Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2025(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0262/2008

Ingediende teksten :

A6-0262/2008

Debatten :

PV 07/07/2008 - 16
CRE 07/07/2008 - 16

Stemmingen :

PV 08/07/2008 - 8.21
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0335

Aangenomen teksten
DOC 89k
Dinsdag 8 juli 2008 - Straatsburg Definitieve uitgave
Begroting 2009: Eerste beschouwingen over het voorontwerp van begroting 2009 en het mandaat voor het overleg
P6_TA(2008)0335A6-0262/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2008 over de begroting 2009: Eerste beschouwingen over het voorontwerp van begroting 2009 en het mandaat voor het overleg, afdeling III – Commissie (2008/2025(BUD))

Het Europees Parlement ,

–   gezien het Voorontwerp van begroting voor het begrotingsjaar 2009, dat de Commissie op 6 mei 2008 heeft goedgekeurd,

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (IIA)(1) ,

–   gelet op artikel 272 van het EG-Verdrag en artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 24 april 2008 over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie voor 2009(2) , en over het begrotingskader en de prioriteiten voor 2009(3) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel (19-20 juni 2008),

–   gelet op artikel 69 en Bijlage IV van het Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0262/2008),

A.   overwegende dat als het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Verdrag van Lissabon) in 2009 geratificeerd is, het Parlement op wetgevings- en begrotingsgebied op voet van gelijkheid zal staan met de Raad; en de Europese Unie nieuwe bevoegdheden krijgt, wat belangrijke gevolgen zal hebben voor de EU-begroting,

B.   overwegende dat de jaarlijkse begrotingsprocedure als geheel fundamentele wijzigingen zal moeten ondergaan als gevolg van de bepalingen in het nieuwe verdrag en het feit dat het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven en het (maximum)stijgingspercentage voor niet-verplichte uitgaven zal komen te vervallen,

C.   overwegende dat de drie instellingen op 16 april 2008 in een verklaring overeen zijn gekomen zo spoedig mogelijk overleg te gaan plegen over de nodige regelingen voor begrotingskwesties die verband houden met het Verdrag van Lissabon, en voorts overwegende dat in 2009 een vernieuwd Parlement zal aantreden en een nieuwe Commissie die volledig moeten zijn voorbereid op de veranderingen als gevolg van het nieuwe Verdrag, mits dit wordt geratificeerd,

Voorontwerp van begroting 2009

1.   neemt er kennis van dat het voorontwerp van begroting (VOB) voor 2009, 134 394,9 miljoen EUR beloopt aan vastleggingskredieten en 116 736,4 miljoen EUR aan betalingskredieten, waardoor een speelruimte resteert van 2 638,1 miljoen EUR tot het maximum van de vastleggingskredieten en van 7 443,6 miljoen EUR tot dat van de betalingskredieten, waarbij de verplichte uitgaven 33% van de vastleggingskredieten en 38% van de betalingskredieten uitmaken;

2.   wijst erop dat de vastleggingskredieten in het VOB 2009 overeenkomen met 1,04% van het BNI wat een totale stijging is van 3,1% in vergelijking met de begroting 2008, waarbij de verplichte uitgaven met 4,7% zijn gestegen als gevolg van de geleidelijke invoering van de rechtstreekse hulp aan de nieuwe lidstaten, en de niet-verplichte uitgaven met 2,4%;

3.   neemt er met belangstelling kennis van dat de betalingskredieten in het VOB 2009 overeenkomen met 0,90% of het BNI, een afname met 3,3% in vergelijking met de begroting 2008, waarbij betalingskredieten voor verplichte uitgaven zijn gestegen met 4,8%, in overeenstemming met de ontwikkeling bij de vastleggingskredieten, terwijl die voor niet-verplichte uitgaven met 7,6% zijn gedaald;

4.   neemt kennis van de prioriteiten van het VOB die door de Commissie uiteen zijn gezet:

   ondersteuning van duurzame groei en bevordering van een economisch klimaat waarin ruimschoots nieuwe werkgelegenheid kan ontstaan; ondersteuning van innovatie,
   voortzetting van het cohesiebeleid om de ongelijkheden tussen de regio's in de Unie te verminderen,
   bestrijding van klimaatverandering en bevorderen van onderzoek naar schone en zuinige energie; ontwikkeling van een Europees energiebeleid dat wordt gekenmerkt door onafhankelijkheid en gewaarborgde aanvoer,
   ontwikkeling van een gemeenschappelijk integratiebeleid en invoering van een gemeenschappelijke ruimte van rechtvaardigheid,
   ondersteuning van het vredesproces in het Midden-Oosten en de stabiliteit in Kosovo en de Balkan als geheel,
   het geven van voedselhulp en versterking van het milieuelement bij de ontwikkelingssamenwerking;

5.   herinnert aan zijn prioriteiten zoals verwoord in zijn bovengenoemde resolutie van 24 april 2008 over de jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie voor 2009;

Algemene overwegingen

6.   spreekt de overtuiging uit dat de Europese Unie moet kunnen beschikken over een middelenniveau dat haar in staat stelt haar huidige beleid en optreden onbeperkt ten uitvoer te leggen en tegelijkertijd genoeg souplesse biedt om aan nieuwe beleidseisen te kunnen voldoen;

7.   stelt vast dat de totale speelruimte van 2 638 miljoen EUR in het VOB voor het grootste deel, namelijk een bedrag van 2 027 miljoen EUR afkomstig is uit de speelruimte uit hoofde van marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen (eerste pijler van het GLB) onder rubriek 2;

8.   neemt met belangstelling kennis van de bovengenoemde conclusies van het voorzitterschap en de gevolgen voor de begroting die enkele van deze conclusies kunnen hebben; is van mening dat deze begrotingsbehoeften alleen kunnen worden gedekt door gebruik te maken van de in het IIA voorziene middelen, met name de punten 21 tot 23 ervan;

9.   wijst erop dat als gevolg van de zeer kleine marges tot de andere maxima van het MFK, met name onder rubrieken 1a, 3b en 4, het vermogen van de Unie om in budgettaire termen te reageren op beleidswijzigingen bijzonder beperkt is; benadrukt tegelijkertijd de mogelijkheid om de bepalingen van het IIA toe te passen om financiële tekorten uit de weg te ruimen;

10.   acht het zijn verantwoordelijkheid als begrotingsautoriteit ervoor te zorgen dat de middelen in de EU-begroting zo optimaal mogelijk worden besteed; is voornemens te streven naar een ambitieuzere, evenwichtige en samenhangende begroting in samenwerking met en met inachtneming van de verzoeken van de gespecialiseerde commissies;

11.   kan niet altijd een duidelijke samenhang ontdekken tussen de beleidsprioriteiten van de Commissie, zoals omschreven in haar jaarlijkse beleidsstrategie (JBS) en het VOB, en de verhogingen op de overeenkomstige begrotingslijnen en beleidsterreinen; is nog niet overtuigd van de inspanningen van de Commissie om de prioriteiten van het Parlement in het VOB op te nemen, is er bijvoorbeeld niet van overtuigd dat de prioriteit van de klimaatverandering werkelijk door de hele begroting heen tot zijn recht komt, zoals door de Commissie voorgesteld; wenst meer nauwkeurige informatie te ontvangen over de gebruikte methodiek om tot de conclusie te komen dat meer dan 10%, of 14 miljard EUR, van de EU-begroting wordt besteed aan milieudoelstellingen; verzoekt om een alomvattende presentatie van alle aan klimaatverandering gerelateerde uitgaven in de begroting, met inbegrip van de plattelandsontwikkelings- en structuurfondsen, om in staat te zijn de samenhang tussen politieke en begrotingsprioriteiten te waarderen; wijst erop dat de lopende programma's bij de tussentijdse herziening moeten worden herzien om de doelstellingen op het gebied van klimaatverandering beter te integreren en voor een betere samenhang van het beleid te zorgen;

12.   wenst een dialoog met de Raad en de Commissie aan te gaan over het gebruik van de in het IIA voorziene middelen om de financiering te versterken voor maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering met het oog op een alomvattende overeenkomst over klimaatverandering na 2012;

13.   spreekt zijn belangstelling uit voor nauwe samenwerking met de Raad en de Commissie om spoedig een afdoende overeenstemming te bereiken over het pakket maatregelen inzake energie en klimaatverandering, waaronder koolstofvastlegging en -opslag (CCS); neemt er kennis van dat de EU door moet gaan te laten zien dat economische groei en ontwikkeling verenigbaar zijn met een koolstofarme economie; herinnert de Raad aan de bovengenoemde conclusies van het voorzitterschap;

14.   geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid dat de tijd gekomen is waarin de beschikbare marges steeds vaker een gevolg zijn van "creatieve budgettering" zoals "backloading" van bestaande meerjarenprogramma's, onder uitsluiting van budgettaire verplichtingen die al bekend en te voorzien waren en andere soortgelijke manoeuvres; is van opvatting dat dergelijke praktijken een inbreuk vormen op het beginsel van gezonde budgettering en verlangt andermaal een VOB dat een getrouwe weerspiegeling is van de begrotingsbehoeften van het volgend jaar; verzoekt de Commissie en de Raad samen te werken met het oog op het nemen van de noodzakelijke besluiten om een bevredigend niveau van kredieten voor de begroting voor 2009 te bereiken;

15.   beklemtoont het belang van helderheid, consistentie en transparantie bij de presentatie van de EU-begroting, wat mede een absolute noodzaak is om de Europese burger te kunnen duidelijk maken hoe het EU-geld wordt besteed; acht het zorgelijk dat het steeds ingewikkelder wordt differentiatie aan te brengen tussen beleidsuitgaven en administratieve uitgaven van de Commissie en dat een aanzienlijk bedrag aan uitgaven van administratieve aard, dat logischerwijze onder rubriek 5 zou moeten worden ondergebracht, feitelijk wordt gefinancierd uit beleidstoewijzingen;

16.   betreurt het feit dat er momenteel geen heldere indicatie is van de exacte wijzigingen die in het onlangs aangeboden financiële programmadocument zijn aangebracht ten opzichte van het eerdere document, en evenmin of, of hoe verhogingen in een bepaald jaar worden gecompenseerd en hoe "backloading" en "frontloading" worden toegepast; is van mening dat dit niet in overeenstemming is met de bepalingen van punt 46 van het IIA en dringt er bij de Commissie op aan haar verplichtingen in dit opzicht na te komen;

17.   beklemtoont dat het van groot belang is de gevolgen van "frontloading" en "backloading" op de meerjarenprogramma's door de gehele begroting heen, na te gaan om een coherente programmering van vastleggingen te waarborgen voor de duur van het MFK, waarbij de prioriteiten van het Parlement zoals die zijn vastgelegd in het IIA worden nagekomen;

18.   is verbaasd over het extreem lage niveau van de betalingskredieten, namelijk 116 736 miljoen EUR, dat door de Commissie in haar VOB wordt voorgesteld; herinnert eraan dat de vastleggingskredieten waarover in de begrotingen voor 2007 en 2008 is gestemd respectievelijk 126 500 en 129 100 miljoen EUR bedroegen;

19.   verzoekt de Commissie de screening waarmee in 2007 is begonnen, voort te zetten en met duidelijke informatie te komen over het personeelsbeleid, toepassing van de herschikkingsstrategie en de mate van uitbesteding van taken voor 2009; vraagt om een vervolgverslag voor 30 april 2009 met inbegrip van de conclusies die de Commissie zal trekken met betrekking tot haar interne organisatie; neemt kennis van het vervolgverslag 2008 van de Commissie getiteld "Planning en optimalisering van het personeelsbeleid om aan te sluiten bij de prioriteiten van de EU" waarin de Commissie haar toezegging bevestigt tot 2013 niet meer om nieuwe posten te zullen vragen, afgezien van de laatste serie in 2009 die gerelateerd is aan de uitbreiding;

20.   neemt kennis van een aanzienlijke toename van het aantal externe onderzoeken van OLAF in de sector externe hulp en verzoekt de Commissie derhalve ervoor te zorgen dat OLAF over de nodige middelen beschikt; verzoekt de Raad de kwaliteit van de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie in de strijd tegen fraude in de EU te verbeteren; verzoekt de Raad te zorgen voor een goede follow-up van de door de lidstaten in het kader van de fraudebestrijding verrichte onderzoeken, met inbegrip van de terugvorderingsprocedure;

Subrubriek 1a

21.   merkt op dat de vastleggingskredieten in het VOB voor concurrentiekracht voor groei en werkgelegenheid 11 690 miljoen EUR bedragen, waardoor een speelruimte van 82 miljoen EUR resteert; dit betekent een stijging van 5,5% ten opzichte van 2008; wijst erop dat ook de betalingskredieten met 5,3% stijgen tot een totaal van 10 285,2 miljoen EUR;

22.   is ingenomen met het voornemen van de Commissie om ingrijpende maatregelen te nemen voor het scheppen van banen en ondersteuning van innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) en onderzoek; beklemtoont dat de bestaande initiatieven op dit terrein zoals het kaderprogramma voor mededinging en innovatie (CIP) en andere initiatieven die betrekking hebben op KMO's naar behoren ten uitvoer moeten worden gelegd en begeleid;

23.   is verheugd over de door de Commissie in het VOB aangegeven prioriteit om onderzoek naar schone en efficiënte vormen van energie te bevorderen en is voornemens ervoor te zorgen dat (afgezien van het zevende kaderprogramma) wordt voorzien in de nodige middelen, aangezien energie-efficiëntie een sleutelstrategie is in de strijd tegen klimaatverandering;

24.   wijst op het belang van de inzet van de nodige begrotingsmiddelen voor alle maatregelen die gericht zijn op de bevordering en invoering van scholingsprogramma's op het gebied van de media en de nieuwe technologieën;

25.   betreurt het dat in subrubriek 1a een beperkte speelruimte beschikbaar is, wat er op zou kunnen wijzen dat het onmogelijk wordt nieuwe beleidslijnen te financieren via herschikking, zonder belangrijke bestaande programma's ernstig te benadelen en beveelt dan ook aanvullende financiering aan indien nieuwe prioriteiten moeten worden vastgesteld;

26.   is van mening dat gezien de beperkte speelruimte die beschikbaar is in rubriek 1a, een behoorlijke tenuitvoerlegging en evaluatie van lopende proefprojecten en voorbereidende acties prioriteit moet krijgen, maar dat het opstarten van nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties natuurlijk mogelijk moet blijven;

27.   is van mening dat het geplande besluit over kleine ondernemingen ("Small Business Act") een belangrijke functie heeft ter ondersteuning van KMO's; wacht met spanning op uitgewerkte voorstellen voor de financiering van dit nieuwe strategische instrument, dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan voor dit doel ook meer gebruik te maken van de middelen die in dit verband middels de structuurfondsen beschikbaar zijn; neemt er kennis van dat, aangezien KMO's bijzonder hard worden getroffen door betalingsachterstanden, de Europese Unie betalingsachterstanden moet voorkomen door te voorzien in een efficiënt en transparant controlestelsel om te waarborgen dat betalingen binnen een gespecificeerde termijn worden uitgevoerd;

Subrubriek 1b

28.   wijst erop dat de vastleggingskredieten in het VOB voor samenhang ter bevordering van groei en werkgelegenheid met 2,5% stijgen tot een bedrag van 48 413,9 miljoen EUR, waardoor een speelruimte resteert van slechts 14 miljoen EUR in de afdeling technische bijstand; neemt er kennis van de totale stijging van 2,5% wordt veroorzaakt door de aanmerkelijke stijging bij het Cohesiefonds (+14% ten opzichte van 2008), terwijl de vastleggingskredieten voor de structuurfondsen op hetzelfde peil blijven;

29.   betreurt de scherpe daling bij de betalingskredieten die, ten opzichte van 2008, met 13,9% afnemen tot 34 914,1 miljoen EUR; is met name niet overtuigd dat er goede redenen zijn voor het naar beneden bijstellen van de prognoses van het betalingsniveau, te weten -30% voor EFRO-convergentie, -13% voor EFRO regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, - 85% voor EFRO territoriale samenwerking en -50% voor de nieuwe programma's 2007 - 2013 van het Cohesiefonds;

30.   is van mening dat de Commissie moet aangeven of deze scherpe daling een direct of indirect gevolg is van het nieuwe Actieplan ter versterking van toezicht en gedeeld beheer voor structurele acties, met name aangezien dit op een gebrek aan controles op het eerste niveau in de lidstaten zou kunnen wijzen;

31.   is van plan ervoor te zorgen dat de nodige middelen voor de diverse elementen van het cohesiebeleid gewaarborgd blijven zodat rekening kan worden gehouden met de huidige en komende problemen die de solidariteit binnen de Europese Unie op de proef zullen stellen;

Rubriek 2

32.   neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten in het VOB voor bescherming en beheer van natuurlijke rijkdommen zijn vastgesteld op 57 525,7 miljoen EUR, wat een stijging van 3,5% betekent ten opzichte van 2008, waardoor een speelruimte van 2 113,3 miljoen EUR overblijft; de betalingskredieten stijgen met 3,0% tot 54 834,9 miljoen EUR; het gedeelte van rubriek 2 dat gereserveerd is voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse bijstand bedraagt 42 860,3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 42 814,2 miljoen EUR aan betalingskredieten;

33.   onderstreept dat slechts 0,5% van de vastleggingskredieten onder rubriek 2, niettegenstaande de milieumaatregelen onder plattelandsontwikkelingsprogramma's en de milieunormen die het systeem van milieuvoorwaarden voor directe betalingen onderbouwen, besteed wordt aan milieuprioriteiten terwijl de grote meerderheid van de middelen is toegewezen aan rechtstreekse bijstand en marktgerelateerde uitgaven;

34.   is ingenomen met de toename van 20,9 miljoen EUR voor LIFE+, maar vindt het spijtig dat slechts een deel van deze stijging ten goede komt aan intensiever optreden op het gebied van klimaatverandering; is van mening dat de horizontale begrotingsprioriteit voor de bestrijding van de klimaatverandering in deze cijfers onvoldoende tot zijn recht komt;

35.   wijst erop dat het belangrijkste doel van het GLB het garanderen is van marktstabiliteit, aanvoerveiligheid en redelijke prijzen voor de consument en doet dan ook een beroep op de EU om op de begroting 2009 de nodige middelen vrij te maken om te kunnen voorzien in de nieuwe behoeften die voortvloeien uit de bestaande voedselcrisis en met name voor een betere toegang tot voedsel voor de armsten, die het meest onder de crisis te lijden hebben;

36.   is ingenomen met de overal dalende tendens bij uitvoerrestitutie voor landbouwproducten als gevolg van gunstige marktomstandigheden en met de besparingen die hiervan het gevolg zijn;

37.   neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten in het VOB voor plattelandsontwikkeling praktisch stabiel blijven met 13 401 miljoen EUR (met inbegrip van modulatie) aan vastleggingskredieten en 10 926 miljoen EUR aan betalingskredieten, een daling van 4% ten opzichte van 2008;

38.   beschouwt deze cijfers als indicaties in het kader van de gezondheidscheck van het GLB, die door de Commissie op 20 mei 2008 is aangeboden;

39.   wijst op de grote verschillen bij de tenuitvoerlegging van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); betreurt het dat in 2007 voor 2 830 miljoen EUR geen bestemming kon worden gevondenen, dat 1 361 miljoen EUR overgedragen werd naar 2008 en 1 469 miljoen werd hergeprogrammeerd voor de jaren 2008 - 2013 in het kader van punt 48 van het IIA; geeft uiting aan zijn zorg over de herprogrammering van dergelijke aanzienlijke bedragen, wat zal leiden tot een aanzienlijke vertraging bij de beschikbaarstelling van middelen voor de plattelandsgebieden;

Subrubriek 3a

40.   neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten in het VOB voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid met 15% toenemen tot 839,1 miljoen EUR, waardoor een speelruimte ontstaat van 32,9 miljoen EUR; de betalingskredieten stijgen met 11,7% tot 596,7 miljoen EUR;

41.   wijst erop dat deze opvallende toename ten opzichte van 2008 grotendeels wordt veroorzaak door een aanzienlijke verhoging bij de hoofdstukken "solidariteit - externe grenzen, visumbeleid en vrij verkeer van personen" (+ 44,4 miljoen EUR of + 15,6%) - "migratiestromen -. gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid" (+ 43,4 miljoen EUR of + 18,9%) en "veiligheid en behoud van de vrijheden" (+ 20,8 miljoen EUR of + 27,1%);

42.   neemt kennis van de stijging met 36,3% bij de vastleggingskredieten voor het specifieke programma "misdaadpreventie en -bestrijding" en zal een onderzoek instellen naar de redenen daarvoor;

43.   is bezorgd over de magere financiering van de activiteiten voor "Grondrechten en rechtvaardigheid" die slechts met 0,2% stijgt bij de vastleggingskredieten en feitelijk met 10% is afgenomen bij de betalingskredieten, ten opzichte van de begroting 2008;

44.   wijst op het feit dat in het VOB een stijging wordt gehandhaafd van de kredieten die in 2008 werden goedgekeurd voor het Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (FRONTEX), maar neemt met enige zorg kennis van een herschikking van de subsidie door overbrenging van 5,7 miljoen EUR van beleidsuitgaven naar administratieve uitgaven; dringt aan op een verhoging van de kredieten voor 2009 voor FRONTEX om het in staat te stellen zijn toezegging tot permanente en ononderbroken missies na te komen, met name aan de zuidgrenzen van de Unie (Hera, Nautilus en Poseidon);

45.   beklemtoont dat in een Europees pact over migratiebeleid kwesties moeten worden opgenomen als bestrijding van illegale immigratie, beheer van legale immigratie, integratie van onderdanen van derde landen en versterking van de grensbeveiliging; waarbij het solidariteitsbeginsel en de hoogste bescherming van de grondrechten een belangrijke rol moeten spelen;

Subrubriek 3b

46.   neemt kennis van het feit dat in het VOB vastleggingskredieten zijn opgenomen voor Burgerschap voor in totaal 628,7 miljoen EUR, een stijging van 1,0%, indien de kredieten van 2008 worden beschouwd zonder de kredieten voor het solidariteitsfonds en de overgangsfaciliteit voor Bulgarije en Roemenië; de resterende speelruimte bedraagt 22 miljoen EUR; de betalingskredieten stijgen met 0,7% tot 669 miljoen EUR;

47.   betreurt het dat de geringe marge van 22 miljoen EUR die in deze subrubriek resteert, zeer weinig manoeuvreerruimte overlaat voor proefprojecten en voorbereidende acties;

48.   vraagt aandacht voor de noodzaak om de efficiëntie en de coördinatie van interventies door de EU inzake civiele bescherming te verbeteren, onder andere door de ontwikkeling van gemeenschappelijke methodieken voor civiele bescherming door de lidstaten, de ontwikkeling van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en preventie en de verbetering bij het bieden van bijstand in het kader van civiele bescherming, om beter voorbereid te zijn om de Europese burger te beschermen;

49.   betreurt het feit dat de door de Commissie voorgestelde verhoging onder deze rubriek voor belangrijk beleid met rechtstreekse gevolgen voor het dagelijks leven van de Europese burgers, aanmerkelijk lager is dan de gemiddelde stijging voor vastleggingskredieten van 3,1%; vindt het met name jammer dat speciaal de activiteiten die van belang zijn voor het Europa van de burger de geringste stijging te zien geven, of zelfs met een daling te maken krijgen, ten opzichte van 2008;

50.   geeft uiting aan zijn zorgen over de door de Commissie voorgestelde dalingen bij een aantal begrotingslijnen waaronder activiteiten worden gefinancierd voor communicatie, met name in de context van taken en uitdagingen waarvoor Europa zich in 2009 op dit gebied gesteld zal zien, zoals de Europese verkiezingen en de mogelijke inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon;

51.   is van mening dat het de kerntaak van het communicatie- en het voorlichtingsbeleid is de Europese burger voor te lichten over activiteiten en programma's die de EU heeft uitgevoerd en over de verbeteringen die in de afgelopen jaren zijn verwezenlijkt;

52.   herinnert eraan dat alle instellingen het recht hebben een communicatiebeleid te voeren als onderdeel van hun institutionele autonomie, die is vastgelegd in artikel 49 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 voor houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(4) (Financieel Reglement), binnen de grenzen van een gemeenschappelijk kader en met een bepaalde mate van harmonisatie in de presentatie waardoor een herkenbaar "EU-handelsmerk" kan worden ontwikkeld, dat in alle communicatieactiviteiten moet worden toegepast;

53.   erkent dat er behoefte bestaat aan coördinatie van de diverse vormen van het communicatiebeleid dat door de instellingen wordt gevoerd binnen de interinstitutionele groep voor informatie en communicatie; wijst erop dat communicatie lange tijd een hoge prioriteit heeft gehad voor het Parlement; is van mening dat het van vitaal belang is dat het Parlement een sleutelrol speelt in dit proces en continuïteit en efficiency van het beleid waarborgt, vooral met het oog op de komende Europese verkiezingen; wijst er in dit verband op dat aan de burger verstrekte informatie met betrekking tot hun uit de toepassing van EU-recht voortkomende rechten moet worden verbeterd;

Rubriek 4

54.   neemt er kennis van dat de vastleggingskredieten voor de EU als mondiale speler stijgen met 1,8% tot 7 440,4 miljoen EUR, met een beschikbare speelruimte van 243,6 miljoen EUR; de betalingskredieten nemen af met 6,6% tot 7 579,5 miljoen EUR;

55.   wijst erop dat deze stijging van 1,8% onder het gemiddelde blijft van de totale stijging met 3,1% voor de algemene begroting van de EU; acht dit een zeer verontrustend teken gezien het feit dat rubriek 4 van oudsher één van de meest beproefde terreinen van de begroting van de Unie is;

56.   is ernstig bezorgd over de onderfinanciering van rubriek 4 en spreekt een krachtige veroordeling uit van de vage begrotingsaanpak waarvoor de Commissie kiest en die volstrekt geen rekening houdt met de reële behoeften die op dit terrein kunnen worden verwacht; wijst erop dat de aangegeven speelruimte van 243,6 miljoen EUR dan ook een vrij willekeurig cijfer is; is van mening dat dit probleem alleen kan worden aangepakt via een alomvattende herziening van het MFK die leidt tot verhogingen van het plafond van rubriek 4 voor het tijdvak 2009 - 2013;

57.   wijst erop dat het Parlement, voorafgaand aan de aanbieding van het VOB, in zijn bovengenoemde resolutie van 24 april 2008, had gevraagd om een realistisch beeld van alle begrotingseisen, met name in rubriek 4 van het MFK; is van mening dat het VOB in deze rubriek geen recht doet aan het beginsel van goed financieel beheer;

58.   neemt er dan ook met bezorgdheid kennis van dat de Commissie al in dit vroege stadium van de begrotingsprocedure heeft verklaard dat de vastleggingskredieten voor Kosovo, het Midden-Oosten, voedselhulp en macrofinanciële hulp duidelijk niet voldoende zullen zijn om de verplichtingen van de EU in de wereld na te komen, nog afgezien van te verwachten extra behoeften; in het VOB wordt bijvoorbeeld 161 miljoen EUR voorgesteld aan vastleggingskredieten en 100 miljoen EUR aan betalingskredieten voor hulp aan Palestina en het vredesproces, terwijl de goedgekeurde bedragen in de begroting voor 2008 respectievelijk 300 miljoen EUR en 200 miljoen EUR beliepen, en na een aantal overschrijvingen de vastleggingskredieten tot nu toe omhoog zijn geschoten tot 350 miljoen EUR; wat Kosovo betreft dalen de kredieten voor de EULEX-missie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) met 15,7%; acht dit onaanvaardbaar en dringt aan op een nieuwe benadering van uitgaven voor Palestina en Kosovo; is van mening dat, met betrekking tot het besluit het oorspronkelijke aantal deskundigen dat voor de politiemissie van de EU in Afghanistan (EUPOL) werkt sterk uit te breiden, in dit stadium al financiële tekorten kunnen worden voorzien;

59.   bevestigt andermaal zijn steun aan de tenuitvoerlegging van een intensiever en gedifferentieerd Europees Nabuurschapsbeleid (ENB); beklemtoont de noodzaak het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument (ENPI) uit te rusten met de adequate financiële middelen die recht doen aan de toezeggingen van de EU aan haar oostelijke en zuidelijke Europese buren; wijst op de bescheiden stijging van de voor 2009 beoogde kredieten en beklemtoont dat het jongste initiatief: het Barcelona- proces: Een Unie voor het Middellandse-Zeegebied, noch een barrière mag vormen voor de inspanningen een evenwicht te vinden tussen de kredieten voor de oostelijke en de zuidelijke Europese buurlanden, noch de budgettaire spanningen binnen het ENPI mag vergroten;

60.   betreurt het feit dat voor de financiering van deze extra behoeften geen budgettaire oplossingen of zelfs maar indicaties voor oplossingen zijn gepresenteerd; vraagt andermaal met spoed om opheldering over de totale behoeften in rubriek 4, met inbegrip van het GBVB-hoofdstuk;

61.   geeft wederom als zijn overtuiging te kennen dat de reserves voor het flexibiliteitsinstrument en de noodhulp (244 miljoen EUR) geen andere bestemming mogen krijgen of onterecht mogen worden aangewend ter financiering van langetermijnbeleid en -activiteiten van de EU en is vastbesloten deze opvatting in de loop van de begrotingsprocedure te verdedigen;

62.   is bezorgd over de zich verdiepende voedselcrisis en de gevolgen van de klimaatverandering en wijst erop dat de EU in staat moet zijn te voldoen aan haar beloften wat betreft de levering van voedselhulp en hulp bij rampen in ontwikkelingslanden; is er oprecht bezorgd over dat in het VOB 2009 aan voedselhulp slechts een stijging van 6,8 miljoen EUR wordt toegekend ten opzichte van 2008 (+3%) terwijl eind april 2008 de Commissie al is verzocht om een overschrijving van 60 miljoen EUR voor extra kosten voor voedselhulp in 2008 (een stijging van 26,88% aan vastleggingskredieten); dringt aan op extra middelen voor dit doel in 2009, als de begrotingssituatie hiervoor ook maar de minste ruimte biedt;

63.   is ingenomen met de beoogde stijging van de kredieten voor de landen van de Westelijke Balkan voor de institutionele opbouw in het kader van het instrument voor pretoetreding (IPA) en vooral met het voornemen van de Commissie de voorziening voor extra beurzen en de financiering voor de maatschappelijke dialoog te verhogen; verzoekt de Commissie om steun voor de sociale agenda voor de Balkenlanden;

64.   beklemtoont dat het nieuwe geld in het kader van "hulp voor handel" een aanvulling moet zijn op bestaande ontwikkelingshulp en dat nieuwe beloften in het kader van "hulp voor handel" niet mogen leiden tot een verschuiving van middelen die al zijn toegewezen aan andere ontwikkelingsinitiatieven; herhaalt het verzoek aan de Commissie informatie te verschaffen over de oorsprong van de toegezegde 1 000 miljoen EUR;

65.   is ingenomen met de initiatieven van de Commissie een wereldwijd verbond inzake klimaatverandering en een wereldwijd fonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in het leven te roepen, en beschouwt deze initiatieven als belangrijke stappen tot steunverlening aan ontwikkelingslanden bij de aanpassing aan en het temperen van de gevolgen van klimaatverandering; beklemtoont echter dat de tot dusverre toegewezen middelen ontoereikend zijn; dringt aan op een stijging van rechtstreekse financiering voor deze initiatieven in de begroting 2009, die een aanvulling vormt op de geplande ontwikkelingskredieten; beklemtoont voorts het belang van de versterking van deze initiatieven door het garanderen van extra langetermijnkredieten;

66.   neemt er kennis van dat het Garantiefonds voor leningen in het VOB 2009 wordt opgenomen met een bedrag van 92,46 miljoen EUR, terwijl in de oorspronkelijke financiële planning een bedrag van 200 miljoen EUR als voorziening was aangemerkt; wijst erop dat een belangrijk deel van de in het VOB 2009 beschikbare speelruimte, dat wil zeggen 107,54 miljoen van 243,6 miljoen, dan ook kunstmatig is omdat die het resultaat is van deze manoeuvre; is er bezorgd over dat deze "besparingen" in de budgettering van het Garantiefonds in 2009 hoogstwaarschijnlijk in de komende jaren moeten worden gecompenseerd door hogere uitgaven, waardoor nog geringere marges in rubriek 4 resteren dan die nu geprogrammeerd zijn;

67.   wijst erop dat, aangezien het institutionele kader met betrekking tot de Hoge Vertegenwoordiger, de Voorzitter van de Europese Raad en de Europese dienst voor extern optreden nog niet is vastgesteld, de noodzakelijke begrotingskredieten geleidelijk beschikbaar moeten worden gesteld naarmate de reikwijdte en de rol van de nieuwe organisatiestructuren helderder worden; onderstreept dat noch de institutionele veranderingen noch de nieuwe GBVB-bepalingen het huidige niveau van vastleggingskredieten in rubriek 4 verder mogen belasten;

68.   benadrukt het politieke belang van proefprojecten en voorbereidende acties die door de begrotingsautoriteit in rubriek 4 worden vastgesteld; dringt aan op een tijdige en proactieve invoering daarvan door de Commissie met volledige besteding van de toegewezen vastleggingskredieten;

Rubriek 5

69.   neemt er kennis van dat het totaal van de administratieve uitgaven met 5% stijgt ten opzichte van 2008 en nu in totaal 7 647,9 miljoen EUR beloopt, tegen 7 281,5 miljoen EUR voor 2008 en dat er slechts een geringe marge overblijft van 129,1 miljoen EUR (overeenkomend met ongeveer 1,7% van het uitgavenvolume) tot het maximum van het financieel kader is bereikt;

70.   is ingenomen met het feit dat de nieuwe posten waarom de Commissie vraagt alleen betrekking hebben op de al aangekondigde laatste groep van 250 posten voor "EU-2", maar neemt er kennis van dat de voorgestelde verhoging van de administratieve uitgaven nog altijd hoger is dan het gemiddelde voor de begroting als geheel; erkent dat dit wellicht voor een groot deel verband houdt met de geïndexeerde salaris- en pensioenkosten en tot op zekere hoogte met het bouwbeleid; wijst erop dat in het begrotingsjaar 2009 nadere wijzigingen noodzakelijk kunnen worden als het Verdrag van Lissabon in werking treedt; zal in dat verband de administratieve uitgaven in interinstitutioneel verband nauwlettend in het oog houden om de behoeften van de instellingen voor 2009 en later te onderzoeken;

71.   is van mening dat, ondanks de betere informatie en de voorlopige conclusie van de Commissie dat de uitvoerende agentschappen de kwaliteit van de EU-programma's verhogen, diverse financiële en administratieve gevolgen voor rubriek 5 om nadere opheldering vragen; verbaast zich er bijvoorbeeld over dat het scheppen van het equivalent van 947 nieuwe posten in twee onderzoeksagentschappen (zoals vermeld wordt in de follow-up van de screening) in dezelfde periode leidt tot het vrijkomen van niet meer dan 117 posten in de Commissie-afdelingen;

72.   is bezorgd over het feit dat de neiging van de Commissie tot outsourcing en de jongste wijzigingen in het Statuut van de ambtenaren, hebben geleid tot een situatie waarin een toenemend aantal medewerkers van de EU niet zichtbaar is in het organigram zoals dat is goedgekeurd door de begrotingsautoriteit en evenmin betaald worden onder rubriek 5 van het MFK; betreurt dit gebrek aan doorzichtigheid in hoge mate, dat ook betrekking heeft op de werkgelegenheid van nationale deskundigen; dringt aan op een openbaar en alomvattend debat tussen alle belanghebbenden over de toekomst van het Europees bestuur;

73.   is ingenomen met de follow-up van het screeningverslag uit 2007 over het personeel dat onlangs werd ontvangen als reactie op de begrotingsamendementen die het Parlement heeft ingediend op de begroting 2008; zal dit document diepgaand analyseren om daaruit conclusies te kunnen trekken voor de begroting 2009;

74.   vraagt de Commissie welke maatregelen worden genomen om de doelstelling te bereiken om de administratieve lasten in de EU uiterlijk 2012 met 25% te verminderen en te controleren of het éénloketbeginsel in de toekomst bereikt kan worden om de bureaucratie te verminderen;

75.   zal een onderzoek instellen naar de administratieve kredieten en de aanvragen voor personeel van de andere instellingen ter verbetering van de efficiëntiewinst, bijvoorbeeld door herschikking van personeel volgens vastgestelde prioriteiten, waar dit maar mogelijk is; neemt er kennis van dat de voorgestelde gemiddelde stijging voor de andere instellingen 4,8% bedraagt, een toename van 2 673,8 miljoen EUR tot 2 803,2 miljoen EUR, net onder het door de Commissie voorgestelde stijgingspercentage;

Rubriek 6

76.   neemt er kennis van dat in 2009, het laatste jaar van de begrotingscompensatie voor Bulgarije en Roemenië, de vastleggings- en betalingskredieten zijn vastgesteld op 209,1 miljoen EUR, een stijging van 1,2% ten opzichte van 2008; er resteert een kleine marge van 0,9 miljoen EUR;

Proefprojecten en voorbereidende acties

77.   betreurt dat het een algemeen beginsel is dat in het VOB van de Commissie geen vastleggingskredieten worden opgenomen voor proefprojecten en voorbereidende acties, zodat deze moeten worden gefinancierd uit de speelruimte die gevonden wordt bij de desbetreffende MFK-rubrieken; is er verbaasd over dat er enkele uitzonderingen bestaan op deze algemene regel, aangezien een klein aantal proefprojecten en voorbereidende acties, waarin de Commissie belang schijnt te stellen, al in het VOB zijn opgenomen middels vastleggingskredieten;

78.   herinnert aan de verplichting van de Commissie volgens punt 46(a) van het IIA om meerjaren ramingen te geven voor jaarlijkse acties en van de marges die resteren onder de toegestane maxima;

79.   beklemtoont dat het IIA een totaal bedrag voor proefprojecten voorziet van ten hoogste 4 miljoen EUR in een willekeurig begrotingsjaar en van ten hoogste 100 miljoen EUR voor voorbereidende acties, waarvan maximaal 50 miljoen EUR kan worden toegewezen voor nieuwe voorbereidende acties;

80.   wijst er andermaal op vastbesloten te zijn om, zoals al vermeld in zijn eerdergenoemde resolutie van 24 april 2008, de jaarlijkse bedragen voor proefprojecten en voorbereidende acties waarin het IIA voorziet, in hun geheel te besteden, indien aantal en omvang van dergelijke projecten zulks vereisen, omdat het deze beschouwt als een onmisbaar instrument voor het Parlement om de weg vrij te maken voor nieuwe beleidslijnen die van belang zijn voor de Europese burger;

81.   wijst erop dat het Parlement voor het begrotingsjaar 2008 zijn goedkeuring heeft gehecht aan proefprojecten en voorbereidende acties ten bedrage van 107,32 miljoen EUR aan vastleggingskredieten; onder subrubriek 1a zijn projecten en acties opgenomen voor een bedrag van 38 miljoen EUR, in rubriek 2 voor 25,15 miljoen EUR, in subrubriek 3a voor 3 miljoen EUR, in subrubriek 3b voor 9,5 miljoen EUR en in rubriek 4 voor 31,67 miljoen EUR;

82.   beklemtoont dat, indien het Parlement mocht besluiten tot een vergelijkbaar financieringsniveau voor proefprojecten en voorbereidende acties in 2009, bijna de helft van de beschikbare speelruimte in de rubrieken 1a en 3b al besteed zou zijn, hoewel het uitgavenniveau voor proefprojecten en voorbereidende acties zelfs niet de maximale bedragen heeft bereikt die in het IIA worden toegestaan;

83.   is bereid om voor het parlementaire zomerreces de Commissie een eerste voorlopige lijst voor te leggen van haar intenties ten aanzien van proefprojecten en voorbereidende acties voor de begrotingsprocedure 2009, overeenkomstig bijlage II, deel D van het IIA, teneinde de vaststelling van een evenwichtig en samenhangend eindpakket te vergemakkelijken; wijst erop dat deze lijst individuele leden van het Europees Parlement, gespecialiseerde commissies en fracties er niet van weerhoudt andere voorstellen of amendementen in te dienen over proefprojecten en voorbereidende acties voor de eerste lezing die in de herfst zal plaatsvinden; benadrukt dat, voor het bovenstaande, alle rubrieken en subrubrieken van de begroting voldoende marges moeten worden ingebouwd;

84.   wil met de Commissie en de Raad verkennen hoe uitvoering gegeven kan worden aan de oproep van het Parlement voor een Europese gezant voor vrouwenrechten;

Agentschappen

85.   neemt er kennis van dat de toewijzingen in het VOB voor de gedecentraliseerde agentschappen met 1,76% stijgen tot 563,9 miljoen EUR voor wat betreft de vastleggingskredieten en dat de betalingskredieten dalen met 6 miljoen EUR (-1%);

86.   wijst erop dat ondanks deze minimale stijging over de hele linie van de vastleggingskredieten, indien alle agentschappen worden meegeteld, de subgroep van rubriek 1a krimpt met 3,29% of 8,9 miljoen EUR ten opzichte van de begroting 2008, in overeenstemming met het besluit van de begrotingsautoriteit in de overlegprocedure van november 2008 om een lineaire daling door te voeren van 50 miljoen EUR voor het tijdvak 2009 - 2013, in verband met de financiering van Galileo;

87.   merkt op dat deze vermindering voor agentschappen in rubriek 1a niet "lineair" was zoals geformuleerd in de conclusies van het overleg; zal de mate en de spreiding van de budgettaire verlagingen tot in detail evalueren; herhaalt dat het aan de begrotingsautoriteit is om een besluit te nemen over deze voorstellen van de Commissie;

88.   zal vooral de nadruk leggen op de tenuitvoerlegging van de begroting van de agentschappen en zal eventuele overschotten onderzoeken om ervoor te zorgen dat bij de vaststelling van de begrotingen 2009 voor de agentschappen rekening wordt gehouden met de bestemmingsontvangsten;

89.   betreurt het dat de Commissie nog geen bijzonderheden aan de begrotingsautoriteit heeft voorgelegd over de wijze waarop zij de twee nieuwe agentschappen waarover thans overleg wordt gepleegd, en waarvan er al een is opgenomen in het VOB voor 2009 met een p.m-post; wil financieren, en dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk met duidelijke nadere informatie te komen over dit onderwerp; is tot de conclusie gekomen dat, gezien de situatie van de huidige marges, alle mogelijkheden die het IIA biedt voor de financiering van nieuwe organen, moeten worden benut; wijst erop dat overeenkomstig punt 47 van het IIA voorafgaande toestemming van de begrotingsautoriteit is vereist voor de financiering van nieuwe agentschappen;

90.   beklemtoont andermaal dat de financieringsniveaus voor bestaande en toekomstige agentschappen van rechtstreekse invloed zullen zijn op de beschikbare marges in de rubrieken van het MFK; wijst erop dat het IIA de Commissie bij de opstelling van een voorstel tot oprichting van een nieuw gedecentraliseerd agentschap, verplicht tot het ramen van de budgettaire implicaties voor de desbetreffende uitgavenrubriek; zal proberen ervoor te zorgen dat de werkzaamheden van de gedecentraliseerde agentschappen waarde toevoegen en de belangen van de Europese burgers bevorderen;

91.   is ingenomen met het voornemen van de Commissie een interinstitutionele dialoog te bevorderen over de rol van alle organen die bedoeld worden in artikel 185 van het Financieel Reglement en over hun plaats in het Europees bestuur; wijst er andermaal op dat de toepassing van de procedure die is vastgelegd in punt 47 van het IIA op interinstitutioneel niveau systematisch moet worden gegarandeerd;

Uitvoerende agentschappen en andere tendensen tot "outsourcing"

92.   neemt er kennis van dat een verdere toename van het aantal uitvoerende agentschappen en andere vergelijkbare ad hoc organen gefinancierd zal worden uit middelen voor het desbetreffende programma; is er bezorgd over dat de groei van de uitvoerende agentschappen en andere organen ten koste gaat van de beleidsmiddelen die beschikbaar zijn binnen de desbetreffende programma's en de financiering van administratieve taken zal verschuiven van rubriek 5 van het MFK naar de beleidsrubrieken;

93.   vreest dat de oprichting van uitvoerende agentschappen en andere ad hoc organen kan leiden tot een ondoorzichtige groei van het aantal EU-ambtenaren en contractmedewerkers, vooral wanneer het aantal posten in de relevante directoraten-generaal van de Commissie niet navenant wordt ingekrompen of herschikt; dringt aan op naleving van de procedure voor het opzetten van uitvoerende agentschappen (herziene gedragscode), en met name op parlementair toezicht op financiering en personeelsbezetting van de agentschappen;

Conclusies en mandaat voor de bemiddelingsprocedure

94.   is van mening dat onderstaande punten van bijzonder belang zijn bij de overlegprocedure voor de begroting die in juli 2008 zal plaatsvinden:

   adequaat niveau van betalingskredieten,
   naleving van het beginsel van goed financieel beheer, en met name een realistisch beeld van de behoeften in rubriek 4,
   verbintenis van de Commissie om, waar het het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering betreft, gewijzigde begrotingen in te dienen met als enige doel het beschikbaar stellen van deze middelen om vertraging in het leveren van financiële hulp te vermijden;
   adequate reactie op verzoeken om voedselhulp en garantie van voedselveiligheid;
   verstrekking door de Raad van cijfermatige informatie over de financiële gevolgen van de bovengenoemde conclusies van het voorzitterschap in overeenstemming met de bepalingen van het Financieel Reglement, met name artikel 28; is bereid om onderhandelingen aan te knopen, met inbegrip van het gebruik van alle in het IIA voorziene middelen;
   inventaris met betrekking tot de tenuitvoerlegging van punt 44 van het IIA en van punt 5(N) van het actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006)0009);
   voldoende middelen voor een Europa van de burger,
   voorlopige intenties van de begrotingsautoriteit ten aanzien van proefprojecten en voorbereidende acties;
   heldere presentatie van de begroting, met name wat betreft de administratieve uitgaven en de personeelsbehoefte en de outsourcing van taken;
   adequate voorziening op de begroting om het mogelijk te maken een antwoord te geven op de EU-prioriteiten "concurrentiekracht voor groei en werkgelegenheid", "bestrijding van klimaatverandering overeenkomstig het Actieplan van Bali en bevordering van een duurzaam Europa" en "het gemeenschappelijk immigratiebeleid een realiteit maken";
   toezegging van de Raad om het voorlichtingsbeleid van de EU op professionele wijze en in nauwe samenwerking met het Europees Parlement en de Commissie te verbeteren;

95.   vindt de gewoonte van de Raad om in haar eerste lezing van de begroting van de EU over te gaan tot lineaire besnoeiingen zonder enige nauwkeurige rechtvaardiging te verschaffen zeer spijtig; dringt er bij de Raad op aan om bij de goedkeuring van de ontwerpbegroting elk element van de begroting aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen en daarbij criteria als efficiëntie, spaarzaamheid en Europese toegevoegde waarde toe te passen; herinnert eraan dat de opstelling van de begroting van de EU een fundamentele politieke handeling is die niet alleen aan rekenlogica kan beantwoorden en verwacht dat de Raad in het kader van die begrotingsprocedure de middelen verschaft voor een ware politieke dialoog met het Europees Parlement;

o
o   o

96.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1. Akkoord laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2008/371/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 128 van 16.5.2008, blz.8)
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0174.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0175.
(4) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9).

Laatst bijgewerkt op: 10 februari 2009Juridische mededeling