Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2008 over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EG en de Samenwerkingsraad van de Golf
Het Europees Parlement
,
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 juli 1990 over het belang van het te sluiten vrijhandelsakkoord tussen de EEG en de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten (GCC)(1)
,
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over Europa als wereldspeler - externe aspecten van het concurrentievermogen(2)
,
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(3)
,
- gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld "Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren: een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid" (COM(2006)0567),
- gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een gemeenschappelijke Europese aanpak van staatsinvesteringsfondsen (COM(2008)0115),
- gezien de economische overeenkomst tussen de staten van de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC), die op 31 december 2001 te Masqat (sultanaat Oman) is goedgekeurd, en de GCC-verklaring van 21 december 2002 voor de Doha-ronde over de start van de douane-unie voor de Samenwerkingsraad van de Arabische Golfstaten,
- gelet op de artikelen 188 C en 188 N, lid 6, onder a), punt v) van het Verdrag van Lissabon, volgens welke de Raad de goedkeuring van het Parlement moet vragen voor de sluiting van internationale overeenkomsten betreffende gebieden waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is,
- gezien de jaarverslagen van het Europees Parlement over de mensenrechten,
– gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de EU voorrang moet blijven geven aan een op regels gebaseerd multilateraal handelssysteem zoals door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) tot stand is gebracht, dat het beste forum voor eerlijke en billijke internationale handelsregels en handhaving daarvan vormt,
B. overwegende dat de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten essentieel zijn voor elke nieuwe overeenkomst van de EU met welk land dan ook,
C. overwegende dat de GCC in omvang de zesde uitvoermarkt voor de EU is en dat de EU de belangrijkste handelspartner van de GCC is; overwegende dat de uitvoer van de EU naar de GCC gevarieerd is maar voor het merendeel (56% in 2006) uit machines en transportmaterieel bestaat, terwijl de invoer in de EU uit de GCC voornamelijk uit brandstoffen en daarvan afgeleide producten bestaat,
D. overwegende dat de GCC-landen thans preferentiële toegang tot de EU-markt genieten op grond van het algemeen preferentiestelsel (APS) van de EU,
E. overwegende dat EU- bedrijven in de GCC-staten nog altijd ernstige handelsbelemmeringen ondervinden en dat met name het plafond van 50% voor belangen in plaatselijke ondernemingen veel bedrijven uit de EU ervan weerhoudt daarin te investeren,
1. is van mening dat een handelsakkoord met de GCC een nuttige aanvulling op het multilaterale WTO-systeem kan vormen mits het niet tot tariefreducties beperkt blijft en betrekking heeft op kwalitatieve voorwaarden in verband met handel, met inbegrip van doeltreffende bepalingen inzake mensenrechten, en van sociale en milieunormen;
2. is tegen de achtergrond van de behoefte aan duurzamere handelspatronen ter bestrijding van de klimaatverandering van oordeel dat de toegang tot energiebronnen met multilaterale regelgeving moet worden benaderd en niet door op zo gunstig mogelijke toegangsvoorwaarden gerichte bilaterale handelsakkoorden mag worden ondermijnd;
3. is bezorgd over de trage voortgang bij de onderhandelingen maar neemt met belangstelling kennis van de belangrijke vooruitgang die in 2007 is geboekt; dringt er bij beide partijen op aan vaart achter de onderhandelingen over de nog openstaande punten te zetten voordat het EU-GCC-ministersberaad op 26 mei 2008 plaatsvindt;
4. dringt er bij de EU-instellingen en de GCC op aan dat zij bij de ontwikkeling en uitbreiding van harmonieuze economische betrekkingen hun onderlinge politieke en sociale dialoog versterken;
Toegang tot elkaars markten
5. beklemtoont het essentiële belang van markttoegang, naast beperking of afschaffing van quota en tarieven, en van liberalisatie van non-tarifaire handelsbelemmeringen;
6. verzoekt de Commissie zorgvuldig maatregelen te formuleren op het gebied van productnormen (steun voor capaciteitsopbouw en uitwisseling van mankracht); wijst erop dat het einddoel van overeengekomen normen de naleving ervan is, wat betekent dat zij in het mechanisme voor het beslechten van geschillen moeten worden opgenomen;
7. geeft voorrang aan doeltreffende toepassing van intellectuele-eigendomsrechten; dringt aan op het sluiten van een vrijhandelsovereenkomst waarvan wetenschappelijke en technische samenwerking en intellectuele eigendom een essentieel onderdeel vormen;
8. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de mogelijke concurrentieverstoring in verscheidene GCC-staten door staatssteun en eventuele andere voordelen op het vlak van toegang tot grondstoffen en lagere kosten dan de wereldmarktprijzen die EU-bedrijven moeten betalen, en is van oordeel dat de vrijhandelsovereenkomst de huidige WTO-regels inzake staatssteun en soortgelijke maatregelen moet bekrachtigen;
9. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de scheefgroei bij de grensoverschrijdende investeringen door de afname van de EU-investeringen in het GCC-gebied en de toename van GCC-investeringen in de EU; stelt daarom voor beter samen te werken op het gebied van het mededingingsbeleid;
10. beklemtoont dat alle exportsubsidies op korte termijn moeten worden afgeschaft; is van oordeel dat ook kwantitatieve beperkingen voorrang verdienen;
Sectoriële kwesties
11. wijst op het belang van sterkere liberalisering van de dienstensector en investeringen in de overeenkomst, naast overheidsopdrachten, waarbij rekening moet worden gehouden met het waarborgen van universele, toegankelijke en duurzame overheidsdienstverlening tegen betaalbare prijzen en met strenge kwaliteitsnormen voor iedereen;
12. is van mening dat met de overeenkomst moet worden gestreefd naar meer transparantie en een sterkere verantwoordingsplicht ten aanzien van de beleggingen door staatsinvesteringsfondsen;
13. is bezorgd over non-tarifaire handelsbelemmeringen zoals beperkingen voor bedrijfsdienstverlening, en wijst erop dat terugdringing van ongegronde beperkingen kan leiden tot kostenverlaging en tot een efficiënter bank- en verzekeringswezen en rechtsbijstand voor de bedrijven uit de GCC;
14. is verheugd over de reeds aangehaalde mededeling van de Commissie over een gemeenschappelijke Europese aanpak van staatsinvesteringsfondsen en met name het voorstel voor een gedragscode voor hun beleggingsactiviteiten; beklemtoont het belang van een beoordeling van de deelneming van staatsfondsen in gevoelige Europese sectoren;
15. dringt aan op opname van een mechanisme dat ervoor moet zorgen dat internationale prijzen van toepassing zijn op grondstoffen voor petrochemische producenten in de GCC; is van oordeel dat gereduceerde grondstoffenprijzen neerkomen op subsidie waardoor de concurrentie wordt vervalst en dus als dumping in de zin van de WTO benaderd moeten worden;
16. verzoekt de Commissie het gebruik van de euro in de toekomstige handel tussen de lidstaten van de EU en de GCC te bevorderen;
Duurzame ontwikkeling
17. wijst erop dat afdwingbare mensenrechtenclausules een essentieel onderdeel van vrijhandelsovereenkomsten met elke staat of regio vormen en als clausule met schorsende werking in de overeenkomst moeten worden opgenomen;
18. beschouwt een ambitieus hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling als hoeksteen van de overeenkomst en wijst erop dat het einddoel de handhaving van overeengekomen normen is; is van oordeel dat het hiervoor nodig is dat het hoofdstuk onder het standaardmechanisme voor geschillenbeslechting komt te vallen;
19. is van oordeel dat de ratificatie en volledige toepassing door de GCC-lidstaten van het raamwerk bestaande uit het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, het VN-Verdrag tegen corruptie en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en leden van hun families een essentiële rol moet spelen om ervoor te zorgen dat de vrijhandelsovereenkomst gepaard gaat met normen op het gebied van corruptiebestrijding en transparantie en sociale normen;
20. benadrukt dat de eerbiediging van de democratische beginselen en grondrechten zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de VN 10 december 1948 als inspiratiebron moet dienen voor het binnenlands en buitenlands beleid van beide partijen; moedigt de inspanningen aan die de GCC-lidstaten ondernemen om discriminatie van vrouwen te bestrijden, met name op de arbeidsmarkt;
21. gaat ervan uit dat de overeenkomst impliceert dat de partijen de essentiële verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) ratificeren en in praktijk brengen; verzoekt de Commissie na te gaan hoe landen gestimuleerd kunnen worden hun normen op het gebied van arbeid te verbeteren, met name ten aanzien van arbeidsmigranten, die in de meeste GCC-staten de meerderheid van de beroepsbevolking uitmaken;
22. dringt aan op een mechanisme om erkende mensenrechtenorganisaties en werknemers- en werkgeversorganisaties de gelegenheid te geven verzoeken om optreden in te dienen, die binnen een bepaalde periode behandeld moeten worden en die kunnen uitmonden in regels voor permanente follow-up en herziening teneinde de druk tegen schending van werknemersrechten op peil te houden;
23. verzoekt de Commissie een bijgewerkte duurzaamheidseffectbeoordeling uit te voeren, met name wat betreft maatregelen die wellicht nodig zijn om de negatieve gevolgen voor bepaalde groepen of sectoren op te vangen;
24. verzoekt de Commissie aandacht te schenken aan de verschuiving in handelspatronen als gevolg van wederzijdse liberalisering en met name het effect op het verlies van preferentievoordelen van het APS teneinde optimale tariefverlagingen te formuleren;
25. beklemtoont dat in aansluiting op de vrijhandelsovereenkomst verdere samenwerking tussen EU en GCC moet worden bevorderd, met name op het gebied van duurzame ontwikkeling, klimaatverandering en energie-efficiëntie, met inbegrip van hernieuwbare energie en Galileo;
26. verzoekt beide partijen na te gaan of er terreinen zijn waarop nauwere samenwerking mogelijk is in het kader van het bestaande Europees-Mediterraan partnerschap, en met name op het gebied van de rechtstreekse buitenlandse investeringen;
Rol van het EP
27. verwacht dat het Verdrag van Lissabon in werking treedt voordat de onderhandelingen afgerond zullen zijn, zodat het Parlement zijn instemming met de overeenkomst zal moeten verlenen; verzoekt de Commissie het onderhandelingsmandaat van 2001 aan het Parlement voor te leggen;
o o o
28. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de landen van de Samenwerkingsraad van de Golf, alsmede aan de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf.