Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2651(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0562/2008

Ingediende teksten :

B6-0562/2008

Debatten :

PV 21/10/2008 - 18
CRE 21/10/2008 - 18

Stemmingen :

PV 23/10/2008 - 8.5
CRE 23/10/2008 - 8.5
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0521

Aangenomen teksten
DOC 38k
Donderdag 23 oktober 2008 - Straatsburg Definitieve uitgave
Beveiliging van de luchtvaart en bodyscanners
P6_TA(2008)0521B6-0562/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2008 over de gevolgen van maatregelen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart en van bodyscanners voor de mensenrechten, de privacy, de persoonlijke waardigheid en de gegevensbescherming

Het Europees Parlement ,

–   gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 6 van het EU-verdrag, artikel 80, lid 2, van het EG-verdrag en Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart(1) ,

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Commissie een voorstel ingediend heeft voor een verordening van de Commissie ter aanvulling van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart, waarbij voor het screenen van passagiers in luchthavens van de EU als een van de toegestane methoden is voorzien in het gebruik van "bodyscanners", d.i. apparaten die gescande beelden van personen produceren alsof zij naakt waren, wat neerkomt op een virtuele fouillering,

B.   overwegende dat de body scanners één van de mogelijke technische oplossingen zijn om een hoog veiligheidsniveau te handhaven in de Europese luchthavens,

C.   overwegende dat, in het geval van het gebruik van body scanners, een Europees kader voor het waarborgen van de rechten van de Europese passagiers essentieel is om te voorkomen dat elke luchthaven eigen regels toepast,

D.   overwegende dat de ontwerpmaatregel verre van louter technisch is en serieuze gevolgen heeft voor het recht op privacy, het recht op gegevensbescherming en het recht op persoonlijke waardigheid, en dat ter zake dan ook uitgebreide en adequate garanties moeten worden geboden,

E.   overwegende dat de Commissie de ontwerpmaatregel niet vergezeld heeft doen gaan van een beoordeling van het effect ervan op de grondrechten, zoals voorgeschreven in de mededeling van de Commissie van 27 april 2005 over de naleving van het Handvest van de grondrechten in wetgevingsvoorstellen van de Commissie (COM(2005)0172); dat de Commissie noch de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming, conform artikel 28, lid 2 van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(2) , noch de Groep gegevensbescherming artikel 29, noch het Europees Bureau voor de grondrechten geraadpleegd heeft; en dat evenmin onderzoek is gedaan naar de mogelijke effecten van dergelijke apparaten op de gezondheid van de passagiers,

F.   overwegende dat om de bovengenoemde redenen twijfels rijzen omtrent de gegrondheid van deze maatregel, en de proportionaliteit en noodzakelijkheid ervan in een democratische samenleving,

G.   overwegende dat deze ontwerpmaatregel betreffende methoden om passagiers te screenen, die onderzocht werd met toepassing van de regelgevingsprocedure met toetsing (comitologieprocedure), gevolgd zal worden door uitvoeringsmaatregelen betreffende screeningsvoorschriften en -procedures, die zullen worden vastgesteld via procedures waarbij het Europees Parlement nagenoeg geen zeggenschap heeft,

H.   overwegende dat er in deze uiterst delicate kwestie, die de grondrechten van de burgers raakt, niet is gezorgd voor een ruim, transparant en open debat waarbij de passagiers, de belanghebbenden en de instellingen op EU- en op nationaal niveau zouden zijn betrokken,

I.   overwegende dat het noodzakelijk is om voor daadwerkelijke veiligheid te zorgen in de luchtvaartsector,

J.   overwegende dat het besluit van de Commissie om het verbod op vloeistoffen uiterlijk in april 2010 af te schaffen een stap in de goede richting is,

1.   is van oordeel dat de voorwaarden voor het treffen van een besluit ter zake nog niet zijn vervuld, aangezien essentiële informatie nog steeds ontbreekt, en verzoekt de Commissie vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden:

   - een beoordeling van het effect op de grondrechten te verrichten;
   - de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming, de Groep gegevensbescherming artikel 29 en het Europees Bureau voor de grondrechten te raadplegen;
   - een wetenschappelijke en medische beoordeling uit te voeren van de mogelijke gevolgen van dergelijke technologieën voor de gezondheid;
   - de economische en commerciële gevolgen te beoordelen en een kosten-batenanalyse te verrichten;

2.   is van oordeel dat de voorgestelde maatregel de uitvoeringsbevoegdheden waarin in het basisinstrument is voorzien kan overschrijden, aangezien het hier niet gaat om louter technische bepalingen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart, maar om maatregelen die serieuze gevolgen hebben voor de grondrechten van de burgers;

3.   is wat dat betreft van oordeel dat alle maatregelen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart, inclusief het gebruik van bodyscanners, in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel, zoals gerechtvaardigd en noodzakelijk is in een democratische samenleving, en verzoekt de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming, de Groep gegevensbescherming artikel 29 en het Europees Bureau voor de grondrechten dan ook met spoed, uiterlijk begin november 2008, advies uit te brengen over bodyscanners;

4.   behoudt zich het recht voor met de juridische diensten van de Europese Unie te onderzoeken of dergelijke maatregelen verenigbaar zijn met de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en in voorkomend geval de nodige acties te ondernemen;

5.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.
(2) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 26 augustus 2009Juridische mededeling