Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2683(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0057/2008

Debatten :

PV 30/01/2008 - 16
CRE 30/01/2008 - 16

Stemmingen :

PV 31/01/2008 - 8.8
CRE 31/01/2008 - 8.8

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0031

Aangenomen teksten
DOC 58k
Donderdag 31 januari 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Iran
P6_TA(2008)0031B6-0046, 0048 en 0057/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over Iran

Het Europees Parlement ,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name die welke de nucleaire kwestie en de mensenrechten in dat land betreffen, meer in het bijzonder zijn resoluties van 13 oktober 2005(1) en 17 november 2005(2) , zijn resolutie van 15 februari 2006 over de confrontatie van Iran met de internationale gemeenschap(3) en zijn resolutie van 25 oktober 2007 over Iran(4) ,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad over Iran en met name die van 14 december 2007,

–   gezien de resoluties 1696(2006), 1737/(2006) en 1747/(2007) van de VN-Veiligheidsraad over het kernprogramma van Iran,

–   gezien het werkplan dat tussen Iran en de Internationaal Atoomagentschap (IAEA) is overeengekomen op 21 augustus 2007 en dat gericht is op het oplossen van kwesties in verband met het kernprogramma van Iran (opgenomen in bijlage INFCIRC/711 bij het verslag van de bestuursraad van het IAEA (GOV/2007/48)) van 30 augustus 2007 getiteld "Tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake nucleaire veiligheidscontrole van het NPV in de Islamitische Republiek Iran ),

–   gezien de rapporten van de raad van beheer van de IAEA, met name rapport GOV/2007/58 van 15 november 2007 over de tenuitvoerlegging van de overeenkomst inzake nucleaire veiligheidscontrole van het NPV en van de desbetreffende bepalingen van de resoluties 1737(2006) en 1747(2007) van de VN-Veiligheidsraad in de Islamitische Republiek Iran,

–   gezien het op 3 december 2007 gepubliceerde National Intelligence Estimate-rapport van de Verenigde Staten over de bedoelingen en capaciteit van Iran op nucleair gebied (US NIE) en de verklaring (persbericht 2007/22) van de directeur-generaal, Dr. Mohamed ElBaradei, van het IAEA hierover,

–   gezien resolutie 61/176 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2006 en met name resolutie 62/168 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran, die op 18 december 2007 is aangenomen,

–   gezien resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de doodstraf, die op 18 december 2007 is aangenomen,

–   gezien de tweede interparlementaire vergadering van het Europees Parlement en de Majlis van de Islamitische Republiek Iran in Teheran op 8 en 9 december 2007,

–   gezien de verklaring van het Voorzitterschap van de Europese Raad, namens de EU, van 25 januari 2008 over de doodstraf in Iran,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat in artikel IV van het Verdrag inzake de nietverspreiding van kernwapens (NPV) is vastgelegd dat niets in dat Verdrag mag worden geïnterpreteerd als een inbreuk op het onvervreemdbare recht van alle partijen bij dat Verdrag om het onderzoek, de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen zonder onderscheid en in overeenstemming met de artikelen I en II van dat Verdrag,

B.   overwegende dat Iran tot dusverre niet alle verrijkings- en opwerkingsactiviteiten heeft opgeschort, en de aanvullende protocollen van het NPV niet heeft geratificeerd, zoals geëist in de resoluties 1696(2006), 1737(2006) en 1747(2007) van de VN-Veiligheidsraad ten einde het vertrouwen te herstellen in de volstrekt vreedzame aard van zijn kernprogramma,

C.   overwegende dat Dr. ElBaradei van de IAEA in het bovengenoemde rapport van 15 november 2007 heeft geconstateerd dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van IAEA-waarborgen in Iran en dat Iran meer informatie heeft verstrekt over de vroegere aspecten van zijn kernprogramma; overwegende dat hij niettemin heeft onderstreept dat meer samenwerking nodig was om de huidige activiteiten te verklaren, met inbegrip van de sporen hoogverrijkt uranium die inspecteurs in kerninstallaties hebben aangetroffen, en overwegende dat hij bij Iran erop heeft aangedrongen om het bijkomende protocol zo snel mogelijk uit te voeren,

D.   overwegende dat de Iraanse leiders op 12 januari 2008 in Teheran met Dr. ElBaradei, zijn overeengekomen binnen vier weken antwoord te geven op alle vragen die er nog zijn over de nucleaire activiteiten die het land in het verleden heeft uitgevoerd,

E.   overwegende dat in de US NIE is vastgesteld dat Iran zijn kernwapenprogramma in 2003 heeft stopgezet en dit medio 2007 nog niet opnieuw heeft gestart, ondanks bezorgdheid over de verrijking van uranium en het potentiële toekomstige gebruik ervan in kernwapens, overwegende dat de mogelijkheid van preventief militair ingrijpen vóór afloop van de termijn van president Bush ten gevolge van de publicatie van deze NIE niet meer bestaat,

F.   overwegende dat de G8-leiders tijdens hun jaarlijkse top van 6 t/m 8 juni 2007 in Heiligendamm het belang hebben onderstreept van het ontwikkelen en toepassen van een mechanisme voor multilaterale benaderingen van de splijtstofcyclus als een mogelijk alternatief voor nationale verrijkings- en opwerkingsactiviteiten,

Over de mensenrechten

G.   overwegende dat in de Islamitische Republiek Iran de situatie met betrekking tot de mensenrechten en politieke vrijheden in de afgelopen twee jaar is verslechterd, vooral sinds de presidentsverkiezingen van juni 2005, ondanks het feit dat Iran heeft toegezegd de in het kader van diverse internationale overeenkomsten op dit gebied vastgelegde mensenrechten en fundamentele vrijheden te respecteren en te beschermen,

H.   overwegende dat het aantal terechtstellingen in Iran, vaak door ophanging in het openbaar, in de afgelopen jaren en vooral in de laatste maanden aanzienlijk is toegenomen, met inbegrip van de terechtstelling van minderjarigen en homoseksuelen,

I.   overwegende dat is bevestigd dat er terechtstellingen plaatsvinden die veelal in het openbaar worden uitgevoerd door middel van ophanging of steniging, dat gevangenen worden gefolterd of mishandeld, dat stelselmatig en willekeurig langdurige eenzame opsluiting wordt toegepast, dat er sprake is van clandestiene hechtenis, en van wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, o.m. geseling en amputatie, en dat schendingen van de mensenrechten niet worden bestraft,

J.   overwegende dat de gewelddadige onderdrukking van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, journalisten, webloggers, leraren, intellectuelen, vrouwen, studenten, vakbonden, en personen die tot een godsdienstige, etnische, taalkundige of andere minderheid behoren, is toegenomen,

K.   overwegende dat minderheden zoals Azeri's, Soefi's en Soennieten, in toenemende mate gediscrimineerd en lastig gevallen worden vanwege hun godsdienstige of etnische achtergrond en dat hun culturele en burgerrechten onverminderd worden geschonden; overwegende dat leden van sommige minderheden, zoals Ahwasi's, Koerden en Baluchs, zelfs met foltering en executie worden bedreigd,

L.   overwegende dat leden van de religieuze gemeenschap der Baha'i hun geloof niet kunnen uitoefenen, aan ernstige vervolgingen blootgesteld staan en beroofd zijn van vrijwel al hun burgerrechten (bv. recht op eigendom en toegang tot hoger onderwijs), terwijl hun religieuze gebouwen aan vernieling worden blootgesteld,

M.   overwegende dat diverse activisten van de vrouwenbeweging vervolgd zijn of worden wegens hun betrokkenheid bij de campagne "een miljoen handtekeningen", welke tot doel heeft de intrekking te bewerkstelligen van wetten die vrouwen discrimineren, en waarbij het voornemen is om die miljoen handtekeningen aan te bieden aan het nationale parlement (de Majlis); overwegende dat Iran nog steeds geen partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen,

N.   overwegende dat honderden professoren op beschuldiging van een te grote seculariteit van hun onderwijsposten zijn verwijderd en dat grote aantallen studenten na protesten zijn gearresteerd, zoals de studenten die hebben deelgenomen aan de demonstraties in het kader van de nationale dag van de universitaire studenten op 7 december 2007,

O.   overwegende dat de termijn voor de registratie van kandidaten voor de verkiezingen voor het parlement ('Majlis') in maart 2008 op 10 januari 2008 was verstreken; overwegende dat het ministerie van Binnenlandse Zaken de besluiten vanaf 22 januari 2008 zal bekendmaken; verder overwegende dat de Raad van Wachters, die krachtens de grondwet toezicht op de geldigheid van de verkiezingen uitoefent, het recht heeft kandidaten te diskwalificeren,

Over de betrekkingen tussen de EU en Iran

P.   overwegende dat de alomvattende dialoog tussen de EU en Iran in december 2003 door Iran werd opgeschort en dat sedert juni 2004 geen enkele bijeenkomst in het kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran heeft plaatsgevonden,

Q.   overwegende dat de betrekkingen van de EU met Iran in de afgelopen jaren gebaseerd waren op een drievoudige benadering, die werd gekenmerkt door onderhandelingen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst, een politieke dialoog en een mensenrechtendialoog, en overwegende dat deze drie aspecten niet los van elkaar kunnen worden gezien,

De nucleaire kwestie

1.   bevestigt andermaal dat het gevaar dat het Iraanse nucleaire programma resulteert in de verspreiding van kernwapens voor de EU en de internationale gemeenschap aanleiding blijft tot ernstige verontrusting, zoals zeer duidelijk wordt geformuleerd in de resoluties 1696(2006), 1737(2006) en 1747(2007) van de VN-Veiligheidsraad; betreurt derhalve dat Iran nog niet heeft voldaan aan zijn internationale verplichtingen alle werkzaamheden in verband met verrijking en opwerking op te schorten;

2.   betuigt zijn steun aan de inspanningen van de EU om via onderhandelingen te komen tot een oplossing op lange termijn voor de nucleaire kwestie met Iran en onderstreept de essentiële rol die door de IAEA moet worden vervuld;

3.   constateert dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het werkplan van de IAEA en Iran en verzoekt Iran andermaal zijn nucleaire programma weer doorzichtig te maken door het IAEA volledige, duidelijke en geloofwaardige antwoorden te geven, alle actuele kwesties met betrekking tot dit programma op te lossen en alle verontrusting dienaangaande weg te nemen, met inbegrip van thema's met een mogelijke militaire dimensie, volledig uitvoering te geven aan de bepalingen van de Comprehensive Safeguard Agreement, met inbegrip van de aanvullende afspraken daarvan, en het Aanvullend Protocol de ratificeren en ten uitvoer te leggen;

4.   herhaalt zijn volledige steun van de op grond van artikel 41, hoofdstuk VII van het VN-Handvest aangenomen resoluties van de VN-Veiligheidsraad; keurt de hiervoor genoemde conclusies van de Europese Raad van 14 december 2007 goed; is verheugd over de overeenkomst die is bereikt op de bijeenkomst van 22 januari 2008 te Berlijn van de ministers van buitenlandse zaken van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en Duitsland, en de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU (GBVB), over een nieuwe ontwerpresolutie over Iran waarin verdere maatregelen worden beoogd en over het feit dat de internationale gemeenschap een gemeenschappelijke benadering van de kwestie blijft houden;

5.   herhaalt zijn standpunt dat een oplossing van het vraagstuk van de huidige nucleaire escalatie mogelijk is en dat geen militair optreden mag worden overwogen; spreekt zijn steun uit voor de pogingen van Dr. ElBaradei, om voor maart 2008 alle openstaande kwesties met Iran op te lossen; doet een beroep op de regering van de Verenigde Staten en alle andere betrokken actoren zich te onthouden van elke retoriek over militaire opties en beleid dat een wisseling van het bewind in Iran beoogt;

6.   neemt nota van de recente bevindingen van het Amerikaanse NIE over het Iraanse militaire en civiele kernprogramma; is van mening dat deze bevindingen het EU-beleid van een tweesporenbenadering staven dat erop gericht is om Iran met diplomatie ervan te overtuigen volledig te voldoen aan de verzoeken van de IAEA om op geloofwaardige en controleerbare wijze af te zien van de potentieel militaire link van het civiele kernprogramma;

7.   dringt er derhalve bij Iran op aan om onverwijld deel te nemen aan een nieuwe ronde van onderhandelingen over de toekomstig koers van zijn kernprogramma en alle met verrijking verband houdende activiteiten op te schorten; doet een beroep op de Verenigde Staten om, na hun diplomatieke succes in de onderhandelingen met Noord-Korea, samen met de EU rechtstreeks aan onderhandelingen met Iran deel te nemen, aangezien de Verenigde Staten in een positie zijn om extra veiligheidsgaranties te bieden, met name in een multilateraal kader onder auspiciën van het IAAE in Wenen;

8.   dringt aan op geloofwaardige stappen op weg naar multilaterale nucleaire ontwapening via een versterking van het NPV en doet een beroep op de EU om het voortouw te nemen bij het doorbreken van de huidige impasse in de onderhandelingen over nucleaire ontwapening;

9.   onderstreept het belang van samenwerking met de Verenigde Staten, Rusland, China en niet-gebonden landen om aanvullende concepten te overwegen ten einde een allesomvattende overeenkomst met Iran te sluiten over zijn nucleaire installaties en het gebruik ervan waarbij rekening wordt gehouden met de bekommernis van Iran om zijn veiligheid;

10.   is van oordeel dat een dergelijke allesomvattende overeenkomst een bijdrage zou leveren tot het bereiken van een duurzaam regionaal veiligheidsstelsel waartoe India, Pakistan en ander kernmachten behoren, en is van mening dat Iran zijn verantwoordelijkheid als regionale speler op zich moet nemen;

11.   doet een beroep op de internationale gemeenschap om ernstig na te denken over en zich onverwijld actief in te zetten voor het opzetten van een nieuw multilateraal kader voor het gebruik van kernenergie, waarbij de levering van kernbrandstof wordt gewaarborgd en het risico van proliferatie tot een minimum wordt beperkt, zoals voorgesteld door het IAEA;

Over de mensenrechten

12.   geeft uitdrukking aan zijn diepe bezorgdheid over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran in de afgelopen jaren; doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om hun verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de internationale mensenrechtennormen en de door Iran geratificeerde verdragsteksten, door universele waarden te verdedigen en alle personen het recht toe te kennen om van hun burgerrechten en politieke vrijheden gebruik te maken, zoals in de bovenvermelde resolutie van 25 oktober 2007 ter zake in herinnering is gebracht;

13.   spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de doodvonnissen en executies in Iran, en in het bijzonder die welke jeugdige overtreders en minderjarigen betreffen, en dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan om zich te houden aan de internationaal erkende rechtswaarborgen met betrekking tot minderjarigen, zoals het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

14.   is ernstig bezorgd over de dramatische toename van de onderdrukking van maatschappelijke organisaties in Iran in het afgelopen jaar; verzoekt de autoriteiten van Iran een einde te maken aan de ruwe onderdrukking van personen die vrouwenrechten verdedigen, activisten van de campagne "één miljoen handtekeningen", studentenbewegingen, verdedigers van minderheidsrechten, intellectuelen, leraren, journalisten, webloggers en vakbondsactivisten - met name de heren Mansour Osanloo en Mahmoud Salehi - en dringt aan op de vrijlating van allen die gevangen zijn gezet omdat zij op vreedzame wijze uiting hebben gegeven aan hun overtuigingen;

15.   protesteert met klem tegen de executie in Iran op 30 januari 2008, om 16 uur lokale tijd, van de Ahwazi-activist Zamal Bawi, de negentiende Ahwazi-activist geëxecuteerd in de laatste twaalf maanden en roept de Iraanse regering op af te zien van de executie van de Nederlandse staatsburger en mensenrechtenactivist Faleh Abdulah al-Mansouri en de bij het UNHCR geregistreerde vluchteling, Rasoul Ali Mazrea en Said Saki, wiens verblijf in Noorwegen verzekerd is, en roept tevens op hen toe te laten terug te keren naar hun land van nationaliteit of waar ze als vluchteling toegelaten zijn; dringt tevens aan op de vrijlating van de ter dood veroordeelde Koerdische journalisten Abdolvahed 'Hiwa' Butimar en Adnan Hassanpour;

16.   verzoekt de Iraanse autoriteiten in de wetgeving en in de praktijk een eind te maken aan alle vormen van marteling, met inbegrip van extreem onmenselijke terechtstellingen, en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, een eerlijke procesvoering te handhaven, en een eind te maken aan het niet bestraffen van schendingen van de mensenrechten; doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om het wetboek van strafrecht met spoed te wijzigen ten einde het moratorium op steniging in een definitief verbod om te zetten;

17.   is verheugd over de hiervoor genoemde resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN waarin wordt opgeroepen tot een wereldwijd moratorium als een stap op weg naar de afschaffing van de doodstraf; roept Iran op om de onlangs aangenomen resolutie over een moratorium op executies toe te passen;

18.   doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om zich te houden aan internationaal erkende rechtswaarborgen met betrekking tot personen die tot religieuze, etnische of andere minderheden behoren, of deze nu erkend zijn of niet; veroordeelt scherp de huidige misachting van minderheidsrechten en dringt erop aan dat minderheden de mogelijkheid krijgen om alle rechten uit te oefenen die krachtens de Iraanse grondwet en de internationale wetgeving verleend worden; verzoekt de Iraanse autoriteiten om in overeenstemming met de grondwet te handelen en in de wetgeving en in de praktijk een eind te maken aan alle vormen van discriminatie en andere schendingen van de mensenrechten van personen die behoren tot godsdienstige, etnische , taalkundige of andere minderheden o.m. Arabieren, Azeri's, Baluchs, Koerden, Baha'is, christenen, joden, Soefi's en soennieten; dringt er met name op aan dat het feitelijke verbod op de uitoefening van het baha'i geloof wordt opgeheven;

19.   spreekt zijn veroordeling uit over de onderdrukking van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, journalisten, webloggers, leraren, intellectuelen, vrouwen, studenten, vakbonden, en personen die tot een godsdienstige, etnische, taalkundige of andere minderheid behoren; verzoekt de Iraanse autoriteiten met klem een eind te maken aan het lastig vallen, intimideren en vervolgen van deze burgers en alle gewetensgevangenen onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen;

20.   verzoekt de Raad en de Commissie de mensenrechtensituatie in Iran te blijven volgen en ter zake in het eerste halfjaar van 2008 een omvattend verslag aan het Parlement te overleggen; dit verslag dient voorstellen voor projecten te omvatten die eventueel kunnen worden gefinancierd in het kader van het Europees Instrument voor de democratie en de mensenrechten;

21.   betuigt zijn steun aan alle democratische politieke krachten en de civil society, met name aan vrouwen- en studentenverenigingen die in Iran, ondanks toenemende onderdrukking, op niet-gewelddadige wijze strijden voor democratie en mensenrechten;

22.   verwacht van de Iraanse autoriteiten dat zij hun verantwoordelijkheden nemen bij de procedure voor het screenen van kandidaten voor de komende nationale verkiezingen en wel zo dat gewaarborgd wordt dat deze vrij en eerlijk zijn;

Over de betrekkingen tussen de EU en Iran

23.   onderstreept dat de mogelijke toekomstige sluiting van een samenwerkings- en handelsovereenkomst tussen Iran en de EU afhangt van een aanzienlijke verbetering van de mensenrechtensituatie in Iran en van de volledige samenwerking van Iran met de IAEA, alsmede van het bieden van objectieve garanties ten aanzien van het vreedzame karakter van zijn kernprogramma;

24.   neemt kennis van het besluit van de British Proscribed Organisations Appeal Commission van 30 november 2007, waarin de Britse minister van Binnenlandse Zaken wordt aanbevolen de PMOI met onmiddellijke ingang van de lijst van verboden organisaties af te voeren;

25.   verzoekt de Commissie en de Raad zich te houden aan het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2006(5) , die inhield dat de PMOI van de EU-lijst van terreurorganisaties moet worden afgevoerd;

26.   doet een beroep op de Commissie om een mededeling voor te leggen over de stand van zaken en de vooruitzichten voor de betrekkingen tussen de EU en Iran, en dringt er bij beide partijen op aan om de dialoog over de mensenrechten opnieuw te starten, parallel met onderhandelingen over een samenwerkings- en handelsovereenkomst die zou kunnen worden afgesloten als Iran de noodzakelijke vooruitgang boekt op het gebied van de mensenrechten en de nucleaire kwestie;

27.   roept de Commissie op in Iran een delegatie van de Commissie te vestigen, teneinde de dialoog met de autoriteiten en de civil society te bevorderen en de contacten te intensiveren op het gebied van met name steun aan vluchtelingen en bestrijding van de drugshandel;

o
o   o

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitters van de VN-Veiligheidsraad, alsmede de Algemene Vergadering van de VN en de mensenrechtencommissie van de VN, de directeur-generaal van het IAEA, de president van het hooggerechtshof van Iran, en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 111.
(2) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 468.
(3) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 145.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0488.
(5) Zaak T-228/02, Jurispr. 2006, p. II-4665.

Laatst bijgewerkt op: 2 maart 2009Juridische mededeling