Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2211(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0075/2008

Ingediende teksten :

A6-0075/2008

Debatten :

PV 09/04/2008 - 26
CRE 09/04/2008 - 26

Stemmingen :

PV 10/04/2008 - 11.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0124

Aangenomen teksten
DOC 96k
Donderdag 10 april 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering
P6_TA(2008)0124A6-0075/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering (2007/2211(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 151 van het EG-Verdrag,

–   gelet op Besluit nr. 1855/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van het programma Cultuur (2007-2013)(1) ,

–   gezien het verdrag inzake de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, aangenomen door de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, wetenschap en cultuur op 20 oktober 2005,

–   gelet op Besluit 2006/515/EG van de Raad van 18 mei 2006 inzake de sluiting namens de Europese Gemeenschap, van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen(2) ,

–   gezien de conclusies van de Raad Onderwijs, Jeugdzaken en Cultuur naar aanleiding van zijn vergadering van 24 en 25 mei 2007 evenals document 9021/2007 van de Raad over de bijdrage van de culturele en de creatieve sector aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon,

–   gezien de mededeling van de Commissie betreffende Europa in de wereld – praktische voorstellen om de samenhang, het effect en de zichtbaarheid van het EU-optreden te vergroten (COM(2006)0278),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering (COM(2007)0242), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2007)0570),

–   gezien de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur(3) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 september 2001 over de culturele samenwerking in de Europese Unie(4) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2003 over de cultuurindustrie(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2007 over Aanbeveling 2005/737/EG van de Commissie van 18 oktober 2005 betreffende het collectieve grensoverschrijdende beheer van auteursrechten en naburige rechten ten behoeve van rechtmatige on-line muziekdiensten(6) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0075/2008),

A.   overwegende dat, ongeacht het feit dat er een grootst mogelijke en zeer wenselijke openheid moet bestaan ten aanzien van andere culturen, de Europese Unie de bijzondere plicht heeft te waken over de culturele rijkdom van Europa en dat het Europees cultureel erfgoed dient te worden behouden, gepromoot en gedeeld, zowel binnen als buiten de Europese Unie, in alle vormen en met behulp van alle mogelijke middelen,

B.   overwegende dat kunst en cultuur ertoe kunnen dienen een sterkere expressie en een groter zelfbewustzijn in de persoonlijke en sociale ontwikkeling te bereiken en individuen en gemeenschappen in staat stellen zich met hun erfgoed en hun verleden bezig te houden en zich een voorstelling te vormen van hun individuele en collectieve toekomst,

C.   overwegende dat kunst en cultuur de aanzet geven tot nieuwe vormen van dialoog, ruimten voor wederzijds cultureel begrip doen ontstaan en individuen en groepen in staat stellen buiten de gezindheid van hun eigen identiteit te treden,

D.   overwegende dat kunst en cultuur een ruimte voor uitwisseling, debat en creativiteit en het creëren van ideeën vormen die tot engagement en participatie van burgers aanmoedigt,

E.   overwegende dat het Europees cultureel erfgoed, dat deel uitmaakt van de diversiteit van culturele uitingen en de samensmelting van de belangrijkste gemeenschappelijke waarden waarop de Europese samenleving berust, zoals de Griekse en Romeinse oudheid en de joods-christelijke traditie, ervoor heeft gezorgd dat Europa in de geschiedenis voorop loopt vergeleken met de andere continenten, een ongeëvenaarde motor is gebleken voor innovatie, ontwikkeling en vooruitgang, zich in alle richtingen heeft verspreid en vandaag de dag nog steeds een essentieel referentiepunt is voor humanisme, geestelijke verrijking en bezieling, democratie, tolerantie en burgerschap,

F.   overwegende dat, in een steeds verder globaliserende wereld, de Europese culturele rijkdom als een kern met specifieke en opvallende eigenschappen is die samen een echte Europese meerwaarde vormen, en waarvan de identiteit essentieel is voor Europa en de Europese Unie, teneinde de wereld te begrijpen, de samenhang te waarborgen, de onderscheidende kenmerken te benadrukken en zich bij andere volkeren te doen gelden,

G.   overwegende dat flexibiliteit en mobiliteit beiden inherent zijn aan de beroepspraktijk van kunstenaars,

H.   overwegende dat artistieke producties zowel Europese als niet-Europese kunstenaars bijeenbrengen en overwegende dat de mobiliteit van kunstenaars wordt belemmerd door nationaal beleid, op grond waarvan personen die binnen de EU reizen, een visum moeten hebben,

I.   overwegende dat de bijzondere manier waarin de invloed van het Europees cultureel erfgoed door de loop van de geschiedenis in andere continenten tot uiting is gekomen, aanleiding moet zijn voor maatregelen waarmee de factoren op de voorgrond worden geplaatst die bijdragen aan de opbouw van de beschaving, wederzijds begrip en een constructieve benadering tussen de volkeren die deze uitdrukkingswijzen gemeen hebben,

J.   overwegende dat lokale en regionale overheden een bijzonder belangrijke rol bij de culturele ontwikkeling en instandhouding spelen, met name door de bescherming van het cultureel erfgoed en de bevordering van artistieke innovatie binnen hun grondgebied, een factor die naar behoren in aanmerking dient te worden genomen bij de reorganisatie van de Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering,

K.   overwegende dat niet-Europese immigranten, toeristen en andere bezoekers het cultureel erfgoed van Europa, dat in de lidstaten een bevoorrechte status geniet, moeten respecteren,

L.   overwegende, enerzijds, dat Europese ontwerpers, kunstenaars en de culturele sector een beslissende rol in de totstandkoming van een Europese culturele identiteit, gemeenschappelijke waarden en de voortdurende ontwikkeling van het Europees burgerschap spelen, dat zowel de natie overstijgt als de culturele verscheidenheid op Europees, nationaal, regionaal vlak en in taalkundig opzicht erkent,

M.   overwegende, anderzijds, dat Europese ontwerpers, kunstenaars en de culturele sector ook reële invloed op de economische ontvangsten, welvaartsbronnen en de werkgelegenheid in de EU hebben,

N.   overwegende dat de technische vooruitgang betekent dat er hoe langer hoe meer cultuurproducten in digitale vorm tot stand komen, verspreid en geconsumeerd worden, en dat het beleid met die ontwikkeling rekening moet houden,

O.   overwegende dat de Europese cultuursector zich ten opzichte van de handelsregels in een beschermde ruimte beweegt en daarmee aan het Europees aanvoelen beantwoordt, dat cultuurproducten en -diensten van andere goederen en diensten verschillen met noodzaak aan speciale regels,

P.   overwegende dat de belangrijkste musea en culturele instellingen op EU-niveau hoe langer hoe meer tot economisch betekenisvolle uitwisselingen met gelijkaardige instellingen in andere delen van de wereld overgaan, die een aanzienlijk inkomen naast en boven de inkomsten uit het toerisme genereren,

Q.   overwegende dat het historisch, cultureel en archeologisch erfgoed van de lidstaten zo ruim mogelijke bescherming tegen het gevaar van onrechtmatige uitvoer en onrechtmatige handel in het algemeen verdient, zoals voorzien in de overeenkomst van 14 november 1970 over maatregelen om onrechtmatige in- en uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen, en andere internationale rechtsmiddelen,

R.   overwegende dat de EU zich solidair met de bescherming van het cultureel erfgoed van derde landen moet tonen, vooral die met de zwakste cultuursector, en onrechtmatige invoer van cultuurgoederen die in hun land van oorsprong beschermd zijn, actief moet verhinderen,

S.   overwegende dat de handelsbalans van de EU voor cultuurgoederen en -diensten een negatief saldo vertoont,

T.   overwegende dat de economische globalisering en de opbouw van een cultuursector van wereldwijde omvang een bedreiging voor de verscheidenheid in taal en cultuur betekenen, die op zich belangrijke waarden vertegenwoordigen, zodat het van belang is om een gemeenschappelijke Europese benadering tegenover die bedreigingen te vinden,

U.   overwegende dat de toeristische industrie en aanverwante diensten één van de punten zijn waar internationale handel en cultuur samenkomen, en in de betrekkingen tussen de EU en derde landen het beste middel kunnen vormen om de Europese culturele aantrekkingspunten beter in het licht te stellen, tegelijk de handel te bevorderen en daarmee de duurzaamheid uit sociaal, cultureel en milieutechnisch oogpunt te verzekeren,

V.   overwegende dat er nauwelijks betrouwbare en bruikbare statistieken over de internationale handel in cultuurgoederen en -diensten voorhanden zijn,

W.   overwegende dat de digitale technologieën als een echt nieuwe kans voor wereldwijde verspreiding van cultuurgoederen en -diensten op te vatten zijn, die het wederzijds begrip tussen de culturen onderling kunnen bevorderen op voorwaarde van eerlijke en vrije beschikbaarheid en eerbied voor de verscheidenheid van taal en cultuur,

X.   overwegende dat de nieuwe mediatechnieken, o.a. internetportalen met vrije programmatuur en hun verdere ontwikkelingen, alsmaar toenemende inhoud aan het opbouwen zijn om competitief te blijven,

Y.   overwegende dat dergelijke ontwikkelingen ongekende uitdagingen vormen, die nieuwe denkwijzen voor toezicht en regelgeving in kwesties als bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, piraterij en ongeoorloofde digitalisering vergen, met inachtneming van een gezond evenwicht tussen goede beschikbaarheid van cultuurgoederen en -diensten, en nieuwe vormen van artistieke en intellectuele creativiteit,

Z.   overwegende dat namaak en piraterij van cultuurgoed tot verlies van arbeidsplaatsen in de Europese Unie leiden en de competitiviteit van de culturele sector en de kwaliteit van haar producten aantasten, waar vooral lidstaten van te lijden hebben die hun voornaamste inkomen uit de productie van cultuurgoederen en hun gebruik voor economische doeleinden halen,

AA.   overwegende dat het uiteindelijk de Commissie is die bevoegd is om de intellectuele-eigendomsrechten van het Europees bedrijfsleven op alle internationale forums en tegenover handelspartners te beschermen die in dat opzicht over geen goede wetgeving beschikken,

AB.   overwegende dat de cultuur nadrukkelijk onder de EU-vrijhandelsovereenkomsten en andere handelsinstrumenten valt,

AC.   overwegende dat cultuur en taal een drijvende kracht vormen achter regionale ontwikkeling en een belangrijk hulpmiddel om inkomende investeringen aan te trekken, vooral in onderontwikkelde regio's met weinig natuurlijke rijkdommen of toeristische attracties, en overwegende dat kunstenaars en culturele instellingen een bepalende rol spelen bij het ontwikkelen van de identiteit van regio's en het vergroten van hun aantrekkelijkheid en het Europese integratieproces,

AD.   overwegende dat de cultuursector zowel voor banen als voor economische groei zorgt en dat cultuur daarom van bijzonder belang is voor de ontwikkeling van steden (vooral kleine en middelgrote steden) en plattelandsgebieden, en overwegende dat in de maatschappelijke sfeer culturele identiteit een belangrijke factor is voor het onderhouden van integratie en grotere sociale samenhang in regio's en plaatselijke gemeenschappen,

AE.   overwegende dat uit hoofde van het cohesie- en plattelandsontwikkelingsbeleid steun kan worden verleend aan het herstel van het culturele erfgoed en de bevordering van kunstambachten met als doel de aantrekkelijkheid van regio's te vergroten,

AF.   overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen en privé-vermogens een steeds belangrijker rol zouden moeten spelen binnen de culturele sector en zouden moeten worden betrokken bij de uitvoering van projecten en maatregelen in deze sector, met name via publiek-private partnerschappen (PPP's),

1.   is verheugd over de mededeling van de Commissie over een Europese agenda voor cultuur en hecht goedkeuring aan de hierin geformuleerde doelstellingen; herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft benadrukt dat cultuur een essentiële en structurerende rol speelt in de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon en in de vaststelling van een nieuwe pijler van mondiale governance en duurzame ontwikkeling;

2.   is eveneens verheugd over het feit dat voornoemde mededeling van de Commissie gunstig is onthaald door de Raad, zoals blijkt uit de resolutie van de Raad van 16 november 2007;

3.   onderstreept dat de lokale, regionale en nationale overheden een centrale rol spelen bij de ontwikkeling en bevordering van cultuur, met name wat betreft de bescherming van het cultureel erfgoed, evenals bij de stimulering van artistieke innovatie en creatieve industrieën;

4.   is verheugd over het feit dat de Commissie zich bezighoudt met de mobiliteit van kunstenaars en beroepsbeoefenaren in de cultuursector ;

5.   wijst op de noodzaak om de carrière en mobiliteit van jonge Europese kunstenaars te bevorderen;

6.   betreurt dat bij de opstelling van een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering geen aandacht is besteed aan de rol van het grote aantal partnerschappen tussen steden, lokale autoriteiten en regio's;

7.   benadrukt dat de cultuursector een belangrijke bijdrage levert tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de vernieuwde Lissabonstrategie en wijst op de betekenis van cultuur als het gaat om het tot stand brengen van een goed en dynamisch leefklimaat, met name door de enorme kansen die het cultuurtoerisme voor de economische ontwikkeling van vele regio's schept;

8.   benadrukt dat overeenkomstig artikel 151 van het Verdrag, onder eerbiediging van de culturele en nationale verscheidenheid, er in de cultuursector tussen de lidstaten alleen samenwerkingsbeleid mag worden vastgesteld en partnerschapsovereenkomsten mogen worden gesloten; benadrukt tevens de rol van de regio's van de Europese Unie, die een belangrijk forum bieden voor culturele samenwerking;

9.   is bezorgd dat de mededeling geen helderheid krijgt in het blijvende probleem van misverstanden over cultuur in de zin van moderne en traditionele kunst, het Europees erfgoed en de commerciële en winstgevende "creatieve industrieën"; is bovendien van mening dat de doelstellingen van de agenda over het algemeen zijn gericht op cultuur in de zin van belangrijke sociale, economische, politieke en, meer algemeen, "instrumentele" waarden, en niet op cultuur als waarde op zichzelf (cultuur qua cultuur);

10.   is bezorgd dat in het debat over interculturele en culturele dialoog en over de betekenis van "cultuur" vaak als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat cultuur volkeren verenigt en niet zozeer een medium is waarin verschillen tot uitdrukking komen; acht het in dit verband op zijn plaats om Jean Monnet te citeren: "verrijkt met de schoonheid en waarden van andere culturen, zullen deze jongeren [...], terwijl zij met liefde en trots naar hun eigen land blijven kijken, [...] Europeanen worden";

11.   acht het voor een volledige en samenhangende uitvoering van artikel 151, lid 4, van het Verdrag noodzakelijk dat de specifieke kenmerken van de cultuursector, met name met zijn creatieve en innovatieve capaciteit en zijn maatschappelijk belang, als culturele en economische goederen in aanmerking worden genomen opdat cultuur in het kader van de strategie van Lissabon een volwaardige en passende plaats krijgt;

12.   is van mening dat de doelstelling van de Commissie om de dialoog met het maatschappelijk middenveld in de culturele sector verder te ontwikkelen van cruciaal belang is voor de opstelling van een coherente Europese agenda voor cultuur en dat het Europees beleid alleen door middel van een dergelijke gestructureerde dialoog echt kan beantwoorden aan de realiteiten en behoeften van Europese kunstenaars en in de culturele sector werkzame personen;

13.   verzoekt de Commissie aanbevelingen te doen voor de bescherming van systemen voor het beheer van digitale rechten en daarbij zowel rekening te houden met de vereisten van de interne markt als met het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen;

14.   benadrukt dat culturele productiviteit en artistieke creativiteit op duurzame wijze moeten worden gewaarborgd, maar dat de maatschappelijke positie van kunstenaars hiervoor goed onderbouwd moet zijn, waartoe onder meer een adequaat wettelijk kader op het gebied van belastingen, arbeid, sociale zekerheid en auteursrechten behoort;

15.   roept de Commissie en de lidstaten op het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen tot leven te wekken en in hun interne en externe beleid ten volle rekening te houden met de beginselen waarop het Verdrag is gebaseerd;

16.   herinnert de Commissie eraan dat de Gemeenschap verplicht is het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen ten uitvoer te leggen bij de uitoefening van haar bevoegdheden op beleidsgebieden die onder dit verdrag vallen, te weten "het gemeenschappelijk handelsbeleid, het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, de economische, financiële en technische samenwerking met derde landen, het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, mededinging en de interne markt, alsmede intellectuele eigendom"(7) ;

17.   is van mening dat de communautaire programma's die momenteel in de cultuursector beschikbaar zijn de implicaties van het gemeenschappelijk cultureel erfgoed van de Europeanen niet volledig reflecteren; verzoekt de Commissie derhalve de opzet voor te stellen van specifieke programma's die artistieke creativiteit bevorderen en waarmee een bredere en diepgaandere band behouden blijft met de materiële en immateriële goederen en waarden, die het Europees cultureel erfgoed vormen, en deze goederen en waarden op elkaar in te laten werken volgens het humanistische concept van identiteiten en verschillen en in moderne culturele productie zodat het mogelijk wordt de vruchten daarvan te plukken en te delen volgens het humanisme en de huidige culturele productie makkelijker wordt en die ervoor zorgen dat hiervan kan worden geprofiteerd en deze kunnen worden gedeeld;

18.   onderstreept dat de programma's in de cultuursector veel zullen bijdragen tot de bevordering van samenhang, reële convergentie, economische groei, duurzame ontwikkeling, innovatie, werkgelegenheid en concurrentievermogen;

19.   wijst erop dat de EU een essentiële rol moet spelen wanneer het erom gaat praktische maatregelen te treffen die werkelijk bevorderlijk zijn voor de mobiliteit van Europese en niet-communautaire kunstenaars;

20.   roept ertoe op speciale visa in te voeren voor kunstenaars teneinde hen in staat te stellen om aangeboden arbeidscontracten van korte duur onmiddellijk aan te kunnen nemen;

21.   wijst nogmaals op het strategisch belang van het aantrekkelijke EU-cultuurproject "Culturele Hoofdstad van Europa", dat een krachtige impuls geeft aan de sociale en economische ontwikkeling van steden en regio's door hier Europese meerwaarde te creëren;

22.   vraagt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan een intensieve en doeltreffende samenwerking tussen de Culturele Hoofdsteden van Europa van de jaren 2007 tot en met 2011 en het Cultural Cities Net 2010, waarbij ruim 20 steden uit Hongarije, Duitsland en Turkije de handen in elkaar slaan om met het oog op de ontwikkeling van eigen Europese culturele doelstellingen samen te werken, met de culturele hoofdsteden het jaar 2010 voor te bereiden en op vele verschillende plekken tegelijk hun projecten te presenteren;

23.   is van opvatting dat mobiliteit en flexibiliteit de enige manier vormen om het voortbestaan van de artistieke activiteit in de verschillende lidstaten te waarborgen en een Europese culturele identiteit te bevorderen;

24.   beveelt de Raad en de Commissie aan een programma op te zetten voor de waardering van het klassieke Europese erfgoed en de historische bijdragen van de verschillende nationale culturen gedurende de afgelopen eeuwen in al hun dimensies, gelijktijdig met en als aanvulling op het kaderprogramma "Cultuur 2007-2013", en daarbij eveneens rekening te houden met de behoeften van de culturele sector in de toekomst;

25.   roept de Commissie op het ondersteuningsbeleid voor literaire vertalingen te intensiveren zoals voorzien in het programma "Cultuur 2007-2013", te intensiveren;

26.   roept de Commissie op een programma op te zetten ter bevordering van de Europese talen in de wereld en de rol die zij spelen in de creatieve activiteit op andere continenten, zodat niet alleen de wederzijdse kennis en het begrip maar ook de culturele interactie makkelijker wordt die door deze talen wordt gegenereerd en overgebracht in niet-Europese landen;

27.   verzoekt de Commissie de internationale culturele uitwisseling en het verwerven van interculturele vaardigheden en meertaligheid bij de burgers in de Europese Unie te versterken en te bevorderen;

28.   benadrukt dat de Europese Unie, in aansluiting op het uitroepen van 2008 tot Europees Jaar van de interculturele dialoog, de waarden van interculturele dialoog in de praktijk moet brengen, open moet gaan staan voor andere culturen en samenwerkingsmogelijkheden moet bevorderen en creëren door een reeks interessante programma's voor te stellen aan derde landen in Europa, met name die landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) vallen, voor welke de participatie in gezamenlijke culturele programma's een uiterst belangrijk mobiliserend effect zou sorteren;

29.   stelt voor dat het Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten een verbintenis aangaan tot het creëren van echte gunstige voorwaarden voor cultuur en creatieve activiteit op alle niveaus van het leven binnen de Unie, in het bijzonder met betrekking tot gezin, school, een leven lang leren, communicatie binnen de maatschappij en de wereld van digitale technologie;

30.   is van opvatting dat specifieke culturele projecten, bijvoorbeeld de Europese digitale bibliotheek, ook in de toekomst op Europees niveau moeten worden bevorderd; roept ertoe op deze bibliotheek sneller op te zetten;

31.   spreekt zijn steun uit voor de talrijke culturele partnerschapsovereenkomsten tussen steden, gemeenten en regio's, die van groot belang zijn voor de sociale ontwikkeling van de regio's en de bevordering van culturele innovatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun volledige steun te verlenen aan lokale, regionale en interregionale culturele initiatieven, als zijnde een essentiële factor in het proces van regionale en Europese integratie in het licht van mondiale uitdagingen;

32.   benadrukt het belang van het onderwijs in kunst en letteren voor de persoonlijkheidsvorming van jongeren, het prikkelen en ontwikkelen van hun natuurlijke talenten en hun volledige benutting van culturele goederen en waarden;

33.   benadrukt de noodzaak om een onderwijsprogramma inzake de gemeenschappelijke geschiedenis van de Europese Unie in de leerplannen van alle lidstaten op te nemen teneinde de Europese identiteit en cultuur in de context van de mondialisering te bevorderen;

34.   is van mening dat het belangrijk is dat er zowel op school als in de maatschappij, innovatieve bruggen worden geslagen tussen cultuur en onderzoek, wetenschap en technologie en dat er behoefte is aan programma's waarin al deze aspecten zijn opgenomen;

35.   verzoekt de Commissie een toereikend instrument vast te stellen voor het in kaart brengen van de sectoren binnen de Europese cultuurindustrie die zich in een crisis bevinden, met bijzondere aandacht voor de markt van uitgeverijen, aangezien als gevolg van de ontwikkelingen op deze markt de productie van kwalitatief goede literatuur in gevaar is gekomen ten gunste van 'bestsellers' en voor de muziekwereld, waar de kwaliteit en diversiteit van muziek eveneens worden bedreigd als gevolg van piraterij en de wereldwijde verspreiding van digitale technologie door het concentratieproces dat het collectief beheer van intellectuele-eigendomsrechten met zich brengt;

36.   roept de Commissie en de lidstaten op de nodige middelen aan te wenden ter handhaving en bescherming van literaire en artistieke eigendomsrechten, met name in de digitale wereld;

37.   is van mening dat er een fundament moet worden gelegd voor een echte Europese culturele diplomatie en dringt er bij de lidstaten en de communautaire instellingen op aan om het culturele element binnen hun diplomatieke vertegenwoordigingen te versterken en om gestructureerde en regelmatige initiatieven te nemen die gericht zijn op de Europese cultuur;

38.   verzoekt de lidstaten en de communautaire instellingen initiatieven aan te moedigen die gericht zijn op de ontwikkeling van cultureel toerisme;

39.   beveelt de Raad en de Commissie aan een lijst van 'culturele bedevaartsplaatsen' in alle lidstaten op te stellen en te promoten, met de bedoeling specifieke initiatieven te ontplooien en geregeld evenementen te organiseren in deze monumenten voor en drijfveren van cultuur;

40.   is van mening dat een keurmerk voor het Europees erfgoed dient te worden ingevoerd teneinde de Europese dimensie van culturele goederen, monumenten, gedenkplaatsen en herdenkingsoorden te benadrukken die over de geschiedenis en het erfgoed van Europa getuigen;

41.   beveelt de Raad en de Commissie aan het door de Raad van Europa in 1987 gestarte programma van Europese culturele routes te steunen, aangezien deze routes als voorbeeld kunnen dienen van netwerken die regio's en lokale gemeenschappen met elkaar verbinden en een getuigenis zijn van het Europees erfgoed en de gedeelde geschiedenis ervan;

42.   stelt de Raad en de Commissie voor een "stelsel van sponsoring voor Europese kunst" en de functie van "Europees kunst mecenas" in te stellen zodat er doeltreffende partnerschappen tot stand kunnen komen tussen de publieke en private sector in het kader van de doelstellingen van de voorgenomen actie van de Commissie;

43.   stelt bovendien voor grote Europese prestigeprijzen in het leven te roepen die op geregelde tijdstippen worden uitgereikt, voor alle gebieden van creatieve bezigheden;

44.   stelt tevens voor meer bekendheid te geven aan de bestaande prijzen en het effect ervan te evalueren;

45.   stelt voor om met het oog op de herdenking van de geboortedag van Fryderyk Chopin 200 jaar geleden, een briljante componist die een onmiskenbare bijdrage heeft geleverd aan de wereldcultuur, het jaar 2010 uit te roepen tot het "Europese Fryderyk Chopinjaar";

46.   stelt voor het jaar 2011 uit te roepen tot het 'Europese jaar van de Griekse en Romeinse klassieke werken' teneinde de aandacht van de volkeren van de Unie te vestigen op dit belangrijke aspect van de culturele erfenis dat in de vergetelheid dreigt te raken;

47.   beveelt de Commissie aan om, in samenwerking met de lidstaten, in het belang van de bevordering van Europese culturele waarden en ten teken van haar inzet voor de cultuur, regelmatig een Europees jaar te gaan organiseren en steunen dat herinnert aan een belangrijke Europese persoonlijkheid of gewijd is aan een artistieke activiteit of een cultureel evenement;

48.   stelt voor de bevordering van, de toegang tot en de voorlichting over deze maatregelen te verbeteren;

49.   wijst de Raad op de verplichting om de begrotingsmiddelen die zijn toegewezen ter ondersteuning van de voorgenomen acties in het kader van de mededeling van de Commissie en van de reeds bestaande acties te herzien, en wijst erop dat deze herziening bij hoogdringendheid dient te gebeuren;

50.   dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om de waarborg te bieden dat de regels op zowel de bilaterale als multilaterale handelsbetrekkingen doorzichtig, eerlijk, open en op markttoegang gericht zijn, en dat die regels de Europese cultuursector bovendien in staat stellen om al zijn mogelijkheden uit te bouwen, vooral in de audiovisuele sectoren, de muziek en het uitgeversbedrijf;

51.   vraagt de Commissie om de procedures voor douanecontrole en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten te herzien om te zorgen dat ze zo doeltreffend mogelijk onrechtmatige in- en uitvoer van kunstwerken en andere soorten beschermd cultuurgoed kunnen bestrijden;

52.   vraagt de Commissie om de nodige schikkingen voor een begin van grondige herziening van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten te treffen, om de onderling strijdige doeleinden - bescherming van de houders van de rechten en eerlijke en vrije toegang tot cultuurgoederen en -diensten - beter in overeenstemming te brengen met het acquis communautaire, de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de bilaterale overeenkomsten van de EU, en de oorzaken uit te roeien die aan de grondslag van namaak en piraterij liggen;

53.   vraagt de Commissie om van haar bevoegdheden gebruik te maken om te zorgen dat alle handelspartners de verplichtingen van de overeenkomsten bij de WTO en volgens het internationaal handelsrecht nakomen, zo nodig ook door gebruik te maken van de middelen om geschillen te beslechten, die door de internationale overeenkomsten geboden worden;

54.   vraagt de Commissie om een betrouwbare en duidelijke reeks referentiepunten en maatstaven op te stellen om de internationale handel in cultuurgoed op te meten en zijn betekenis vast te stellen;

55.   vraagt de Commissie, aangezien cultureel toerisme over heel de wereld een alsmaar groeiend aandeel in de cultuursector vormt, om in overeenkomsten van EU-handelsbeleid bepalingen over de verspreiding en handel in producten op te nemen die een historische en culturele waard vertegenwoordigen;

56.   vraagt de Commissie en de lidstaten om bij de uitvoering van de handelsovereenkomsten meer rekening te houden met de bepalingen in de vrijhandelsovereenkomsten van de EU en andere instrumenten van handel, die van belang zijn voor de handel in cultuurgoed;

57.   wijst er met nadruk op dat het van belang is om grensoverschrijdende bewegingen van cultuurgoederen met ruimere mobiliteit van kunstenaars en werknemers in de culturele sector te ondersteunen; meent dat grensoverschrijdende mobiliteit van Europese kunst en cultuur een betekenisvolle rol te spelen heeft in de verspreiding van Europese waarden en het behoud en de uitbouw van de culturele verscheidenheid en interculturele dialoog;

58.   vraagt de Commissie om mogelijke niet-tarifaire belemmeringen van derde landen tegenover bepaalde Europese cultuurgoederen en -diensten in handelsverrichtingen op te sporen en zo nodig de stappen te ondernemen die geboden zijn om ze te laten wegnemen;

59.   benadrukt daarbij dat de EU de toegang van de ontwikkelingslanden tot haar markt voor cultuurgoederen en -diensten moet aanmoedigen en vergemakkelijken, met bijzondere aandacht voor de positieve weerslag die daarvan uit kan gaan voor de werkgelegenheid en technische ontwikkeling in hun culturele industrie;

60.   verzoekt de Commissie met klem om specifieke culturele acties en evenementen voor te stellen die de Europese cultuur in ontwikkelingslanden bevorderen en de toegang tot cultuur prioriteit geven in het ontwikkelingsbeleid;

61.   steunt de systematische integratie van de culturele dimensie en de verschillende culturele aspecten in alle beleidsterreinen, projecten en programma's van het buitenlands en ontwikkelingsbeleid als middel tot versterking van de kwaliteit van de diplomatieke inspanningen van de Commissie en de uitvoerbaarheid en duurzaamheid van alle samenwerkingsactiviteiten van de EU, en steunt maatregelen die bijdragen tot meer maatschappelijke besef van het belang van het culturele aspect in ontwikkelingsmaatregelen;

62.   verwelkomt het opzetten van specifieke, onderling afhankelijke culturele samenwerkingsprogramma's met enkele partnerlanden in de ENB-regio, in Azië en elders, zoals het "Culture Fund for India";

63.   verwelkomt het voorstel van de Commissie om een Cultureel Fonds EU-ACS op te richten als gemeenschappelijke Europese bijdrage aan de verspreiding en vervaardiging van cultuurgoederen uit de ACS-landen, waarbij er nota van wordt genomen dat het 10de Europees Ontwikkelingsfonds het aanloopkapitaal voor de financiering van dit Fonds zal verschaffen, dat door bijdragen van de lidstaten zal worden aangevuld;

64.   dringt er bij de Commissie op aan zich in te zetten voor de verdediging van de internationale overeenkomsten en andere juridische instrumenten die van invloed zijn op culturele rechten, teneinde de culturele vrijheid te waarborgen en de diversiteit in al haar uitingen te behouden, tegen de achtergrond van het streven naar liberalisering van de markt dat deze culturele diversiteit in de ontwikkelingslanden bedreigt;

65.   verzoekt de Commissie met klem om culturele uitwisselingen tussen de EU en derde landen en regio's te bevorderen;

66.   verzoekt de Commissie de integratie van het cultuurbeleid in het ontwikkelingsbeleid te bevorderen, met name wat betreft de interactie hiervan met het sociaal en het economisch beleid;

67.   vraagt de Commissie om ervoor te zorgen dat er bij al haar samenwerkingsprogramma's en projecten recht wordt gedaan aan de lokale cultuur en dat deze bijdragen aan een betere toegang tot cultuur en de voor de cultuuruitingen benodigde middelen, alsmede aan bestrijding van armoede en vermindering van maatschappelijke uitsluiting; onderstreept het belang van onderwijs, met inbegrip van een actief streven naar de integratie van cultuur in de onderwijsprogramma's op alle niveaus in ontwikkelingslanden;

68.   herinnert de Commissie eraan dat de opwaardering van het cultureel erfgoed onlosmakelijk verbonden is met het gebruik ervan door en het nut voor de samenleving, en dat het cultureel erfgoed op duurzame wijze moet worden beheerd, aangezien het een vergankelijk goed is; acht het verder buiten kijf dat het beheer van het cultureel erfgoed economisch rendabel moet zijn, en aldus moet bijdragen tot de verbetering van de sociaal-economische omstandigheden van de bevolking;

69.   steunt de actieve betrokkenheid van de EU bij de werkzaamheden van op cultuurgebied werkzame organisaties en bij het initiatief "Alliance of Civilisations" van de Verenigde Naties;

70.   bevestigt het belang van de plannen voor een Europese culturele agenda, maar merkt op dat de Commissie in haar mededeling over deze agenda geen details verschaft over de financiering ervan noch een praktisch plan voorstelt voor de invulling van de open coördinatiemethode; roept de Commissie op deze informatie zo snel mogelijk te verstrekken;

71.   benadrukt de belangrijke rol van lokale en regionale autoriteiten bij het cultiveren en bevorderen van cultuur in hun bevoegdheidsgebieden, vooral voor wat het culturele erfgoed en het stimuleren van artistieke vernieuwing betreft, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor het oprichten en financieren van culturele voorzieningen en initiatieven en voor onderwijs en beroepsopleiding, en instaan voor de organisatie van festivals en culturele ontmoetingen;

72.   raadt de lidstaten aan lokale en regionale autoriteiten te betrekken bij zowel het monitoren van de resultaten als de uitvoering van alle nieuwe EU-cultuuragenda's, zodat het daadwerkelijk toegepaste cultuurbeleid de specifieke verwachtingen en behoeften van elke regio weerspiegelt;

73.   wijst op de noodzaak om culturele diversiteit te bevorderen en cultuur een belangrijke rol toe te wijzen in de dialoog tussen afzonderlijke landen en tussen gebieden over de hele wereld, opdat interculturele uitwisseling gestimuleerd wordt en cultuur wordt opgenomen in ontwikkelingsprogramma's; steunt de idee van een geïntegreerde benadering voor de uitwerking van cultuurstrategieën waarin rekening wordt gehouden met alle sectoren en factoren die een al dan niet rechtstreekse invloed hebben op de culturele ontwikkeling;

74.   benadrukt dat cultuurtoerisme een grote rol speelt bij regionale economische groei en welvaartscreatie en bij het vergroten van de waarde van het Europese culturele erfgoed, en dat regionale culturele verenigingen en zij die zich bezighouden met het cultuurbeleid bij dit proces betrokken moeten worden;

75.   betreurt het feit dat de Commissie te weinig aandacht besteedt aan jumelages tussen steden, gemeenten en regio's, die nochtans sinds geruime tijd een uitstekend forum vormen voor culturele samenwerking en informatie-uitwisseling;

76.   verzoekt de Commissie om op Europees niveau de beste praktijken inzake culturele activiteiten te bevorderen, en wijst er in dit verband op dat de beste praktijken op dit vlak meestal op regionaal niveau worden ontwikkeld; stelt voor om themaconferenties te organiseren en openbaar toegankelijke databanken voor goede werkwijzen op te zetten in alle officiële talen van de Europese Unie;

77.   benadrukt, met het lopende Europese Jaar van de interculturele dialoog in gedachten, de potentiële rol van de regio's als authentiek cultureel ontmoetingspunt; verzoekt de Commissie goed onderbouwde voorstellen te presenteren voor activiteiten in 2008 en de regio's actief te betrekken bij de planning en uitvoering van deze activiteiten;

78.   is het met de Commissie eens dat de culturele en taalkundige diversiteit van de EU een belangrijk concurrentievoordeel vormt; herinnert de lidstaten eraan dat taalonderwijs en culturele en educatieve uitwisselingsprogramma's binnen en buiten de Europese Unie onafgebroken steun nodig hebben; herinnert op het vlak van interculturele uitwisseling aan de rol van televisie-uitzendingen;

79.   vraagt de Commissie om, onder andere op stedelijk niveau en vooral in kleine en middelgrote steden, culturele initiatieven binnen regionale samenwerkingsprojecten te ondersteunen, zoals het programma Interreg IV-C, en om het initiatief "regio's voor economische verandering" een culturele dimensie te verlenen;

80.   vraagt de lidstaten om cultuur in de regio's te ondersteunen door te investeren in culturele infrastructuur, gebruik makend van structuurfondsen, en om regionale culturele ontwikkelingsprogramma's op te zetten in overleg met de cultuur- en onderwijssector en met het maatschappelijk middenvlak;

81.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om simpele, transparante en duidelijke regels op te stellen voor de uitvoering van PPP's, zodat deze kunnen uitgroeien tot een effectief financieringsmiddel voor regionale cultuurinitiatieven en een meer actieve betrokkenheid van kleine en middelgrote ondernemingen mogelijk kunnen maken;

82.   verwelkomt het voorstel van de Commissie om een Cultureel Fonds EU-ACS op te richten als bijdrage van de EU aan de distributie van cultuurgoederen uit de ACS-landen en de landen en gebieden overzee; is van oordeel dat vergelijkbare regelingen zouden moeten worden getroffen voor met name landen die onder het nabuurschapsbeleid vallen;

83.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan Unesco en de Raad van Europa.

(1) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 201 van 25.7.2006, blz. 15.
(3) PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.
(4) PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 142.
(5) PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 459.
(6) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 64.
(7) Antwoord op schriftelijke vraag P-5554/07.

Laatst bijgewerkt op: 10 november 2008Juridische mededeling