Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2621(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0385/2008

Debatten :

PV 03/09/2008 - 15
CRE 03/09/2008 - 15

Stemmingen :

PV 04/09/2008 - 7.5
CRE 04/09/2008 - 7.5

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0406

Aangenomen teksten
DOC 58k
Donderdag 4 september 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Milleniumdoelstellingen voor ontwikkeling - Doelstelling 5: verbetering van de gezondheid van moeders
P6_TA(2008)0406B6-0377, 0385, 0388, 0393 en 0395/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over moedersterfte aan de vooravond van de bijeenkomst op hoog niveau van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die op 25 september 2008 plaatsvindt

Het Europees Parlement ,

–   gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) die zijn goedgekeurd tijdens de Millenniumtop van de Verenigde Naties in september 2000,

–   gezien de "EU-Agenda voor Actie over MOD's" van de Europese Raad van juni 2008 en de daarin opgenomen mijlpalen voor 2010,

–   gezien de bijeenkomst op hoog niveau over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die op 25 september 2008 plaatsvindt in het hoofdkantoor van de VN in New York,

–   gezien het EU-verslag over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling 2000-2004 van de Commissie (SEC(2005)0456),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 december 2004 waarin de volledige inzet van de Europese Unie voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en voor samenhang van het beleid wordt bevestigd,

–   gezien de VN-verklaring over de rechten van het kind van 20 november 1959, die stelt dat "het kind en zijn moeder beiden bijzondere zorg en bescherming [moeten] krijgen, met inbegrip van voldoende prenatale en postnatale zorg", en het VN-Verdrag over de rechten van het kind van 20 november 1989, waarin de ondertekende landen zich ertoe verbinden "passende pre- en postnatale gezondheidszorg voor moeders te waarborgen",

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over gendergelijkheid en het mondig maken van vrouwen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking (COM(2007)0100),

–   gezien de gezamenlijke strategie Afrika/EU aangenomen op de EU-Afrika Lissabontop in 2007,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2008 over gendergelijkheid en het mondig maken van vrouwen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking(1) ,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 12 april 2005 over de rol van de Europese Unie in de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MOD's)(2) , en 20 juni 2007 over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling op het halfwegpunt(3) ,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties van 17 november 2005 over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika(4) en van 25 oktober 2007 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en Afrika(5) ,

–   gezien de 4e Wereldconferentie over de vrouw van september 1995 in Peking, de verklaring en het actieplatform van Peking en vervolgens de resultaatdocumenten over verder optreden en verdere initiatieven om de verklaring van Peking en het actieplatform uit te voeren, respectievelijk aangenomen op de speciale zittingen van de Verenigde Naties Peking +5 en +10 op respectievelijk 10 juni 2000 en 11 maart 2005,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaringen van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: 'De Europese consensus' (De Europese consensus over ontwikkeling)(6) , en de 'Europese consensus over humanitaire hulpverlening'(7) ,

–   gezien de verslagen van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA)over de toestand van de wereldbevolking, 'The Promise of Equality: Gender Equity, Reproductive Health and the Millennium Development Goals' van 2005 en 'A Passage to Hope: Women and International Migration' van 2006,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI)(8) ,

–   gezien het protocol bij het Afrikaans Handvest over mensen- en volkenrechten over de rechten van de vrouw in Afrika, ook bekend als het "protocol van Maputo", dat op 25 november 2005 van kracht geworden is, en het actieplan van Maputo voor de inwerkingtreding van het Afrikaans beleidskader 2007-2010 voor seksuele en reproductieve gezondheid, aangenomen op de speciale zitting van september 2006 aan de Conferentie van ministers van de Afrikaanse Unie,

–   gezien de Internationale Conferentie van de VN over bevolking en ontwikkeling (ICPD) die in september 1994 in Caïro is gehouden, het in Caïro goedgekeurde definitieve actieprogramma, alsmede de daaropvolgende resultatendocumenten die in 1999 zijn goedgekeurd tijdens de speciale zitting van Algemene Vergadering van de VN over verdere uitvoering van het ICPD-actieprogramma (ICPD+5),

–   gezien het in Brussel vastgestelde kader voor actie en aanbevelingen over gezondheid voor duurzame ontwikkeling, goedgekeurd door de eerste vergadering van de ministers van Gezondheid van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) te Brussel in oktober 2007,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN (ICESCR) dat op 3 januari 1976 in werking is getreden, met name artikel 12,

–   gezien het algemene commentaar nr. 14 van de VN-Commissie economische, sociale en culturele rechten op artikel 12 van het ICESCR (het recht op de hoogst bereikbare gezondheidsnormen),

–   gelet op het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) dat op 3 september 1981 in werking is getreden,

–   gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de gezondheid van moeders (MOD 5) van alle MOD's het gebied is waarop de minste vooruitgang wordt geboekt, en dat MOD 5 dus een van de doelstellingen is die de minste kans maken om in 2015 te worden verwezenlijkt, met name in Afrika ten zuiden van de Sahara en Zuid-Azië,

B.   overwegende dat er elk jaar meer dan een half miljoen vrouwen in de loop van hun zwangerschap of bij de bevalling sterven, en dat 99% van die sterfgevallen zich in ontwikkelingslanden voordoen; overwegende dat het cijfer in Afrika ten zuiden van de Sahara in 20 jaar slechts met 0,1% per jaar is gedaald en dat 1 op de 16 vrouwen in deze regio het risico loopt om tijdens zwangerschap of bij de bevalling te sterven; overwegende dat moedersterfte dan ook de meest dramatische indicator is van de mondiale ongelijkheid op het gebied van de volksgezondheid,

C.   overwegende dat, afgezien van geografische ongelijkheden, uit ervaring met en onderzoek naar moedersterfte is gebleken dat er aanmerkelijke verschillen in sterftecijfers bestaan al naargelang welvaart, ras, etnische afkomst, woonplaats (stad of platteland), alfabetiseringsgraad en zelfs door religieuze of taalverschillen tussen landen, ook industrielanden, en dat dit de grootste ongelijkheid is in alle statistieken over gezondheidszorg,

D.   overwegende dat de G8 een pakket gezondheidsmaatregelen heeft aangenomen dat ertoe bijdraagt 1,5 miljoen gezondheidswerkers in Afrika op te leiden en aan te werven zodat 80% van de moeders bij de bevalling door een geschoolde gezondheidswerker wordt bijgestaan; dat daarmee een verbintenis wordt aangegaan om het aantal gezondheidswerkers tot 2,3 per 1 000 inwoners te verhogen in 36 Afrikaanse landen waar sprake is van een ernstig tekort; maar dat met geen woord wordt gerept over het verkrijgen van de 10 miljard USD die volgens het maatschappelijk middenveld nodig zijn om elk jaar 6 miljoen moeders en kinderen het leven te redden,

E.   overwegende dat de sterfte en ziekte van moeders in de wereld een medische noodtoestand is, want elk jaar sterven ongeveer 536 000 vrouwen tijdens de bevalling en 1 op de 20 vrouwen krijgt met ernstige complicaties te maken krijgen, variërend van chronische infecties tot invaliderende letsels zoals obstetrische fistels of levenslange handicaps,

F.   overwegende dat het geen mysterie is waarom zoveel vrouwen tijdens de zwangerschap en bij de bevalling overlijden - de oorzaken van moedersterfte en de middelen om deze te voorkomen liggen voor de hand en zijn algemeen bekend,

G.   overwegende dat kraamvrouwensterfte voorkomen kan worden door veilige zorg voor de moeder rond de bevalling, beschikbaarheid van doeltreffende voorbehoedsmiddelen en legale en veilige abortus;

H.   overwegende dat de hoge moedersterfte kan worden voorkomen door een betere toegang tot en het toepassen van methoden voor gezinsplanning, door toegang tot en beschikbaarstelling van veilige, kwalitatief hoogstaande moederzorg, vooral tijdens de zwangerschap, de bevalling, met inbegrip van noodzorg tijdens en na de bevalling en door een verbetering van de gezondheid van vrouwen, van haar voeding en haar positie in de maatschappij,

I.   overwegende dat deze preventieve benadering ook inhoudt dat vrouwen en gezondheidswerkers leren complicaties tijdens de zwangerschap en de bevalling te herkennen en adequate zorg te zoeken, alsmede een netwerk van adequate faciliteiten voor gezondheidszorg nodig is die, afhankelijk van de bestaande infrastructuur en middelen van vervoer, binnen een redelijke tijd kunnen worden bereikt, en de verlening van adequate zorg door geschoold personeel in deze buurtfaciliteiten, die efficiënt worden geleid en waar stroom, water en medische apparatuur voorhanden zijn,

J.   overwegende dat moedersterfte die te voorkomen is een schending betekent van het recht op leven van vrouwen en opgroeiende meisjes, zoals neergelegd in talloze internationale mensenrechtenverplichtingen, waaronder de Universele Verklaring voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties en dat de oorzaken van ziekte en -sterfte bij moeders ook kunnen neerkomen op schending van andere rechten van de mens zoals het recht op de hoogste standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid en het recht om niet gediscrimineerd te worden bij de toegang tot de elementaire gezondheidszorg,

K.   overwegende dat het recht op seksuele en reproductieve zelfbeschikking het recht inhoudt om te trouwen, een gezin te stichten en vrijwillig seksuele relaties aan te gaan alsook het recht om gevrijwaard te blijven van seksueel geweld en seksuele dwang,

L.   overwegende dat het onder de verantwoordelijkheid van de regeringen valt om zelf of via derden gezondheidsdiensten beschikbaar te stellen en overwegende dat ook regeringen met geringe financiële middelen noodmaatregelen kunnen nemen die gevolgen hebben voor de gezondheid van moeders,

M.   overwegende dat de onderliggende oorzaken voor moedersterfte en letsels als gevolg van bevallingen minder van praktische of structurele aard zijn maar veeleer van systematische aard, als gevolg van de geringe waarde en de geringe status van vrouwen, die over het algemeen in de samenleving worden benadeeld, en overwegende dat in landen met een vergelijkbaar economisch ontwikkelingsniveau de moedersterfte lager ligt naarmate de status van vrouwen hoger is,

N.   overwegende dat vrouwen tijdens de zwangerschap of de bevalling bijzonder kwetsbaar zijn door verschillende vormen van discriminatie, o.a. ongelijkheid tussen man en vrouw in de huishouding, traditionele praktijken die schadelijk zijn voor vrouwen, geweld jegens vrouwen, niet mogen meebeslissen over hun reproductieve rechten, afwijzing van meisjesbaby's en het stereotyperen van vrouwen als moeders en verzorgsters; overwegende dat het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) door alle EU-lidstaten is geratificeerd,

O.   overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wereldwijde toegang tot reproductieve gezondheidszorg tegen 2015 heeft genomen onder MOD 5, als een van de ontwikkelingsstreefdoelen van de internationale gemeenschap, om sterfte bij moeders te verminderen,

P.   overwegende dat de internationale gemeenschap op de internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) nieuwe middelen toegezegd hebben en reproductieve gezondheidszorg (met inbegrip van gezinsplanning en zorg voor moeder en kind) als centrale prioriteit voor de internationale inspanningen voor de ontwikkeling aanwijzen,

Q.   overwegende dat in plaats van een verhoging van de steun de totale donormiddelen voor gezinsplanning nu veel lager liggen dan in 1994 en zijn gedaald van 723 miljoen USD in 1995 tot 442 miljoen USD in 2004 in absolute cijfers,

R.   overwegende dat de EU regelmatig en consequent verplichtingen is aangegaan, laatstelijk met de voornoemde "EU-Agenda voor actie inzake MOD's",

S.   overwegende dat gezondheidszorg voor moeders ondanks de ernst van het probleem en de schending van de rechten van de mens een lage prioriteit op de internationale agenda blijft, overschaduwd door de aandacht voor optreden tegen welbepaalde ziekten, en dat dit heeft geleid tot een marginalisering van moedersterfte en dat de hoge aantallen aids-patiënten de ontwikkeling naar minder kraamvrouwenziekte en -sterfte hebben helpen tegenhouden of achteruitgaan

1.   maakt zich ernstig ongerust over het feit dat de doelstelling moedersterfte (binnen MOD 5) de enige millenniumdoelstelling is waarmee sinds 2000, vooral in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara en in Zuid-Azië, geen vooruitgang is geboekt, en dat de cijfers dezelfde zijn als 20 jaar geleden;

2.   merkt op dat naast onderwijs de empowerment van de vrouw in aanzienlijke mate bijdraagt tot de verbetering van de gezondheid van moeders (MOD 5);

3.   doet een beroep op de Raad en de Commissie om voorafgaand aan de VN-bijeenkomst op hoog niveau over de voorrang te verlenen aan maatregelen ten behoeve van het halen van de streefcijfers van MOD 5;

4.   verzoekt de Raad en de Commissie voor minder ongelijkheid bij de moedersterfte tussen industrie- en ontwikkelingslanden te zorgen door hogere investeringen en beleidsvoering voor beter personeel in de gezondheidszorg, en ruimere middelen en inzet om de gezondheidszorg en de elementaire medische infrastructuur te verbeteren, ook met middelen voor begeleiding en toezicht, elementaire volksgezondheidsdiensten, maatschappelijk werk en andere noodzakelijke ondersteunende functies;

5.   verzoekt de Raad en de Commissie om meer inspanningen te leveren om voorkoombare kraamvrouwenziekte en -sterfte uit te roeien door "routekaarten" en actieplannen tegen kraamvrouwenziekte en -sterfte in de wereld op te stellen, uit te voeren en regelmatig te evalueren, die een gelijkheidsgerichte, systematische en duurzame benadering met als uitgangspunt de rechten van de mens volgen, degelijk ondersteund en vergemakkelijkt door krachtige institutionele mechanismen en financiering;

6.   verzoekt de Raad en de Commissie om de diensten voor de gezondheid van moeder en kind in de eerstelijnsgezondheidszorg uit te breiden, volgens het concept van de geïnformeerde keuze, en voor meer voorlichting over veilig moederschap, gerichte en doelmatige prenatale zorg, voedingsprogramma's voor moeders, en voor degelijke bijstand bij de bevalling te zorgen om te ruime aanwending van de keizersnede te voorkomen en verloskundige noodhulp te kunnen bieden, alsmede verwijzingsdiensten voor complicaties bij zwangerschap, bevalling en abortus, en postnatale zorg en gezinsplanning;

7.   doet een beroep op de Raad en de Commissie om de toegang van alle vrouwen tot veelomvattende seksuele en reproductieve gezondheidsvoorlichting en -diensten te bevorderen;

8.   verzoekt de Raad en de Commissie om beproefde indicatoren en referentiepunten voor het terugdringen van de moedersterfte te ontwikkelen en aan te nemen (met inbegrip van ODA (Official Development Assistance)-uitkeringen) en controle- en rekenschapsmechanismen in te voeren die voortdurende verbetering van de bestaande beleidsmaatregelen en -programma's mogelijk maken;

9.   doet een beroep op de Raad en de Commissie om te waarborgen dat reproductieve gezondheidsdiensten betaalbaar, beschikbaar, toegankelijk en van goede kwaliteit zijn, en om de maximaal beschikbare middelen te besteden aan de beleidsmaatregelen en programma's inzake moedersterfte;

10.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan te zorgen voor de verzameling van betrouwbare en actuele gegevens om over richtsnoeren te kunnen beschikken voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter vermindering van ziekte- en sterfgevallen onder moeders;

11.   vraagt de Raad en de Commissie om opleiding, capaciteitsuitbreiding en infrastructuur voor een passend aantal geschoolde geboortehelpers mogelijk te maken, en ervoor te zorgen dat alle zwangere vrouwen en meisjes een beroep op hun diensten kunnen doen, en dat dit doel in "road maps" en nationale actieplannen wordt weerspiegeld;

12.   vraagt dat de nationale gezondheidsprogramma's met betrekking tot hiv-tests voor en tijdens de zwangerschap, antiretrovirale behandeling voor hiv-positieve zwangere vrouwen en hiv-preventieve maatregelen zoals voorlichtingscampagnes en onderwijs, worden opgevoerd;

13.   dringt er bij de Europese Unie op aan het voortouw te blijven nemen bij de bevordering van de seksuele en reproductieve gezondheid door handhaving van de middelen voor de uitvoering van het actieprogramma van de ICPD; betreurt dat Afrika ten zuiden van de Sahara de hoogste cijfers voor moedersterfte heeft, maar wereldwijd ook het laagste cijfer voor het gebruik van anticonceptie (19%) en dat 30% van de totale sterfte onder moeders in de regio het gevolg is van onveilige abortussen;

14.   is van mening dat de EU meer financiële steun moet geven om het millenniumontwikkelingsdoel - algemene toegang tot reproductieve gezondheidszorg tegen 2015 - te halen en dat anders vrouwen blijven sterven als gevolg van zwangerschap of daarmee verband houdende oorzaken;

15.   doet een beroep op de Raad en de Commissie om programma's en beleid te ontwikkelen om de doorslaggevende factoren voor de gezondheid die van fundamenteel belang zijn voor de voorkoming van moedersterfte aan te pakken, zoals participatie in de besluitvormingsprocessen die met gezondheidszorg verband houden, voorlichting over seksuele en reproductieve gezondheidszorg, alfabetisme, voeding, niet-discriminatie en de voor gendergelijkheid doorslaggevende sociale normen;

16.   verzoekt de Raad en de Commissie om, in verband met de vooruitgang die met de terugdringing van de moedersterfte is geboekt, actief aan wereldwijde fora zoals 'Countdown to 2015' deel te nemen om te kunnen profiteren van positieve praktijkervaring met dit soort programma's en beleidsvormen en om de verbeteringsdynamiek te kunnen vasthouden;

17.   dringt er bij de lidstaten op aan hun financiële verplichtingen niet te verzaken om de MOD's, met inbegrip van MOD 5, te kunnen halen, en verzoekt het Raadsvoorzitterschap het voortouw te nemen en een voorbeeld te stellen door ervoor te zorgen dat passende, voorspelbare fondsen beschikbaar zijn en dat meer wordt gedaan om levens te redden;

18.   herinnert aan de toezegging van de lidstaten om tegen 2015 ODA-niveaus van 0,7% van hun bruto nationaal product (BNP) aan ontwikkelingshulp te besteden en roept de lidstaten die niet op schema liggen, op om hun inspanningen te vergroten;

19.   roept de landen die schadelijke praktijken en tradities zoals genitale verminking van vrouwen nog niet hebben verboden, op om daartoe actie te ondernemen en voorlichtingscampagnes te steunen;

20.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat MOD-contracten vooral zijn gericht op de sectoren gezondheid en onderwijs;

21.   betreurt het door de kerken voorgestane verbod op het gebruik van anticonceptiemiddelen, daar het gebruik van condooms van cruciaal belang is voor de preventie van ziektes en ongewenste zwangerschappen;

22.   veroordeelt de Global Gag Rule van de VS die buitenlandse NGO's die financiële steun voor gezinsplanning van USAID (United States Agency for International Development) ontvangen, verhindert gebruik te maken van hun eigen niet-Amerikaanse fondsen om legale abortus, medisch advies of door verwijzingen voor abortus aan te bieden;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de Interparlementaire Unie, en de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0103.
(2) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 311.
(3) PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 232.
(4) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 475.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0483.
(6) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(7) PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.
(8) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

Laatst bijgewerkt op: 26 mei 2009Juridische mededeling