Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2031(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0309/2008

Ingediende teksten :

A6-0309/2008

Debatten :

PV 03/09/2008 - 14
CRE 03/09/2008 - 14

Stemmingen :

PV 04/09/2008 - 7.4
CRE 04/09/2008 - 7.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0405

Aangenomen teksten
DOC 119k
Donderdag 4 september 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten
P6_TA(2008)0405A6-0309/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de evaluatie van sancties van de EU als deel van optreden en beleid van de EU op het gebied van mensenrechten (2008/2031(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–   gezien alle mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de facultatieve protocollen dienaangaande,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en de twee bijbehorende optionele protocollen,

–   gezien het Handvest van de VN en in het bijzonder de artikelen 1 en 25 en, in Hoofdstuk VII, de artikelen 39 en 41,

–   gezien het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (Europese Mensenrechtenverdrag) en de bijbehorende protocollen,

–   gezien het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa,

–   gelet op de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa van 1975 (Slotakte van Helsinki),

–   gelet op artikel 3, 6, 11, 13, 19, 21, 29 en 39 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 60, 133, 296, 297, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over de situatie betreffende de mensenrechten in de wereld,

–   gezien zijn vorige debatten en onder verwijzing naar spoedresoluties over schendingen van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 september 1996 over de mededeling van de Commissie over de bepalingen inzake de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens in de overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen(1) ,

–   gezien de internationale verplichtingen van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, met inbegrip van de verplichtingen die in WHO-overeenkomsten zijn vervat,

–   gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caraibisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (Overeenkomst van Cotonou)(2) , in het bijzonder artikelen 8, 9, 33, 96 en 98, en de herziening van die overeenkomst(3) ,

–   gezien het Raadsdocument "Invoering van een 'sanctie-samenstelling'" van de Groep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX/Sancties) van 22 januari 2004 (5603/2004),

–   gezien het Raadsdocument "Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties)" van 7 juni 2004 (10198/1/2004),

–   gezien het Raadsdocument "Richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van restrictieve maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU", in de laatste bijgewerkte versie van 2 december 2005 (15114/2005),

–   gezien het Raadsdocument "Beste praktijken van de EU inzake een doeltreffend gebruik van restrictieve maatregelen" van 9 juli 2007 (11679/2007),

–   gezien Gemeenschappelijk Standpunt 96/697/GBVB van de Raad van 2 december 1996 over Cuba(4) ,

–   gelet op het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad 2001/930/GBVB inzake terrorismebestrijding(5) en het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme(6) , beide van 27 december 2001, en Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme(7) ,

–   gelet op het Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Osama bin Laden, de leden van de Al Qaida-organisatie, de Taliban en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten(8) , en Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban(9) , beide van 27 mei 2002,

–   gezien de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen(10) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen(11) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(12) ,

–   gezien alle overeenkomsten die de Europese Unie met derde landen afgesloten heeft en de mensenrechtenclausules die ze bevatten,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 oktober 1982 over de betekenis en de gevolgen van economische sancties, met name van het handelsembargo en de boycot, voor de externe betrekkingen van de EEG(13) ,

–   onder verwijzing naar de resolutie over de gevolgen van sancties, en met name embargo's, voor de mensen van landen waaraan zulke maatregelen worden opgelegd(14) , aangenomen door de paritaire parlementaire vergadering van de ECP-EU op 1 november 2001 in Brussel (België),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2007 over het functioneren van de mensenrechtendialogen en de raadplegingen over mensenrechten met derde landen(15) ,

–   gezien resolutie 1597 (2008) en aanbeveling 1824 (2008) over de zwarte lijsten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en van de Europese Unie, aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa op 23 januari 2008,

–   gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend in Lissabon op 13 december 2007, dat naar verwachting op 1 januari 2009 in werking treedt,

–   gelet op regel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A6-0309/2008),

A.   overwegende dat artikel 11, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de eerbiediging van de mensenrechten erkent als een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlandse en veiligheidsbeleid (GBVB) en overwegende dat het nieuwe artikel 21 van het EU-Verdrag zoals ingevoerd door artikel 1, punt 24 van het Verdrag van Lissabon, erkent dat "het internationaal optreden van de Unie berust op en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht",

B.   overwegende dat sancties worden opgelegd ter verwezenlijking van specifieke doelstellingen van het GBVB als vervat in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die onder meer, maar niet uitsluitend, de bevordering van mensenrechten en fundamentele vrijheden, democratie, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur omvatten,

C.   overwegende dat de hiervoor genoemde Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties) van 2004 het eerste pragmatisch document vormen waarin het kader wordt omschreven waarbinnen de EU sancties oplegt, terwijl de EU dat in de praktijk al sinds het begin van de jaren 80 doet, vooral na het in werking treden van het EU-verdrag in 1993; overwegende dat het document sancties formeel als een instrument van het GBVB instelt en dientengevolge het beginpunt van een EU sanctiebeleid vormt,

D.   overwegende dat dit sanctiebeleid is gegrondvest op de vijf volgende doelstellingen van het GBVB: het veiligstellen van gemeenschappelijke waarden, fundamentele belangen, en de onafhankelijkheid en integriteit van de Unie in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van de VN; het versterken van de veiligheid van de Unie in alle opzichten; het bewaren van de vrede en het versterken van internationale veiligheid in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van de VN en de slotakte van Helsinki, alsmede de doelstellingen van het Handvest van Parijs, inclusief die betreffende buitengrenzen; het bevorderen van internationale samenwerking; het ontwikkelen en consolideren van democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden,

E.   overwegende dat de internationale consensus groeit dat elke ernstige en moedwillige aantasting van het milieu de vrede en de internationale veiligheid in gevaar brengt en een schending van de mensenrechten inhoudt,

F.   overwegende dat de EU zich tot systematische uitvoering van de sancties verplicht waartoe de VN-Veiligheidsraad heeft besloten uit hoofde van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties en tegelijkertijd zelfstandig sancties oplegt bij ontstentenis van een mandaat van de VN-Veiligheidsraad in die gevallen waar de VN-Veiligheidsraad niet de bevoegdheid heeft om actie te ondernemen of daarvan wordt afgehouden door een gebrek aan overeenstemming onder zijn leden; daarbij nadrukkelijk overwegende dat op zowel de VN als de EU de verplichting rust om sancties op te leggen in overeenstemming met het internationaal recht,

G.   overwegende dat het sanctiebeleid van de EU daarom sancties van de VN-Veiligheidsraad omvat, maar dat de reikwijdte en doelstellingen breder zijn dan die van het beleid van de VN-Veiligheidsraad (internationale vrede en veiligheid),

H.   overwegende dat sancties behoren tot de instrumenten die de EU kan gebruiken om haar mensenrechtenbeleid uit te voeren ; dat het gebruik van sancties consistent moet zijn met de algemene strategie van de EU op het betreffende terrein en de laatste poging op de prioriteitenlijst moet zijn om de specifieke doelstellingen van het GBVB te verwezenlijken; overwegende dat de effectiviteit van sancties afhangt van hun gelijktijdige toepassing door alle lidstaten,

I.   overwegende dat er noch het internationaal recht noch in het recht van de EU/EG een gezaghebbende definitie van een sanctie bestaat; overwegende dat evenwel binnen het raamwerk van het GBVB sancties of beperkende maatregelen worden gezien als maatregelen die geheel of gedeeltelijk een onderbreking of vermindering betekenen van diplomatieke of economische betrekkingen met een of meer derde landen en die bepaalde activiteiten of bepaald beleid willen veranderen, zoals schendingen van het internationaal recht of van mensenrechten, of beleid waarmee de rechtsstaat of democratische beginselen door regeringen van derde landen, non-gouvernementele entiteiten of natuurlijke en rechtspersonen niet worden geëerbiedigd,

J.   overwegende dat de soorten beperkende maatregelen een reeks maatregelen omvat, zoals wapenembargo´s, handelssancties, financieel/economische sancties, het bevriezen van tegoeden, vluchtverboden, toelatingsbeperkingen, diplomatieke sancties, boycots van sportieve en culturele evenementen, en de opschorting van samenwerking met een derde land,

K.   overwegende dat in deze resolutie, in overeenstemming met de algemene EU-praktijk, de termen "sancties" en "beperkende maatregelen" zonder onderscheid worden gebruikt; overwegende dat in deze resolutie de definitie van "passende maatregelen" is overgenomen uit artikel 96 van de overeenkomst van Cotonou(16) ,

L.   overwegende dat EU-sancties zelf zijn gebaseerd op een verscheidenheid van juridische grondslagen, die afhankelijk zijn van de precieze aard van de beperkende maatregelen en van het juridisch karakter van de betrekkingen met het betreffende derde land, en van de sectoren en doelstellingen in kwestie; overwegende dat deze factoren bepalend zijn voor zowel de procedure die wordt gehanteerd voor het aannemen van sancties - waarvoor vaak, maar niet altijd, een gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB is vereist en derhalve unanimiteit in de Raad - als voor de juridische procedure die moet worden gevolgd om de sancties juridisch bindend en uitvoerbaar te maken, waarbij de procedure zoals geformuleerd in artikel 301 van het EU-Verdrag de gewone procedure is,

M.   overwegende dat visumverboden en wapenembargo's de GBVB-sancties zijn die het vaakst worden opgelegd en dat deze sancties in de sanctiereeks van de EU het eerst worden ingezet; overwegende dat deze twee maatregeltypen de enige maatregelen zijn die direct door de lidstaten kunnen worden uitgevoerd, aangezien hiervoor geen specifieke sanctiewetgeving is vereist op grond van het EU-Verdrag; overwegende dat voor financiële sancties (bevriezing van tegoeden) en handelssancties wel specifieke sanctiewetgeving moet worden aangenomen,

N.   overwegende dat, volgens de genoemde Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties) en de relevante beleidsregels, gerichte sancties doelmatiger dan algemenere sancties kunnen zijn en dus de voorkeur verdienen, ten eerste omdat zo nadelige effecten voor een groter deel van de bevolking worden voorkomen en ten tweede omdat ze rechtstreekse gevolgen hebben voor de verantwoordelijken en derhalve waarschijnlijk effectiever zijn als het gaat om het teweegbrengen van beleidswijzigingen in het beleid van deze personen,

O.   overwegende dat er maatregelen bestaan die weliswaar door de Raad in de vorm van conclusies van de voorzitter aangenomen zijn, maar die niet "sancties" worden genoemd en tevens verschillen van de andere beperkende maatregelen die als GBVB-instrument zijn aangemerkt,

P.   overwegende dat op economische betrekkingen tussen de EU en derde landen vaak sectorale bilaterale en multilaterale overeenkomsten van toepassing zijn waar de EU zich bij het opleggen van sancties aan moet houden; overwegende dat, indien nodig, de EU de relevante overeenkomst derhalve moet opschorten of opzeggen voordat er economische sancties worden opgelegd die niet in overeenstemming zijn met de rechten die op grond van een bestaande overeenkomst aan het betrokken derde land worden verleend,

Q.   overwegende dat op betrekkingen tussen de EU en derde landen vaak bilaterale of multilaterale overeenkomsten van toepassing zijn op grond waarvan een van de partijen passende maatregelen kan nemen als een andere partij een essentieel onderdeel van de overeenkomst schendt, met name als het gaat om eerbiediging van de mensenrechten, het internationaal recht, democratische beginselen en de rechtsorde (de mensenrechten-clausule), waarvan de Overeenkomst van Cotonou een prominent voorbeeld is,

R.   overwegende dat de invoering en uitvoering van beperkende maatregelen moet beantwoorden aan de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, waaronder eerlijke procedures en het recht op effectieve verhaalsmogelijkheden, naast evenredigheid, en moet voorzien in passende uitzonderingen om rekening te houden met de fundamentele menselijke behoeften van de personen op wie de sancties zijn gericht, zoals basisonderwijs, drinkwater en elementaire medische verzorging, o.a. ook de meest onmisbare geneesmiddelen; overwegende dat een sanctiebeleid ten volle rekening moet houden met de normen die zijn vastgelegd in de Conventie van Genève, het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, naast de VN-resoluties met betrekking tot de bescherming van burgers en van kinderen bij gewapende conflicten;

S.   overwegende dat de geloofwaardigheid van de EU en de afzonderlijke lidstaten in het gedrang komt wanneer EU-sancties lijken te worden geschonden, en dat Robert Mugabe was uitgenodigd voor deelname aan de EU-Afrika-top van 8-9 december 2007 in Lissabon hoewel hem door Gemeenschappelijk Standpunt 2004/161/GBVB van 19 februari 2004 houdende verlenging van de beperkende maatregelen tegen Zimbabwe(17) , laatstelijk uitgebreid door het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/135/GBVB van 18 februari 2008(18) , formeel de toegang tot alle delen van het grondgebied van de EU-lidstaten ontzegd was,

Algemene overwegingen met het oog op een effectief EU-sanctiebeleid

1.   betreurt dat er tot op heden geen enkele evaluatie of beoordeling van het effect van het sanctiebeleid van de EU heeft plaatsgevonden en dat het daarom uiterst moeilijk is om de effecten en de doeltreffendheid in het veld te meten en daarmee ook om daaruit de nodige conclusies te trekken; roept de Raad en de Commissie op om zorg te dragen voor deze beoordeling; denkt echter dat het tegen Zuid-Afrika gehanteerde sanctiebeleid doeltreffend heeft bijgedragen tot de beëindiging van de apartheid;

2.   meent dat de uiteenlopende wettelijke grondslagen voor het sanctiebeleid van de EU, die leiden tot verschillende niveaus voor besluitvorming, uitvoering en controle, een belemmering vormen voor de transparantie en samenhang van het sanctiebeleid van de EU en daarmee voor zijn geloofwaardigheid;

3.   is van mening dat het een vereiste voor doeltreffendheid van de sancties is dat de publieke opinie, in Europa en daarbuiten, maar ook in het land waar veranderingen worden verwacht, het opleggen daarvan als legitiem ervaart; benadrukt dat raadpleging van het Parlement bij het besluitvormingsproces deze legitimiteit versterkt;

4.   merkt eveneens op dat sancties een symbolische werking kunnen hebben omdat een morele veroordeling door de EU wordt uitgesproken en daarmee wordt bijgedragen aan een grotere zichtbaarheid en geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de EU; waarschuwt echter tegen te grote nadruk op het idee van sancties als symbolische maatregelen, omdat ze hun waarde daardoor helemaal kunnen verliezen;

5.   vindt dat een beroep op sancties moet worden overwogen indien het optreden van autoriteiten, non-gouvernementele entiteiten of natuurlijke en rechtspersonen ernstig afbreuk doet aan de veiligheid en de rechten van personen of in geval van uitputting of verzanding van alle contractuele en/of diplomatieke betrekkingen door toedoen van de derde partij;

6.   meent dat iedere vrijwillige en onomkeerbare aantasting van het milieu een bedreiging vormt voor de veiligheid en een ernstige schending van de mensenrechten; verzoekt de Raad en de Commissie in dit verband om iedere vrijwillige en onomkeerbare aantasting van het milieu op te nemen bij de gronden die aanleiding kunnen vormen voor het opleggen van sancties;

7.   erkent dat de sanctie-instrumenten van de EU in het algemeen flexibel worden ingezet op basis van de behoeften die elk uniek geval met zich meebrengt; betreurt echter het feit dat het sanctiebeleid van de EU vaak inconsequent wordt toegepast en dat derde landen verschillend worden behandeld, zelfs als ze een vergelijkbare staat van dienst hebben als het gaat om mensenrechten en democratie, wat aanleiding geeft voor de kritiek dat er met twee maten wordt gemeten;

8.   meent in dat opzicht dat de toepassing en evaluatie van sancties door de Europese Unie naar aanleiding van schendingen van de mensenrechten principieel dienen te prevaleren boven eventuele nadelen die het opleggen van sancties voor de commerciële belangen van de Europese Unie en haar burgers met zich meebrengt;

9.   betreurt dat interne meningsverschillen binnen de EU over het te voeren beleid tegenover een of ander land, zoals Cuba, en de weerstand van lidstaten om belangrijke partners zoals Rusland tegen zich in het harnas te jagen, ertoe hebben geleid dat de EU slechts "informele sancties" heeft aangenomen in de conclusies van het voorzitterschap, hetgeen een uiting is van een onevenwichtige en inconsequente toepassing van de sancties door de Europese Unie; erkent echter dat maatregelen in de conclusies van de Raad bevatten, zoals de opschorting van de ondertekening van de akkoorden met bepaalde landen, zoals Servië, een nuttig instrument zouden kunnen zijn om derde landen onder druk te zetten en tot volledige medewerking aan internationale mechanismen te bewegen;

10.   merkt op, met betrekking tot Cuba, dat het Gemeenschappelijk Standpunt dat in 1996 aangenomen en vervolgens periodiek vernieuwd is, een routekaart voor een vreedzame overgang naar democratie inhoudt, volledig wordt geïmplementeerd en binnen de Europese instellingen geen controverse oproept; betreurt dat er zich totnogtoe geen enkele betekenisvolle verbetering voor de rechten van de mens heeft voorgedaan; neemt akte van het besluit van 20 juni ll. van de Raad om de informele sancties tegen Cuba op te heffen, samen met de vraag om alle politieke gevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, de toegang tot de gevangenissen te verbeteren en het internationaal verdrag inzake de burgerlijke en politieke rechten te ratificeren en in praktijk te brengen ; neemt ter kennis dat de Raad over een jaar besluit of hij de politieke dialoog met Cuba voortzet naargelang er al dan niet betekenisvolle verbeteringen voor de rechten van de mens vast te stellen zijn ; wijst erop dat het standpunt van de Raad ook de instellingen van de Europese Unie bindt in de dialoog met zowel de Cubaanse overheden als de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld ; herhaalt zijn standpunt in verband met de winnaars van de Sacharov-prijs Oswaldo Payá Sardiñas en de Vrouwen in het wit (Damas de Blanco);

11.   vindt dat de ondoeltreffendheid van de sancties niet kan worden gebruikt als argument om ze op te heffen en in plaats daarvan moet dienen om de sanctie zelf te heroriënteren en te herevalueren; is bovendien van mening dat het al dan niet doorgaan met sancties alleen mag afhangen van het al dan niet bereikt zijn van de doelstellingen, waarbij de sancties op basis van evaluatie kunnen worden verzwaard of anderszins aangepast; meent dat sancties daarom altijd vergezeld moeten gaan van duidelijke ijkpunten;

12.   is van mening dat de doeltreffendheid van de sancties op verschillende niveaus moet worden geanalyseerd, zowel in termen van intrinsieke doeltreffendheid van de maatregelen, d.w.z. of ze van invloed kunnen zijn op de privé- en beroepsactiviteiten van de personen tegen wie ze gericht zijn in hun hoedanigheid van leden van een bepaald regime, of op de werking van dat regime, als in termen van politieke doeltreffendheid, d.w.z. of ze een stimulans kunnen zijn om de activiteiten of het beleid naar aanleiding waarvan ze opgelegd zijn, te staken of om te buigen;

13.   meent dat het effect van een sanctie afhangt van het vermogen van de Europese Unie om ze de hele tijd vol te houden en betreurt daarom het gebruik van bepalingen als 'vervalbepalingen', waarbij sancties automatisch worden opgeheven;

14.   is onder alle omstandigheden tegen het opleggen van algemene, niet-selectieve sancties tegen een land, omdat het een benadering is die in de praktijk volledige isolatie van de bevolking betekent ; meent dat economische sancties, tenzij in coördinatie met andere politieke hulpmiddelen, maar zeer moeilijk politieke verandering in het regime teweeg kunnen brengen dat ze willen treffen ; benadrukt daarom dat alle sancties tegen regeringsinstanties systematisch vergezeld moeten gaan van steun voor het maatschappelijk middenveld van het betreffende land;

Sancties als onderdeel van een algehele mensenrechtenstrategie

15.   wijst erop dat de meeste EU-sancties worden opgelegd naar aanleiding van zorgen over de veiligheid; benadrukt echter dat schendingen van de mensenrechten een afdoende reden voor het opleggen van sancties moeten zijn, aangezien deze schendingen waarschijnlijk eveneens een bedreiging vormen voor de veiligheid en stabiliteit;

16.   wijst erop dat het belangrijkste doel van sancties bestaat in het teweegbrengen van een wijziging in het beleid of activiteiten overeenkomstig de doelstellingen van het gemeenschappelijk standpunt in het kader van het GBVB, of conclusies die zijn aangenomen door de Raad dan wel het internationale besluit waarop de sancties zijn gebaseerd;

17.   benadrukt dat de Raad, door het aannemen van de hiervoor genoemde Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties), zichzelf ertoe heeft verplicht sancties te gebruiken als onderdeel van een uitgebreide en geïntegreerde beleidsbenadering; benadrukt in dit opzicht dat deze benadering naast elkaar politieke dialoog, stimulansen en voorwaardelijkheid omvat en dat ze in laatste instantie zelfs het gebruik van dwangmiddelen kan behelzen, zoals geformuleerd in de Fundamentele beginselen; is van mening dat mensenrechten- en democratieclausules, het stelsel van algemene preferenties en ontwikkelingshulp moeten worden gebruikt als instrumenten voor een dergelijke uitgebreide en geïntegreerde beleidsbenadering;

18.   benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausule niet kan worden gezien als een geheel autonome of eenzijdige EU-sanctie, aangezien deze rechtstreeks voortkomt uit de bilaterale of multilaterale overeenkomst, die een wederzijdse verplichting oplegt om mensenrechten te eerbiedigen; is van mening dat passende maatregelen die in overeenstemming met deze clausule worden genomen, uitsluitend betrekking hebben op de uitvoering van het betreffende akkoord, waarbij elke partij een wettelijke grondslag wordt geboden om het akkoord op te schorten of te annuleren; denkt daarom dat de tenuitvoerlegging van mensenrechtenclausules en autonome of eenzijdige sancties elkaar per definitie aanvullen;

19.   verheugt zich dan ook over de systematische opname van mensenrechtenclausules en dringt aan op de opname van een specifiek uitvoeringsmechanisme in alle nieuwe bilaterale overeenkomsten, ook sector-specifieke overeenkomsten, die met derde landen worden gesloten; herinnert in dit verband aan het belang van de aanbevelingen voor doeltreffender en systematischer tenuitvoerlegging van de bepaling, namelijk opstelling van doelstellingen en referentiecriteria, en regelmatige evaluatie; herhaalt zijn oproep tot tenuitvoerlegging van de mensenrechtenclausules door middel van een transparante procedure van overleg tussen de partijen, waaronder het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld, waarbij de politieke en juridische mechanismen worden uitgewerkt, die worden gebruikt in het geval van een verzoek om opschorting van bilaterale samenwerking op grond van herhaaldelijke en/of systematische schending van de mensenrechten in strijd met het internationaal recht; ondersteunt het krachtens het Cotonou-akkoord vastgestelde proceduremodel voor reageren op ernstige schendingen van de mensenrechten, voor de democratische beginselen en voor de rechtsstaat; is van mening dat het systeem van intensieve politieke dialoog (artikel 8 van het Cotonou-akkoord) en raadplegingen (artikel 9 van het Cotonou-akkoord) voor en na het goedkeuren van passende maatregelen in een aantal gevallen een zeer succesvol instrument gebleken is voor het verbeteren van de situatie ter plaatse;

20.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om geen vrijhandels- en/of associatieovereenkomsten aan te bieden - ook al bevatten ze mensenrechtenclausules - aan regeringen van landen waar volgens de verslagen van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties op grote schaal mensenrechtenschendingen plaatsvinden;

21.   meent dat het uitblijven van gepaste of beperkende maatregelen in een toestand van aanhoudende schendingen van de rechten van de mens de mensenrechtenstrategie, het sanctiebeleid en de geloofwaardigheid van de Europese unie ondermijnt;

22.   is van mening dat een sanctiebeleid veel doeltreffender is wanneer het onderdeel is van een coherente mensenrechtenstrategie; herhaalt zijn verzoek aan de Raad en de Commissie om opstelling van een specifieke strategie voor de mensenrechten en de stand van zaken in democratisch opzicht als onderdeel van elk landenstrategiedocument en andere soortgelijke documenten;

23.   is van mening dat in geval van het opleggen van sancties, discussies over de voortgang van het verwezenlijken van de doelstellingen en ijkpunten die zijn geformuleerd op het moment van de aanname van de beperkende maatregelen, noodzakelijkerwijs en systematisch deel moeten uitmaken van de dialogen en raadplegingen met betrekking tot de mensenrechten; vindt tegelijkertijd dat de doelstellingen die bij de mensenrechtendialogen en de raadplegingen zijn bereikt, in geen geval in de plaats kunnen treden van de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de sancties;

Gecoördineerde actie door de internationale gemeenschap

24.   is van mening dat gecoördineerde actie door de internationale gemeenschap een grotere invloed heeft dan afzonderlijke en verschillende acties door landen of regionale entiteiten; verwelkomt daarom het feit dat het sanctiebeleid van de EU gebaseerd moet blijven op een voorkeur voor VN-maatregelen;

25.   verzoekt de Raad om, bij het uitblijven van sancties van de VN-Veiligheidsraad, samen te werken met niet-EU-landen die sancties opleggen, informatie te delen, en op internationaal niveau stappen te coördineren om ontduiking van de sancties te voorkomen en het effect en de uitvoering van de EU- en andere sancties te maximaliseren overeenkomstig het internationaal recht;

26.   vindt dat de EU met andere regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie en de Organisatie van Zuid-Aziatische landen (ASEAN), moet gaan samenwerken om de mensenrechten te bevorderen en coördinatie van maatregelen naar aanleiding van sancties zeker te stellen;

27.   verzoekt de EU om systematisch een dialoog te ontwikkelen met landen die geen sancties opleggen om zo tot een gemeenschappelijk standpunt te komen ten aanzien van beperkende maatregelen, met name op regionaal niveau; wijst erop dat, zoals is gebleken in het geval van Birma/Myanmar, sancties zelden de vereiste wijziging in het beleid of activiteiten teweegbrengen als de internationale gemeenschap verdeeld is en de belangrijkste spelers niet zijn betrokken bij de uitvoering van de sancties;

28.   verzoekt de Raad en de Commissie om bij het opstellen van de agenda van politieke dialogen met niet sanctionerende staten systematisch het punt mee te nemen van hun rol en hun invloed ten aanzien van het regime of de niet-overheidsactoren waarop de sancties zich richten – of dit nu individuen, organisaties of zelfs ondernemingen zijn;

29.   is van mening dat het vooruitzicht van de ondertekening van een vrijhandelsovereenkomst met de regio waarin het bewuste land ligt, moet worden gebruikt als lok- en pressiemiddel en dat een land waaraan sancties zijn opgelegd in elk geval van een dergelijke overeenkomst moet worden uitgesloten;

Duidelijke besluitvorming, doelstellingen, ijkpunten en herzieningsmechanismen

30.   onderstreept de noodzaak van een uitgebreide analyse van elke specifieke situatie voordat er sancties worden aangenomen, zodat het potentiële effect van verschillende sancties wordt beoordeeld en er in het licht van alle relevante factoren en vergelijkbare ervaringen wordt bepaald welke sancties het effectiefst zijn; is van mening dat een dergelijke voorafgaande analyse vooral op haar plaats is omdat het moeilijk is om terug te krabbelen als het sanctieproces eenmaal is gestart, zonder de geloofwaardigheid van de EU aan te tasten en de steunbetuiging door de EU aan de bevolking van het bewuste derde land te ondergraven, gezien de mogelijkheid voor de autoriteiten van het land in kwestie om het besluit van de EU uit te buiten; neemt in dit opzicht notitie van de huidige gang van zaken, waarbij de geschiktheid, aard en doelmatigheid van de voorgestelde sancties in de Raad worden besproken op grond van een beoordeling door de hoofden van de vertegenwoordiging in het desbetreffende land, en roept op tot opname in die beoordeling van een verslag door een onafhankelijke deskundige;

31.   benadrukt echter dat een dergelijke analyse niet gebruikt mag worden om het vaststellen van sancties te vertragen; wijst er daarom met nadruk op dat de tweestapsprocedure voor het opleggen van sancties overeenkomstig het GBVB ruimte biedt voor snelle politieke reactie, in eerste instantie middels vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt, dat na een uitgebreidere analyse van de Verordening wordt uitgewerkt met vermelding van de precieze aard en omvang van de sancties;

32.   vraagt dat er systematisch duidelijke en specifieke ijkpunten als criteria voor het opheffen van de sancties worden opgenomen in de juridische instrumenten; dringt er met name op aan dat de referentiecriteria worden gebaseerd op onafhankelijke expertise en niet in de loop van de tijd worden aangepast op basis van politieke wijzigingen binnen de Raad;

33.   verzoekt de Raad en de Commissie om een voorbeeldprocedure voor de herziening van sancties op te stellen, dat met name de systematische opname van een revisieclausule inhoudt, op grond waarvan de sanctieprocedure opnieuw wordt geëvalueerd op basis van de vastgestelde ijkpunten en waarbij wordt gekeken of er is voldaan aan de doelstellingen; benadrukt dat intentieverklaringen of de wil om procedures in te voeren die tot positieve resultaten kunnen leiden aanmoediging verdienen, maar in geen geval bij de evaluatie van de sancties in de plaats kunnen treden van tastbare, daadwerkelijke vorderingen bij het voldoen aan de referentiecriteria;

34.   ziet het wapenembargo dat aan China is opgelegd als een illustratie van de samenhang en consistentie van de Unie, aangezien oorspronkelijk tot dit embargo is besloten naar aanleiding van de slachting op het plein van de Hemelse Vrede in 1989 en de EU tot op heden geen verklaring voor die slachting heeft ontvangen zodat er geen reden bestaat om het embargo op te heffen;

35.   roept de "sanctie-afdeling" van de Groep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX/sancties) op om haar mandaat volledig ten uitvoer te leggen; onderstreept vooral de noodzaak van onderzoek voorafgaand aan het aannemen van sancties en, als ze eenmaal zijn aangenomen van de periodieke verstrekking van actuele informatie over de ontwikkelingen en de noodzaak van de uitwerking van beste praktijken voor de implementatie en de handhaving van restrictieve maatregelen;

36.   erkent dat landen en internationale en regionale organisaties verantwoordelijk moeten kunnen worden gehouden voor internationaal onrechtmatige daden bij de uitvoering van sancties en onderstreept daarom de noodzaak van een gerechtelijk mechanisme om inachtneming van het internationaal en humanitair recht te waarborgen;

37.   vraagt dat het Parlement wordt betrokken bij alle fasen van het sanctieproces: bij het besluitvormingsproces voorafgaand aan sancties, bij het selecteren van sancties die het beste bij de situatie passen, en ook bij het definiëren van ijkpunten en het evalueren van hun toepassing in het kader van het herzieningsmechanisme en het opheffen van de sanctie;

Gerichte sancties als efficiënter middel?

38.   betreurt dat het door het ontbreken van een evaluatie niet mogelijk is de doeltreffendheid van de gerichte maatregelen te beoordelen; erkent echter de grote humanitaire betrokkenheid van de EU, die ertoe heeft geleid dat sancties met een algemene economische toepassing zijn opgeheven, zoals in het verleden is gebeurd in het geval van Irak, en die heeft geleid tot het opleggen van meer gerichte, "slimme" sancties, die zijn opgesteld om een maximaal effect te sorteren op het gedrag van degenen op wie de sancties zijn gericht terwijl de nadelige humanitaire effecten of gevolgen voor mensen of buurlanden op wie de sancties niet zijn gericht, worden geminimaliseerd;

39.   is van mening dat het zeer onwaarschijnlijk is dat regimes waarop sancties zijn gericht, grote beleidswijzigingen gaan aanbrengen als gevolg van economische sancties die geïsoleerd van andere beleidsinstrumenten worden gebruikt; benadrukt bovendien dat verregaande economische beperkingen een veel te hoge economische en humanitaire tol kunnen eisen, en herhaalt daarom zijn oproep tot zorgvuldiger opgestelde en beter gerichte sancties, die voornamelijk gericht zijn tegen vooraanstaande leiders van de beoogde regimes en daders van schendingen van de mensenrechten;

40.   benadrukt dat alle economische sancties in de eerste plaats gericht dienen te zijn op die sectoren die geen intensieve inzet van arbeidskrachten vereisen en slechts van beperkt belang zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen, welke van belang zijn zowel voor de economische ontwikkeling als voor de inkomensherverdeling;

41.   ondersteunt het gebruik van gerichte financiële sancties tegen vooraanstaande leiders van regimes waarop de sancties zijn gericht en hun naaste familieleden, die rechtstreekse gevolgen hebben voor de inkomsten van de personen voor wie de sancties zijn bedoeld ; benadrukt dat deze sancties gepaard moeten gaan met passende maatregelen tegen economische subjecten uit de EU die met dat soort personen samenwerken; benadrukt dat gerichte productsancties die zijn gericht op een specifieke of belangrijke inkomstenbron van een regime, het risico met zich meedragen van bredere gevolgen voor de hele bevolking en een "zwarte economie" kunnen bevorderen;

42.   vindt dat economische en financiële sancties - zelfs gerichte - moeten worden toegepast door alle natuurlijke en rechtspersonen die commerciële activiteiten in de EU ontplooien, met inbegrip van burgers van derde landen en EU burgers of rechtspersonen die zijn geregistreerd of gevestigd overeenkomstig de wetgeving van een EU-lidstaat en buiten de EU commerciële activiteiten ontplooien;

43.   verzoekt om een beperkte toepassing van de buitengewone vrijstellingen inzake het bevriezen van tegoeden; verzoekt om de opstelling van een specifieke bezwaarprocedure voor het geval een lidstaat een vrijstelling wil verlenen voor het bevriezen van tegoeden, omdat de efficiëntie van de beperkende maatregel wordt ondergraven door het ontbreken van een dergelijke procedure aangezien de lidstaten de Commissie alleen maar van tevoren op de hoogte hoeven te stellen van een dergelijke vrijstelling;

44.   verzoekt om stappen om de toepassing van de gerichte financiële sancties van de EU te verbeteren, zodat er wordt gewaarborgd dat de personen en entiteiten waarop de sancties zijn gericht, in de praktijk door de maatregelen van geen enkele financiële dienst binnen de EU-jurisdictie gebruik kunnen maken, en onder meer geen transacties kunnen uitvoeren die gebruikmaken van verrekenkantoren in de EU of waarbij anderszins financiële diensten binnen de EU-jurisdictie betrokken zijn; benadrukt de noodzaak van meer flexibiliteit in de verspreiding van sanctielijsten binnen de EU en de lidstaten onder alle personen die gehouden zijn aan de verplichtingen van de Derde Witwasrichtlijn(19) ; stelt voor dat elke lidstaat één instelling verantwoordelijk maakt voor de verspreiding van deze informatie;

45.   verzoekt om een sterkere samenwerking tussen de Raad plus de Commissie en het management en de aandeelhouders van SWIFT in Europa, zodat er betere resultaten worden behaald bij het bevriezen van rekeningen die op de zwarte lijst staan en er niet langer geld van en naar dergelijke rekeningen kan worden geboekt;

46.   verzoekt de Raad en de Commissie om de mogelijkheden en manieren te onderzoeken om bevroren inkomsten van autoriteiten op wie sancties zijn gericht, op een constructieve manier te gebruiken, bijvoorbeeld door ze aan slachtoffers van mensenrechtenschendingen toe te wijzen of voor ontwikkelingsdoeleinden in het kader van hoofdstuk VII van het VN-Handvest te gebruiken;

47.   stipt aan dat een wapenembargo een sanctie is die is bedoeld om een halt toe te roepen aan de stroom wapens en militair materieel naar conflictgebieden of naar regimes die de middelen waarschijnlijk gaan gebruiken voor binnenlandse onderdrukking of agressie tegen een ander land, zoals geformuleerd in de gedragscode betreffende wapenuitvoer;

48.   verzoekt om een gecoördineerde samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie als het gaat om de uitvoering van EU-wapenembargo's die door elke lidstaat zijn opgelegd;

49.   verzoekt de lidstaten om de aanneming van het gemeenschappelijk standpunt inzake wapenuitvoer dat de huidige gedragscode betreffende wapenuitvoer juridisch bindend maakt;

50.   dringt er bij de Raad, de Commissie en de lidstaten op aan om te blijven werken aan verbeteringen in de capaciteiten voor VN-toezicht en -handhaving en ondersteunt de mening dat er een permanent VN-team moet worden samengesteld dat de handel in conflictproducten beoordeelt evenals de waarde van sancties die daarbij worden opgelegd;

51.   herinnert eraan dat toegangsbeperkingen (reis- en visaverboden) een van de eerste stappen vormen in de sanctiereeks van de EU en dat zij inhouden dat personen en niet-statelijke entiteiten die op de zwarte lijst staan, geen officiële EU-vergaderingen mogen bijwonen en ook niet om privéredenen naar de EU mogen reizen;

52.   tekent met bezorgdheid aan dat lidstaten zich niet optimaal aan de EU-visaverboden hebben gehouden; verzoekt de lidstaten een eendrachtige benadering te bezigen bij het toepassen van reisbeperkingen en de relevante vrijstellingsclausules;

Eerbiediging van de mensenrechten bij het toepassen van gerichte sancties in de strijd tegen terrorisme

53.   neemt in aanmerking dat zowel de autonome antiterroristische sancties van de EU als de uitvoering door de EU van antiterroristische sancties van de VN-Veiligheidsraad het onderwerp zijn van verscheidene zaken voor het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg;

54.   herinnert eraan dat EU-lidstaten verplicht zijn sancties op te stellen overeenkomstig artikel 6, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin staat dat de Unie de grondrechten moet eerbiedigen, zoals deze worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien; benadrukt dat de huidige zwartelijstprocedures op zowel EU- als VN-niveau niet voldoen als het gaat om rechtszekerheid en juridische verhaalsmogelijkheden; dringt er bij de Raad op aan alle nodige conclusies te trekken en volledig uitvoering te geven aan de arresten van het Gerecht van eerste aanleg met betrekking tot autonome sancties van de EU;

55.   verzoekt de Raad en de Commissie om de bestaande procedure voor het toevoegen aan en verwijderen van de zwarte lijst te herzien, zodat de procedurele en wezenlijke mensenrechten van op de zwarte lijst geplaatste personen en entiteiten worden geëerbiedigd en met name de internationale normen inzake de mogelijkheid van beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie en een behoorlijke procesgang, met inbegrip van het recht om in kennis te worden gesteld en adequaat op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen tegen de persoon of entiteit in kwestie en van de genomen besluiten alsmede het recht op schadevergoeding voor eventuele schending van de mensenrechten; verzoekt de lidstaten uit dien hoofde tevens te ijveren voor eenzelfde herziening binnen de mechanismen van de VN om eerbiediging van de grondrechten te waarborgen bij het opleggen van gerichte sancties in de strijd tegen terrorisme;

56.   is van mening dat artikel 75 van het VWEU een kans biedt die het Europees Parlement moet aangrijpen om de tekortkomingen in de huidige praktijk bij het plaatsen van namen op een zwarte lijst te herstellen, en steunt alle lopende parlementaire werkzaamheden die voor het wetgevend programma 2009 op de agenda gezet moeten worden;

57.   betreurt dat geen van de rechterlijke organen in staat is om te beoordelen of een toevoeging aan de zwarte lijst terecht is, omdat de redenen voor inschrijving op de zwarte lijst op de eerste plaats op informatie berusten die in het bezit van de geheime diensten is, die vanzelfsprekend in het geheim werken; vindt echter dat deze fundamentele geheimhouding bij schendingen van het internationaal recht niet mag uitdraaien op straffeloosheid; verzoekt de lidstaten daarom om effectief parlementair toezicht op het werk van de geheime diensten te verzekeren; acht het daarom noodzakelijk dat het Parlement bij de werkzaamheden van de bestaande conferentie van commissies van toezicht op de inlichtingendiensten van de lidstaten betrokken wordt;

58.   herhaalt echter dat het systeem van terreurlijsten, als het tenminste de meest recente jurisprudentie van het Hof van Justitie eerbiedigt, een doeltreffend instrument is van het antiterreurbeleid van de Europese Unie vormt;

59.   benadrukt dat terrorisme een bedreiging vormt voor de veiligheid en vrijheid, en dringt er daarom bij de Raad op aan om de lijst van terroristische organisaties te herzien en bij te werken, rekening houdend met hun activiteiten in alle werelddelen;

Geschakeerd sanctiebeleid

60.   merkt op dat de EU altijd heeft geijverd voor een positieve benadering van het gebruik van sancties, vanuit de gedachte dat veranderingen aangemoedigd moeten worden ; benadrukt daarom dat het van belang is de voorkeur te geven aan een geïntegreerde globale actie via een strategie waarin pressie en aansporing gedoseerd worden toegepast;

61.   denkt dat een strategie van openheid en een sanctiebeleid elkaar onderling niet uitsluiten; is daarom van mening dat het sanctiebeleid van de EU kan bijdragen tot meer eerbied voor de mensenrechten in landen waarop de sancties gericht zijn, wanneer dat beleid wordt herzien met het expliciete doel om te komen tot een beleid van positieve maatregelen; neemt in dit verband nota van de cyclus van sancties die aan Oezbekistan van november 2007 tot april 2008 zijn opgelegd: hoewel er een verlenging van een jaar was voor de sancties die waren opgelegd omdat er niet was voldaan aan interne criteria met betrekking tot het onderzoek naar het bloedbad in Andijan en eerbiediging van de mensenrechten, besloot de Raad de uitvoering van het visumverbod op te schorten en het Oezbeekse regering zes maanden te geven om te voldoen aan een reeks mensenrechtencriteria, met het dreigement dat als er niet aan zou worden voldaan het visumverbod automatisch zou worden hernieuwd; tekent aan dat de mengeling van betrokkenheid en sancties heeft geleid tot een aantal positieve ontwikkelingen, dankzij de mogelijke automatische vernieuwing van de sancties en de definitie van precieze criteria; benadrukt dat de criteria binnen een beperkt tijdsbestek vervuld moeten kunnen worden en relevant moeten zijn voor het algemene sanctiestelsel; betreurt echter dat er tot nu toe nog geen wezenlijke positieve ontwikkelingen zijn geweest en dat het gebrek aan samenwerking met de regering van Oezbekistan voortduurt;

62.   dringt erop aan dat sancties in het kader van een sterk geschakeerde strategie systematisch vergezeld gaan van versterkte positieve maatregelen ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en allerlei projecten ter bevordering van de mensenrechten en democratie; vraagt thematische programma's en instrumenten (IEDDH(20) , niet-statelijke actoren, investeren in mensen) die ten volle bijdragen aan de verwezenlijking van die doelstelling;

63.   roept de Raad en de Commissie op om de kans te grijpen die wordt geboden door de ratificering van het Verdrag van Lissabon en de aansluitende oprichting van de Europese dienst voor extern optreden (EEAS) om te zorgen voor een optimalisering van de coherentie van de instrumenten voor externe maatregelen van de EU als een wezenlijk onderdeel van de toekomstige doeltreffendheid van het EU-sanctiebeleid;

Aanbevelingen in verband met de EU-instellingen en lidstaten

64.   roept de Raad en de Commissie op tot uitgebreide en diepgaande evaluatie van het EU-sanctiebeleid om vast te stellen welke invloed het heeft en welke maatregelen er genomen moeten worden om het te versterken; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om een programma met dergelijke maatregelen voor te leggen; vraagt de Raad en de Commissie om na te gaan welke weerslag de sancties op het ontwikkelingsbeleid van het betreffende land en het handelsbeleid van de Europese unie hebben;

65.   doet een beroep op de Commissie om erop toe te zien dat de ontwikkelingshulp-strategieën krachtens het Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking en het Europees Ontwikkelingsfonds in overeenstemming zijn met de bestaande sanctieregimes en de dialogen over de mensenrechten; vraagt haar om erop toe te zien dat de voorwaarden voor algemene begrotingssteun, met inbegrip van de steun volgens de contracten op grond van de millennium-doelstellingen voor de ontwikkeling (de zogenoemde 'Millenium Development Goals contracts'), nadrukkelijk gekoppeld zijn aan democratie- en mensenrechtencriteria;

66.   verzoekt de Raad en de Commissie om te profiteren van de gelegenheid die wordt geboden door de ratificering van het Verdrag van Lissabon, de aanstelling van een Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die eveneens vicevoorzitter van de Commissie en voorzitter van de raad van ministers van Buitenlandse zaken zal zijn, en de hieropvolgende oprichting van de EEAS optreden, om de externe acties van de EU samenhangender en consequenter te maken, de expertise van de relevante EU-diensten die actief zijn op het gebied van sancties te verbeteren en de samenwerking tussen de verschillende diensten te versterken;

67.   verzoekt eveneens om versterkte samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie om de samenhang en effectieve uitvoering van beperkende maatregelen te verbeteren;

68.   verzoekt tevens de lidstaten die lid zijn van de VN-Veiligheidsraad om systematisch te streven naar internationalisering van de door de Europese Unie opgelegde sancties, overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 Verdrag betreffende de Europese Unie;

69.   roept de lidstaten op om bij hun optreden binnen de Veiligheidsraad van de VN de verplichtingen die ze anderzijds zijn aangegaan voor de eerbiediging van de mensenrechten, en met name het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet te schenden;

70.   draagt zijn parlementaire organen op, in het bijzonder zijn permanente en ad hoc-delegaties, om hun contacten met de parlementen van niet-sanctionerende landen te gebruiken om meer begrip te kweken voor de bestaande sanctieregimes van de EU die betrekking hebben op de betreffende regio en de mogelijkheden voor gecoördineerde actie ter bevordering van de mensenrechten te onderzoeken;

71.   verzoekt de Commissie een netwerk van onafhankelijke deskundigen op te zetten die waar nodig de meest geschikte restrictieve maatregelen aan de Raad voorstellen, regelmatig aan de hand van de vastgestelde criteria en doelstellingen een verslag opstellen over de ontwikkelingen en, indien noodzakelijk, aangeven hoe de uitvoering van sancties zou kunnen worden verbeterd; is van mening dat door het opzetten van een dergelijk netwerk de transparantie en de discussies over sancties in het algemeen zouden verbeteren en ook de uitvoering van en het continue toezicht op sancties in specifieke gevallen zouden worden versterkt; is tegelijkertijd van mening dat de Commissie een proactievere rol dient te spelen bij het uitstippelen van een duidelijk sanctiebeleid van de EU;

72.   is van mening dat de legitimiteit van het sanctiebeleid, een belangrijk en gevoelig onderdeel van het GBVB, moet worden versterkt door het Parlement bij alle stadia van de procedure te betrekken (zoals vastgelegd in artikel 21 Verdrag betreffende de Europese Unie), met name bij het opstellen en ten uitvoer leggen van sancties, in de vorm van systematisch overleg met en verslaglegging van de Raad en de Commissie; is voorts van mening dat het Parlement betrokken moet worden bij het toezicht op het bereiken van ijkpunten door degenen aan wie sancties zijn opgelegd; belast zijn Subcommissie mensenrechten met het systematiseren van en het toezicht op de overeenkomstige werkzaamheden voor alle sancties waarvan de doelstellingen en referentiecriteria betrekking hebben op mensenrechten;

o
o   o

73.   verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Secretaris-Generaal van de VN en de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

(1) PB C 320 van 28.10.1996, blz. 261.
(2) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(3) PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27.
(4) PB L 322 van 12.12.1996, blz. 1.
(5) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 90.
(6) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.
(7) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.
(8) PB L 139 van 29.5.2002, blz. 4.
(9) PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.
(10) PB C 98 van 18.4.2008, blz. 1.
(11) PB C 131 E van 5.6.2003, blz. 147.
(12) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(13) PB C 292 van 8.11.1982, blz. 13.
(14) PB C 78 van 2.4.2002, blz. 32.
(15) PB C 187 E van 24.7.2008, blz. 214.
(16) Artikel 96 van de overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 luidt als volgt:Essentiële onderdelen: overlegprocedure en aangepaste maatregelen inzake mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term "Partij" verstaan de Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en iedere ACS-staat, anderzijds.2. a) Indien, ondanks de politieke dialoog die regelmatig tussen de partijen plaatsvindt, een partij van mening is dat de andere partij een verplichting voortvloeiend uit de eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, bedoeld in artikel 9, lid 2, niet nakomt, verstrekt zij, behalve in bijzondere dringende gevallen, de andere partij en de Raad van ministers alle terzake dienende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Met dit doel verzoekt zij de andere partij om overleg te plegen over maatregelen die door de betrokken partijen zijn genomen of moeten worden genomen om de situatie recht te zetten.Het overleg vindt plaats op het niveau en in de vorm die het meest geschikt wordt geacht om tot een oplossing te komen. Het overleg begint uiterlijk 15 dagen na de datum van het verzoek; de duur ervan wordt, afhankelijk van de aard en ernst van de schending, met wederzijdse instemming vastgesteld. De dialoog in het kader van de overlegprocedure duurt niet langer dan 60 dagen.Indien het overleg niet tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing leidt, indien overleg wordt geweigerd of in bijzonder dringende gevallen kunnen passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden ingetrokken zodra de redenen ervoor hebben opgehouden te bestaan..b) Het begrip "bijzonder dringende gevallen" heeft betrekking op uitzonderlijke gevallen van bijzonder ernstige en flagrante schending van één van de essentiële onderdelen bedoeld in artikel 9, lid 2, die een onmiddellijke reactie vereisen.De Partij die gebruikmaakt van de procedure voor bijzonder dringende gevallen stelt de andere Partij en de Raad van Ministers afzonderlijk daarvan in kennis, behalve wanneer haar de tijd ontbreekt om dit te doen.c) De in dit artikel bedoelde "passende maatregelen" worden genomen in overeenstemming met het internationaal recht en staan in verhouding tot de schending. Bij de keuze van deze maatregelen dient voorrang te worden gegeven aan die maatregelen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren. Er is overeengekomen dat slechts in laatste instantie tot opschorting zal worden overgegaan.Indien in bijzonder dringende gevallen maatregelen worden genomen, worden deze onmiddellijk ter kennis gebracht van de andere Partij en de Raad van Ministers. Op verzoek van de betrokken Partij kan overleg worden gepleegd om de situatie grondig te onderzoeken en, indien mogelijk, tot een oplossing te komen. Dit overleg wordt gevoerd in overeenstemming met het bepaalde in de tweede en derde alinea sub a).
(17) PB L 50 van 20.2.2004, blz. 66.
(18) PB L 43 van 19.2.2008, blz. 39.
(19) Richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005 van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25 november 2005, blz. 15).
(20) Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 26 mei 2009Juridische mededeling