Het Europees Parlement ,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Iran, en met name die welke de mensenrechten in dat land betreffen,

–   gezien de Universele Verklaring inzake de rechten van de mens van de Verenigde Naties, het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Verdrag inzake de rechten van het kind, verdragen die door Iran zijn ondertekend,

–   gezien de dialoog inzake mensenrechten tussen de EU en Iran,

–   gezien de verklaring van zijn Voorzitter over het ter dood stenigen van een man in Iran, de verklaring van het voorzitterschap van de EU en de verklaring van Commissaris Ferrero-Waldner over de dood door steniging van Jafar Kiani,

–   gelet op de verklaringen die het Voorzitterschap op 25 mei 2007 en 3 augustus 2007 namens de EU heeft afgelegd over het doodvonnis voor Sian Paymard, de doodvonnissen voor Adnan Hassanpour en Abdolvahed "Hiva" Botimar, de aanstaande executie van Behnam Zare en het doodvonnis voor Ali Mahin Torabi,

–   gelet op artikel 115, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat in de Islamitische Republiek Iran de situatie met betrekking tot de mensenrechten en politieke vrijheden in de afgelopen twee jaar is verslechterd, vooral sinds de presidentsverkiezingen van juni 2005, ondanks het feit dat Iran heeft toegezegd de in het kader van diverse internationale overeenkomsten vastgelegde mensenrechten en fundamentele vrijheden te respecteren en te beschermen,

B.   gelet op de dramatische stijging van het aantal executies in Iran, waaronder executies van minderjarigen en homoseksuelen, vaak door openbare ophanging of steniging, en overwegende dat het aantal executies dat sinds het begin van 2007 geregistreerd is ten minste 244 bedraagt(1) , een aantal dat aanmerkelijk hoger is dan de 177 executies in 2006,

C.   overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, op haar 62ste zitting in 2007, zal stemmen over een resolutie waarin wordt aangedrongen op een wereldwijd moratorium op executies, als een eerste stap in de richting van de afschaffing van de doodstraf,

D.   overwegende dat met de vonnissen van Adnan Hassanpour en Abdolvahed Botimar voor de eerste keer sprake is van journalisten die ter dood zijn veroordeeld,

E.   overwegende dat foltering en mishandeling van gevangenen, eenzame opsluiting, clandestiene detentie en de toepassing van wrede, onmenselijke en vernederende straffen en onschendbaarheid voor staatsfunctionarissen in Iran nog steeds heel gangbare praktijken zijn;

F.   overwegende dat een toenemend aantal intellectuelen in hechtenis wordt gehouden en dat de golf van repressie zich onlangs heeft uitgebreid tot personen met een dubbele nationaliteit, welke het mikpunt worden van bijzonder ernstige aanklachten inzake samenwerking met vreemde mogendheden en spionage,

G.   overwegende dat diverse activisten van de vrouwenbeweging vervolgd zijn of worden wegens hun betrokkenheid bij de campagne "een miljoen handtekeningen", welke tot doel heeft de intrekking te bewerkstelligen van wetten die discriminerend zijn tegen vrouwen, waarbij het voornemen is om dat miljoen handtekeningen aan te bieden aan het nationale parlement (de Majlis),

H.   overwegende dat Iran nog steeds geen partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen,

I.   overwegende dat de Iraanse autoriteiten in juni 2007 in Teheran een respressieve actie hebben ondernomen tegen twee studentenorganisaties, waarbij een groot aantal studenten werd gearresteerd, ook al is een aantal van hen vervolgens weer tegen een borgsom vrijgelaten; overwegende dat ook de vereniging van oud-studenten in Iran verboden werd, zulks in schending van de Iraanse wetgeving en de internationale mensenrechtennormen inzake vrijheid van vereniging,

J.   overwegende dat het Ministerie voor Cultuur en islamitische leidsnoeren procedurele richtlijnen voor publicaties heeft afgekondigd, hetgeen geleid heeft tot een verscherping van de censuur, en dat journalisten vaker worden lastiggevallen en in hechtenis genomen, terwijl het tegelijkertijd regelmatig voorkomt dat persorganen en andere media door de autoriteiten worden gesloten,

K.   overwegende dat de onderdrukking van de vakbondsbeweging verscherpt is door de arrestatie van gerenommeerde leiders als Mansour Osanlou - voorzitter van de vakbond voor arbeiders van Teheran voor buschauffeurs (SWTBC) - en zijn plaatsvervanger Ebrahim Madadi, alsook Mahmoud Salehi, de voormalige voorzitter van de Unie van bakkerijpersoneel,

L.   overwegende dat minderheden in toenemende mate gediscrimineerd en in het nauw gedreven worden vanwege hun godsdienstige of etnische achtergrond, vooral in de grensregio's (Koerdistan, Khoezistan, Sistan-Baloetsjistan, Azerbeidzjan), waarbij middelen worden aangewend als langdurige hechtenis en de terdoodveroordeling van enkele van hun leden,

M.   overwegende dat leden van de religieuze gemeenschap der Baha'i hun geloof niet kunnen uitoefenen, aan ernstige vervolgingen blootgesteld staan en beroofd zijn van vrijwel al hun burgerrechten (bv. recht op eigendom, toegang tot hoger onderwijs), terwijl hun religieuze gebouwen aan vernieling worden blootgesteld,

N.   overwegende dat Iraanse asielzoekers, die door derde landen naar Iran zijn teruggestuurd, ernstige risico's van vervolging lopen, zoals blijkt uit het recente geval van Rasool Ali Mezrea - een lid van de Al Ahwaz Bevrijdingsorganisatie, die met executie bedreigd wordt nadat hij onder dwang uit Syrië werd uitgezet - ondanks zijn status van een door het Hoge Commissariaat voor de vluchtelingen van de VN erkende vluchteling,

1.   geeft uitdrukking aan zijn diepe bezorgdheid over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran in de afgelopen jaren; doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om hun verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de internationale mensenrechtennormen en de door Iran geratificeerde verdragsteksten, door universele waarden te verdedigen en alle personen het recht toe te kennen om van hun burgerrechten en politieke vrijheden gebruik te maken;

2.   spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de executie door steniging van Jafar Kiani op 5 juli 2007 in het dorp Aghche-kand (provincie Qazvin) en doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om uitvoering te geven aan het door hen afgekondigde moratorium op steniging; eist dat het Iraanse islamitische wetboek van strafrecht herzien wordt, zodat steniging wordt afgeschaft;

3.   is ernstig bezorgd over de dramatische toename van de onderdrukking van maatschappelijke organisaties in Iran in het afgelopen jaar; verzoekt de autoriteiten van Iran een einde te maken aan de wrede onderdrukking van personen die vrouwenrechten verdedigen, van activisten voor de campagne "één miljoen handtekeningen", studentenbewegingen, verdedigers van minderheidsrechten, intellectuelen, leraren, journalisten, bloggers en vakbondsactivisten;

4.   herinnert de regering van Iran aan haar verplichtingen, als verdragspartner bij het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, om fundamentele mensenrechten te handhaven, en met name de vrijheid van meningsuiting te respecteren, en dringt aan op invrijheidstelling van alle gewetensgevangenen;

5.   is onthutst over het explosief toenemende aantal geregistreerde executies, waarbij de geëxecuteerden in vele gevallen geen eerlijk proces hebben gehad;

6.   dringt er bij de Iraanse regering op aan om volledig te hand te houden aan zijn wetboek voor de strafrechtelijke procedure en om aan alle personen een recht op een eerlijk proces toe te kennen, in het kader waarvan zij met name vanaf het begin van de gerechtelijke procedure toegang moeten krijgen tot een advocaat; dringt aan op de onvoorwaardelijke verstrekking van adequate medische bijstand aan gevangenen die in een slechte gezondheidstoestand verkeren;

7.   spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de doodvonnissen en executies in Iran, en in het bijzonder die welke jeugdige overtreders en minderjarigen betreffen, en dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan om zich te houden aan de internationaal erkende juridische garanties met betrekking tot minderjarigen, zoals het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

8.   dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan om praktische uitvoering te geven aan het verbod op foltering, dat in april 2004 door het hoofd van de rechterlijke macht was aangekondigd;

9.   doet een beroep op het Iraanse parlement om wijzigingen te brengen in de Iraanse perswetgeving en het Iraanse wetboek van strafrecht, teneinde deze in overeenstemming te brengen met het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, en daarin met name alle strafrechtelijke bepalingen te schrappen die betrekking hebben op de vreedzame uiting van meningen, met inbegrip van de pers;

10.   verlangt dat de vele persorganen die gesloten zijn of aan censuur werden onderworpen weer kunnen functioneren onder duidelijke regels, die de persvrijheid garanderen;

11.   doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om meer vaart te zetten achter het onderzoek naar verdachte gevallen van het overlijden van of de moord op intellectuelen en politieke activisten, zodat de vermoedelijke daders voor de rechter worden gebracht;

12.   doet een beroep op de leden van Majlis om dringend wijzigingen aan te brengen in het Wetboek van strafrecht, teneinde het moratorium op steniging om te zetten in een definitief verbod, en wetgeving aan te nemen die het onmogelijk maakt om minderjarige personen te executeren en de doodstraf uit te spreken in gevallen van homoseksuele handelingen en overspel;

13.   doet een beroep op de autoriteiten van Iran om in zaken waarin de doodstraf kan worden uitgesproken alle vereiste juridische garanties te bieden en het aantal overtredingen waarvoor dat met de doodstraf kan worden bestraft te beperken, als een eerste stap op weg naar de totale afschaffing van deze straf; doet een beroep op het volk van Iran om zijn steun te verlenen aan de campagne getiteld "stop de doodstraf: de wereld neemt een besluit", die georganiseerd is door de Wereldcoalitie tegen de doodstraf (WCADP) en andere niet-gouvernementele organisaties;

14.   doet een beroep op de autoriteiten om zich te houden aan internationaal erkende juridische garanties met betrekking tot personen die tot religieuze minderheden behoren, of deze nu erkend zijn of niet; veroordeelt de huidige misachting van minderheidsrechten en eist dat minderheden de mogelijkheid krijgen om alle rechten uit te oefenen die krachtens de Iraanse grondwet en de internationale wetgeving verleend worden; dringt er verder bij de autoriteiten op aan om een einde te maken aan vormen van discriminatie op grond van religie of etnische oorsprong en tegen personen die tot minderheden behoren, zoals de Koerden, Azeri's, Arabieren, Baloetsji's en Baha'i; dringt er met name op aan dat het de facto bestaande verbod op de uitoefening van het Baha'i geloof wordt opgeheven;

15.   verzoekt de autoriteiten van Iran om onmiddellijke invrijheidsstelling van alle gewetensgevangenen, en in het bijzonder van de journalisten Emaddedin Baghi, Ako Kurdnasab, Ejlal Ghavami, Mohammad Sadegh Kaboudvand, Said Matinpour, Adnan Hassanpour, Abdolvahed Botimar, Kaveh Javanmard en Mohammad Hassan Fallahieh, de vakbondsleden Mansour Osanlou, Ebrahim Madadi en Mahmoud Salehi en de studenten Ehsan Mansouri, Majid Tavakoli en Ahmad Ghassaban; veroordeelt de arrestatie en de gevangenhouding van de mensenrechtenactivist Dr. Sohrab Razzaghi op 24 oktober 2007 en dringt aan op zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating."

16.   dringt er bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op aan om goedkeuring te hechten aan een resolutie waarin de schendingen van de mensenrechten in Iran expliciet en krachtdadig worden veroordeeld en om dringend maatregelen te nemen om een halt toe te roepen aan de recente golf van executies in dat land;

17.   doet een beroep op de Raad en de Commissie om de ontwikkelingen in Iran nauwgezet te volgen en ook concrete gevallen van schendingen van mensenrechten aan de orde te stellen; doet een beroep op de Raad en de Commissie om verslag uit te brengen over het toezicht dat zij houden op de situatie in Iran;

18.   stelt voor nieuw leven in te blazen aan de mensenrechtendialoog tussen Iran en de EU, die sinds juni 2004 is onderbroken;

19.   spreekt nogmaals zijn steun uit voor alle organisaties en personen in Iran die naar dialoog streven in hun strijd om democratische rechten;

20.   doet een beroep op de Commissie om naar beste vermogen steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties en academische, sociaal-economische en culturele uitwisselingen tussen Europa en Iran, zulks in het belang van een open dialoog, met name in het kader van het nieuwe instrument voor democratie en mensenrechten;

21.   doet een beroep op de lidstaten van de EU om zich te onthouden van uitzettingen van Iraanse asielzoekers, met inbegrip van personen die op grond van hun seksuele oriëntatie vervolgd worden, en doet een beroep op de Griekse regering om niet over te gaan tot de uitzetting naar Iran van Mohammad Hassan Talebi, Mohammad Hossein Jaafari en Vahid Shokoohi Nia;

22.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN mensenrechtenraad, het hoofd van het Opperste Gerechtshof van Iran en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) Bron: Amnesty International van 18 oktober 2007.

Laatst bijgewerkt op: 15 augustus 2008Juridische mededeling