Resolutie van het Europees Parlement van 24 september 2008 over de voorbereiding van de EU-India Top (Marseille, 29 september 2008)
Het Europees Parlement
,
– gezien het strategisch partnerschap EU-India dat op 8 november 2004 in Den Haag is gesloten,
– gezien de negende topconferentie EU-India die op 29 september 2008 zal plaatsvinden in Marseille,
– gezien het gezamenlijke actieplan 2005 van het strategisch partnerschap, dat op 7 september 2005 is aangenomen tijdens de zesde EU-India Top in New Delhi,
– gezien de conclusies van de achtste EU-India Top, gehouden in New Delhi op 30 november 2007,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 september 2005 over de betrekkingen tussen de EU en India: een strategische partnerschap(1)
,
– gezien de gemeenschappelijke intentieverklaring van de EU en India over de strategienota voor India voor 2007 - 2010,
– gezien het derde energiepanel EU-India op 20 juni 2007,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 mei 2007 over Kasjmir:huidige situatie en vooruitzichten (2)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 juli 2008 over het vermoedelijk bestaan van massagraven in het door India bestuurde deel van Kasjmir(3)
,
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 september 2006 over de economische en handelsrelatie van de EU met India(4)
,
– gezien de toespraak van de President van de Republiek India tot het Europees Parlement, op 25 april 2007;
– gezien de conclusies van de rondetafelconferentie van het maatschappelijk middenveld EU-India in Parijs op 15 en 16 juli 2008,
– gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de EU en India de grootste democratieën ter wereld vormen en dat hun gemeenschappelijke inzet voor de democratische waarden, pluralisme, de rechtsstaat en multilateralisme in de internationale betrekkingen bijdraagt tot wereldwijde vrede en stabiliteit,
B. overwegende dat het gezamenlijk actieprogramma het strategisch partnerschap EU-India sinds 2005 de basis vormt voor de toenemende samenwerking tussen de EU en India,
C. overwegende dat India in de afgelopen jaren een jaarlijkse economische groei heeft laten zien van tussen 8% en 10%, waardoor het kan worden beschouwd als een land dat een grote economische macht in opkomst is en grote vooruitgang heeft geboekt bij de economische ontwikkeling, overwegende dat India grote vooruitgang heeft geboekt bij een reeks van indicatoren op het terrein van de menselijke ontwikkeling, met de opkomst van een bredere middenklasse van bijna 100 miljoen mensen en met het feit dat India niet alleen een ontvanger van ontwikkelingshulp is maar ook donor, overwegende dat de enorme inkomensverschillen en de 300 miljoen Indiërs die in onder de armoedegrens leven redenen tot bezorgdheid blijven,
D. overwegende dat India in de binnenlandse politiek momenteel wordt geconfronteerd met een aantal crisissituaties, zoals het voortdurende geweld van de Islamitische Jihad en de radicale Hindoe-bewegingen, de spanningen tussen de gemeenschappen in Jammu en Kasjmir, geweld tegen christenen in Orissa, waarvan velen oorspronkelijk Dalits zijn, de verspreiding van de Maoïstische rebellie (Naxalieten) in ten minste 12 deelstaten, en natuurrampen in het noordoosten;
E. overwegende dat de christelijke gemeenschap in Orissa in augustus 2008 het slachtoffer is geworden van een golf van geweld en een reeks moorden; overwegende dat volgens bepaalde aantijgingen een effectief optreden van de plaatselijke politie is uitgebleven en dat leiders van de Vishwa Hindu Parishad verklaard hebben dat het geweld pas zal ophouden als er geen christenen meer in Orissa zijn; overwegende dat bepaalde christelijke gemeenschappen in India voortdurend blootstaan aan intolerantie en geweld,
F. overwegende dat de sociaaleconomische en politieke en burgerrechten van de Dalits nog steeds in belangrijke mate worden aangetast door kastediscriminatie en gewoontes met betrekking tot hun "onaanraakbaarheid", ondanks de al tientallen jaren durende inspanningen van de Indiase regering;
G. overwegende dat sinds oktober 2005 ruim 400 mensen in Indiase steden zijn omgekomen bij bomaanslagen, en overwegende dat de meest recente bomaanslag heeft plaatsgevonden op 13 september 2008 en dat daarbij ten minste 20 doden en vele gewonden zijn gevallen,
H. overwegende dat de handelsbetrekkingen tussen de EU en India zich in de laatste jaren exponentieel hebben ontwikkeld, en dat de waarde daarvan tussen 2003 en 2007 is toegenomen van 28,6 miljard EUR tot 55 miljard EUR en de investeringen van de EU in India tussen 2002 en 2006 verdubbeld zijn tot 2.4 miljard EUR; overwegende dat India's handelssysteem en regelgeving naar verhouding nog altijd restrictief zijn en dat de Wereldbank India op plaats 120 zette (van 178 economieën) op het punt van soepel zakendoen,
I. overwegende dat het Europees Parlement en het Indiase parlement officiële bilaterale betrekkingen hebben aangeknoopt,
J. overwegende dat de EU en India nog altijd inzetten op een vrijhandelsovereenkomst, die veelomvattend, fair en volledig in overeenstemming moet zijn met de Wereldhandelsorganisatie (WTO)-voorschriften en voorziet in geleidelijke en wederzijdse liberalisering van de handel in goederen in diensten, en in handelsgerelateerde kwesties; overwegende dat beide economieën aanmerkelijk zullen profiteren van een vrijhandelsovereenkomst, dat daardoor de wederzijdse investeringen en de in- en uitvoer van zowel de EU als India zullen toenemen en dat er een krachtige impuls vanuit zal gaan voor de mondiale handel, met name in de dienstensector;
K. overwegende dat de EU en India nauwe samenwerking hebben ontwikkeld in de sectoren wetenschap en technologie;
L. overwegende dat de EU en India zich inzetten voor de uitbanning van alle vormen van terrorisme dat een van de grootste gevaren vormt voor de internationale vrede en veiligheid;
M. overwegende dat India een belangrijke actor in de internationale gemeenschap is geworden en een van de grootste bijdragen levert aan de vredesmissies van de VN en dat de erkenning van deze nieuwe status in de VN tot uiting moet komen door de toekenning van een zetel in de Veiligheidsraad;
N. overwegende dat India een belangrijke rol kan spelen in Zuid- en Zuidoost Azië, met name via het lidmaatschap van de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC) en via samenwerking met de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN); overwegende dat India een belangrijke rol heeft in de ondersteuning van de stabiliteit van de regio, en met betrekking tot de samenwerking met de EU in Nepal en Sri Lanka;
O. overwegende dat de Verenigde Staten en India een overeenkomst hebben gesloten voor samenwerking op het terrein van kernenergie voor vreedzame doeleinden;
P. overwegende dat een vreedzame toekomst voor het vroegere prinsdom Jammu en Kasjmir een belangrijk doel blijft in het kader van de stabiliteit in Zuid-Azië;
Q. overwegende dat de klimaatverandering, het energieverbruik en de energievoorziening centrale punten van bezorgdheid zijn voor de internationale gemeenschap,
R. overwegende dat de wereldwijd exploderende brandstof- en voedselprijzen ernstige economische moeilijkheden hebben veroorzaakt en de vrees voor het uitbreken van maatschappelijke onrust hebben versterkt,
S. overwegende dat India deelneemt aan het Europese Galileo-project en aan het ITER-project,
1. is ingenomen met de negende topconferentie EU-India als teken van een duurzaam strategisch partnerschap, en beveelt ten zeerste aan dat deze jaarlijkse topbijeenkomsten in de toekomst worden voorafgegaan door voorbereidende parlementaire bijeenkomsten, met als doel het democratische toezicht op dit proces te benadrukken en het wederzijdse begrip van de standpunten en democratische stelsels van de andere partij te bevorderen;
2. bevestigt andermaal zijn krachtige steun voor de versterking van de strategische betrekkingen tussen de EU en India en voor verder onderzoek naar manieren om de betrekkingen aan te halen en dringt aan op concrete resultaten van de Top op het terrein van economie, politiek, veiligheid en handel en andere kwesties van gemeenschappelijk belang;
3. juicht de herziening toe van het reeds aangehaalde gezamenlijke actieplan van het strategisch partnerschap, hoopt dat hierin duidelijke prioriteiten worden gesteld en duidelijke termijnen worden vastgelegd voor de overeengekomen activiteiten, en uit opnieuw de wens betrokken te worden bij de herziening ervan; is bereid om met de Commissie te discussiëren over de vorm waarin deze betrokkenheid haar beslag moet krijgen;
4. wijst erop dat de EU en India van plan zijn op de Top een herzien gezamenlijk actieplan van het strategisch partnerschap aan te nemen; wijst erop dat het van belang is een concrete beleidsinhoud te geven aan de voorgestelde gezamenlijke acties en voldoende middelen toe te wijzen om ervoor te zorgen dat de prioriteiten in het plan worden verwezenlijkt;
5. juicht de oprichting toe in juni 2008 van de parlementaire vriendschapsgroep India-Europees Parlement, die binnen het Indiase parlement zal optreden als tegenhanger van de delegatie in het Europees Parlement voor de betrekkingen met de Republiek India; hoopt dat deze positieve ontwikkeling het begin is van een zinvolle en gestructureerde dialoog tussen beide parlementen over kwesties van mondiaal en gemeenschappelijk belang door middel van regelmatige bilaterale bezoeken en rondetafeldiscussies;
6. is krachtig voorstander van een omvangrijke, omvattende en ambitieuze vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en India; en wijst erop dat de onderhandelingen al hebben geleid tot een brede overeenstemming over de goederenhandel maar dat verdere besprekingen moeten plaatsvinden om een akkoord te bereiken over diensten, mededinging, intellectueel-eigendomsrecht (IPR), openbare aanbestedingen, duurzame ontwikkeling, sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SFM) en non-tarifaire belemmeringen; dringt er bij beide partijen op aan ernaar te streven dat de onderhandelingen voor het einde van 2008 met succes kunnen worden bekroond; wijst op de geweldige toename van de bilaterale handel en investeringen in de afgelopen tien jaar en beklemtoont de enorme groeikansen die een dergelijke overeenkomst biedt;
7. dringt aan op het sluiten van een omvattende vrijhandelsovereenkomst die de markttoegang voor goederen en diensten verbetert, betrekking heeft op praktisch de gehele handel en bepalingen omvat voor transparante regelgeving op gebieden die van belang zijn voor wederzijdse handel en investeringen, met inbegrip van normen en conformiteitsbeoordeling, SFM, IPR handhavingsregels, handelsbevordering en douane, openbare aanbesteding en handel en mededinging, alsmede handel en ontwikkeling en mensenrechtenclausules als wezenlijke elementen van die vrijhandelsovereenkomst;
8. steunt de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met India, met inachtneming van de verschillende economische posities van de EU en India, de bijzondere sociaaleconomische situatie van India en in het bijzonder de toestand van de arme boeren en de boeren die maar net kunnen overleven; is van mening dat een ambitieus hoofdstuk over duurzame ontwikkeling een wezenlijk onderdeel moet vormen van alle overeenkomsten en beklemtoont dat een dergelijk hoofdstuk onder het standaardmechanisme voor het slechten van geschillen moet vallen;
9. Wijst erop dat de EU voor India een belangrijke bron van directe buitenlandse investeringen (DBI) is en ongeveer 19,5% van de totale DBI-stroom naar India voor zijn rekening neemt, en dat de cumulatieve rechtstreekse investeringen van India in joint ventures en volledige dochtermaatschappijen in de EU, van april 1996 tot 2006/2007 4 315,87 miljoen EUR bedroegen, waarmee de Unie de belangrijkste bestemming voor overzeese investeringen door India was; erkent dat de investeringsstromen tussen de Unie en India een stijgende lijn vertonen en na het sluiten van de vrijhandelsovereenkomst waarschijnlijk nog verder zullen stijgen;
10. herinnert eraan dat de EU en India belangrijke handelspartners zijn en mede-oprichters van de WTO; betreurt het recente fiasco van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Doha ontwikkelingsagenda en het geschil over de landbouwtarieven tussen de VS en India; wijst erop dat de schade van het mislukken van de WTO-onderhandelingen een aantal gevolgen zou hebben zoals: het verlies aan potentiële welvaartsgroei als gevolg van nieuwe WTO-hervormingen; het dreigende verlies aan geloofwaardigheid van het internationale handelssysteem en de WTO; een toenemende neiging tot protectionisme en het gevaar dat WTO-leden bilaterale en regionale overeenkomsten zullen prefereren boven multilateralisme; dring bij de EU en India op aan hun inspanningen op te voeren om een omvattende handelsovereenkomst te sluiten waarvan zowel de Unie en India als de internationale gemeenschap als geheel zullen profiteren;
11. verzoekt de Commissie in haar onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met India voldoende nadruk te leggen op de mensenrechten, in het bijzonder op de toepassing van de standaardnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake kinder- en slavenarbeid (verdragen nrs. 138 en 182), en op de afschaffing van non-tarifaire belemmeringen en heersende beperkingen op het vlak van rechtstreekse buitenlandse investeringen in belangrijke sectoren en intellectuele-eigendomsrechten;
12. wijst op de aankondiging van een vrijhandelsovereenkomst tussen India en de ASEAN-landen, op 28 augustus 2008; spreekt de hoop uit dat de overeenkomst zal leiden tot een verdere economische groei, de regionale betrekkingen zal versterken en de veiligheid in Zuidoost-Azië zal bevorderen;
13. dringt er bij de EU en India op aan snelle vorderingen te maken bij het sluiten van zeevaart- en luchtvaartovereenkomsten, die een verdere stimulans kunnen zijn voor bilaterale handel en investeringen; is van mening dat de Top ook een kans biedt voor de ondertekening van de financieringsovereenkomst voor het nieuwe samenwerkingsprogramma voor de burgerluchtvaart;
14. toont zich verheugd over de oprichting in New Delhi van het European Business and Technology Centre (EBTC), dat zal bijdragen tot meer en nauwere betrekkingen tussen Europese en Indiase ondernemingen en tussen actoren op het gebied van wetenschap en technologie, met als doel te voldoen aan de behoeften van de Indiase markt;
15. verzoekt de Raad dringend vooruitgang te boeken met een regeling voor de facilitering van visa;
16. is ingenomen met de oprichting van het Indiase Wildlife Crime Control Bureau, maar blijft zich ernstige zorgen maken over de precaire situatie van de in het wild levende tijgers en doet een beroep op India om de tijgers te beschermen tegen aantasting van hun leefomgeving en het stropen door transnationale criminele netwerken; dringt aan op specifieke assistentie van de EU bij deze natuurbeschermingsinspanningen in de vorm van technische expertise, financiële steun en versterking van de Conventie over de internationale handel in bedreigde soorten (CITES);
17. spoort beide partijen aan tot nauwe samenwerking bij de belangrijkste milieuproblemen die de wereld bedreigen; dringt er in dit verband bij de EU en India op aan voor zover mogelijk een gemeenschappelijke aanpak te ontwikkelen voor het probleem van de klimaatverandering en voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen; beklemtoont dat beide partijen moeten streven naar een overeenkomst over de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen voor de periode na 2012, maar heeft begrip voor de bijzondere omstandigheden waarin India als ontwikkelingsland verkeert;
18. neemt kennis van de wereldwijd pijlsnel stijgende energiekosten en de gevolgen die dit heeft voor gezinnen, bedrijfsleven en industrie; beklemtoont dat de diversiteit van de energievoorziening een belangrijk beleidsdoel moet zijn en wijst erop dat een onzekere energievoorziening gevolgen kan hebben voor de politieke stabiliteit in Europa en Zuid-Azië;
19. neemt kennis van de goedkeuring van het akkoord inzake kernenergie voor civiele doeleinden tussen de VS en India door de groep van nucleaire exportlanden (en van de belofte van India om zich te houden aan zijn verbintenissen inzake de niet-verspreiding van kernwapens en een vrijwillig moratorium te handhaven op proeven met kernwapens); verzoekt de Indiase regering zijn moratorium op kernproeven om te zetten in een juridisch bindend engagement;
20. erkent dat India een belangrijke rol speelt bij conflictpreventie en vredeshandhaving in de regio en daarbuiten; is bezorgd over de huidige labiele politieke situatie in Pakistan en de toenemende onveiligheid in Afghanistan en Sri Lanka, en drukt de hoop uit dat India, als het invloedrijkste land in de regio, zal optreden als een bevorderaar van stabiliteit en vrede; roept India en de EU op om, met name door tusssenkomst van de bijzondere EU-gezant voor Birma/Myanmar, samen te werken om de Birmese militaire junta te overhalen om politieke gevangenen vrij te laten en de mensenrechten te respecteren;
21. betreurt het uitbreken van rellen in Jammu en Kasjmir in augustus 2008 en beveelt de autoriteiten aan alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat er zo spoedig mogelijk verkiezingen in Jammu en Kasjmir kunnen worden gehouden in een stabiele situatie; beklemtoont dat de openstelling van Kasjmir voor het vrije verkeer van goederen en personen essentieel is om uit de impasse van repressie en geweld te raken; kijkt uit naar een tijd waarin de militaire aanwezigheid gereduceerd kan worden, hetgeen bevorderlijk zou zijn voor het normale functioneren van de burgersamenleving, het bedrijfsleven en het toerisme;
22. toont zich hoogst bezorgd over de rampzalige gevolgen van de overstromingen in Noord-Oost-India, die vooral de deelstaat Bihar treffen maar ook buurlanden Nepal en Bangladesh; betreurt het hoge aantal slachtoffers van de ramp en het feit dat ruim één miljoen mensen dakloos is geworden; is voldaan dat de EU noodhulp heeft verleend; verzoekt de EU en India de samenwerking te intensiveren voor maatregelen ter verzachting van de impact van de klimaatverandering en met name de samenwerking voor hernieuwbare energiebronnen op te voeren;
23. looft de inspanningen van die Indiase regering en het Indiase maatschappelijk middenveld leveren op het vlak van reddingsoperaties en evacuatie, coördinatie en distributie van voedselhulp en organisatie van opvangkampen; beklemtoont dat onderdak en waterzuivering momenteel topprioriteit moeten krijgen om de gezondheidstoestand van het volk te stabiliseren; pleit voor een grotere internationale samenwerking met India ter ondersteuning van de dringende uitvoering van acties voor de aanpassing aan de klimaatverandering, aangezien zich almaar meer natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen voordoen, zoals overstromingen, en meer en betere preventie- en herstelmaatregelen bijgevolg noodzakelijk worden;
24. erkent dat India een model biedt voor de omgang met cultureel en religieus pluralisme ondanks geregeld terugkerende plaatselijke problemen tussen godsdiensten, ook tussen hindoes en christenen; toont zich evenwel zeer bezorgd over de huidige situatie van de christelijke minderheden, en over de gevolgen die de wetgeving tegen bekeringen die in diverse Indiase deelstaten is ingevoerd, zou kunnen hebben voor de godsdienstvrijheid;
25. geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de recente gewelddadigheden tegen christenen in Orissa, van wie velen oorspronkelijk Dalits zijn, en met name in het district Kandhamal; beklemtoont dat de slachtoffers onmiddellijk hulp dienen te ontvangen en dat kerk en particulieren schadeloos moeten worden gesteld voor vernielingen die aan hun bezittingen zijn toegebracht; dringt er bij de autoriteiten op aan degenen die zijn gedwongen hun dorpen te ontvluchten, een veilige terugkeer te waarborgen; beklemtoont dat alle beschuldigden zoals hoge politiefunctionarissen op korte termijn voor de rechter dienen te verschijnen; betreurt de dood van tenminste 35 mensen sinds het uitbreken van de gewelddadigheden en doet een beroep op de deelstaat en de nationale autoriteiten alles te doen wat in hun vermogen ligt om de christelijke minderheid volledige bescherming te bieden;
26. geeft uiting aan zijn diepe medeleven met de slachtoffers van terroristische bomaanslagen in India, zowel op zijn eigen grondgebied als in Afghanistan, en in het bijzonder bij zijn ambassade in Kabul; herinnert aan de recente bomaanslag van 13 september 2008 in de Indiase hoofdstad, en aan de dood van meer dan 180 mensen in Mumbai in 2006 en van meer dan 60 mensen in Jaipur in mei 2008; veroordeelt deze en alle andere terroristische aanvallen;
27. herhaalt dat het maatschappelijk middenveld moet deelnemen aan de discussies over principiële kwesties in de huidige bilaterale onderhandelingen; dringt in dit verband aan op een versterking van de rol van de in 2001 opgerichte rondetafelconferentie voor het maatschappelijk middenveld EU-India, en vraagt meer bepaald dat deze conferentie de nodige middelen krijgt om haar missie - de raadpleging van het maatschappelijk middenveld in de EU en India - daadwerkelijk te kunnen uitvoeren; vraagt dat in het EU-besluitvormingsproces meer rekening wordt gehouden met de resultaten van deze uitwisselingen;
28. juicht met betrekking tot de naleving van de mensenrechten de samenwerking van India met de VN Raad voor de mensenrechten toe; prijst tevens de Indiase nationale mensenrechtencommissie om haar onafhankelijke en rigoureuze werk op het gebied van discriminatie op grond van godsdienst en andere kwesties; betreurt het dat India nog niet het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing of het bijgaande facultatieve protocol heeft geratificeerd; beveelt aan dat India beide instrumenten onverwijld ratificeert; dringt er bij de Indiase regering op aan de doodstraf met onmiddellijke ingang af te schaffen door een moratorium op executies uit te vaardigen; moedigt de Indiase regering aan het facultatieve protocol bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen te ondertekenen en te ratificeren; dringt er bij India op aan toe te treden tot het Internationaal Strafhof; vraagt de Indiase overheid om herziening van de wet inzake de speciale bevoegdheden van gewapende troepen (Armed Forces Special Powers Act), die soldaten en politie straffeloosheid verleent;
29. dringt aan op een voortgangsverslag over het met India uitgevoerde mensenrechtenbeleid, en herinnert daarbij aan het feit dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en India als exemplarisch wordt gepresenteerd; stelt in deze context verbaasd vast dat India niet voorkomt op de lijst van landen die in aanmerking komen voor financiële steun van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR)(5)
voor microprojecten in het maatschappelijk middenveld;
30. doet een beroep op de EU en India geen twijfel te laten bestaan over hun vaste wil om de plaag van het terrorisme, een van de belangrijkste bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid, aan te pakken; dringt aan op nauwere samenwerking bij het uitwisselen van informatie en meent dat ernstig in overweging moet worden genomen om India een bevoorrechte status binnen Europol te verlenen;
31. benadrukt dat de continuïteit van de voedselvoorziening in India problematisch blijft; verzoekt de Indiase regering de kloof tussen vraag en aanbod te overbruggen door de binnenlandse productie van voedingsgranen op te voeren, voor openbare en particuliere investeringen te zorgen, nieuwe technologieën te introduceren en de teelt te diversifiëren;
32. is ingenomen met de vorderingen die India heeft gemaakt op het vlak van armoedebestrijding (millenniumdoelstelling 1); betreurt echter dat er nauwelijks vooruitgang is geboekt voor wat betreft de millenniumdoelstellingen inzake opleiding, gezondheid, gelijkheid tussen vrouwen en mannen en het weerbaar maken van vrouwen; geeft opnieuw uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat millenniumdoelstellingen 4 en 5 over respectievelijk kindersterfte en de gezondheid van moeders de gebieden zijn waarop het minst vooruitgang is geboekt en dat het onwaarschijnlijk is dat deze doelstellingen zullen worden bereikt tegen 2015; vraagt de Raad, de Commissie en de Indiase regering prioriteit te geven aan acties ter bevordering van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, ter vermindering van de kindersterfte en ter verbetering van de gezondheid van moeders;
33. vraagt de EU en India meer nadruk te leggen op uitwisselingen tussen mensen en culturele dialoog;
34. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek India.
Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1).