Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2252(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0260/2008

Ingediende teksten :

A6-0260/2008

Debatten :

PV 04/09/2008 - 4
CRE 04/09/2008 - 4

Stemmingen :

PV 04/09/2008 - 7.9
CRE 04/09/2008 - 7.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0410

Aangenomen teksten
DOC 68k
Donderdag 4 september 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010
P6_TA(2008)0410A6-0260/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 4 september 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (2007/2252(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (COM(2007)0314),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 februari 2005 over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(1) ,

–   gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 27 juli 2007 getiteld "Principles for evaluating health risks in children associated with exposure to chemicals " (Principes voor de beoordeling van de gezondheidsrisico's voor kinderen bij blootstelling aan chemische stoffen),

–   gelet op artikel 152 en 174 van het EG-Verdrag over een betere bescherming van de volksgezondheid en het milieu,

–   gezien Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013)(2) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0260/2008),

A.   overwegende dat het met belangstelling vaststelt dat de Europese Unie haar beleid inzake bescherming van de gezondheid sinds 2003 baseert op een nauwere samenwerking tussen de gezondheids-, milieu- en onderzoekssector, hetgeen hoop geeft dat er op termijn een coherente en geïntegreerde Europese strategie voor een gezond milieu zal worden ingevoerd,

B.   overwegende dat de werkzaamheden die de Unie momenteel verricht in het kader van haar eerste Actieplan voor milieu en gezondheid (2004-2010) (COM(2004)0416), te weten de indicatoren voorbereiden, het geïntegreerde toezicht ontwikkelen, relevante gegevens verzamelen en beoordelen en het onderzoek opdrijven, een beter inzicht zullen geven in de interactie tussen de bronnen van de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid, maar duidelijk niet volstaan voor een terugdringing van het toenemende aantal ziekten die door milieufactoren worden veroorzaakt,

C.   overwegende dat het nagenoeg onmogelijk is een tussentijdse balans op te maken van het voornoemde actieplan, aangezien het geen welomlijnde en in cijfers uitgedrukte doelstelling nastreeft en het bovendien moeilijk te bepalen is welk algemeen budget eraan is toegekend en het budget absoluut onvoldoende is voor een efficiënte promotie,

D.   overwegende dat het programma Volksgezondheid (2008-2013) met name gericht is op de traditionele gezondheidsbepalende factoren, zijnde voeding, roken, alcohol- en druggebruik, en het huidige actieplan (2004-2010) zich zou moeten concentreren op bepaalde nieuwe gezondheidsuitdagingen, en bepaalde milieufactoren die schadelijk zijn voor de volksgezondheid, zou moeten onderzoeken, zoals de kwaliteit van de buiten- en binnenlucht, elektromagnetische golven, nanodeeltjes en zeer zorgwekkende chemische stoffen (stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld (CMR's), hormoonontregelaars), alsook op de gezondheidsrisico's door de klimaatverandering,

E.   overwegende dat ademhalingsziekten in de Unie de tweede plaats innemen wat betreft doodsoorzaak, frequentie, prevalentie en kosten, dat ze de belangrijkste doodsoorzaak zijn bij kinderen van jonger dan 5 jaar en dat ze zich blijven ontwikkelen, met name door de verontreiniging van de buiten- en binnenlucht,

F.   overwegende dat luchtvervuiling, en in het bijzonder vervuiling door fijne deeltjes en ozon in de troposfeer, een aanzienlijke bedreiging vormt voor de gezondheid, dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van kinderen en dat dit de levensverwachting in de Unie doet dalen(3) ,

G.   overwegende dat, in het kader van stedelijke milieugezondheid en in het bijzonder de kwaliteit van binnenlucht, de Gemeenschap, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, meer moet ondernemen om verontreiniging binnenshuis te bestrijden, aangezien de Europese burger gemiddeld 90% van zijn tijd binnenshuis doorbrengt,

H.   overwegende dat de ministerconferenties van de WHO in 2004 en 2007 over milieu en gezondheid de nadruk hebben gelegd op het verband tussen de complexe gecombineerde invloed van verontreinigende chemische stoffen en een aantal chronische stoornissen en ziekten, met name bij kinderen; overwegende dat deze bekommernissen ook terug te vinden zijn in de officiële documenten van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en het Intergouvernementele Forum voor de veiligheid van chemische stoffen (IFCS),

I.   overwegende dat wetenschappers steeds beter kunnen aantonen dat blaas-, bot-, long-, huid- en borstkanker en andere vormen van kanker niet alleen worden veroorzaakt door de gevolgen van chemische stoffen, straling en deeltjes in de lucht, maar ook door andere milieufactoren,

J.   overwegende dat er naast deze problematische ontwikkelingen op het gebied van milieugezondheid de laatste jaren nieuwe ziekten of ziektesyndromen zijn opgedoken, bijv. het syndroom van de meervoudige chemische overgevoeligheid (MCSS, Multiple Chemical Sensitivity Syndrome ), het syndroom van de tandheelkundige amalgamen, de overgevoeligheid voor elektromagnetische stralen, het ziek-gebouw-syndroom of de aantasting van de aandacht en hyperkinetisch gedrag (ADHD, Attention Deficit and Hyperactivity Disorder ) bij kinderen,

K.   overwegende dat het voorzorgsbeginsel sinds 1992 uitdrukkelijk is opgenomen in het Verdrag; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen herhaaldelijk heeft gepreciseerd dat de inhoud en de draagwijdte van het beginsel in het Gemeenschapsrecht een van de grondslagen is van het beschermingsbeleid dat de Gemeenschap voert op het gebied van milieu en gezondheid(4) ,

L.   overwegende dat de criteria die de Commissie in haar mededeling van 2 februari 2000 over het voorzorgsbeginsel (COM(2000)0001) noemt voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel, een bijzonder dwingend karakter hebben en zelfs niet haalbaar zijn,

M.   overwegende dat het belangrijk is biomonitoring bij de mens toe te passen om de graad van blootstelling van de Europese bevolking aan de gevolgen van verontreiniging te evalueren en gezien de wil, door het Parlement verscheidene malen geuit, in punt 3 van zijn voornoemde resolutie van 23 februari 2005 en opgenomen in de conclusies van de Milieuraad van 20 december 2007, om spoed te zetten achter de invoering van een programma voor biomonitoring op EU-niveau,

N.   overwegende dat algemeen erkend is dat de klimaatverandering een belangrijke rol kan spelen in de toename van de ernst en de frequentie van bepaalde ziekten en vooral dat de frequentie van hittegolven, overstromingen en bosbranden, de meest frequente natuurrampen in de Unie, kan leiden tot bijkomende ziekten, slechte hygiënische omstandigheden en sterfgevallen, terwijl tegelijkertijd ook erkend is dat maatregelen om de klimaatverandering in te perken, positieve gevolgen hebben op de gezondheid,

O.   overwegende dat de klimaatverandering belangrijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de mens omdat onder andere bepaalde besmettelijke en parasitaire ziekten zich zullen ontwikkelen bij temperatuur- en vochtigheidsveranderingen en gevolgen zullen hebben voor ecosystemen, dieren, planten, insecten, parasieten, protozoa, microben en virussen,

P.   overwegende dat Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(5) en de dochterrichtlijnen duidelijke bepalingen bevatten over het behoud en het herstel van schoon water,

Q.   overwegende dat milieugeneeskunde een nieuwe medische discipline is die is gebaseerd op een nog te sterk gefragmenteerde universitaire opleiding, die verschilt van lidstaat tot lidstaat, en zij daarom moet worden gesteund en bevorderd binnen de Unie,

R.   overwegende dat steeds meer mensen lijden onder de gevolgen van milieufactoren en dat een epidemiologische inventaris zou moeten worden opgemaakt om de ziekten in kaart te kunnen brengen die geheel of gedeeltelijk door milieufactoren worden veroorzaakt,

1.   erkent de inspanningen die de Commissie heeft gedaan sinds de start van het actieplan in 2004, hoofdzakelijk op het gebied van de verbetering van de informatieketen met betrekking tot milieu en gezondheid, de integratie en uitbreiding van EU-onderzoek naar milieu en gezondheid en de samenwerking met gespecialiseerde internationale organisaties als de WHO;

2.   is echter van mening dat een dergelijk actieplan de kiem van een halve mislukking in zich draagt, aangezien het alleen bedoeld is ter begeleiding van de bestaande communautaire beleidsvoering, het niet berust op een preventiebeleid ter vermindering van ziekten die worden veroorzaakt door milieufactoren en het geen welomlijnde en in cijfers uitgedrukte doelstelling nastreeft;

3.   vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat onder auspiciën van de WHO al een programma werd uitgevoerd waarbij de lidstaten van de WHO hun eigen nationale en plaatselijke milieugezondheidsactieplannen hebben opgesteld met specifieke doelstellingen en uitvoeringsplannen; beveelt derhalve de Commissie aan om dit WHO-programma opnieuw te bekijken als een mogelijk model dat de Unie in de toekomst ook als nuttig voorbeeld kan nemen;

4.   betreurt ten zeerste dat de Commissie, en meer bepaald haar directoraat-generaal Onderzoek, niet heeft gezorgd voor een adequate financiering voor biomonitoring bij de mens voor het jaar 2008, ten einde een coherente benadering van biomonitoring in de Unie in te voeren, zoals ze beloofd had aan de lidstaten en het Parlement;

5.   verzoekt de Commissie tevens tegen 2010 te voldoen aan twee essentiële doelstellingen die ze zichzelf gesteld heeft in 2004 en een uitvoerbare communicatiestrategie op te stellen en toe te passen voor deze doelstellingen, zijnde enerzijds het sensibiliseren van de burgers voor milieuvervuiling en de gevolgen ervan voor hun gezondheid en anderzijds het evalueren en aanpassen van het Europese beleid inzake risicovermindering;

6.   beveelt de Commissie en de lidstaten sterk aan hun verplichtingen inzake de toepassing van de communautaire wetgeving na te komen;

7.   benadrukt dat bij de evaluatie van de gevolgen van milieufactoren voor de gezondheid eerst en vooral rekening moet worden uitgegaan van kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, pasgeboren baby's, kinderen en bejaarden;

8.   roept op om in het bijzonder rekening te houden met kwetsbare groepen die het gevoeligst zijn voor verontreinigende stoffen door, dankzij de goedkeuring van gezonde praktijken inzake binnenluchtkwaliteitsbeheer, maatregelen in te voeren die de blootstelling aan verontreinigende stoffen in binnenmilieus in de gezondheidssector en in het onderwijs beperken;

9.   dringt er bij de Commissie op aan om bij de herziening van de huidige wetgeving, deze wetgeving onder invloed van lobby's of regionale of internationale organisaties niet te verzwakken;

10.   wijst er andermaal op dat de Unie steeds voor een dynamische en flexibele benadering van het actieplan moet kiezen; acht het daarom belangrijk dat zij zich specifieke deskundigheid op het gebied van milieugezondheid eigen maakt die berust op een transparante en multidisciplinaire aanpak met hoor en wederhoor en aldus een antwoord biedt op het wantrouwen van het publiek in het algemeen ten opzichte van agentschappen en officiële comités van deskundigen; wijst op het belang van een betere opleiding van gezondheidsdeskundigen met name door middel van een uitwisseling van beste praktijken op communautair niveau;

11.   benadrukt dat er de laatste jaren werkelijk vooruitgang is geboekt op het gebied van het milieubeleid, bijvoorbeeld wat betreft de vermindering van de luchtverontreiniging, de verbetering van de waterkwaliteit, het beleid inzake afvalinzameling en -recycling, de controle van chemische stoffen en het verbod op loodhoudende benzine, maar stelt tegelijkertijd vast dat het Europese beleid gekenmerkt blijft door het gebrek aan een algemene en preventieve strategie en het achterwege blijven van de toepassing van het voorzorgsbeginsel;

12.   verzoekt de Commissie derhalve de criteria die zijn opgenomen in haar voornoemde mededeling over het voorzorgsbeginsel, te herzien in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zodat het beginsel van actie en veiligheid, gebaseerd op de goedkeuring van voorlopige en evenredige maatregelen, centraal komt te staan in het communautaire beleid inzake gezondheid en milieu;

13.   is van mening dat de omkering van de bewijslast, waarbij de producent of importeur moet bewijzen dat het product onschadelijk is, de bevordering van een op preventie gebaseerd beleid mogelijk zou maken, zoals overigens ook bepaald in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(6) , en moedigt de Commissie in dit opzicht aan deze verplichting uit te breiden tot de Gemeenschapswetgeving voor alle producten; is van mening dat een toename van dierproeven in het kader van het actieplan moet worden voorkomen en dat veel aandacht moet worden besteed aan de ontwikkeling en de toepassing van alternatieve methodes;

14.   herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om zo snel mogelijk concrete maatregelen over de binnenluchtkwaliteit voor te stellen voor een betere bescherming van de veiligheid en gezondheid van binnenmilieus, vooral bij het herzien van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten(7) , en om maatregelen voor te stellen om de energie-efficiëntie van gebouwen, alsmede de veiligheid en onschadelijkheid van chemische elementen die worden gebruikt bij de constructie van uitrusting en meubilair, te verhogen;

15.   adviseert de Commissie, teneinde de schadelijke gevolgen van het milieu voor de gezondheid te verminderen, de lidstaten op te roepen om de marktspelers via belastingvoordelen en/of andere economische stimuleringsmaatregelen ertoe aan te zetten in hun gebouwen, vestigingen en kantoren de kwaliteit van de binnenlucht te verbeteren en de blootstelling aan elektromagnetische straling te beperken;

16.   adviseert de Commissie gepaste minimumeisen in te voeren om de kwaliteit van binnenlucht in nieuwbouw te garanderen;

17.   adviseert de Commissie om bij de toekenning van individuele Europese steun bij de betreffende projecten, naast de aandacht voor milieubeschermingscriteria, ook te letten op de kwaliteit van de binnenlucht, de blootstelling aan elektromagnetische straling en de gezondheid van bepaalde kwetsbare groepen;

18.   dringt aan op het uitwerken van milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen in water overeenkomstig de laatste wetenschappelijke bevindingen en deze normen regelmatig aan te passen aan nieuwe wetenschappelijke kennis;

19.   wijst erop dat bepaalde lidstaten met succes mobiele analyselaboratoria of "milieuambulances" hebben ingevoerd, om snel en betrouwbaar een diagnose te maken van de verontreiniging van het binnenmilieu in openbare en privé-gebouwen; is van mening dat de Commissie deze praktijk zou kunnen bevorderen bij de lidstaten die nog niet beschikken over dit middel om direct in te grijpen op de verontreinigde site;

20.   drukt zijn bezorgdheid uit over de gebrekkige specifieke wettelijke bepalingen inzake de veiligheid van verbruiksgoederen die nanodeeltjes bevatten en over de passieve houding van de Commissie, die de regelgevingen voor het gebruik van nanodeeltjes in verbruiksgoederen zou moeten herzien, aangezien verbruiksgoederen met nanodeeltjes in steeds grotere hoeveelheden op de markt worden gebracht;

21.   is diep onder de indruk van het internationale rapport Bio-Initiative(8) over elektromagnetische velden, dat een synthese is van meer dan 1 500 studies ter zake en waarin in de conclusies gewezen wordt op de gezondheidsgevaren van de stralingen van mobiele telefonie, zoals gsm's, UMTS-Wifi-Wimax-Bluetooth en draagbare telefoons met een vast basisstation (DECT-telefoons);

22.   stelt vast dat de limieten voor blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden verouderd zijn, aangezien ze niet meer aangepast zijn sinds Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz tot 300 GHz(9) , dat in deze limieten uiteraard geen rekening is gehouden met de ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologieën noch met de aanbevelingen van het Europees Milieuagentschap of de strengere emissienormen die bijvoorbeeld in België, Italië en Oostenrijk zijn opgelegd, en dat er niets is ondernomen voor kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, pasgeboren baby's en kinderen;

23.   verzoekt de Raad bijgevolg zijn Aanbeveling 1999/519/EG te wijzigen om rekening te houden met de beste werkmethoden van de lidstaten en aldus de strengste blootstellingsnormen vast te leggen voor alle apparaten die elektromagnetsiche golven uitzenden in het frequentiebereik 0,1 MHz - 300 GHz;

24.   neemt de meervoudige gezondheidsbedreigingen die gepaard gaan met de opwarming van het klimaat op het grondgebied van de Unie zeer ernstig op en roept op tot een versterkte samenwerking tussen de WHO, de nationale controle-instanties, de Commissie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding teneinde het systeem voor vroegtijdige waarschuwing te versterken en zo de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor de gezondheid te beperken;

25.   benadrukt dat het een goede zaak zou zijn om dit actieplan te verruimen tot de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering voor de volksgezondheid door de nodige doeltreffende aanpassingsmaatregelen op communautair niveau uit te werken. Deze maatregelen kunnen bestaan uit:

   systematische voorlichting van de bevolking en bewustwordingsprogramma's;
   de integratie van aanpassingsmaatregelen inzake klimaatverandering in volksgezondheidsstrategieën en -programma's op het gebied van bijvoorbeeld besmettelijke en niet-besmettelijke ziekten, gezondheid op het werk en dierziektes die schadelijk zijn voor de volksgezondheid;
   goede controle waardoor de uitbraak van een ziekte vroegtijdig kan worden onderkend;
   alarm- en reactiesystemen op het gebied van gezondheid;
   coördinatie tussen bestaande milieucontrolenetwerken en netwerken voor uitbraak van ziekten;

26.   verzoekt de lidstaten en de Commissie adequaat te reageren op de nieuwe bedreigingen ten gevolg van de klimaatverandering, zoals het toenemende aantal nieuwe virussen en niet-ontdekte ziekteverwekkers, en in dat verband gebruik te maken van nieuwe, reeds bestaande technologieën voor het reduceren van ziekteverwekkers, die bekende en niet-ontdekte virussen en andere via het bloed overgedragen ziekteverwekkers reduceren;

27.   betreurt dat bij de laatste kosten-batenanalyse "Naar 20-20 in 2020 – Kansen van klimaatverandering voor Europa" (COM(2008)0030) enkel rekening werd gehouden met de voordelen voor de gezondheid van minder luchtvervuiling bij 20% minder uitstoot van broeikasgassen tegen 2020; verzoekt de Commissie om in het kader van een effectbeoordeling snel de (secondaire) bijkomende voordelen voor de gezondheid te onderzoeken die voortvloeien uit de uiteenlopende streefcijfers, overeenkomstig de aanbevelingen van het internationale panel voor klimaatverandering om tegen 2020 de uitstoot van binnenlandse broeikasgassen te verlagen met 25% tot 40%, en indien mogelijk tot 50% of meer;

28.   verzoekt de Commissie om aandacht te besteden aan het ernstige probleem van geestelijke gezondheid aangezien het aantal zelfdodingen in de Unie hoog is, en om meer middelen ter beschikking te stellen voor de ontwikkeling van goede preventiestrategieën en -therapieën;

29.   herhaalt dat de Commissie en de lidstaten het actieplan voor Europa "Kind, milieu en gezondheid" van de WHO moeten helpen promoten middels een communautair en bilateraal ontwikkelingsbeleid en moeten helpen gelijksoortige processen buiten de Europese regio van de WHO te stimuleren;

30.   verzoekt de Commissie om in haar tweede actieplan opnieuw het SCALE-initiatief op te nemen (Science, Children, Awareness, Legal instrument, Evalutation) inzake de vermindering van de blootstelling aan verontreinigende stoffen, dat deel uitmaakt van de Europese strategie voor milieu en gezondheid (COM(2003)0338);

31.   dringt er bij de Commissie op aan instrumenten te ontwikkelen en aan te reiken om het uitwerken en bevorderen van innoverende oplossingen aan te moedigen, zoals werd benadrukt in de agenda van Lissabon, met als doel belangrijke gezondheidsrisico's die worden veroorzaakt door belastende milieufactoren te beperken;

32.   dringt er bij de Raad op aan onverwijld tot een besluit te komen inzake het voorstel voor een verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Unie, aangezien het Parlement reeds op 18 mei 2006 zijn standpunt heeft vastgesteld(10) ; is van oordeel dat de nieuwe verordening die samen met andere maatregelen de drempels zal verlagen voor de inwerkingtreding van het Solidariteitsfonds van de Unie, het mogelijk zal maken om de schade ten gevolge van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen doeltreffender, flexibeler en sneller te verhelpen; onderstreept dat een dergelijk financieel instrument zeer belangrijk is, met name omdat wordt aangenomen dat natuurrampen zich in de toekomst vaker zullen voordoen, ook ten gevolge van de klimaatverandering;

33.   adviseert de Commissie om de kleine en middelgrote ondernemingen, die in Europa een belangrijke economische rol spelen, technische ondersteuning te bieden zodat zij, met deze hulp, kunnen voldoen aan de eisen in de verordeningen inzake milieugezondheid en zodat zij gestimuleerd worden om andere maatregelen te nemen die de gezondheid van het milieu bevorderen en die de werking van het bedrijf beïnvloeden;

34.   beveelt de Commissie aan om voor 2010 en met het oog op de "tweede cyclus" van het actieplan voor milieu en gezondheid de maatregelen te richten op de kwetsbare bevolkingsgroepen en nieuwe risicobeoordelingsmethoden uit te werken rekening houdend met het fundamentele belang van de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen, zwangere vrouwen en bejaarden;

35.   dringt er bijgevolg bij de Commissie en de lidstaten op aan de voordelen te erkennen van preventie- en voorzorgsbeginselen, en hulpmiddelen te ontwikkelen en in te voeren waarmee mogelijke risico's voor de gezondheid en het milieu kunnen worden opgespoord en voorkomen; adviseert de Commissie de "tweede cyclus" van dit actieplan te begroten en te zorgen voor de financiering waarin rekening wordt gehouden met een hoger aantal concrete maatregelen om de milieugevolgen voor de gezondheid te verminderen en preventie- en voorzorgsbeginselen in te voeren;

36.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de WHO.

(1) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 264.
(2) PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3.
(3) Rapport getiteld "Het milieu in Europa, de vierde evaluatie. Samenvatting". Europees Milieuagentschap (10.10.2007).
(4) Arrest van 23 september 2003 in de zaak C-192/01, Commissie tegen Denemarken, Jurispr. 2003, blz. I- 9693; arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, Jurispr. 2004, blz. I-7405.
(5) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(6) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1. Rectificatie in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.
(7) PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.
(8) Een groep onafhankelijke wetenschappers heeft dit rapport gepubliceerd op 31 augustus 2007. Het kan worden geraadpleegd op: www.bioinitiative.org.
(9) PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.
(10) PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 331.

Laatst bijgewerkt op: 26 mei 2009Juridische mededeling