Resolutie van het Europees Parlement van 10 april 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap (2007/2204(INI))
Het Europees Parlement
,
– gelet op Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap(1)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 2006 over een thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu(2)
,
– onder verwijzing naar zijn standpunt in eerste lezing van 14 november 2006 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Richtlijn mariene strategie)(3)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2007 over een thematische strategie voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen(4)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 september 2006 over de thematische strategie voor het stadsmilieu(5)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de thematische strategie voor bodembescherming(6)
,
– onder verwijzing naar zijn standpunt van 14 november 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG(7)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 september 2006 over de thematische strategie inzake luchtverontreiniging(8)
,
– onder verwijzing naar zijn standpunt van 26 september 2006 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(9)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 februari 2007 over een thematische strategie inzake afvalrecycling(10)
,
– onder verwijzing naar zijn standpunt van 13 februari 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen(11)
,
– onder verwijzing naar zijn standpunt van 23 oktober 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(12)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 oktober 2007 over een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden(13),
– onder verwijzing naar zijn standpunt van 23 oktober 2007 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(14)
,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0074/2008),
A. overwegende dat Europa zich nog niet op de weg bevindt naar een werkelijk duurzame ontwikkeling,
B. overwegende dat de Commissie erkent dat er slechts beperkte vooruitgang is geboekt op een aantal fundamentele punten zoals de integratie van het milieubeheer in andere takken van beleid en een betere uitvoering van de Gemeenschapswetgeving,
C. overwegende dat de Commissie erop wijst dat een groot aantal milieuproblemen feitelijk aan het toenemen zijn: de uitstoot van broeikasgassen stijgt overal ter wereld, het verlies aan biodiversiteit gaat in versneld tempo door, de vervuiling heeft nog altijd een belangrijke weerslag op de volksgezondheid, de EU produceert steeds meer afval en onze voetafdruk op het milieu wordt alsmaar duidelijker; overwegende dat een en ander serieuze vragen doet rijzen omtrent het uit milieuoogpunt contraproductieve effect van andere belangrijke beleidsonderdelen van de EU,
D. overwegende dat duurzame ontwikkeling waarschijnlijk nooit zal worden bereikt zolang de milieuproblematiek niet volledig in alle belangrijke beleidsonderdelen wordt geïntegreerd,
E. overwegende dat een schoon en gezond milieu van essentieel belang is voor het menselijk welzijn en voor goede maatschappelijke omstandigheden,
F. overwegende dat een goed opgezet milieubeleid ook kan bijdragen tot het bereiken van andere doelstellingen, zoals verbetering van het concurrentievermogen, stimulering van de economische groei, bevordering van werkgelegenheid en innovatie en stimulering van wetenschappelijke vooruitgang door nieuwe en veilige technologieën te ontwikkelen,
1. betreurt dat de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap (zesde MAP) bijna een jaar vertraging heeft opgelopen en betreurt het dat de Europese Unie zich in het algemeen niet aan het tijdschema houdt met betrekking tot de uitvoering van de maatregelen waarin het actieprogramma voorziet, in tegenstelling tot wat de Commissie in haar eigen tussentijdse evaluatie betoogt; herinnert eraan dat het zesde MAP, in tegenstelling tot zijn voorganger, is goedgekeurd volgens de medebeslissingsprocedure van artikel 251 van het EG-Verdrag; verlangt dat de EU al het mogelijke doet om de in het zesde MAP bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, omdat een mislukking op dit gebied de geloofwaardigheid van de EU zou schaden, onder andere in de ogen van burgers die zich zorgen maken over de milieusituatie;
2. merkt op dat door het gebruik van thematische strategieën als nieuw procedure-instrument de prelegislatieve processen belangrijker zijn geworden en er extra mogelijkheden zijn ontstaan om de betrokkenheid van de belanghebbenden te vergroten en te komen tot een meer strategische aanpak van het wetgevingsbeleid van de EU; betreurt evenwel dat de thematische strategieën de duur van het beleidsvormingsproces op milieugebied ook hebben verlengd doordat de formulering van concrete beleidsvoorstellen en de goedkeuring van daarop gebaseerde maatregelen hierdoor vertraging oploopt;
3. meent, aangezien het milieubeleid een belangrijke element voor het bedrijfsleven vertegenwoordigt en voor zijn uitvoering over het algemeen onder de verantwoordelijkheid van de gemeentebesturen en plaatselijke overheden valt, dat dat gegeven bij het opstellen van wetgeving in aanmerking genomen moet worden, dat de belanghebbende partijen in de desbetreffende adviesorganen aanwezig moeten zijn en dat de standpunten van het bedrijfsleven, de kleine ondernemingen en plaatselijke overheden beluisterd moeten worden;
4. acht het van essentieel belang dat de functie van het zesde MAP als milieudimensie van de EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling meer tot haar recht komt;
5. is van mening dat de bevoegdheden in de EU duidelijk moeten worden verdeeld en vastgelegd en wijst erop dat de tussentijdse evaluatie van de Commissie onduidelijkheid en interne dubbelzinnigheid over haar eigen bevoegdheden en die van de lidstaten aan het licht brengt; stelt dat de grenzen van hun respectieve bevoegdheden en hun specifieke verantwoordelijkheden duidelijk vastgelegd en aangegeven moeten worden, om ervoor te zorgen dat men aan die verantwoordelijkheden blijft voldoen;
6. wijst erop dat thematische strategieën van weinig nut zijn als ze qua timing samenvallen met de behandeling van omvangrijke wetgevingsdossiers: ze zijn alleen zinvol hetzij in de periode die aan het verschijnen van het desbetreffende wetgevingsdocument voorafgaat, hetzij op basis van hun eigen merites;
7. benadrukt dat er een direct verband bestaat tussen de kwaliteit van het menselijk leefmilieu en de volksgezondheid; verzoekt de Commissie derhalve om, met het oog op de implementatie van het principe dat gezondheid een integraal onderdeel moet uitmaken van alle beleidsterreinen, onderzoek te initiëren naar het causale verband tussen veranderingen in de kwaliteit van het milieu en de gezondheidstoestand van de mens;
Thematische strategieën
8. is van mening dat de EU zich consequent heeft ingezet om de in het zesde MAP omschreven milieudiplomatieke doelstellingen te realiseren; wijst er echter nogmaals op dat de EU er wat betreft de doelstellingen en prioritaire maatregelen om de klimaatverandering tot stilstand te brengen niet in is geslaagd alle toezeggingen gestand te doen; is buitengewoon bezorgd over de toename van de emissies door het verkeer, alsook over het trage effect van de maatregelen die zijn getroffen om de energie-efficiëntie te verbeteren; herinnert de Commissie aan de oproep een mededeling over gekwantificeerde milieudoelstellingen voor een duurzaam transportstelsel te doen uitgaan; verwacht van de lidstaten dat zij de landenspecifieke verminderingsdoelstellingen inzake broeikasgasemissies overeenkomstig het Protocol van Kyoto tegen 2012 zullen halen;
9. betreurt dat de doelstelling om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen tegen 2010 waarschijnlijk niet zal worden gehaald en dat de voorgestelde strategieën met betrekking tot de bescherming van het mariene milieu en de bodem tegen 2012 geen concrete milieuresultaten zullen opleveren; merkt op dat een grotere inspanning nodig is om te helpen bij de integratie van de biodiversiteitspolitiek in andere beleidsterreinen; vestigt er de aandacht op dat adequate financiering van Natura 2000 en andere daaraan nauw verwante prioritaire doelstellingen noodzakelijk is;
10. is van mening dat Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) en tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(15)
met betrekking tot chemicaliën een stap voorwaarts is om de risico's voor mens en milieu te verminderen, maar dat nog altijd niet is bewezen dat de verordening daar effectief en op een overtuigende manier in zal slagen, en betreurt het dat deze verordening niet in alle opzichten strookt met de in het zesde MAP neergelegde doelstellingen; acht het betreurenswaardig dat de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en dat de maatregelen voor de verbetering van de luchtkwaliteit en het stedelijk milieu en voor de terugdringing van lawaai ver bij de doelstellingen van het milieuactieprogramma achterblijven; roept de Commissie op zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen voor een herziene richtlijn betreffende nationale emissieplafonds(16)
; acht het noodzakelijk de richtlijn betreffende omgevingslawaai(17)
onverkort te handhaven;
11. dringt er, aangezien de luchtkwaliteit in gesloten ruimten van invloed is op de gezondheid, bij de Commissie en de lidstaten op aan de werkzaamheden van de Wereldgezondheidsorganisatie op het gebied van de luchtkwaliteit in gesloten ruimten te ondersteunen, en verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk concrete wetgevingsmaatregelen met betrekking tot de luchtkwaliteit in gesloten ruimten voor te stellen;
12. ziet geen grote leemten in de specifieke doelstellingen voor waterbescherming waarin het zesde MAP voorziet; verzoekt de Commissie evenwel erop toe te zien dat de kaderrichtlijn water(18)
onverkort wordt uitgevoerd en de integratie van de EU-toezeggingen op het gebied van waterbescherming in andere beleidsterreinen opnieuw te evalueren; dringt er bovendien bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen voor een richtlijn ter beperking van de fosforbelasting in de landbouw, alsook in detergenten, in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EG) nr. 648/2004 van 31 maart 2004 van het Europees Parlement en de Raad over detergenten(19)
;
13. constateert dat er een nieuw waterbeleid nodig is dat zich richt op besparing en op een duurzaam waterbeheer;
14. acht het betreurenswaardig dat de thematische strategieën inzake natuurlijke hulpbronnen en afval de doelstellingen van het zesde MAP hebben afgezwakt; betreurt voorts dat op EU-niveau geen concrete doelstellingen zijn geformuleerd om economische groei los te koppelen van het gebruik van hulpbronnen door zich in te stellen op een duurzaam productie- en consumptiemodel; is het ermee eens dat er op het gebied van bioafval bijkomende maatregelen nodig zijn om het storten van afval nog verder terug te dringen en ervoor te zorgen dat de beste afvalverwerkingsopties, zoals die welke bijdragen tot het milderen van de klimaatverandering, worden toegepast; blijft ondersteuning van milieuvriendelijke vormen van afvalbehandeling aanmoedigen, naast strengere maatregelen om het storten van afval - ook een vorm van milieuvervuiling - tegen te gaan;
15. roept de Commissie en de lidstaten ertoe op alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er verstandig en zuinig wordt omgesprongen met natuurlijke hulpbronnen, en wel zo dat de biodiversiteit niet in gevaar wordt gebracht;
Implementatie en handhaving van bestaande wetgeving
16. herinnert eraan dat de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving een topprioriteit is, en is van mening dat bindende wetgeving nog steeds van essentieel belang is om de milieuproblematiek het hoofd te kunnen bieden; verzoekt de Commissie haar activiteiten als hoedster van de Verdragen uit te breiden; roept de begrotingsautoriteit van de EU er derhalve eveneens toe op om de Commissie te voorzien van alle nodige financiële en personele middelen om te zorgen dat er in alle lidstaten zo nauwlettend mogelijk wordt toegezien op de uitvoering en handhaving van de bestaande wetgeving;
17. onderstreept de noodzaak van een effectieve en correcte tenuitvoerlegging van communautaire milieuwetgeving en pleit ervoor om ten behoeve van regio's die problemen ondervinden bij de concretisering van dit aspect van het communautair acquis speciale ondersteunende maatregelen te treffen; dringt er bij de autoriteiten van de lidstaten op aan omzettingsstrategieën uit te werken en daarin duidelijk aan te geven wat de functies en taken van de nationale, regionale en lokale autoriteiten bij een correcte omzetting en uitvoering van de communautaire milieuwetgeving zijn;
18. is evenwel bezorgd over de van diverse zijden geopperde suggesties om de gemeenschappelijke regelgeving te beperken en af te zwakken of zelfs te vervangen door vrijwillige overeenkomsten of andere niet-bindende instrumenten; dringt er derhalve eens te meer op aan dat men zich via betere regelgeving dient te concentreren op ondubbelzinnige en transparante regels en normen welke uitgaan van wetgeving die is gekoppeld aan overeengekomen doelstellingen, alsook op een betere handhaving daarvan;
19. is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om de handhaving van de milieuwetgeving op nationaal niveau te versterken via een betere toegang tot de rechter en een geharmoniseerd gebruik van het strafrecht; merkt op dat de preventieve aspecten van het strafrecht bijdragen tot een betere handhaving en bescherming van het milieu;
20. dringt er daarnaast tevens op aan dat de milieubeleidsmaatregelen van de EU zo worden opgezet en heringericht dat zij zich sterker richten op de na te streven doelstellingen dan op de te gebruiken methoden, zodat lidstaten en landbouwers zelf kunnen bepalen wat de meest effectieve en doeltreffende middelen zijn om de gewenste doelstellingen te bereiken;
Natuur, biodiversiteit en klimaatverandering
21. is van mening dat de Commissie moet toezien op de volledige toepassing van de vogel- en de Habitatrichtlijn; pleit in dat verband, onder inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, voor belastingmaatregelen om optimale werkwijzen aan te moedigen en mensen ervan te weerhouden activiteiten te ontplooien die milieuvervuiling teweegbrengen;
22. attendeert de Commissie er evenwel op dat het vooruitzicht op strafrechtelijke gevolgen niet in alle gevallen voldoende is om illegaal en bovendien milieuvervuilend gedrag tegen te gaan; onderstreept derhalve de noodzaak om het strafrecht te laten voorzien in sancties post factum, vooral wegens illegaal storten van gevaarlijk afval op het grondgebied van andere landen;
Milieustimulansen en hervorming van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu
23. is ingenomen met het groenboek van de Commissie over marktconforme instrumenten voor milieubeleids- en aanverwante doelstellingen; is van mening dat een ruimer gebruik van marktconforme instrumenten, onder inachtneming van het milieueffect van alle productie- en distributieprocessen en consumptiepatronen, noodzakelijk is;
24. stelt zich op het standpunt dat de EU-emissiehandelsregeling tot dusverre nog niet in een vermindering van de CO2-emissies heeft geresulteerd doordat er te royaal met de toewijzing van emissierechten is omgesprongen; wijst erop dat de EU zich tegen 2020 tot een vermindering van haar broeikasgasemissies met tenminste 20% ten opzichte van de niveaus van 1990 heeft verplicht; onderstreept dat de EU-emissiehandelsregeling voor de periode na 2012 o.a. moet voorzien in een voldoende stringente bovengrens, een regeling waarbij alle rechten worden geveild en een kwantitatieve en kwalitatieve beperking op het gebruik van gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's);
25. merkt niettemin op dat de rol van milieubelastingen beperkt blijft en geen opwaartse trend vertoont; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op zich krachtiger te beijveren voor milieuvriendelijke belastinghervormingen, o.a. in de vorm van een geleidelijke verschuiving van de belastingdruk van welvaartsnegatieve belastingen (bijvoorbeeld op arbeid) naar welvaartpositieve belastingen (bijvoorbeeld op activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu, zoals het gebruik van hulpbronnen of vervuiling); wijst erop dat de Verdragen, in weerwil van het unanimiteitsvereiste op het gebied van belastingen, de mogelijkheid bieden om nauwer samen te werken en vestigt de aandacht op het bestaan van de open coördinatiemethode;
26. constateert dat hiermee een impuls wordt gegeven voor de afschaffing van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu; acht het evenwel onaanvaardbaar dat er voor de nabije toekomst geen concrete stappen worden verwacht in de richting van een hervorming van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu en verzoekt de Commissie derhalve tegen eind-2008 concrete voorstellen in te dienen om alle subsidieregelingen die schadelijk zijn voor het milieu over de eerstkomende vijf jaar geleidelijk af te schaffen;
Integratie van het milieubeleid, internationale samenwerking en stimulansen voor innovatie
27. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een verregaandere en consistentere integratie van het milieubeleid in alle beleidstakken van de EU te bevorderen; dringt er met het oog op de implementatie van het binnen de EU aangehangen principe dat gezondheid een integraal onderdeel moet uitmaken van alle beleidsterreinen op aan dat de milieu- en gezondheidsbeschermingsdimensie in alle beleidsonderdelen wordt geïntegreerd en dat ook regio´s en steden hierbij worden betrokken; betreurt zowel het uitblijven van integratie van deze aspecten in de respectieve milieuwetgevingen en bij de voorbereiding van nieuwe wetgeving als het gebrek aan integratie daarvan in wetgeving met andere primaire doelstellingen dan milieubescherming;
28. is van mening dat het, om ten aanzien van de integratie van milieuoverwegingen in andere economische sectoren concrete resultaten te behalen noodzakelijk is bindende doelstellingen en tijdschema's per sector vast te stellen; legt tegelijkertijd de nadruk op de verantwoordelijkheid van de economische actoren in de respectieve bedrijfssectoren om in termen van klimaat- en energiebeleid langetermijnresultaten te laten zien;
29. wijst met nadruk op het fundamentele verband tussen een efficiënt milieubeleid en een betere levenskwaliteit en onderstreept in dit verband het belang van de regionale dimensie bij de uitvoering van het zesde MAP, met name bij acties ter vermindering van en aanpassing aan de klimaatverandering; benadrukt het belang van voorlichtingscampagnes om het grote publiek beter bewust te maken van de doelstellingen van het zesde MAP en de uitvoering daarvan;
30. onderstreept dat in het kader van de regionale ontwikkelingsprogramma's rekening moet worden gehouden met het programma Natura 2000, ten einde ervoor te zorgen dat het beginsel van de bescherming van de Europese biodiversiteit in overeenstemming is met de ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit; is met het oog hierop van mening dat er een brede voorlichtingscampagne moet worden opgezet en dat goede praktijken moeten worden bevorderd om duidelijk te maken dat deze beide - ogenschijnlijk tegengestelde - benaderingen eenzelfde doel dienen;
31. benadrukt de noodzaak van beter gecoördineerde netwerken van regionale en lokale actoren met het oog op de verspreiding en toepassing van optimale praktijken in minder ontwikkelde regio's; is voorstander van de bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op milieugebied, zowel tussen lidstaten onderling als met landen en regio's die aan de EU grenzen zoals de Zwarte Zee- en de Oostzeeregio en het Middellandse Zeegebied, vooral ter voorkoming van grensoverschrijdende vervuiling;
32. maakt zich ongerust over de in diverse onafhankelijke studies(20)(21)(22)(23)
geformuleerde bevindingen, namelijk dat de richtsnoeren van de Commissie inzake effectbeoordeling door haar eigen directoraten-generaal niet volledig worden opgevolgd, dat de vaststelling en kwantificering van economische effecten meer aandacht krijgt dan de ecologische, maatschappelijke en internationale effecten, dat de kosten van de wetgeving zwaarder wegen dan de voordelen die ze opbrengt, en dat kortetermijnoverwegingen de langetermijneffecten overschaduwen; is van mening dat dermate onevenwichtige effectbeoordelingen tegen het milieubeleid zelf en de integratie daarvan in andere EU-beleidsvormen ingaan; roept de Commissie ertoe op stappen te ondernemen om deze niet-aflatende tekortkomingen recht te zetten;
33. prijst de Commissie om haar krachtige inzet voor het versterken van de internationale dimensie van het milieubeleid; acht het noodzakelijk ervoor te zorgen dat het milieubeleid in alle externe beleidsmaatregelen van de EU wordt geïntegreerd en dat het internationale milieubeheer wordt verbeterd, spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan door te gaan met de bevordering van ambitieuze milieubeleidsinstrumenten en -eisen, bijvoorbeeld door de overdracht van technologie en de uitwisseling van beste praktijken met ontwikkelingslanden te stimuleren;
34. beklemtoont dat de "klimaatdiplomatie" krachtiger en consistenter moet worden bevorderd in de handelsbetrekkingen van de EU met landen die niet gebonden zijn door multilaterale milieubeschermingsovereenkomsten zoals de Verenigde Staten, China en India, die om uiteenlopende redenen het Protocol van Kyoto niet toepassen; verzoekt de Commissie ook om de ontwikkelingslanden via alle beschikbare mechanismen bij te staan met betrekking tot de inzet van duurzame en efficiënte technologie;
35. pleit voor toevoeging van een duurzaamheidsclausule aan de GATT, waarin de beginselen van het milieubeleid - zoals het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt - worden gedefinieerd aan de hand waarvan handelsmaatregelen kunnen worden beoordeeld, ten einde te waarborgen dat de getroffen handelsregelingen niet ten koste gaan van de bescherming van het milieu en de milieuregelgeving niet wordt gebruikt voor protectionistische doeleinden;
36. roept de Raad en de Commissie ertoe op tijdens bilaterale en regionale handelsbesprekingen ook handelsverplichtingen aan de orde te stellen die directe milieuvoordelen opleveren; is van oordeel dat de EU samen met de lidstaten de dialoog met opkomende economieën moet intensiveren om te zorgen dat de gesprekken die worden gevoerd op gebieden van wederzijds belang, zoals klimaatverandering, afvalbeheer en illegale houtkap, daadwerkelijk resulteren in gezamenlijk uit te voeren programma's; steunt het voorstel van de Commissie om bij elke handelsovereenkomst een forum voor duurzame ontwikkeling in te stellen waaraan ook maatschappelijke organisaties kunnen deelnemen en dat een sterke klimaatcomponent heeft, en dringt erop aan dat hiervan ook bij de thans gevoerde onderhandelingen werk wordt gemaakt;
37. roept de Commissie en de lidstaten ertoe op in alle beleidssectoren van de EU toe te werken naar een meer pragmatische en horizontale benutting van innovatie en nieuwe technologieën, zodat deze elementen een centrale rol vervullen bij de bevordering van het natuurbehoud; benadrukt dat voor de EU onverwijld moet worden gestreefd naar de introductie van een "top runner"-strategie, een meer ambitieus opgezet instrument voor permanente verbetering van de productie- en consumptiepatronen, om ervoor te zorgen dat voortaan alle producten op de EU-markt volgens duurzame criteria worden ontworpen, geproduceerd en gebruikt;
38. wijst er eens te meer op dat investeringen in innovatieve, milieuvriendelijke technologieën en in ecodesign, energie-efficiëntie bij het eindgebruik en verbetering van de energieprestaties van gebouwen op de korte termijn weliswaar hoge kosten met zich mee kunnen brengen, maar op de lange termijn zeer veel vruchten zullen afwerpen, en beklemtoont dat de regio's ondernemingen ertoe moeten aansporen dergelijke investeringen optimaal te benutten;
39. spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan daadwerkelijk "groene" regels voor overheidsaankopen vast te stellen, teneinde innovatie en duurzame consumptie- en productiepatronen te bevorderen;
40. verzoekt de Commissie de nationale, regionale en lokale instanties te helpen om gezamenlijk duurzaam in te kopen door een duidelijk kader te verschaffen om gemakkelijker meetbare doelstellingen en kwaliteitscriteria te kunnen formuleren;
41. verzoekt de Commissie haar inspanningen om de doelstelling van 20% voor hernieuwbare energiebronnen en de doelstelling van 10% voor het gebruik van biobrandstoffen te halen op te drijven, rekening houdend met het feit dat energiegewassen niet ten koste mogen gaan van de voedselvoorziening in Europa en daarbuiten; benadrukt dat in het kader van het duurzaamheidsmechanisme dat momenteel wordt ontwikkeld, de strengste duurzaamheidscriteria moeten worden gehanteerd voor biobrandstoffen;
42. onderstreept dat de landbouw in de EU zich steeds meer richt op de productie van veilig voedsel van hoge kwaliteit dat de gezondheid van de EU-burgers ten goede komt;
43. spoort de lidstaten en hun regionale en lokale instanties ertoe aan de nieuwe investeringsfaciliteiten uit hoofde van de structuurfondsen en de programma's in het kader van het nieuwe Europees nabuurschapsbeleid optimaal te benutten en ervoor te zorgen dat de daaronder ressorterende en met steun van de structuurfondsen opgezette programma's en projecten ertoe bijdragen dat de communautaire milieuwetgeving beter ten uitvoer wordt gelegd en dat de verwezenlijking van een EU-brede duurzame ontwikkeling als langetermijndoelstelling gestalte krijgt op een manier die in overeenstemming is met de andere thematische prioriteiten;
44. acht het van essentieel belang dat het substitutiebeginsel beter wordt toegepast, waarbij de beschikbaarheid, de toegankelijkheid, de voordelen en de kosten van vervangingsproducten in aanmerking moeten worden genomen; wijst erop dat er ook rekening moet worden gehouden met de ontwerp-, productie- en verbruiksprocessen die het gebruik van producten mogelijk maken welke geen of een kleiner gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu betekenen;
Beginselen van betere regelgeving in het milieubeleid
45. wijst erop dat, voor zover betere regelgeving op dit gebied inderdaad een streefdoel is, er behoefte bestaat aan herziening van elkaar overlappende wetgevingsonderdelen, die veel administratieve rompslomp teweegbrengen en de concurrentieverhoudingen ondermijnen;
46. is van mening dat de filosofische benadering die bij het herzieningsproces wordt gevolgd van kritische reflectie gespeend is en de redenen en oorzaken van de optredende vertragingen niet analyseert; stelt zich op het standpunt dat een en ander in de toekomst alleen kan worden rechtgezet door de oorzaken van deze vertragingen te analyseren en daarover na te denken;
47. wijst erop dat het - voor zover daadwerkelijk de wens bestaat om de wetgevingsmethoden te verbeteren en hanteerbare regels op te stellen die gemakkelijk door de bevoegde overheden, bedrijven en burgers kunnen worden toegepast - absoluut noodzakelijk is de interactie tussen de communautaire instellingen en organen en de burgersamenleving te verruimen, zodat beter op de bij de burger bestaande vragen en wensen kan worden ingespeeld en rekening kan worden gehouden met de besluiten en standpunten van regio's, gemeenteraden, belanghebbende industrietakken en aanverwante verenigingen; onderstreept daarnaast tevens dat de kosten op korte termijn van de aanpassing van de bestaande installaties in aanmerking moeten worden genomen;
De weg effenen voor een gedragsaanpassing
48. wijst erop dat er behoefte is aan nieuwe manieren om welvaart te meten op basis van realistische waarden voor milieudiensten; is van mening dat het BBP op zich niet alle facetten en behoeften van een moderne samenleving kan weerspiegelen en daarom niet langer een adequaat instrument is om welzijn en ontwikkeling te meten; moedigt de EU ertoe aan voort te werken aan de ontwikkeling en het gebruik voor beleidsdoeleinden van een nieuwe indicator waarin de negatieve gevolgen van economische vooruitgang voor ons milieu en onze gezondheid zijn verwerkt en die ertoe bijdraagt economische groei los te leren zien van de druk op het milieu; is van mening dat deze nieuwe indicator bevorderlijk zou moeten zijn voor de ontwikkeling van een geïntegreerde samenleving en een impuls zou moeten geven voor betere integratie van de milieuzorg in andere beleidstakken;
49. dringt er bij de Commissie op aan de bescherming van de menselijke gezondheid als een van de prioriteiten voor milieubescherming primaire aandacht te geven;
50. is van mening dat de Europese Unie een voortrekkersrol moet vervullen bij de ontwikkeling van beleidsopties waarmee de weg wordt geëffend voor radicale gedragswijzigingen in het consumptie- en productiepatroon;
51. onderstreept dat het van belang is de consument te helpen zich in zijn gedragspatroon bewuster op te stellen, hetgeen - ook buiten het rechtskader van de lidstaat - een positief effect zou kunnen hebben op de mate waarin en de intensiteit waarmee marktspelers zich voor het milieu inzetten;
52. is van mening dat het verschaffen van behoorlijke informatie aan de burgers als een prioriteit moet worden beschouwd; spreekt zijn krachtige steun uit voor de ontwikkeling van een duidelijk en consistent etiketteringssysteem, aangezien dit er ten zeerste toe zou bijdragen de consument te helpen de "juiste keuze" te maken;
53. dringt erop aan dat een algehele evaluatie wordt opgemaakt van de resultaten van het zesde MAP, alvorens het voorstel voor het zevende MAP wordt afgerond;
54. stelt zich op het standpunt dat de eindevaluatie van het zesde MAP moet worden uitgevoerd door een externe instantie, onafhankelijk van de Commissie;
o o o
55. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.
Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).
European Environment and Sustainable Development Advisory Councils: "Impact Assessment of European Commission Policies: Achievements and Prospects", april 2006.
Institute for European Environmental Policy: "Sustainable Development in the European Commission's integrated impact assessments for 2003", april 2004.