Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2008 inzake het voortgangsverslag 2007 over Turkije (2007/2269(INI))
Het Europees Parlement
,
– gezien het voortgangsverslag 2007 van de Commissie over Turkije (SEC(2007)1436),
– onder verwijzing naar zijn vorige resoluties van 27 september 2006 over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding(1)
en van 24 oktober 2007 over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije(2)
,
– onder verwijzing naar zijn resoluties van 6 juli 2005(3)
en 13 februari 2007(4)
over de rol van vrouwen in het sociale, economische en politieke leven in Turkije,
– gezien het kader voor de onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,
– gelet op Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het partnerschap voor de toetreding met de Republiek Turkije(5)
("het toetredingspartnerschap"), en op eerdere besluiten van de Raad met betrekking tot het toetredingspartnerschap van 2001, 2003 en 2006,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0168/2008),
A. overwegende dat na goedkeuring van het kader voor onderhandelingen door de Raad op 3 oktober 2005 toetredingsonderhandelingen met Turkije werden geopend, en dat het openen van deze onderhandelingen het beginpunt voor een langdurig proces met een open einde vormt,
B. overwegende dat Turkije zich verplicht heeft tot hervormingen, goede betrekkingen met zijn buren en geleidelijke aanpassing aan de EU, en dat deze inspanningen voor Turkije zelf beschouwd moeten worden als een kans tot verdere modernisering,
C. overwegende dat het volledige voldoen aan alle criteria van Kopenhagen en het integratievermogen van de EU, in overeenstemming met de conclusies van de vergadering van de Europese Raad van december 2006, de basis blijven voor toetreding tot de EU, een gemeenschap die is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden,
D. overwegende dat de Commissie in haar voortgangsverslag 2007 concludeerde dat in 2007 op het gebied van politieke hervormingen beperkte vooruitgang bereikt werd in Turkije,
E. overwegende dat in 2007 de democratie van Turkije is versterkt, een nieuw parlement is gekozen dat representatief is voor de politieke diversiteit van het land en een regering is gevormd die is toegerust met een krachtig mandaat,
F. overwegende dat Turkije nog steeds de bepalingen die voortvloeien uit de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije en het aanvullend protocol daarbij niet ten uitvoer heeft gelegd,
G. overwegende dat in 2007 vijf onderhandelingshoofdstukken werden geopend,
Hervormingen in de richting van een democratische en welvarende samenleving
1. is ingenomen met de toezegging van premier Erdogan dat 2008 het jaar van de hervormingen zal worden; dringt er bij de Turkse regering op aan haar beloften waar te maken door gebruik te maken van haar sterke parlementaire meerderheid om resoluut hervormingen na te streven die cruciaal zijn voor de transformatie van Turkije tot een moderne en welvarende democratie, die is gebaseerd op een seculiere staat en een pluralistische samenleving;
2. benadrukt dat een dergelijke modernisering in de eerste plaats in het belang van Turkije zelf is; erkent tevens het strategische belang van een stabiel, democratisch en welvarend Turkije voor de EU; herhaalt dat nakoming van de verplichtingen als uiteengezet in het toetredingspartnerschap van wezenlijk belang is voor Turkije en zijn toekomstige betrekkingen met de EU;
3. benadrukt zijn overtuiging dat alleen een samenleving die geleid wordt door respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden en die gebaseerd is op democratie, de rechtsstaat en een sociaal gerichte markteconomie, zich tot een vreedzame, stabiele en welvarende samenleving kan ontwikkelen;
4. onderstreept het belang voor Turkije van de bestrijding van alle vormen van discriminatie, overeenkomstig artikel 13 van het EG-Verdrag, wat gelijkheid voor iedereen inhoudt, ongeacht geslacht, ras of etnische afkomst, religie of geloof, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;
5. neemt nota van de recente herziening van het toetredingspartnerschap; is zich bewust van het feit dat deze derde revisie sinds 2001 op de meeste gebieden niet ten uitvoer gebrachte prioriteiten voor een verdere periode verlengt; dringt er nu bij de Turkse regering op aan de prioriteiten en de tijdschema's, als uiteengezet in het partnerschap, om te zetten in haar hervormingsplannen, rekening houdend met het feit dat verdere vertraging het tempo van de onderhandelingen ernstig zal schaden;
6. is ingenomen met het feit dat de democratie in 2007 zegevierde over pogingen van het leger zich in het politieke te mengen; spoort de Turkse regering aan tot verdere systematische inspanningen om te waarborgen dat het democratisch gekozen politieke leiderschap volledige verantwoordelijkheid draagt voor het formuleren van een binnenlands, buitenlands en veiligheidsbeleid, ook ten aanzien van Cyprus, en dat de strijdkrachten deze verantwoordelijkheid respecteren door het civiele gezag volledig en ondubbelzinnig te erkennen; wijst in het bijzonder op de noodzaak van volledige parlementaire controle op het militaire en defensiebeleid en de daarmee verband houdende uitgaven;
7. is bezorgd over de gevolgen van de zaak betreffende de opheffing van de AKP; verwacht dat het Turkse constitutionele hof de beginselen van de rechtsstaat, de Europese normen en de op 10 en 11 december 1999 door de Commissie van Venetië van de Raad van Europa aangenomen richtsnoeren voor het verbieden en opheffen van partijen en soortgelijke maatregelen, eerbiedigt; verzoekt het Turkse parlement de grondwet in overeenstemming te brengen met deze normen voor het verbieden van partijen;
8. verzoekt de Turkse regering bij haar streven naar hervormingen het pluralisme en de diversiteit in een seculier en democratisch Turkije te eerbiedigen, en dringt er bij de regering en alle politieke partijen op aan zich constructief in te zetten voor een consensus over de belangrijke stappen met het oog op de modernisering van het land;
9. beschouwt de op 30 april 2008 door het Turks parlement aangenomen wijzigingen in artikel 301 van het wetboek van strafrecht als eerste stap op de weg naar een fundamentele hervorming van dit artikel en andere artikelen van het wetboek van strafrecht, en kijkt uit naar verdere stappen in deze richting; benadrukt dat er vooruitgang moet worden geboekt op het vlak van de vrijheid van meningsuiting, zowel in de theorie als in de praktijk; betreurt het dat het aantal personen dat is vervolgd uit hoofde van wettelijke bepalingen die willekeurige beperking van het uiten van niet-gewelddadige opvattingen toestaan, in 2007(6)
verder is gestegen; is van mening dat de intrekking van artikel 301 en andere wettelijke bepalingen die de door het internationaal recht gewaarborgde vrijheid van meningsuiting onrechtmatig beknotten de beste oplossing zou zijn om ervoor te zorgen dat Turkije de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid ten volle waarborgt overeenkomstig de normen die zijn verankerd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EMRV);
10. is ingenomen met de recente goedkeuring door het Turkse parlement van de wetgeving op stichtingen; juicht het toe dat de Commissie voornemens is de nieuwe tekst te onderzoeken, en benadrukt dat zij zou moeten analyseren of de wet ingaat op alle tekortkomingen waarmee niet-moslim religieuze gemeenschappen geconfronteerd worden met betrekking tot het beheer en verwerven van eigendommen, met inbegrip van aan derden verkochte, geconfisqueerde eigendommen; doet een beroep op de Turkse autoriteiten om te waarborgen dat de wet ten uitvoer wordt gelegd in overeenstemming met het EMRV en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens;
11. moedigt de Turkse regering aan om na de positieve stap die gezet is door de goedkeuring van de wetgeving op stichtingen, aan haar verplichtingen ten aanzien van godsdienstvrijheid te voldoen, door in overeenstemming met het EMRV en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een wettelijk kader vast te stellen, zodat alle religieuze gemeenschappen ongehinderd kunnen functioneren, in het bijzonder wat betreft hun wettelijke status, de opleiding van geestelijken, de keuze van de hiërarchie, het godsdienstonderwijs en de bouw van gebouwen waar erediensten worden gehouden; verzoekt om bescherming van het religieuze en culturele erfgoed; herhaalt zijn oproep tot onmiddellijke heropening van het Grieks-orthodoxe Halki Seminarie en het publiek gebruik van de kerkelijke titel van de Oecumenisch Patriarch; deelt de ongerustheid die de Raad op 24 juli 2007 heeft uitgesproken over de uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over het Oecumenisch Patriarchaat, en verwacht dat deze uitspraak het patriarchaat en andere niet-moslim religieuze gemeenschappen niet verder zal hinderen bij het uitoefenen van hun op grond van het EMRV gewaarborgde rechten;
12. dringt er bij de Turkse regering op aan om, als een zaak van prioriteit, een politiek initiatief te lanceren ten gunste van een duurzame regeling van de Koerdische kwestie, die uitsluitend gebaseerd kan zijn op tastbare verbeteringen van de culturele, economische en sociale kansen voor burgers van Koerdische afkomst, met inbegrip van reële mogelijkheden om Koerdisch te leren in het openbaar en particulier onderwijs en hiervan gebruik te maken bij de omroep, in het dagelijks leven en bij de toegang tot openbare diensten; beschouwt een mogelijk verbod van de Partij voor een Democratische Samenleving (DTP) als contraproductief bij het zoeken naar een politieke oplossing;
13. verzoekt de DTP en de tot deze partij behorende parlementsleden en burgemeesters duidelijk afstand te nemen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en binnen de democratische Turkse staat een constructieve rol te spelen bij het zoeken naar een politieke oplossing voor het Koerdische vraagstuk; verzoekt ook alle andere politieke partijen in Turkije zich constructief voor hetzelfde doel in te zetten;
14. betreurt de vele rechtszaken die tegen gekozen burgemeesters en andere politici zijn aangespannen wegens het gebruik van de Koerdische taal of het kenbaar maken van hun mening over het Koerdische vraagstuk, zoals de terechtzittingen die onlangs hebben geleid tot de veroordeling van Leyla Zana en van de 53 DTP-burgemeesters;
15. herhaalt zijn eerdere oproepen aan de Turkse regering te komen met een uitgebreid masterplan om de sociaal-economische en culturele ontwikkeling van het zuidoosten van Turkije te stimuleren, waar meer dan de helft van de bevolking nog onder de armoedegrens leeft; is van mening dat dit masterplan ook moet ingaan op de sociale, ecologische, culturele en geopolitieke problemen die voortkomen uit het Zuidoost-Anatolië-project; vraagt de Commissie de regionale component van de pretoetredingssteun (IPA)(7)
te koppelen aan de voorwaarde dat snel een dergelijke strategie wordt opgesteld;
16. dringt er bij de Turkse regering op aan een globale nationale strategie voor het vraagstuk van de interne ontheemden te presenteren, waarmee de huidige juridische en praktische tekortkomingen zouden worden weggenomen en de financiële en overige steun zou worden geboden die nodig is om de terugkeer van en de schadevergoeding voor de betrokken behoorlijk te regelen;
17. neemt nota van het in gang zijnde proces om een nieuwe, burgerlijke grondwet op te stellen; beschouwt dit als een cruciale kans om de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in het hart van de grondwet te plaatsen; herhaalt dat een systeem van "checks and balances" moet worden ingesteld, ter waarborging van de democratie, de rechtsstaat, sociale cohesie en scheiding tussen godsdienst en staat; onderstreept tevens dat de nieuwe grondwet de gelijkheid van mannen en vrouwen moet waarborgen en dat daarin het gebruik van vage criteria als algemene moraal moet worden vermeden, vrouwen niet in de eerste plaats als leden van het gezin of de gemeenschap moeten worden beschouwd en de mensenrechten van de vrouw, met inbegrip van hun seksuele en reproductieve rechten, als hun individuele rechten moeten worden bekrachtigd;
18. onderstreept de noodzaak van een brede betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij dit grondwettelijke proces, zodat er samen met politieke partijen, etnische en religieuze minderheden en de sociale partners een consensus wordt bereikt over de constitutionele toekomst van Turkije; neemt kennis van de teleurstelling en bezorgdheid bij een deel van de bevolking dat de opheffing van het verbod op het dragen van hoofddoekjes op universiteiten geen deel uitmaakte van een groter hervormingspakket waaraan een brede maatschappelijke discussie vooraf is gegaan; herhaalt zijn reeds in bovengenoemde resolutie van 27 september 2006 uitgesproken aanbeveling inzake de kiesdrempel;
19. neemt nota van de gemaakte vorderingen met betrekking tot de doeltreffendheid van de rechterlijke macht; is ingenomen met het plan van de Turkse regering om een hervormingsstrategie ten uitvoer te leggen, teneinde de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te versterken en het vertrouwen van het publiek in het rechtsstelsel te vergroten; is van mening dat deze strategie, als prioriteit, zou moeten waarborgen dat de interpretatie van de wetgeving met betrekking tot mensenrechten en fundamentele vrijheden in overeenstemming is met de normen van het EMRV; tekent aan dat deze strategie alleen kan worden gerealiseerd via een ambitieus bijscholingprogramma voor de rechterlijke macht; is bezorgd over de negatieve houding van sommigen in de rechterlijke macht ten aanzien van internationale overeenkomsten inzake de grondrechten en de fundamentele vrijheden en ten aanzien van de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tegen Turkije wegens schending van het EMRV;
20. dringt er bij het Turkse Constitutionele Hof op aan haast te maken met de stappen naar zijn definitieve besluit inzake de wet op de ombudsman, om het zo de regering mogelijk te maken onverwijld het ambt van ombudsman in te stellen; adviseert Turkije om in deze kwestie samen te werken met de Europese Ombudsman en nationale ombudsmannen in EU-lidstaten;
21. is bezorgd over de in sommige delen van de samenleving sterk aanwezige vijandigheid jegens minderheden en over politiek en religieus geïnspireerd geweld; verzoekt de Turkse regering stappen te ondernemen tegen organisaties en groepen die dergelijke vijandigheden aanwakkerden, allen die bedreigd worden en voor hun leven vrezen te beschermen, en zich blijvende inspanningen te getroosten teneinde een omgeving te creëren die bevorderlijk is voor het volledig respecteren van fundamentele mensenrechten en vrijheden;
22. dringt er bij de Turkse autoriteiten met klem op aan een volledig onderzoek in te stellen naar de moord op Hrant Dink en op de drie christenen in Malatya, evenals naar alle andere gevallen van politiek, religieus of raciaal geïnspireerd geweld; betreurt de trage voortgang van de rechtszaken betreffende deze gevallen, de verdenkingen van partijdigheid en de gevoelens van onschendbaarheid die hieruit voortkomen, en verzoekt de autoriteiten volledige duidelijkheid te scheppen over aantijgingen van nalatigheid van de kant van de bevoegde autoriteiten, en alle verantwoordelijken voor het gerecht te brengen;
23. moedigt de Turkse autoriteiten aan het onderzoek naar de criminele organisatie Ergenekon voortvarend aan te pakken, zich hierbij nauwgezet houdend aan de beginselen van de rechtsstaat,
de tot in de staatsstructuren reikende netwerken ervan volledig bloot te leggen en de betrokkenen voor het gerecht te brengen;
24. neemt nota van de vaststelling door de Commissie van de aanhoudende neerwaartse trend in het aantal gevallen van folteringen en mishandeling en van het positieve effect van de desbetreffende wettelijke waarborgen; vraagt de Commissie echter te analyseren of de antiterreurwetgeving en de wetgeving inzake de bevoegdheden van de politie deze positieve ontwikkeling niet verzwakt; roept de Turkse regering op haar strijd tegen folteringen buiten en binnen detentiecentra en tegen de straffeloosheid van wetshandhavers te intensiveren, en het facultatief protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of enterende behandeling of bestraffing te ratificeren en ten uitvoer te leggen, teneinde te komen tot het systematisch voorkomen van folteringen en tot onafhankelijke controle van detentiecentra;
25. neemt nota van de opvatting van het begrip assimilatie zoals naar voren gebracht door premier Erdogan tijdens zijn recente officiële bezoek aan Duitsland; is daarom van mening dat de Turkse regering stappen moet nemen om alle burgers in staat te stellen hun culturele identiteit te ontwikkelen binnen de democratische Turkse staat; wijst in dit opzicht op de verplichtingen als uiteengezet in het kader voor onderhandelingen met betrekking tot respect voor en bescherming van minderheden en effectieve toegang tot het leren van andere talen dan Turks, tot het verzorgen van uitzendingen in andere talen dan het Turks alsmede tot openbare diensten in andere talen dan het Turks;
26. is ingenomen met de gemaakte vorderingen op het gebied van de bescherming van vrouwen tegen geweld en spreekt zijn tevredenheid uit over de werkzaamheden die in dit opzicht zijn uitgevoerd door publieke instellingen en het maatschappelijk middenveld; moedigt de Turkse autoriteiten aan huiselijk geweld, zogenoemde "eerwraak" en gedwongen huwelijken verder uit te bannen, in het bijzonder door de desbetreffende wetgeving volledig ten uitvoer te brengen, een uitgebreide publiekscampagne te blijven voeren, meer opvangplaatsen voor slachtoffers te bieden, de opleiding van wetshandhavingsinstanties te intensiveren en nauwgezet te blijven toezien op de ingevoerde initiatieven; stelt met bezorgdheid vast dat de toegang tot betrouwbare gegevens over geweld tegen vrouwen nog steeds een probleem is, en dringt er bij de Turkse regering op aan hierin verbetering te brengen;
27. erkent dat een aanzienlijk aantal vrouwen in Turkije vooraanstaande posities in de economie, de politiek en in de academische wereld bekleedt, en herhaalt dat gelijke behandeling, de toegankelijkheid van onderwijs voor en de emancipatie van vrouwen op politiek, economisch en sociaal gebied van cruciaal belang zijn voor verdere economische groei en welvaart in Turkije; merkt echter met zorg op dat de totale participatiegraad van vrouwen in Turkije nog steeds slechts 23,8% bedraagt(8)
, en dat er nauwelijks enige toename heeft plaatsgevonden in de participatie van vrouwen in de politiek; roept de Turkse regering daarom op nadere tastbare stappen te nemen om de participatie van vrouwen in de beroepsbevolking te vergroten, met bijzondere aandacht voor landelijke gebieden, om hun opname in de gezondheidszorg en het stelsel van sociale zekerheid te bevorderen, en instrumenten of tijdelijke maatregelen te ontwikkelen om de actieve betrokkenheid van vrouwen bij de politiek te vergroten;
28. complimenteert de Turkse regering met haar steun aan succesvolle samenwerkingsprojecten tussen de EU en Turkse partners, zoals het twinning project dat de weg bereidt voor een onafhankelijke gendergelijkheidsinstelling en 750 functionarissen opleidt op het gebied van gendermainstreaming; verwacht dat bedoelde gendergelijkheidsinstelling zonder vertraging wordt opgericht;
29. stelt vast dat onduidelijk is wat de bevoegdheden zijn van de voorgestelde commissie voor gelijke kansen van het Turkse parlement; dringt er bij het Turkse parlement op aan een gespecialiseerde commissie met wetgevingsbevoegdheden in het leven te roepen als een essentieel instrument voor de verbetering van de rechten van de vrouw en gender mainstreaming in Turkije;
30. respecteert en staat volledig achter het werk van vrouwenorganisaties in Turkije, die de rol van vrouwen in de maatschappij helpen versterken, helpen hen te beschermen tegen geweld en hun ondernemerschap bevorderen, terwijl ze een positief voorbeeld stellen voor de vrouwenemancipatie en bijdragen aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen;
31. prijst Turkije voor de positieve ontwikkeling van zijn economie; herhaalt zijn mening dat alleen een sociaal samenhangende maatschappij, ondersteund door een krachtige middenklasse, welvaart kan genieten; betreurt daarom het geringe effect van de sterke economische groei op de aanhoudend zwakke arbeidsmarkt; wijst op de noodzaak het probleem van de zwarte economie aan te pakken en het stelsel van sociale zekerheid een duurzame basis te geven; is van mening dat een grotere rol voor kleine en middelgrote ondernemingen kan bijdragen aan een snellere economische groei;
32. wijst op het potentieel van een doeltreffende sociale dialoog teneinde de partnerschappen op te bouwen welke nodig zijn voor het functioneren van een sociaal gerichte markteconomie; is teleurgesteld over de beperkte vorderingen die geboekt zijn bij het versterken van de mechanismen voor een sociale dialoog; dringt er bij de Turkse regering op aan de overeenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie volledig ten uitvoer te leggen, en benadrukt de noodzaak om de huidige beperkingen ten aanzien van de vrijheid van vereniging, het stakingsrecht en het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten op te heffen;
33. is bezorgd over het excessieve geweld dat de Turkse politie tijdens de 1-meiviering van 2008 in Istanboel heeft gebruikt tegen demonstranten; wijst er nogmaals op dat de vrijheid van vereniging en vreedzame activiteiten van vakbonden volgens het EVRM een fundamenteel recht zijn;
34. benadrukt het belang van de toegankelijkheid van het onderwijs als sleutel tot een sociaal samenhangende maatschappij; prijst de Turkse regering en het maatschappelijk middenveld voor de campagne om het aantal inschrijvingen van meisjes op scholen te vergroten; wijst echter op de noodzaak om de registratie van alle kinderen bij de geboorte te waarborgen en de monitoring en handhaving van de leerplicht te verbeteren, teneinde het aantal kinderen dat niet naar school gaat verder terug te dringen; prijst de Turkse regering voor de positieve resultaten die bereikt zijn bij het terugdringen van de kinderarbeid, en moedigt haar aan zich in dit opzicht te blijven inspannen;
35. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de omvang van de corruptie; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan een algemene anticorruptiestrategie te ontwikkelen die gericht is op een doeltreffende bestrijding van corruptie;
36. is bezorgd over de grote verschillen in ontwikkeling tussen Turkse regio's alsook tussen landelijke en stedelijke gebieden; roept de Turkse regering op een omvattende strategie op te stellen voor de aanpak van deze verschillen; nodigt de Commissie uit het Parlement voor eind 2008 te voorzien van informatie over de bijdrage van de EU aan deze strategische planning krachtens het instrument voor pretoetredingssteun IPA in 2007 en 2008;
37. verzoekt de Turkse regering Europese normen toe te passen op projecten met verstrekkende gevolgen, zoals de aanleg van dammen in het Munzurdal, de Allianoidam en de aanleg van Ilisudam en de goudextractie in Bergama en andere gebieden, die een bedreiging vormen zowel voor het historisch erfgoed als voor unieke, waardevolle landschappen; verzoekt de Turkse regering bij het plannen van regionale ontwikkelingsprojecten het EU-recht als richtsnoer te gebruiken;
38. spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het geweld van de PKK en andere terroristische groeperingen op Turkse bodem; veroordeelt de aanslag in Diyarbakir in januari 2008, waarbij zes mensen gedood werden en meer dan 60 gewond raakten, en betuigt zijn welgemeende deelneming aan de families van de slachtoffers van dit misdrijf; herhaalt zijn solidariteit met Turkije in zijn strijd tegen terrorisme en herhaalt zijn verzoek aan de PKK om een onmiddellijk en onvoorwaardelijk staakt-het-vuren uit te roepen en te respecteren;
39. herhaalt zijn oproep aan de Turkse regering zich te onthouden van disproportionele militaire operaties waardoor het grondgebied van Irak zou worden geschonden; dringt er bij Turkije op aan de territoriale integriteit van Irak, de mensenrechten en de rechtsstaat te respecteren, en te waarborgen dat er geen burgerslachtoffers vallen; dringt er bij de regering van Irak en de Koerdische regionale regering van Irak op aan niet toe te staan dat Irakees territorium wordt gebruikt als basis voor terroristische activiteiten tegen Turkije; is ingenomen met de communicatie die plaatsvindt tussen de regeringen van Turkije en Irak, en verzoekt tevens om maatregelen om de samenwerking met de Koerdische regionale regering in Irak te intensiveren, teneinde een doeltreffende preventie van terroristische aanvallen onder Irakese verantwoordelijkheid mogelijk te maken;
Regionale vraagstukken en externe relaties
40. herinnert eraan dat Turkije zich verplicht heeft tot goede betrekkingen met zijn buren, en benadrukt zijn verwachting dat Turkije zich onthoudt van dreigementen jegens buurlanden en al zijn lopende geschillen vreedzaam oplost in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties, andere relevante internationale verdragen en bilaterale overeenkomsten en verplichtingen; nodigt de Turkse autoriteiten met name uit om, in een geest van goede nabuurschapsbetrekkingen, de dialoog met Griekenland (bijv. over het continentaal plat in de Egeïsche Zee) en met Bulgarije (bijv. over de eigendomsrechten van Thracisch-Bulgaarse vluchtelingen) te versterken teneinde alle nog uitstaande bilaterale kwesties te regelen;
41. benadrukt de noodzaak te komen tot een omvattende oplossing van het Cyprus-vraagstuk; is ingenomen met de door de leiders van beide gemeenschappen op Cyprus op 21 maart 2008 bereikte overeenkomst en doet een beroep op beide partijen om de huidige kans waar te nemen met het oog op het bereiken van een omvattende oplossing binnen het kader van de VN, op basis van de beginselen waarop de EU is gegrondvest; herinnert in dit verband aan zijn eerdere resoluties waarin wordt verklaard dat de terugtrekking van Turkse troepen de onderhandelingen over een oplossing zou vergemakkelijken;
42. is ingenomen met de instelling van een instrument voor financiële ondersteuning ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan een specifiek verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van dit instrument;
43. is ingenomen met de verbetering van de relaties tussen Griekenland en Turkije tijdens het afgelopen decennium en de voortzetting van het positieve politieke klimaat, wat duidelijk werd tijdens het recente officiële bezoek van de premier van de Helleense Republiek, Kostas Karamanlis, aan Turkije, dat hoop biedt op een verdere verbetering van de bilaterale betrekkingen tussen Griekenland en Turkije, in het bijzonder een vreedzame regeling van alle kwesties die in voorgaande resoluties van het Parlement zijn benadrukt, op basis van het internationaal recht en in overeenstemming met de verplichtingen die zijn aangegaan in het kader voor onderhandelingen;
44. roept de Turkse regering op zijn grenzen met Armenië te heropenen en de economische en politieke betrekkingen met dat land volledig te herstellen; roept de Turkse en de Armeense regering nogmaals op om een proces van verzoening op gang te brengen ten aanzien van het heden en het verleden, dat een eerlijke en openhartige discussie mogelijk maakt over gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden; roept de Commissie op dit proces van verzoening te vergemakkelijken;
45. erkent de rol van Turkije als een belangrijke partner van de EU met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU in de regio van de Zwarte Zee, Centraal-Azië en het Midden-Oosten in bredere zin; roept de Commissie en de Raad op het potentieel van nauwe betrekkingen tussen de EU en Turkije beter te benutten in deze regio's;
46. dringt er bij Turkije op aan het Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof te ondertekenen, aangezien dat een onmisbaar multilateraal instrument is;
47. spreekt zijn waardering uit over de bijdrage van Turkije aan de in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid uitgevoerde missies en operaties in Bosnië-Herzegovina en de Democratische Republiek Congo, en zijn bijdrage aan door de NAVO geleide operaties in Kosovo, Darfur en Afghanistan;
48. betreurt echter de bezwaren van Turkije tegen de tenuitvoerlegging van de strategische samenwerking tussen de EU en de NAVO, die gebaseerd is op en verder gaat dan de Berlijn-Plus-overeenkomst; is bezorgd over de negatieve consequenties van deze bezwaren voor de bescherming van het ingezette Europese personeel, met name de EU-politiemissie in Afghanistan en de rechtsstaatmissie (EULEX) in Kosovo, en verzoekt Turkije deze bezwaren zo spoedig mogelijk in te trekken;
Betrekkingen tussen de EU en Turkije
49. dringt er bij de Turkse regering op aan volledig en onverwijld uitvoering te geven aan de bepalingen die zijn opgenomen in de Associatieovereenkomst EG-Turkije en het Aanvullend Protocol daarbij; herinnert eraan dat niet-nakoming van de verplichtingen door Turkije ernstige gevolgen zal blijven hebben voor het onderhandelingsproces;
50. erkent het streven van Turkije een Euraziatisch doorvoercentrum voor energie te worden, en de bijdrage die het kan leveren aan de energiezekerheid van Europa; heeft waardering voor de vorderingen die Turkije geboekt heeft op het gebied van energie; herinnert aan zijn bovengenoemde resolutie van 24 oktober 2007, waarin het openen van de onderhandelingen over dit hoofdstuk wordt ondersteund; moedigt Turkije aan als volwaardig lid toe te treden tot de Europese Energiegemeenschap, met het oog op de versterking van de samenwerking tussen de EU en Turkije op energiegebied, waarvan alle betrokken partijen kunnen profiteren; roept Turkije op het Nabucco-pijpleidingproject, een Europees prioritair project, volledig te steunen;
51. roept de Commissie en de Turkse regering op onderhandelingen te beginnen over een visumversoepelingsovereenkomst tussen de EU en Turkije;
52. wijst erop dat een van de belangrijkste immigratieroutes naar Europa vanuit het Midden-Oosten in bredere zin en vanuit Zuid-Azië over Turks grondgebied loopt; wijst op de beperkte vorderingen die gemaakt zijn op het gebied van migratiebeheersing; roept de Commissie en Turkije op de onderhandelingen over een terugnameovereenkomst, waarin de fundamentele mensenrechten worden geëerbiedigd, te intensiveren, teneinde deze overeenkomst onverwijld af te sluiten; dringt er bij de Turkse regering op aan de bestaande bilaterale terugnameovereenkomsten en protocollen met EU-lidstaten naar behoren ten uitvoer te leggen;
53. is ingenomen met de door de Turkse regering gemaakte vorderingen op het gebied van onderwijs, scholing, jeugd en cultuur, wat betreft de aanpassing aan het acquis
van de EU; benadrukt het belang van nauwe en blijvende samenwerking tussen de EU en Turkije op deze gebieden, welke van cruciaal belang zijn voor een succesvolle modernisering van de Turkse samenleving op de lange termijn;
54. is ingenomen met de aanwijzing van Istanboel als culturele hoofdstad van Europa in 2010 als een gelegenheid om de interculturele dialoog en de samenwerking tussen de EU en Turkije te versterken;
55. herhaalt zijn steun voor de maatschappelijk-middenvelddialoog tussen de EU en Turkije en verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de in dat kader uitgevoerde activiteiten, evenals over de in het kader van het IPA aan het Turkse maatschappelijk middenveld verleende bijstand; roept de Turkse regering op het maatschappelijk middenveld in Turkije nauwer te betrekken bij het hervormingsproces;
56. juicht het toe dat het IPA voorziet in steun voor maatregelen om te bevorderen dat het openbare debat over uitbreiding van de EU op basis van betere informatie wordt gevoerd; verzoekt de Turkse regering en niet-gouvernementele actoren in Turkije en de EU ten volle gebruik te maken van deze middelen om de steun voor het hervormingsproces en het verder aanhalen van de banden tussen de EU en Turkije te vergroten;
57. betreurt het dat de Commissie geen vervolg heeft uitgebracht op de effectstudie die in 2004 is aangeboden, en dringt erop aan dat dit onverwijld bij het Parlement wordt ingediend;
58. roept de Turkse regering op alle noodzakelijke structuren in te richten om de IPA-steun volledig ten uitvoer te leggen en de opnamecapaciteit van Turkije te verbeteren; nodigt de Commissie uit om vóór eind 2008 verslag uit te brengen over de bijstand die sinds 2007 uit hoofde van het IPA aan Turkije is verleend;
59. benadrukt het belang van bilaterale en trilaterale grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's (Turkije-Griekenland-Bulgarije) alsmede van de programma's die binnen het ENPI (Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument)/CBC (grensoverschrijdende samenwerking)-programma voor het Zwarte-Zeegebied zijn gerealiseerd, omdat zij een geschikt instrument zijn ter bevordering van nauwere sociale, culturele en economische contacten tussen de lokale partners in de grensgebieden;
o o o
60. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de president van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.
Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor Pretoetredingssteun (IPA) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82).