Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2678(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0545/2007

Debatten :

PV 12/12/2007 - 11
CRE 12/12/2007 - 11

Stemmingen :

PV 13/12/2007 - 6.8
CRE 13/12/2007 - 6.8

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0622

Aangenomen teksten
DOC 52k
Donderdag 13 december 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
De EU-China-top - De mensenrechtendialoog tussen de EU en China
P6_TA(2007)0622B6-0543, 0544, 0545, 0546, 0547 en 0548/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2007 over de EU-China-top - De mensenrechtendialoog tussen de EU en China

Het Europees Parlement ,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de tiende China-EU-top op 28 november 2007 in Beijing,

–   gezien de openbare hoorzitting op 26 november 2007 door zijn Subcommissie mensenrechten over de mensenrechten in China in de aanloop naar de Olympische Spelen,

–   naar aanleiding van de dialoogrondes tussen de EU en China over de mensenrechten, die op 17 oktober 2007 in Beijing en op 15 en 16 mei 2007 in Berlijn zijn gehouden,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2007 over het functioneren van de mensenrechtendialogen en het mensenrechtenoverleg met derde landen(1) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 februari 2007 over de dialoog tussen de Chinese regering en gezanten van de Dalai Lama(2) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(3) en naar zijn vorige resoluties over China,

–   gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen, goedgekeurd op 13 december 2001, en de evaluatie van de uitvoering hiervan, goedgekeurd op 9 december 2004,

–   onder verwijzing naar zijn vorige jaarlijkse resoluties over de mensenrechten in de wereld,

–   gezien het VN-bestand ter gelegenheid van de Olympische Spelen ("UN Olympics Truce"), goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN op 31 oktober 2007 (A/RES/62/4), waarbij de VN-lidstaten wordt verzocht tijdens de Olympische Spelen vrede in acht te nemen en de vrede te bevorderen,

–   gezien de 60ste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat sedert de instelling van het mechanisme van de topontmoetingen tussen de EU en China in 1998, de betrekkingen tussen China en de EU op politiek en economisch vlak sterk zijn ontwikkeld,

B.   overwegende dat ieder besluit om een mensenrechtendialoog aan te knopen wordt genomen op basis van bepaalde door de Raad vastgestelde criteria, die met name rekening houden met de voornaamste zorgen van de EU over de situatie van de mensenrechten in het land in kwestie, een oprecht engagement met betrekking tot een dergelijke dialoog bij de autoriteiten van het land in kwestie om de mensenrechtensituatie in de praktijk te verbeteren, en de positieve gevolgen die de mensenrechtendialoog voor de mensenrechtensituatie kan hebben,

C.   overwegende dat de Olympische Spelen van Beijing in 2008 een ideale gelegenheid zouden moeten zijn om de aandacht van de wereld te vestigen op de mensenrechtensituatie in China,

D.   overwegende dat de EU gebaseerd is op en gedefinieerd wordt door haar gehechtheid aan de principes van vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat; overwegende dat de EU van mening is dat het aanhangen van deze principes de voorwaarde is voor vrede en stabiliteit in om het even welke maatschappij,

E.   overwegende dat het strategisch partnerschap EU-China van grote betekenis is voor de betrekkingen tussen de EU en China en dat een volwaardig partnerschap gebaseerd moet zijn op gemeenschappelijke waarden,

F.   overwegende dat de versterking en de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en China zou kunnen bijdragen tot het ontwikkelen van gelijklopende standpunten ten aanzien van maatregelen om wereldwijde problemen aan te pakken zoals klimaatverandering, veiligheid, terrorisme en non-proliferatie van wapens,

G.  overwegende dat er aanhoudend sprake is van verontrustende berichten over politieke repressie, met name van journalisten, mensenrechtenactivisten, leden van religieuze en etnische minderheden, beschuldigingen van foltering, wijdverbreide toepassing van dwangarbeid, frequent gebruik van de doodstraf en stelselmatige onderdrukking van de vrijheid van religie, meningsuiting en de media, met inbegrip van het internet, en de strenge controles die de Chinese regering uitoefent met betrekking tot informatie over en toegang tot de Tibetaanse gebieden in China; overwegende dat het derhalve moeilijk is om op een accurate manier de omvang van de schendingen van de mensenrechten te bepalen,

H.  overwegende dat het Chinese engagement en de Chinese invloed in de wereld het laatste decennium aanzienlijk zijn toegenomen, en overwegende dat geloofwaardigheid, democratische waarden en verantwoordelijkheidsbesef de wezenlijke grondslagen moeten vormen van de betrekkingen tussen de EU en China,

EU-China-top

1.   is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van de tiende topconferentie EU-China, waarin beide zijden andermaal bevestigen grote waarde te hechten aan de ontwikkeling van een veelomvattend strategisch partnerschap ter oplossing van mondiale kwesties, alsmede aan de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en China en hun nauwere samenwerking om een breed scala van vraagstukken aan te pakken;

2.   betreurt het feit dat de Raad en de Commissie eens te meer hebben nagelaten om de mensenrechtenkwesties op krachtige en behoorlijke wijze ter sprake te brengen op de EU-China-top teneinde meer politiek gewicht aan de bezorgdheid met betrekking tot de mensenrechten te geven, en dat de EU niet van de gelegenheid van de naderende Olympische Spelen gebruik heeft gemaakt om de ernstige bezorgdheid over de mensenrechten in China ter sprake te brengen;

3.   roept China en de EU op te zorgen voor een evenwichtiger economisch en handelspartnerschap, dat moet leiden tot duurzame groei en sociale ontwikkeling, met name op het gebied van klimaatverandering, milieu en energie;

4.   is van mening dat piraterij en namaak van Europese producten en merken door Chinese bedrijven een ernstige schending betekenen van de internationale handelsregels en dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten (IPR) drastisch te verbeteren;

5.   dringt tegelijkertijd aan op meer coherentie en consistentie tussen mensenrechten, handel en veiligheid; dringt er bijgevolg bij de EU op aan ervoor te zorgen dat een verbetering van haar handelsbetrekkingen met China afhankelijk worden gesteld van hervormingen op het gebied van de mensenrechten en verzoekt de Raad in dit verband een algemene evaluatie van de mensenrechtensituatie te maken vooraleer een nieuwe kaderovereenkomst voor partnerschap en samenwerking (PCFA) wordt afgesloten;

6.   is bijgevolg verheugd over het op gang brengen van de onderhandelingen over een PCFA die alle facetten van de bilaterale betrekkingen EU-China zal omvatten, met inbegrip van een doeltreffende en operationele mensenrechtenclausule, alsmede nauwere en verbeterde samenwerking op politiek terrein; herhaalt zijn verzoek om het Europees Parlement te betrekken in alle toekomstige bilaterale betrekkingen tussen de partijen, rekening houdend met het feit dat er zonder de formele instemming van het Parlement geen PCFA kan bestaan;

7.   dringt erop aan het na de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede ingestelde wapenembargo van de EU tegen China te handhaven totdat substantiële vooruitgang is geboekt op het gebied van de mensenrechten; herinnert de EU-lidstaten eraan dat de EU-gedragscode inzake wapenexport een criterium bevat dat de mensenrechten in het uiteindelijke land van bestemming van deze export moeten worden geëerbiedigd;

8.   is bezorgd dat, hoewel de Chinese regering herhaaldelijk heeft verklaard de intentie te hebben het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) te ratificeren, deze ratificatie nog altijd niet heeft plaatsgehad; dringt er derhalve bij China op aan om zonder verder uitstel dit verdrag te ratificeren en te implementeren;

Mensenrechtendialoog tussen de EU en China

9.   betreurt dat de prestaties van China op het gebied van mensenrechten ernstige bezorgdheid blijven wekken; benadrukt daarom dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en China aanzienlijk moet worden geïntensiveerd en verbeterd; verzoekt de Raad aan het Parlement een gedetailleerder verslag uit te brengen; is van mening dat het juridische seminar van de EU en China over mensenrechten, dat aan de dialoog vooraf placht te gaan, ook in de toekomst moet worden georganiseerd, met de deelname van vertegenwoordigers van de academische gemeenschap en de civiele samenleving en is in dit verband ingenomen met de oprichting van een academisch netwerk tussen de EU en China over mensenrechten, in het kader van doelstelling 3 van het Europees Instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR); verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat dit netwerk daadwerkelijk functioneert in samenwerking met het Europees Parlement;

10.   is van mening dat de kwesties die in de opeenvolgende dialoogrondes met China aan de orde zijn gekomen, zoals de ratificatie van het ICCPR, de hervorming van het strafrechtsysteem, met inbegrip van de doodstraf en heropvoeding door arbeid, de vrijheid van meningsuiting, met name op het Internet, de persvrijheid, de vrije toegang tot informatie, de vrijheid van geweten, gedachte en godsdienst, de situatie van minderheden in Tibet, de invrijheidstelling van hen die na de gebeurtenissen op het Tiananmenplein in hechtenis zijn genomen en werknemersrechten en andere rechten, voortdurend aan de orde moeten worden gesteld in de context van de dialoog, met name met het oog op de toepassing van door beide partijen onderschreven aanbevelingen die voortvloeien uit eerdere dialoogrondes en seminars over juridische aangelegenheden; doet in dit verband een beroep op de Raad een uitbreiding van de termijn voor de dialoog in overweging te nemen en meer tijd te reserveren voor debatten over de genoemde kwesties; verzoekt de Raad en de Commissie voorts bijzondere aandacht te besteden aan de naleving van de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name de conventies inzake onafhankelijke vakbonden en kinderarbeid;

11.   neemt nota van de Chinese toezegging tot ondersteuning van de raad voor de mensenrechten van de VN bij de uitvoering van zijn taak mensenrechtenkwesties op een geloofwaardige, objectieve en niet-selectieve wijze te behandelen en roept op omm nauwer samen te werken binnen het VN-systeem alsook met de mensenrechtenmechanismen van de VN en de internationale normen voor de mensenrechten die in de relevante internationale mensenrechteninstrumenten zijn opgenomen, in acht te nemen, zoals de rechten van minderheden;

12.   vestigt de aandacht op het feit dat China vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienstoefening en gedachten moet toestaan; bevestigt, met name in het licht van de discussies onder Chinese ambtenaren over de definitie van "godsdienst" (en vooral "wettelijk toegestane godsdienst"), de noodzaak van een algemene godsdienstwet die in overeenstemming is met internationale normen en borg staat voor een ware godsdienstvrijheid; betreurt de tegenstrijdigheid tussen de grondwettelijke vrijheid van geloof (vastgelegd in artikel 36 van de Chinese grondwet) en de voortdurende inmenging van de staat in de aangelegenheden van religieuze gemeenschappen, met name met betrekking tot de opleiding, selectie, benoeming en politieke indoctrinatie van geestelijken;

13.   betreurt dat de zesde Chinees-Tibetaanse gespreksronde geen resultaten heeft opgeleverd; verzoekt de partijen alles in het werk te stellen om de dialoog voort te zetten en verzoekt de Chinese regering serieuze onderhandelingen aan te knopen en hierbij naar behoren rekening te houden met de eisen van de Dalai Lama betreffende autonomie voor Tibet; verzoekt China geen druk uit te oefenen op landen die vriendschapsbetrekkingen met de Dalai Lama onderhouden;

14.   herhaalt zijn bezorgdheid door de berichten over voortdurende schendingen van de mensenrechten in Tibet en in de andere provincies waar Tibetanen wonen, onder andere door foltering, willekeurige arrestaties en opsluiting, beknotting van de godsdienstvrijheid, willekeurige beperkingen van het vrije verkeer en rehabilitatie door middel van werkkampen; betreurt de intensivering van de zogenaamde campagne voor patriottische opvoeding sinds oktober 2005 in de mannen- en de vrouwenkloosters van Tibet, waarbij Tibetanen worden gedwongen verklaringen te ondertekenen waarin de Dalai Lama wordt aangeklaagd als gevaarlijk separatist; verzoekt China een onafhankelijke instantie toegang te verlenen tot Gedhun Choekyi Nyima, de Panchen Lama van Tibet, en diens ouders, overeenkomstig het verzoek van de VN-commissie voor de rechten van het kind;

15.   verzoekt China, als lid van de Mensenrechtenraad van de VN, de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur over foltering uit te voeren en een permanente uitnodiging voor China te geven aan VN-deskundigen;

16.   is van mening dat de bezorgdheid met betrekking tot de mensenrechten in het kader van de aanloop naar de Olympische Spelen van Beijing veel meer aandacht moet krijgen; herhaalt dat het nodig is de universele fundamentele ethische beginselen te eerbiedigen en te werken aan de totstandkoming van een vreedzame maatschappij, waarin aandacht wordt besteed aan de bescherming van de menselijke waardigheid, zoals verankerd in de fundamentele beginselen nrs. 1 en 2 van het Olympische handvest;

17.   verzoekt het Internationaal Olympisch Comité een eigen beoordeling te publiceren van het al dan niet naleven door China van de verbintenissen die het land in 2001 is aangegaan, voordat de Spelen aan Beijing werden toegewezen; benadrukt dat de EU de verantwoordelijkheid draagt om een dergelijke beoordeling in aanmerking te nemen, met haar Olympisch Netwerk samen te werken en een basis te creëren voor verantwoordelijk gedrag tijdens de voorbereiding van de Olympische Spelen, tijdens de Spelen zelf en in de periode na de Spelen;

18.   spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente intensivering, in verband met de Olympische Spelen, van de politieke vervolging van mensenrechtenactivisten, journalisten, advocaten, ondertekenaars van verzoekschriften, activisten uit de civiele samenleving, etnische groepen als de Uighurs en aanhangers van alle geloven met name Falun Gong-beoefenaars; verzoekt de Chinese autoriteiten hen onmiddellijk vrij te laten en een einde te maken aan deze mensenrechtenschendingen, alsmede aan het zonder schadevergoeding slopen van aanzienlijke aantallen huizen om ruimte te maken voor de Olympische infrastructuren;

19.   is tevens bezorgd over de controle en censuur van informatie op het internet en verzoekt de Chinese autoriteiten een einde te maken aan de blokkering van duizenden websites, inclusief websites van Europese media; verzoekt de Chinese autoriteiten de schrijver Yang Maodong en de vijftig andere cyberdissidenten en webgebruikers die in China zijn opgesloten, vrij te laten;

20.   verzoekt China concrete stappen te ondernemen om vrijheid van meningsuiting te verlenen en de persvrijheid te eerbiedigen, zowel voor Chinese als voor buitenlandse journalisten; spreekt met name zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan uitvoering van de nieuwe regeling betreffende internationale journalisten die actief zijn in China en dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan onmiddellijk te stoppen met het censureren en blokkeren - vooral met hulp van internationale bedrijven - van duizenden in het buitenland gevestigde nieuws- en informatiewebsites; vraagt de vrijlating van alle journalisten, internetgebruikers en cyberdissidenten die in China worden vastgehouden omdat zij hun recht op informatie hebben uitgeoefend; herhaalt zijn oproep aan de Chinese autoriteiten gedurende de Olympische Spelen in 2008 een moratorium op terechtstellingen in te stellen, en de lijst van 42 categorieën aan het verblijf wordt ontzegd in te trekken;

21.   vestigt de aandacht op de conclusies van het 17de nationale congres van de Chinese Communistische Partij, dat medio oktober 2007 werd gehouden en waarbij verschillende perspectieven ontstonden en blijk gegeven werd van een bepaalde mate van bereidheid om strengere internationale normen op het vlak van mensenrechten toe te passen in China;

22.   dringt er bij China op aan een einde te maken aan de aanhoudende steun voor het regime Myanmar en de situatie in Darfur;

o
o   o

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering van de Volksrepubliek China, het Chinese Nationale Volkscongres, de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de Raad van bestuur van het Internationaal Olympisch Comité.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0381.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0055.
(3) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 219.

Laatst bijgewerkt op: 12 september 2008Juridische mededeling