Resolutie van het Europees Parlement van 14 januari 2009 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2004-2008) (2007/2145(INI))
Het Europees Parlement
,
– gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna het Handvest genoemd) van 7 december 2000, zoals goedgekeurd op 12 december 2007,
– gezien de doelstellingen om de Unie te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en om de beginselen van vrijheid, democratie, en de eerbiediging van de grondrechten en van de rechtsstaat in acht te nemen, die zijn neergelegd in de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
– gezien de vernieuwingen waarover de regeringen van de lidstaten op 13 december 2007 overeenstemming hebben bereikt door het Verdrag van Lissabon te ondertekenen en waartoe in de eerste plaats behoren de toekenning van een juridisch bindend karakter aan het Handvest en de verplichting toe te treden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),
– gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1)
, Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2)
en het Kaderverdrag betreffende de bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa,
– gezien Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(3)
(hierna het Bureau genoemd),
– gezien de verslagen van het Bureau en het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat, alsmede de rapporten van de betrokken NGO's,
– gelet op de besluiten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) en van het Europees Hof voor de rechten van de mens,
– gezien de jaarverslagen over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie die door het netwerk van onafhankelijke deskundigen van de Europese Unie zijn opgesteld,
– gezien de rapporten van de organen van de Raad van Europa, met name de rapporten over de situatie van de rechten van de mens van de Parlementaire Assemblee en van de commissaris voor de mensenrechten,
– gezien de verslagen van zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de bezoeken aan bewaringscentra voor illegale immigranten,
– onder verwijzing naar zijn resoluties over de grondrechten en de rechten van de mens,
– gezien de reeks openbare bijeenkomsten en gedachtewisselingen die ter voorbereiding van deze resolutie door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken zijn georganiseerd, met name op 8 oktober 2007 met rechters van de constitutionele hoven en hoge gerechtshoven, op 19 mei 2008 met de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa en op 6 oktober 2008 met vertegenwoordigers van NGO's,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0479/2008),
A. overwegende dat bij artikel 6 van het EU-Verdrag de Europese Unie gegrondvest is als een gemeenschap van waarden en grondrechten, die worden gewaarborgd door het EVRM en die voortvloeien uit de tradities van de lidstaten,
B. overwegende dat het Parlement als rechtstreeks gekozen vertegenwoordiger van de burgers van de Europese Unie en als garant van hun rechten gelooft in zijn buitengewone verantwoordelijkheid bij de toepassing van deze beginselen, te meer daar bij de huidige stand van de Verdragen de mogelijkheid van het individu om een klacht bij de communautaire rechtbanken en de Europese ombudsman in te dienen zeer beperkt blijft,
C. overwegende dat de instelling van een procedure om te controleren of de wetsvoorstellen verenigbaar zijn met het Handvest één van de consequenties is die voortvloeien uit de goedkeuring ervan op 7 december 2000, zoals de Commissie heeft erkend door de vaststelling van bepalingen ter zake in 2001 en waaraan het Parlement zelf heeft herinnerd door de aanneming van zijn resolutie van 15 maart 2007 over de naleving van het Handvest in wetgevingsvoorstellen van de Commissie: methodologie voor een systematische en grondige controle(4)
,
D. overwegende dat in het Verdrag van Lissabon dat thans wordt geratificeerd, uitdrukkelijk naar het Handvest wordt verwezen en dat hieraan dezelfde juridische waarde wordt toegekend als aan de Verdragen,
E. overwegende dat, indien het Handvest wordt opgenomen in het primair recht van de Unie, de daarin vastgelegde rechten een bindend karakter zullen krijgen middels het afgeleide recht waarmee zij in werking worden gesteld,
F. overwegende dat het Handvest, afgezien van zijn juridische status, in de loop der jaren een inspiratiebron in de jurisprudentie van de Europese rechtscolleges is geworden, zoals het Gerecht van eerste aanleg (GEA) en het HvJ, het Europese Hof voor de rechten van de mens en talrijke constitutionele hoven,
G. overwegende dat een echte "cultuur van de grondrechten" in de Unie de ontwikkeling van een algeheel stelsel voor toezicht op deze rechten vergt waartoe de Raad en de besluiten in het kader van de intergouvernementele samenwerking behoren, aangezien de bescherming van de grondrechten niet alleen bestaat in een formele naleving van de regels, maar vooral in de actieve bevordering ervan en in het nemen van stappen bij schendingen of ontoereikende toepassing door de lidstaten,
Inleiding
1. is van oordeel dat de doelmatige bescherming en de bevordering van de grondrechten de basis van de democratie in Europa en een essentiële voorwaarde voor de bestendiging van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vormen;
2. wijst erop dat de bescherming van de grondrechten maatregelen op verscheidene niveaus (internationaal, Europees, nationaal, regionaal en lokaal) omvat en benadrukt de rol die regionale en lokale autoriteiten kunnen spelen bij de praktische toepassing en de bevordering van deze rechten;
3. betreurt het feit dat de lidstaten zich blijven onttrekken aan controle door de Unie van hun eigen beleid en praktijken op het stuk van de mensenrechten en dat zij trachten de bescherming van deze rechten tot een louter nationaal kader te beperken, hetgeen schadelijk is voor het actieve optreden van de Europese Unie in de wereld als voorvechter van de rechten van de mens en de geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de EU op het stuk van de verdediging van de grondrechten ondermijnt;
4. wijst erop dat, overeenkomstig artikel 6, lid 2 van het EU-Verdrag, het HvJ tot taak heeft te zorgen voor de eerbiediging van de grondrechten, zoals deze voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en uit het EVRM, maar tevens uit andere instrumenten van het internationaal recht;
5. onderstreept dat artikel 7 van het EU-Verdrag voorziet in een procedure van de EU om ervoor te zorgen dat er in de EU geen systematische en ernstige schendingen van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden plaatsvinden, maar dat deze procedure nooit is gebruikt, hoewel er in de lidstaten schendingen plaatsvinden, zoals is aangetoond door de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens; vraagt de EU-instellingen een toezichtsmechanisme in te stellen en een reeks objectieve criteria voor de toepassing van artikel 7 van het EU-Verdrag vast te stellen;
6. onderstreept dat, indien de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voor het HvJ als inspiratiebron kunnen dienen bij de uitwerking van jurisprudentie ten aanzien van de grondrechten, het Handvest een gemeenschappelijke basis van minimumrechten vormt en de lidstaten zich niet kunnen beroepen op het feit dat het Handvest een zwakkere bescherming biedt voor bepaalde rechten dan de waarborgen van hun eigen grondwet, om deze waarborgen af te zwakken;
7. is verheugd over artikel 53 van het Handvest, dat het HvJ in staat stelt zijn jurisprudentie inzake de grondrechten uit te breiden, zodat zij een juridische basis krijgen hetgeen van essentieel belang is met het oog op de ontwikkeling van het recht van de Unie;
8. benadrukt dat voor de rechterlijke macht in de lidstaten een essentiële rol is weggelegd in de handhaving van de mensenrechten; verzoekt de lidstaten een systeem in te voeren om nationale rechters bij te scholen over de systemen ter bescherming van de grondrechten;
Algemene aanbevelingen
9. is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de grondrechten een doelstelling van alle Europese beleidsvormen dient te zijn; is van mening dat de instellingen van de Europese Unie derhalve deze grondrechten actief moeten bevorderen en beschermen en hiermee ten volle rekening moeten houden bij de uitwerking en goedkeuring van wetgeving;
10. is verheugd over de oprichting van het Bureau die een eerste stap vormt om aan de verzoeken van het Europees Parlement tegemoet te komen inzake de instelling van een geïntegreerd institutioneel en regelgevingskader waarmee van het Handvest een daadwerkelijk instrument wordt gemaakt en wordt gezorgd voor conformiteit met het stelsel dat door het EVRM is ingesteld; herinnert niettemin aan het feit dat in het jaarverslag over de mensenrechten, dat werd opgesteld en tot in 2005 werd gepubliceerd door het Europees netwerk van onafhankelijke deskundigen inzake de mensenrechten, werd gekeken naar de toepassing van alle door het Handvest erkende rechten in alle lidstaten; is derhalve verontrust over het feit dat ten gevolge van het beperkte mandaat van het Bureau en de ontbinding van het netwerk een hele reeks belangrijke gebieden van het beleid inzake de mensenrechten in Europa van systematisch toezicht kunnen worden uitgesloten;
11. onderstreept, ten aanzien van het beperkte mandaat van het Bureau, dat de kwesties inzake de mensenrechten niet kunstmatig kunnen worden opgedeeld in gebieden van de eerste, tweede en derde pijler, zoals de lidstaten hebben besloten met de bevoegdheden van de Europese Unie te doen, aangezien de grondrechten een ondeelbaar geheel vormen en onderling samenhangen; is van oordeel dat het derhalve zaak is dat de Commissie en de Raad in samenwerking met het Bureau in de eerste plaats een overzicht krijgen van de knelpunten inzake de mensenrechten in de lidstaten buiten het strikte Europese kader om, zonder zich te beperken tot de actuele thema's van de Europese Unie, noch tot haar specifieke juridische en beleidsinstrumenten door de steeds terugkerende en actuele problemen inzake de mensenrechten in de lidstaten af te bakenen en alle bestaande mechanismen op internationaal en Europees vlak onder de loep te nemen;
12. verzoekt de Raad en de Commissie gebruik te maken van de informatie die beschikbaar is dankzij de follow up binnen de Unie door het Bureau, de Raad van Europa, de toezichtsorganen van de Verenigde Naties, de nationale instellingen voor de mensenrechten en de NGO's, en deze informatie om te zetten in corrigerende maatregelen of een preventief juridisch kader;
13. behoudt zich het recht voor de werkzaamheden van het Bureau in de Europese Unie te blijven volgen en de kwesties in verband met de mensenrechten te behandelen, die niet onder de bevoegdheid van het Bureau vallen, en verzoekt de Commissie om hetzelfde te doen uit hoofde van haar taak als hoedster van de Verdragen;
14. wijst erop dat een actief beleid inzake rechten niet beperkt mag blijven tot de gevallen die de meeste publieke aandacht krijgen en dat er buiten de kritische publieke controle om ernstige schendingen van rechten plaatsvinden in gesloten instellingen voor jongeren, ouderen en zieken en in gevangenissen; benadrukt dat de lidstaten en de Unie moeten zorgen voor deskundig toezicht op de leefomstandigheden in dergelijke gesloten instellingen, zowel wat de voorschriften als wat de praktijk betreft;
15. verzoekt de Raad in zijn toekomstige jaarverslagen over de mensenrechten in de wereld zowel een analyse van de situatie in de wereld als in die in elke lidstaat op te nemen; is van mening dat uit een dergelijke gecombineerde analyse de gelijke inzet van de Unie blijkt voor de bescherming van de mensenrechten zowel binnen als buiten haar grenzen, zodat een uiteenlopende beoordeling naargelang van het geval (het meten met twee maten) wordt voorkomen;
16. verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om aan de nationale instanties voor de mensenrechten die zijn opgericht in het kader van de "beginselen van Parijs" van de Verenigde Naties, een onafhankelijk statuut ten opzichte van de uitvoerende macht en voldoende financiële middelen te verlenen, met name door rekening te houden met het feit dat het een van de taken van deze organen is om het beleid inzake de mensenrechten door te lichten ten einde lacunes te voorkomen en verbeteringen voor te stellen, aangezien doeltreffendheid in de eerste plaats wordt afgelezen aan de preventie en niet alleen aan de oplossing van problemen; verzoekt die lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, bovengenoemde nationale instanties voor de mensenrechten op te richten;
17. dringt bij de Raad erop aan om zijn ad hoc-werkgroep voor de grondrechten en het burgerschap te veranderen in een permanente werkgroep, die naast de Werkgroep rechten van de mens (COHOM) actief is, en dringt er bij de Commissie op aan dat zij de portefeuille voor de mensenrechten en fundamentele vrijheden aan één commissaris toewijst;
18. wijst er andermaal op dat het vanuit beleidsoogpunt van essentieel belang is het begrip van de bevordering van de grondrechten op te nemen in de na te streven doelstellingen, wanneer het gaat om de vereenvoudiging of reorganisatie van het acquis communautaire
; dringt erop aan dat elk nieuw beleid, wetsvoorstel en programma vergezeld gaat van een effectrapportage inzake de eerbiediging van de grondrechten en dat deze evaluatie volledig deel uitmaakt van de motivering van het voorstel, en hoopt dat de lidstaten bij de verdere omzetting van Gemeenschapsrecht in nationaal recht soortgelijke effectbeoordelingsinstrumenten zullen gebruiken;
Samenwerking met de Raad van Europa en de andere internationale instellingen en organisaties die zich met de bescherming van de grondrechten bezighouden
19. is verheugd over het vooruitzicht van de toetreding van de Unie tot het EVRM, zelfs indien deze toetreding geen fundamentele veranderingen met zich meebrengt, gezien het feit dat, wanneer voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kwesties in verband met de rechten en vrijheden aan de orde komen, die zijn verankerd in het EVRM, het Hof dit Verdrag behandelt alsof het de facto deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie(5)
,
20. wijst andermaal op de belangrijke rol van de instellingen en de controlemechanismen van de Raad van Europa voor de mensenrechten, alsmede van zijn diverse verdragen; verzoekt de lidstaten, de instellingen van de Unie en het Bureau met klem om voort te bouwen op deze ervaring en deze mechanismen in aanmerking te nemen door deze op te nemen in de netwerkprocedures en gebruik te maken van de door de Raad van Europa uitgewerkte normen en van de andere tastbare resultaten van zijn werkzaamheden; dringt erop aan alle mogelijkheden van het memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie te benutten;
21. dringt aan op de versterking van de samenwerking tussen de verschillende instellingen en organisaties die zich bezighouden met de bescherming van de grondrechten zowel op Europees als op internationaal niveau;
22. onderstreept andermaal dat het voor de geloofwaardigheid van de Unie in de wereld zeer belangrijk is dat zij in haar buitenlands en binnenlands beleid niet met twee maten meet;
23. is van oordeel dat, wanneer het merendeel van haar lidstaten tot verdragen of andere internationale juridische instrumenten op het gebied van de bescherming van de grondrechten is toegetreden, zelfs indien de Unie als zodanig hierbij geen partij is, dit aan de Unie een verplichting oplegt om zich aan de bepalingen ervan te onderwerpen en eventueel ook aan de aanbevelingen van de hierdoor ontstane organen, voor zover het recht van de Unie niet voorziet in een gelijkwaardige of betere bescherming; wenst dat het HvJ zich in zijn jurisprudentie bij een dergelijke benadering aansluit;
24. beveelt de Europese Unie aan om samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met internationale instellingen en organisaties die zich bezighouden met de bescherming van de grondrechten, met name met het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en de andere organen van deze organisatie, die een rol op dit gebied spelen, alsmede met het Bureau voor de democratische instellingen en de mensenrechten en de Hoge Commissaris voor de nationale minderheden van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa;
Mensenrechten, vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
25. onderstreept de behoefte aan de evaluatie en volledige eerbiediging van de grondrechten en individuele vrijheden naarmate de bevoegdheden van de Unie zich ontwikkelen; is bijgevolg van oordeel dat de beide doelstellingen van de eerbiediging van de grondrechten en de waarborging van de collectieve veiligheid niet alleen verenigbaar, maar ook onderling afhankelijk zijn, en dat met adequate beleidsmaatregelen kan worden voorkomen dat een repressieve benadering een gevaar vormt voor de individuele vrijheden;
26. is van oordeel dat de ontwikkeling van een Europese justitiële ruimte op grond van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning moet worden gebaseerd op gelijkwaardige procedurele waarborgen in de hele EU en op de eerbiediging van de grondrechten, zoals wordt benadrukt in artikel 6 van het EU-Verdrag; vraagt dat spoedig een adequate wetgevingsmaatregel betreffende de rechten van personen in strafrechtelijke procedures wordt vastgesteld door de lidstaten die zulks nog niet eerder gedaan hebben; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het Europese aanhoudingsbevel en andere wederzijdse-erkenningsmaatregelen worden toegepast overeenkomstig de EU-normen inzake mensenrechten;
27. wijst andermaal met klem op het recht van elk gearresteerd individu op alle juridische waarborgen, alsmede op eventuele bijstand van de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan hij onderdaan is en van de diensten van een onafhankelijke tolk;
28. is verontrust over het grote aantal schendingen van het EVRM waarbij lidstaten betrokken zijn en verzoekt hen met aandrang de desbetreffende arresten uit te voeren en de structurele tekortkomingen en systematische schendingen van de mensenrechten aan te pakken door de nodige hervormingen door te voeren;
29. is bezorgd over het feit dat de internationale samenwerking in de bestrijding van het terrorisme vaak is uitgelopen op een daling van het niveau van bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met name het fundamentele recht op persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming en non-discriminatie, en is van oordeel dat de Unie op internationaal niveau vastberadener moet reageren om een daadwerkelijke strategie te bevorderen die is gebaseerd op de volledige naleving van de internationale normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer in overeenstemming met artikel 7 en 8 van het Handvest; verzoekt de Raad derhalve het ontwerpkaderbesluit inzake de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken conform de aanbevelingen van het Parlement voor hogere standaarden aan te nemen; is van oordeel dat in een dergelijke strategie de noodzaak van een daadwerkelijk rechterlijk toezicht op de inlichtingendiensten in aanmerking moet worden genomen om te voorkomen dat informatie die is verkregen onder foltering of mishandeling of onder andere omstandigheden die niet stroken met de internationale normen ten aanzien van de mensenrechten, wordt gebruikt als bewijsmateriaal in het kader van rechterlijke procedures, met inbegrip van het stadium van het onderzoek;
30. verzoekt de instellingen van de Unie en de lidstaten met klem om de aanbevelingen ten uitvoer te leggen die zijn opgenomen in zijn resolutie van 14 februari 2007 over het verondersteld gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen(6)
; is in dit verband verheugd over de uitspraak van de aanstaande Amerikaanse president over het sluiten van het detentiecentrum op Guantánamo Bay en het aan de rechter voorgeleiden van de gevangenen; roept lidstaten ertoe op zich bereid te verklaren gezamenlijk naar oplossingen te zoeken voor de resterende gevangenen;
31. betreurt dat de Unie de arresten van het GEA van 12 december 2006 en van 4 december 2008 en de uitspraak van het Hof van beroep van het Verenigd Koninkrijk van 7 mei 2008 in het voordeel van de People's Mojahedin Organisation of Iran (PMOI) niet uitvoert;
Discriminatie Algemene overwegingen
32. onderstreept het verschil tussen de bescherming van minderheden en het beleid ter bestrijding van discriminatie; is van oordeel dat gelijke kansen een fundamenteel recht van alle personen en geen voorrecht vormen, en dat zij niet alleen voor burgers van een bepaalde lidstaat gelden; is derhalve van mening dat elke vorm discriminatie met dezelfde intensiteit moet worden bestreden;
33. verzoekt de lidstaten en de Commissie om volledig gevolg te geven aan de aanbevelingen van het Bureau, die zijn geformuleerd in hoofdstuk 7 van zijn eerste jaarverslag(7)
;
34. constateert met verontrusting de onbevredigende situatie bij de tenuitvoerlegging van het beleid ter bestrijding van discriminatie en schaart zich in dit verband achter de evaluatie van het jaarverslag 2008 van het Bureau; dringt bij die lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, aan op de concrete tenuitvoerlegging van dit beleid, met name van Richtlijn 2000/43/EG en van Richtlijn 2000/78/EG, en wijst erop dat in deze richtlijnen een minimumnorm is vastgelegd en dat zij derhalve de basis moeten vormen van een allesomvattend beleid ter bestrijding van discriminatie;
35. verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, om protocol nr. 12(8)
bij het EVRM te ratificeren, aangezien hierin het algemene verbod van elke vorm van discriminatie is opgenomen in de vorm van de bepaling dat niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag om welke reden dan ook; stelt vast dat een dergelijke bepaling thans in de vigerende rechtsbesluiten zowel van de Europese Unie als van de Raad van Europa ontbreekt;
36. is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426), waardoor het toepassingsgebied van Richtlijn 2000/43/EG wordt verruimd tot alle vormen van discriminatie en aldus artikel 21 van het Handvest ten uitvoer wordt gelegd dat meer speelruimte biedt dan artikel 13 van het EG-Verdrag, aangezien hierin extra gevallen van discriminatie worden vermeld − huidskleur, sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een minderheid, vermogen of geboorte;
37. betreurt dat de rechtsbescherming tegen discriminatie in de voorgestelde richtlijn nog belangrijke lacunes vertoont, met name door een hele reeks uitzonderingen met betrekking tot openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid, economische activiteiten, burgerlijke staat, gezinssituatie, reproductieve rechten, onderwijs en religie; vreest dat deze "ontsnappingsclausules", in plaats van discriminatie te verbieden, in feite kunnen dienen om bestaande discriminerende praktijken te systematiseren; herinnert de Commissie eraan dat de richtlijn in overeenstemming moet zijn met de bestaande jurisprudentie inzake rechten van lesbiennes, homo-, bi- en transseksuelen, met name het arrest-Maruko(9)
;
38. verzoekt de Commissie om het Bureau bij het communautaire wetgevingsproces ter bestrijding van discriminatie te betrekken door het in staat te stellen een belangrijke rol te vervullen als bron van regelmatige actuele en toegespitste informatie, die van belang is voor het opstellen van aanvullende wetgeving, en door het regelmatig om advies te vragen in de voorbereidende fase van het opstellen van wetsvoorstellen;
39. spreekt zijn waardering uit voor de goedkeuring, in aansluiting op het politieke akkoord van december 2007, van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(10)
; wijst op zijn standpunt van 29 november 2007(11)
; verzoekt de Commissie om, na raadpleging van het Bureau, een soortgelijk wetsbesluit voor te stellen ter bestrijding van homofobie;
40. is verontrust over het lage niveau aan kennis van de wetgeving ter bestrijding van discriminatie in de lidstaten en herinnert eraan dat de burgers van de Unie zich met de EU-wetgeving ter zake vertrouwd moeten maken om hun rechten uit te kunnen oefenen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun inspanningen te verdubbelen om dit niveau op te trekken; onderstreept tegelijkertijd het feit dat wetgeving slechts doeltreffend is, indien de burgers gemakkelijk toegang hebben tot rechtscolleges en bijgevolg dat het in de antidiscriminatierichtlijnen vastgelegde beschermingsstelsel staat of valt bij de initiatieven van de slachtoffers;
41. is van mening dat, naast de wetgevingsinstrumenten en beroepsmogelijkheden, de strijd tegen discriminatie noodzakelijkerwijze gebaseerd moet zijn op onderwijs, de bevordering van optimale praktijen en voorlichtingscampagnes die gericht zijn op het grote publiek en de gebieden en sectoren waar deze discriminatie plaatsvindt; verzoekt de nationale en plaatselijke overheidsinstanties de door het Bureau en de Raad van Europa ontwikkelde onderwijsmethoden te gebruiken, wanneer zij acties inzake onderwijs of bevordering van beleid tegen discriminatie ontplooien;
42. onderstreept dat het concept van positieve actie, dat een erkenning inhoudt van het feit dat in sommige gevallen voor een doeltreffend optreden ter bestrijding van discriminatie een actief ingrijpen van de overheid nodig is om een ernstig gebrek aan evenwicht te herstellen, niet kan worden gereduceerd tot het gebruik van quota; onderstreept dat dergelijke acties in de praktijk de meest uiteenlopende vormen kunnen aannemen, zoals het garanderen van sollicitatiegesprekken, voorrang bij de toegang tot opleidingen voor banen waarin bepaalde gemeenschappen ondervertegenwoordigd zijn, prioritaire informatie over vacatures voor bepaalde gemeenschappen en het in aanmerking nemen van beroepservaring in plaats van alleen maar kwalificaties;
43. is van oordeel dat het verzamelen van gegevens over de situatie van minderheden en achterstandsgroepen belangrijk is, zoals is onderstreept in de opeenvolgende verslagen van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat en het Bureau; verzoekt de lidstaten om gedetailleerde statistieken van racistische misdaden bekend te maken en onderzoek te ontwikkelen naar misdaden en/of slachtoffers die het mogelijk maken kwantitatieve en vergelijkbare gegevens over de slachtoffers van deze misdaden te verzamelen;
Minderheden
44. stelt vast dat door de recente uitbreidingen van de Unie bijna honderd minderheidsgroeperingen zijn toegevoegd aan de ongeveer vijftig reeds in de Unie van de 15 voorkomende groeperingen, en onderstreept dat ten gevolge van het lage percentage immigranten, vluchtelingen en buitenlanders uit derde landen die in de lidstaten van Midden- en Oost-Europa woonachtig zijn en de duidelijke aanwezigheid van autochtone ("traditionele") minderheden aldaar, het migratie- en integratiebeleid in die landen is losgekoppeld van het beleid inzake de minderheden;
45. onderstreept dat, hoewel de bescherming van minderheden deel uitmaakt van de criteria van Kopenhagen, er in het communautaire beleid noch gemeenschappelijke criteria noch minimumnormen voor de rechten van de nationale minderheden bestaan, en dat evenmin een gemeenschappelijke definitie van de Unie inzake het toebehoren tot een nationale minderheid voorhanden is; beveelt aan om op Europees niveau een dergelijke definitie op te stellen op basis van aanbeveling 1201 van de Raad van Europa (1993); doet een beroep op alle lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, om het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden, alsmede het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden te ondertekenen en te ratificeren;
46. onderstreept in dit verband dat steeds meer EU-burgers van de ene lidstaat naar de andere verhuizen en ten volle de rechten zouden moeten genieten die de Verdragen hun met betrekking tot hun status als burgers van de Unie geven, met name het recht om aan de plaatselijke en Europese verkiezingen deel te nemen en het recht op vrij verkeer; verzoekt de lidstaten volledig aan Richtlijn 2004/38/EG betreffende vrij verkeer te voldoen en verzoekt de EU-instellingen verdere maatregelen te nemen om de rechten van de burgers van de Unie overal in de Unie te beschermen;
47. onderstreept dat het van belang is regionale en minderheidstalen te beschermen en merkt op dat het recht om de moedertaal te spreken en onderwijs in de moedertaal te volgen, een van de meest fundamentele basisrechten is; verwelkomt de initiatieven van lidstaten om steun te betuigen voor de dialoog tussen culturen en tussen religies, die essentieel is opdat culturele en religieuze minderheden hun rechten ten volle kunnen uitoefenen;
48. is van mening dat de beginselen van subsidiariteit en zelfbestuur de meest doeltreffende manier zijn voor het bepalen van het beleid inzake rechten van personen die tot nationale minderheden behoren, overeenkomstig de optimale praktijken die binnen de Unie bestaan; moedigt de toepassing aan van passende oplossingen voor zelfbestuur met volledige eerbiediging van de soevereiniteit en de territoriale integriteit van de lidstaten;
49. benadrukt dat het beleid van de EU inzake meertaligheid de regionale en minderheidstalen moet beschermen en bevorderen door gerichte steun en specifieke programma's in aanvulling op het programma voor een leven lang leren;
50. is van oordeel dat staatlozen die permanent in de lidstaten verblijven, in de Unie in een buitengewone positie verkeren, aangezien sommige lidstaten hun ongerechtvaardigde of niet strikt noodzakelijke eisen opleggen waardoor zij ten opzichte van de burgers uit de meerderheidsgroepering worden gediscrimineerd; verzoekt derhalve alle betrokken lidstaten de verdragen van de Verenigde Naties inzake de status van staatlozen (1954) en inzake de beperking van het aantal gevallen van staatloosheid (1961) te ratificeren; verzoekt de lidstaten die in de jaren negentig voor het eerst of opnieuw soeverein werden, om alle personen die voordien op hun grondgebied woonden, zonder discriminatie te behandelen en doet een beroep op hen om systematisch met rechtvaardige, op de aanbevelingen van de internationale organisaties gebaseerde oplossingen te komen voor problemen waarmee alle personen die het slachtoffer van discriminerende praktijken zijn, te kampen hebben; veroordeelt met name het opzettelijk schrappen van geregistreerde permanent ingezetenen in de Unie en roept de betrokken regeringen op om effectieve maatregelen te nemen om deze staatlozen hun status terug te geven;
De Roma
51. is van oordeel dat de Roma-gemeenschap speciale bescherming behoeft, aangezien zij na de uitbreiding van de Unie een van de belangrijkste minderheden in de Unie is geworden; onderstreept dat deze gemeenschap, historisch gezien, in de marge is terechtgekomen en dat zij zich op bepaalde sleutelgebieden niet kon ontwikkelen vanwege discriminatie, stigmatisering en uitsluiting, die nog zijn verergerd;
52. is van oordeel dat de sociale uitsluiting en discriminatie van de Roma-gemeenschappen een bewezen feit vormen in weerwil van juridische, politieke en financiële instrumenten die op Europees niveau zijn ingesteld om deze te bestrijden; stelt vast dat de versnipperde en niet-gecoördineerde inspanningen van de Unie en de lidstaten tot op heden geen structurele en duurzame verbeteringen voor de situatie van de Roma hebben opgeleverd, met name op cruciale terreinen zoals de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en werkgelegenheid, een thans openlijk erkende mislukking;
53. betreurt het ontbreken van een allesomvattend en geïntegreerd beleid van de Unie dat zich speciaal bezighoudt met de discriminatie van de Roma, om het hoofd te bieden aan de meest acute problemen waarmee zij te kampen hebben, zoals die zijn komen vast te staan met behulp van een aantal mechanismen voor het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van evaluaties vóór de toetreding door de Commissie, de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens en de verslagen van het Bureau; is van oordeel dat het tot de collectieve verantwoordelijkheid van de Unie behoort om een oplossing voor deze problemen te vinden, die een van de grootste en ingewikkeldste vraagstukken vormen op het stuk van de mensenrechten, en dat de Unie zich vastberaden hiervoor moet inzetten;
54. onderstreept de noodzaak van een allesomvattende benadering van niet-discriminatie gericht op de rechten van de mens en op handelen waarin de Europese dimensie van de discriminatie jegens de Roma tot uitdrukking komt; is van oordeel dat een kaderstrategie van de Unie inzake de integratie van de Roma op de oplossing van de echte problemen gericht moet zijn door een routekaart te bieden voor lidstaten waarin doelstellingen en prioriteiten worden gesteld en de bewakings- en evaluatieprocedures mogelijk worden gemaakt met betrekking tot:
−
de segregatie van de Roma bij de toegang tot huisvesting, mensenrechtenschendingen zoals gedwongen uitzettingen, hun uitsluiting van de arbeidsmarkt en het openbaar onderwijs en gezondheidszorg, de nood om antidiscriminatiewetgeving toe te passen en beleid te ontwikkelen gericht op de hoge werkloosheidsniveaus,
−
de frequente ontzegging van hun rechten door de overheid en hun politieke ondervertegenwoordiging,
−
de alom tegenwoordige anti-Roma-gevoelens, de grotendeels ontoereikende garanties tegen rassendiscriminatie op plaatselijk niveau en het gebrek aan geschikte programma's voor hun integratie; openlijke discriminatie op het gebied van de volksgezondheid, met inbegrip van gedwongen sterilisatie en segregatie en het ontbreken van goede informatie over gezinsplanning,
−
discriminatie door de politie; het opstellen van rassenprofielen door de politie (onder andere door het nemen van vingerafdrukken en andere vormen van het opslaan van gegevens) en verreikende discretionaire bevoegdheden van de politie, met inbegrip van onevenredige willekeurige controles waaruit de dringende noodzaak blijkt van programma's voor opleiding en bewustwording inzake niet-discriminatie door de politie, die thans vrijwel ontbreken,
−
de zeer kwetsbare situatie van Roma-vrouwen die te kampen hebben met meervoudige discriminatie;
Gelijke kansen
55. verzoekt de lidstaten om de eerbiediging, bescherming en toepassing van de rechten die worden opgesomd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen te verbeteren en verzoekt de betrokken lidstaten hun voorbehoud te laten varen en het facultatieve protocol bij dit verdrag te ratificeren(12)
; onderstreept dat zij de verbintenissen die zij in de verklaring van de Verenigde Naties en in het actieplatform van de vierde Wereldvrouwenconferentie in Peking in 1995 zijn aangegaan, volledig moeten nakomen;
56. verzoekt de lidstaten en de EU door efficiënte maatregelen directe en indirecte discriminatie van vrouwen op alle terreinen (waaronder het huwelijk, partnerschap en andere gezinsrelaties) en meervoudige discriminatie (die plaatsvindt op grond van geslacht en tegelijkertijd op grond van een andere reden) te bestrijden;
57. dringt erop aan speciale aandacht te schenken aan de situatie van vrouwen die tot etnische minderheden behoren en aan geïmmigreerde vrouwen, aangezien hun marginalisatie nog wordt versterkt door een meervoudige discriminatie zowel binnen als buiten hun eigen gemeenschappen; beveelt aan geïntegreerde nationale actieplannen goed te keuren om op doeltreffende wijze aan de meervoudige discriminatie het hoofd te bieden, vooral wanneer zich in een bepaald land diverse organen met discriminatieproblemen bezighouden;
58. onderstreept dat het geweld waarmee vrouwen vanwege hun geslacht te kampen hebben, vooral binnen het gezin, op Europees en nationaal niveau moet worden erkend en bestreden, aangezien het gaat om een wijdverbreide en vaak onderschatte schending van de rechten van vrouwen, en verzoekt derhalve de lidstaten de passende en doelmatige maatregelen te treffen om aan vrouwen een leven zonder geweld te garanderen en hierbij rekening te houden met de Verklaring inzake de uitbanning van geweld jegens vrouwen(13)
;
59. verzoekt de lidstaten en de EU seksuele uitbuiting in al haar vormen te erkennen en aan te pakken; lidstaten die niet hebben voldaan aan de overeengekomen EU-wetgeving ter bestrijding van mensenhandel moeten ter verantwoording worden geroepen(14)
; de lidstaten dienen het Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, ter aanvulling van het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel te ratificeren; verzoekt de Commissie met klem het Actieplan inzake mensenhandel ten uitvoer te leggen;
60. onderstreept de noodzaak de bevolking bewuster te maken van het recht op seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en doet een beroep op de lidstaten om erop toe te zien dat vrouwen deze rechten volledig kunnen uitoefenen, om adequate seksuele voorlichting, informatie en diensten voor vertrouwelijk advies in te voeren en de toegang tot contraceptiemethoden te vergemakkelijken ten einde niet-gewenste zwangerschappen en gevaarlijke en illegale abortussen te voorkomen en de praktijk van genitale verminking van vrouwen te bestrijden;
61. benadrukt dat vrouwen die tot etnische minderheden behoren, ongeacht hun juridische status, toegang moeten krijgen tot veilige, gelijke en cultuurgevoelige gezondheidszorg en rechten, en met name seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten; er moet een Europees wetgevingskader worden vastgesteld om de fysieke integriteit van meisjes te beschermen tegen genitale verminking;
62. onderstreept dat, hoewel op het stuk van de werkgelegenheid voor vrouwen reeds vooruitgang is geboekt en vrouwen een hoog opleidingsniveau hebben, vrouwen nog steeds blijven steken in bepaalde beroepen, zij nog steeds minder loon krijgen dan mannen voor hetzelfde werk, zij minder vertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies en door de werkgevers met wantrouwen worden bekeken ten aanzien van zwangerschap en moederschap; met het oog op de economische onafhankelijkheid van vrouwen en gelijkheid tussen vrouwen en mannen moeten de loonverschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt worden aangepakt;
63. verzoekt de lidstaten en de sociale partners de nodige maatregelen te nemen om te strijden tegen seksuele en psychische intimidatie op de arbeidsplaats;
64. onderstreept de noodzaak vrouwen in hun beroepscarrière te steunen, ook door actief beleid om privéleven, werk en gezin combineerbaar te maken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zowel gedeeld ouderschapsverlof als vaderschapsverlof te bevorderen en de kosten van moederschap en ouderschapsverlof evenredig te spreiden om ervoor te zorgen dat vrouwen niet langer duurdere arbeidskrachten dan mannen zijn; onderstreept voorts de behoefte aan bewustmakingscampagnes om genderstereotiepe gezinspatronen te vermijden en te wijzen op het belang van flexibele arbeidsomstandigheden, meer kinderopvang en een volledige deelname van vrouwen met kinderen aan pensioenregelingen;
65. verzoekt de lidstaten om samen met de sociale partners de strijd aan te binden tegen discriminatie van zwangere vrouwen op de arbeidsmarkt en alle nodige maatregelen te treffen om zwangere vrouwen maximale bescherming te bieden; verzoekt de Commissie om nauwkeuriger na te gaan of de nationale bepalingen op dit gebied stroken met het Gemeenschapsrecht en, indien nodig, passende voorstellen te doen voor de herziening van de communautaire wetgeving;
66. vestigt de aandacht op het groot aantal partners (vooral vrouwen) van zelfstandigen (vooral in de landbouw) die in vele lidstaten een onzekere rechtspositie hebben, hetgeen kan leiden tot specifieke financiële en juridische problemen bij zwangerschapsverlof en ziekteverlof, het opbouwen van pensioen en de toegang tot sociale zekerheid, ook bij scheiding;
67. erkent dat de ongelijke toegang van vrouwen tot economische middelen op de arbeidsmarkt hun toegang tot sociale bescherming, en met name pensioenrechten, ondermijnt, waardoor oudere vrouwen een groter risico op armoede lopen dan oudere mannen; om discriminatie van vrouwen te voorkomen, is het van groot belang dat rechten in de socialebeschermingstelsels niet op de gezinseenheid worden gebaseerd, maar individueel worden gegarandeerd; voor de tijd die buiten de formele arbeidsmarkt aan zorg voor afhankelijke persnen wordt besteed, moeten'tijdskredieteenheden" worden toegekend die meetellen bij de berekening van de volledige pensioenrechten;
68. onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de Unie komen wonen, alsook de burgers van de Unie op de hoogte zijn van de bestaande wetgeving en de maatschappelijke akkoorden inzake de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, opdat discriminatie kan worden voorkomen, die voortkomt uit een gebrek aan kennis van de juridische en sociale context;
69. verzoekt de lidstaten om van de hand te wijzen dat een beroep wordt gedaan op gewoontes, tradities en religieuze overwegingen om discriminatie, onderdrukking of geweld jegens vrouwen goed te praten, en te voorkomen dat beleid wordt vastgesteld dat hun leven in gevaar brengt;
70. verzoekt de Commissie een studie te verrichten naar discriminatie van eenpersoonshuishoudens, met name op het gebied van fiscale behandeling, sociale zekerheid, openbare diensten, gezondheidsdiensten en huisvesting;
Seksuele gerichtheid
71. is van oordeel dat discriminerende opmerkingen van de zijde van religieuze, sociale en politieke leiders jegens homoseksuelen haat en geweld voeden, en verzoekt de betrokken bestuurlijke instanties deze te veroordelen;
72. steunt in dit opzicht van ganser harte het door alle lidstaten gesteunde Franse initiatief om homoseksualiteit overal uit de strafrechtelijke sfeer te halen, daar homoseksualiteit in 91 landen nog steeds een strafbaar feit is, waarop soms zelfs de doodstraf staat;
73. is verheugd over de publicatie van het eerste thematische verslag van het Bureau dat op zijn verzoek is opgesteld met als titel "Homofobie en discriminatie op basis van seksuele gerichtheid in de lidstaten" en verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen dringend gevolg te geven aan de aanbevelingen van het Bureau of de redenen te vermelden waarom zij dat niet doen;
74. herinnert alle lidstaten eraan dat, overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de vrijheid van samenkomst ook geldt wanneer de standpunten van degenen die dit recht uitoefenen, indruisen tegen het meerderheidsstandpunt, en dat bijgevolg het discriminerende verbieden van optochten en het niet-voldoen aan de verplichting om een passende bescherming aan de deelnemers hieraan te bieden in strijd zijn met de beginselen die worden gegarandeerd door het Europees Hof voor de rechten van de mens, door artikel 6 van het EU-Verdrag betreffende gemeenschappelijke Europese waarden en beginselen en door het Handvest;
75. verzoekt de lidstaten die wetgeving betreffende partnerschappen tussen personen van hetzelfde geslacht hebben vastgesteld, om door andere lidstaten vastgestelde bepalingen met soortgelijke rechtsgevolgen te erkennen; verzoekt deze lidstaten richtsnoeren voor te stellen voor de wederzijdse erkenning van de bestaande wetgeving door de lidstaten, om te garanderen dat het recht van vrij verkeer van homoseksuele paren in de Europese Unie onder dezelfde voorwaarden wordt toegepast als voor heteroseksuele paren;
76. dringt er bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen om ervoor te zorgen dat de lidstaten het beginsel van wederzijdse erkenning van homoseksuele paren, of zij nu gehuwd zijn of in een geregistreerde partnerschap samenleven, toepassen, met name wanneer deze het in het recht van de Unie vastgelegde recht op vrij verkeer uitoefenen;
77. verzoekt de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om, in toepassing van het gelijkheidsbeginsel, wetgevingsmaatregelen te nemen om een eind te maken aan de discriminatie die sommige paren ondervinden op grond van hun seksuele geaardheid;
78. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten asiel verlenen aan mensen die op de vlucht zijn voor vervolging op grond van hun seksuele geaardheid in hun land van oorsprong, initiatieven op bilateraal en multilateraal niveau te nemen om een eind te maken aan de vervolging van mensen op grond van hun seksuele geaardheid, en een studie te verrichten naar de situatie van transseksuelen in de lidstaten en in de kandidaatlanden, met name naar de risico's van intimidatie en geweld;
Vreemdelingenhaat
79. dringt er bij de Raad en de Commissie, alsmede bij de diverse plaatselijke, regionale en nationale overheidsinstanties van de lidstaten op aan om hun maatregelen ter bestrijding van antisemitisme en aanvallen op minderheidsgroeperingen, met inbegrip van Roma, traditionele nationale minderheden en onderdanen uit derde landen, zodanig te coördineren dat de beginselen van tolerantie en niet-discriminatie worden nageleefd en de sociale, economische en politieke integratie wordt bevorderd; verzoekt de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie bevoegd te verklaren om individuele meldingen in het kader van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie te ontvangen en te onderzoeken;
80. dringt bij de lidstaten aan op de vastberaden vervolging van elk haatdiscours in racistische mediaprogramma's en artikelen waarin intolerantie wordt gepredikt, in de vorm van haatmisdrijven jegens Roma, immigranten, buitenlanders, traditionele nationale minderheden en andere minderheidsgroeperingen, alsmede door muziekgroepen en tijdens neonaziconcerten, die vaak ongestraft kunnen plaatsvinden; dringt er eveneens bij politieke partijen en bewegingen die een sterke invloed uitoefenen op de massamedia op aan zich te onthouden van een haatdiscours en van laster jegens minderheidsgroeperingen in de Unie;
Bejaarden en gehandicapten
81. verzoekt de lidstaten een nog sterkere betrokkenheid van de sociale partners te bevorderen bij het ondernemen van actie gericht op het de kop indrukken van discriminatie op grond van handicap of leeftijd en om de toegang van jongeren, bejaarden en gehandicapten tot de arbeidsmarkt en opleidingsprogramma's ingrijpend te verbeteren; doet een beroep op alle lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, om het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en het facultatieve protocol daarbij te ratificeren;
82. dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de kredieten die de lidstaten verstrekken om aan mensen met een handicap faciliteiten te bieden voldoen aan de normen in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en dat financiële middelen ter beschikking worden gesteld voor adequate dienstverlening vanuit de gemeenschap of de familie en voor alternatieven voor een onafhankelijk bestaan;
83. is van oordeel dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat allen die geriatrische zorg of verpleging voor ziekte of invaliditeit behoeven, over toegang tot zorg en behandeling beschikken en wijst op de noodzaak van speciale aandacht voor het bieden van zorg aan en het beschermen van jonge mensen met een handicap;
Cultuur
84. 84 wijst met nadruk op het belang van de media bij de bevordering van diversiteit, multiculturalisme en tolerantie; dringt er bij alle mediadiensten op aan inhoud tegen te gaan die racisme, vreemdelingenhaat, intolerantie en ongeacht welke vorm van discriminatie in de hand kan werken;
85. spoort de lidstaten ertoe aan in het kader van het Europees Jaar van de Interculturele Dialoog (2008) samen te werken met een breed scala aan belanghebbenden, met name NGO's, teneinde de interculturele dialoog te bevorderen en met name onder jongeren te werken aan bewustwording omtrent gedeelde gemeenschappelijke waarden en respect voor culturele, religieuze en taalkundige diversiteit;
86. wijst met nadruk op de belangrijke rol van sport bij de bevordering van tolerantie, wederzijds respect en begrip; dringt er bij de nationale en Europese sportorganisaties op aan hun inspanningen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat voort te zetten, en spoort ertoe aan om nieuwe, krachtiger en verstrekkender initiatieven te ontwikkelen teneinde voort te bouwen op maatregelen die reeds van kracht zijn;
87. benadrukt de belangrijke rol van mediageletterdheid met het oog op adequate en gelijke opleidingskansen voor alle burgers van de Unie;
88. verzoekt de lidstaten te zorgen voor de effectieve integratie van nieuwkomers uit landen buiten de Europese Unie, inzonderheid kinderen en jongeren, in de onderwijssystemen van de EU-lidstaten, en hen te helpen door hun culturele diversiteit aan te moedigen;
Strijdkrachten
89. wijst andermaal op het feit dat de grondrechten niet ophouden bij de kazernepoorten en dat zij tevens volledig gelden voor burgers in uniform, en doet de aanbeveling dat de lidstaten erop toezien dat de grondrechten ook in de strijdkrachten worden geëerbiedigd;
Migranten en vluchtelingen Toegang tot internationale bescherming en legale immigratie
90. is geschokt door het tragische lot van de mensen die sterven bij hun pogingen het Europese grondgebied te bereiken, of die in de handen van smokkelaars of mensenhandelaars vallen;
91. verzoekt de Commissie en de lidstaten om een effectief, wettelijk migratiebeleid op de lange termijn in te voeren, en daadwerkelijke toegang tot het grondgebied van de EU en tot een procedure voor soepelere en gecoördineerde regels voor asielzoekers te garanderen, in plaats van al hun inspanningen te concentreren op de preventie van illegale immigratie en hierbij een steeds groter arsenaal aan controlemaatregelen aan de grens te ontplooien waarbij het aan de nodige mechanismen ontbreekt om potentiële asielzoekers aan de grenzen van Europa te identificeren, hetgeen leidt tot schendingen van het beginsel van non-refoulement, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951;
92. roept de lidstaten op de richtsnoeren van de UNHRC met betrekking tot gender (2002) toe te passen bij de tenuitvoerlegging van de bestaande communautaire richtlijnen inzake asiel;
93. verzoekt de Raad de respectieve taken van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX) en van de lidstaten te verduidelijken, om ervoor te zorgen dat bij de controles aan de grenzen de mensenrechten worden geëerbiedigd; acht het dringend noodzakelijk het mandaat van FRONTEX aan te passen om hierin de redding op zee op te nemen; verzoekt om democratische controle van het Parlement bij de sluiting van akkoorden door FRONTEX met derde landen, met name met betrekking tot de gezamenlijke organisatie van terugkeer;
94. verzoekt de Raad en de Commissie om FRONTEX de bevoegdheid te verlenen om een gestructureerde samenwerking tot stand te brengen met het Bureau en de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) ten einde de operaties waarin rekening wordt gehouden met de bescherming van de mensenrechten, te vergemakkelijken;
95. is verontrust over de tendens om de grenscontroles steeds verder van de geografische grenzen van de Unie te verleggen, aangezien daardoor ten zeerste het toezicht wordt bemoeilijkt op hetgeen er gebeurt wanneer personen die de status van vluchteling willen verkrijgen of personen die internationale bescherming behoeven, in contact treden met de autoriteiten van een derde land;
96. dringt er bij de Commissie en in het bijzonder bij de Raad op aan om de toekomstgerichte Unie-strategie op het vlak van asiel op een snelle en ambitieuze manier door te voeren bij de uitvoering van Fase II, met inbegrip van de herziening van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus(15)
en van Richtlijn 2004/83/EG van de raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en van de inhoud van de verleende bescherming(16)
, alsmede de oprichting van een Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken;
Opvang
97. verzoekt de Commissie om de omzetting van de Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten(17)
nauwgezet in het oog te blijven houden, opdat de niet-omzetting of de gedeeltelijke omzetting in vele lidstaten niet leidt tot praktijken die niet aan de minimumnormen van de richtlijn beantwoorden;
98. wijst andermaal op het feit dat migranten die geen asielverzoek indienen, ook in specifieke geschikte structuren moeten worden opgevangen waar zij met behulp van tolken en hiertoe opgeleide culturele werkers kennis kunnen nemen van hun rechten en de mogelijkheden die het recht van het land van ontvangst, het Gemeenschapsrecht en de internationale verdragen bieden;
Kinderen van migranten, asielzoekers en vluchtelingen
99. dringt erop aan speciale aandacht te besteden aan de situatie van vluchtelingen-, asielzoekende en migrerende kinderen en van de kinderen van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder identiteitspapieren, opdat elk kind zijn rechten, zoals vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, met inbegrip van het recht op non-discriminatie, volledig kan uitoefenen, en in alle genomen maatregelen in de eerste plaats rekening te houden met het prevalerend belang van het kind, maar wel de belangrijke rol en de verantwoordelijkheid van ouders te erkennen; vestigt de aandacht op de ontwikkeling in sommige lidstaten van een parallel systeem voor onderwijs en onderstreept dat verschillende systemen voor zorg en bijstand voor de kinderen van onderdanen en voor de kinderen van niet-onderdanen noch discriminerend, noch langdurig mogen zijn en gerechtvaardigd moeten worden door het feit dat ze beter onderwijs bieden, waaronder begrepen onderwijs in de talen van het gastland, voor alle kinderen;
100. dringt erop aan speciale aandacht te besteden aan niet-begeleide minderjarige en minderjarigen die bij aankomst op het grondgebied van de Unie in het kader van illegale immigratie van hun ouders gescheiden werden, en onderstreept de plicht van de lidstaten aan deze minderjarigen bijstand en speciale bescherming te verlenen; verzoekt de plaatselijke, regionale en nationale overheidsinstanties en de Europese instellingen om met toewijding samen te werken om deze kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld en uitbuiting, om ervoor te zorgen dat onverwijld een voogd wordt aangewezen, om hun rechtsbijstand te bieden, hun familie op te sporen en hun opvangomstandigheden te verbeteren middels passende huisvesting, een makkelijke toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en opleiding, met name wanneer het gaat om de officiële taal van het land van opvang, beroepsopleiding en een volledige opneming in het schoolsysteem;
101. herinnert eraan dat de administratieve detentie van kinderen niet zou mogen bestaan en dat kinderen die door hun familie worden begeleid, slechts in zeer buitengewone omstandigheden vastgehouden zouden mogen worden en dan nog zo kort mogelijk en alleen indien detentie in hun belang is, overeenkomstig de artikelen 3 en 37, onder b van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind;
Integratie
102. dringt aan op een grotere coördinatie tussen het nationale beleid inzake de integratie van onderdanen uit derde landen en de Europese initiatieven op dit gebied; onderstreept dat gemeenschappelijke basisbeginselen voor een samenhangend Europees kader ter zake ervoor zouden moeten zorgen dat het integratiebeleid niet alleen een antidiscriminatiebeleid omvat, maar ook verder reikt en zich uitstrekt tot een reeks gebieden, zoals werkgelegenheid, onderwijs en beroepsopleiding;
103. dringt aan op de ontwikkeling van integratieprogramma's en programma's voor interculturele dialoog die gericht zijn op het voorkómen van potentiële spanningen tussen intracommunautaire migranten en autochtone gemeenschappen in het kader van het verschijnsel van de migratie na de uitbreiding;
104. is van mening dat de uit de immigratie voortgekomen minderheden het meeste behoefte hebben aan een zo snel mogelijke integratie in de maatschappij van het land waarin zij zich hebben gevestigd en dat ervoor moet worden gezorgd dat een en ander in een geest van wederkerigheid gebeurt; is van oordeel dat het even belangrijk is te erkennen dat elke persoon die in een lidstaat geboren en woonachtig is, het recht van toegang tot de burgerrechten heeft; is van mening dat het recht van inwoners om deel te nemen aan het politieke leven op plaatselijk niveau de sociale en politieke integratie bevordert;
105. is verontrust over het feit dat het ontbreken van een doelmatig integratiebeleid leidt tot de uitsluiting van honderdduizenden niet-onderdanen en staatlozen uit het sociale, politieke en beroepsleven hetgeen afbreuk doet aan de doelstelling van de Unie om de arbeidsmobiliteit te verbeteren ten einde het concurrentievermogen en de economische welvaart te verhogen; erkent het risico dat uitsluiting een persoon in een kwetsbare positie kan brengen hetgeen radicalisering, mensenhandel en andere vormen van uitbuiting in de hand werkt;
Terugkeer
106. onderstreept het feit dat mensen pas mogen worden gerepatrieerd na een billijke en volledige behandeling van hun verzoek; is van oordeel dat, indien terugkeer onmogelijk of onmenselijk is vanwege de kritieke situatie ten aanzien van de mensenrechten in het land van oorsprong of doorvoer, de lidstaten zich ervan moeten onthouden deze mensen terug te sturen, overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens;
107. dringt er bij de lidstaten op aan de levens- en integratie-omstandigheden van naar hun landen van oorsprong en doorvoerlanden gerepatrieerde personen te controleren en de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze personen passende bijstand krijgen;
Detentie en overnameovereenkomsten
108. is verontrust over het feit dat sedert enige jaren het aantal detentiecentra voor buitenlanders in de lidstaten en aan hun grenzen is toegenomen; dringt erop aan, op basis van talrijke rapporten, met inbegrip van die van de delegaties van zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken waarin veel voorkomende schendingen van de mensenrechten aan de kaak worden gesteld, de volgende maatregelen te nemen:
−
het zorgen voor de toegang van NGO's die gespecialiseerd zijn in de bescherming van de grondrechten van migranten en asielzoekers, opdat zij rechtens tot detentiecentra worden toegelaten en niet alleen op basis van goede wil,
−
het instellen van een onafhankelijk controleorgaan op Europees niveau dat verantwoordelijk is voor het toezicht op detentiecentra ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten,
−
het verzoeken van het Bureau om op jaarbasis een verslag op te stellen waarin de situatie van personen in detentiecentra die onder het gezag van de lidstaten staan, binnen en buiten hun grenzen, wordt geanalyseerd en dit voor te leggen aan het Parlement;
109. is verontrust over het feit dat sedert 2002 overnameclausules worden opgenomen in de meeste bilaterale overeenkomsten die de Unie met derde landen heeft afgesloten, inclusief de handelsovereenkomsten, hetgeen leidt tot een toenemende uitbesteding van het migratiebeleid van de Unie, dat wordt gekenmerkt door een ontoereikende parlementaire controle, zowel op Europees als nationaal niveau; verzoekt derhalve de Commissie en de Raad om het Parlement in een vroegtijdig stadium bij de onderhandelingen over een dergelijke overeenkomst te betrekken en het regelmatig verslag uit te brengen over het aantal personen dat op basis van deze clausules uit de EU wordt uitgewezen;
Vrijheid van meningsuiting
110. verdedigt de vrijheid van meningsuiting als een basiswaarde van de EU; is van oordeel dat zij binnen de grenzen van de wetgeving moet worden uitgeoefend, moet bestaan naast de persoonlijke verantwoordelijkheid en moet zijn gebaseerd op de eerbiediging van de rechten van anderen;
111. is te spreken over de over het algemeen bevredigende situatie van de persvrijheid in de lidstaten, aangezien alle 27 lidstaten voorkomen onder de eerste 56 landen van het wereldklassement 2007 van de persvrijheid van Verslaggevers zonder grenzen;
112. verzoekt de lidstaten die in de afgelopen jaren hun justitiële instanties hebben gebruikt voor de schending van het recht van journalisten om hun bronnen geheim te houden en van het recht van journalisten en redacteuren om informatie te publiceren, of die van plan zijn hun wetgeving in die zin aan te passen, hun wetgeving en hun praktijken te verbeteren overeenkomstig het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 27 maart 1996 en de aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa over het recht van journalisten om hun informatiebronnen niet openbaar te maken(18)
, aangezien de schending van dit recht thans de grootste bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting van journalisten in de EU en in de afgelopen jaren in deze situatie geen noemenswaardige verbetering is opgetreden;
113. beschouwt de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de pers als universele rechten, die niet mogen worden geschaad door individuen of groepen die zich aangevallen voelen door hetgeen gezegd of geschreven wordt; onderstreept tegelijkertijd dat het recht op schadeloosstelling bij onjuiste berichtgeving of laster overeenkomstig de vigerende wetgeving door de rechtbanken moet worden gewaarborgd;
114. is van oordeel dat de persvrijheid altijd binnen de grenzen van de wet moet worden uitgeoefend, maar is tegelijkertijd verontrust over het feit dat de verleiding van de laatste jaren om bepaalde onderwerpen uit het openbare debat te weren, in vele lidstaten leidt tot een vorm van niet-officiële censuur of tot zelfcensuur door de media;
Rechten van het kind Geweld, armoede en werk
115. veroordeelt elke vorm van geweld tegen kinderen en onderstreept met name de noodzaak de meest voorkomende vormen van geweld in de lidstaten te bestrijden: pedofilie, seksueel misbruik, geweld in het gezin, lijfstraffen in scholen en verschillende vormen van misbruik in instellingen; dringt erop aan dat betrouwbare, vertrouwelijke en toegankelijke mechanismen worden ingevoerd waarmee de kinderen in alle lidstaten geweld kunnen melden, en dat aan deze mechanismen veel ruchtbaarheid wordt gegeven;
116. verzoekt de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen om de verschillende vormen van uitbuiting van kinderen te verbieden, met inbegrip van prostitutie, de productie van kinderpornografie, drugshandel, zakkenrollen, bedelen en elke ander vorm van uitbuiting;
117. verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen tegen het gebruik bij bepaalde Roma-gemeenschappen dat niet-officiële huwelijken worden gesloten tussen soms zeer jonge minderjarigen; beschouwt dit gebruik als een vorm van seksueel misbruik, waardoor de ontwikkeling van de kinderen wordt geschaad en schoolverlating wordt gestimuleerd;
118. verzoekt de dertien lidstaten die geen wetgeving ter zake hebben, lijfstraffen volledig te verbieden, overeenkomstig de studie van de Verenigde naties over geweld jegens kinderen van 2006, waarin lijfstraffen als de meest voorkomende vorm van geweld tegen kinderen worden aangemerkt;
119. onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat in alle beleidsvormen, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau, aandacht wordt besteed aan de afschaffing van kinderarbeid in al zijn vormen; is van mening dat fulltimeronderwijs de beste wijze is om het probleem op te lossen, zowel om dergelijk misstanden te voorkomen als om de vicieuze cirkel van analfabetisme en armoede te doorbreken;
120. merkt op dat in de stedelijke en plattelandsgebieden van sommige lidstaten duizenden kinderen de ergste vormen van arbeid verrichten en verzoekt derhalve de lidstaten dit probleem bij de kern aan te pakken door stringent de nationale wetten toe te passen en door nationale onderwijscampagnes voor zowel ouders als kinderen te organiseren;
121. herinnert eraan dat bijna 20% van de kinderen in de Unie onder de armoedegrens leeft en dat de kwetsbaarsten onder hen uit eenoudergezinnen komen en/of ouders hebben, die in het buitenland geboren zijn; onderstreept derhalve dat passende maatregelen om toegang te verlenen tot rechten moeten worden genomen, die gericht zijn de op de behoeften van de kinderen, met inbegrip van steunmaatregelen voor de gezinnen, en verzoekt de lidstaten, vooral die waar de armoede het grootst is, ambitieuze en haalbare doelstellingen vast te stellen om de armoede onder kinderen en hun gezinnen terug te dringen;
122. verzoekt de Commissie om ernaar te streven de verschillende strategieën inzake met name armoede onder kinderen en in hun gezinnen, werkloosheid onder jongeren en de sociale integratie van minderheden op te nemen in alle desbetreffende ontwikkelingsstrategieën, met inbegrip van de beleidsdocumenten voor armoedebestrijding en de indicatieve programma's; dringt er bij de lidstaten op aan effectief op te treden tegen kinderhandel, de grensoverschrijdende samenwerking te versterken, te voorzien in gespecialiseerde opleidingen en hiertoe wettelijke normen toe te passen;
123. benadrukt het belang van de bescherming van kinderen; is van mening dat de maatregelen die verband houden met de EU-strategie inzake de rechten van het kind, zoals een volledig aan kinderkwesties gewijde website, speciale hulp- en noodtelefoonlijnen en de toekenning van budgettaire middelen aan EU-programma's voor acties ten behoeve van kinderen, volledig ten uitvoer moeten worden gelegd en verder moeten worden ontwikkeld;
Discriminatie
124. verzoekt de Commissie en de lidstaten om speciale aandacht te besteden aan de discriminatie van jonge mensen en kinderen, die vele vormen aanneemt en vooral kinderen die in armoede leven, straatkinderen en jonge mensen uit etnische minderheden en migrantengroepen, alsmede gehandicapte jonge mensen en kinderen treft, en die ertoe leidt dat deze kinderen geen toegang tot onderwijs en gezondheidszorg hebben;
125. dringt erop aan ten behoeve van Roma-kinderen, vooral maar niet alleen in de lidstaten waarin de Roma een grote etnische minderheid vormen, specifieke maatregelen te nemen om een einde te maken aan discriminatie, segregatie, sociale uitsluiting en uitsluiting van onderwijs waarvan zij vaak het slachtoffer zijn; verzoekt de lidstaten met name inspanningen te doen om een einde te maken aan de volkomen ongerechtvaardigde oververtegenwoordiging van Roma-kinderen in instellingen voor geestelijk gehandicapten, om voorlichtingscampagnes voor schoolbezoek te organiseren en om het verschijnsel aan te pakken dat vele Roma-kinderen niet over een identiteitsbewijs beschikken;
126. dringt er bij de lidstaten op aan zorg te dragen voor de effectieve integratie in hun onderwijssystemen van benadeelde en sociaal uitgesloten kinderen, vanaf zeer jonge leeftijd, en in dit verband uitwisselingen van optimale praktijken te bevorderen;
127. dringt er bij de lidstaten op aan discriminatie in het onderwijs, bijvoorbeeld de segregatie van Roma-kinderen, te bestrijden overeenkomstig het desbetreffende recente arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg(19)
;
Gerechtigheid voor jongeren
128. is van oordeel dat de hechtenis van minderjarige delinquenten slechts een allerlaatste middel moet zijn en zo kort mogelijk moet worden ingezet, en dringt er derhalve op aan dat voor minderjarigen wordt voorzien in straffen ter vervanging van hechtenis; dringt aan op het nemen van heropvoedingsmaatregelen, zoals maatschappelijke dienstverlening, met het oog op de re-integratie van deze jongeren in de maatschappij en het beroepsleven;
129. stelt vast dat de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet in alle lidstaten dezelfde is en is verontrust over het feit dat in sommige lidstaten kinderen regelmatig voor een rechtbank voor volwassenen moeten verschijnen en dat in andere lidstaten gespecialiseerde rechtbanken voor minderjarigen worden gesloten; verzoekt de lidstaten hun rechtsstelsels op elkaar af te stemmen, opdat geen enkel kind op dezelfde wijze wordt beoordeeld als een volwassene;
130. verzoekt alle lidstaten te zorgen voor een doelmatige onafhankelijke rechtsbijstand van kinderen in alle hen betreffende rechterlijke of semi-rechterlijke procedures en erop toe te zien dat zij van rechtswege een voogd krijgen toegewezen, wanneer geen lid van hun familie namens hen kan optreden; onderstreept dat alle kinderen, met inbegrip van degenen die in juridische zorginstellingen zijn geplaatst, door de autoriteiten in kennis moeten worden gesteld van het bestaan van klachtenmechanismen;
Bijstand aan kinderen
131. verzoekt de lidstaten het recht van kinderen op een gezin te waarborgen en derhalve doelmatige oplossingen af te bakenen om te voorkomen dat ouders en kinderen worden gescheiden en dat kinderen aan hun lot worden overgelaten; verzoekt de lidstaten het beleid van grote instellingen op te geven en in plaats daarvan doelmatige alternatieve structuren voorkinderzorg te hervormen, te ontwikkelen en te versterken, die zijn gebaseerd op gezin en maatschappij; verzoekt de lidstaten ingeval van plaatsing te voorzien in de nodige middelen om te zorgen voor de terugkeer van het kind in het gezin;
132. dringt er bij de lidstaten op aan om de nodige maatregelen te nemen met het oog op de kwaliteit van de opvangstructuren voor kinderen, waartoe een voortgezette beroepsopleiding, goede arbeidsomstandigheden en behoorlijk salaris behoren voor degenen die zich beroepshalve met de kinderen bezighouden; onderstreept dat dergelijke structuren en hun personeel aan de kinderen een solide basis voor hun toekomst geven en ook aan de ouders ten goede komen, met name die ouders wier werklast zeer zwaar is en alleen opvoedende ouders, en dat zij tevens een alternatief aan de kinderen bieden wier gezinsstructuur te wensen overlaat of niet voorhanden is;
Participatie
133. herinnert eraan dat kinderen het recht op meningsuiting hebben, naargelang van hun leeftijd en rijpheid, en dat hun de mogelijkheid moet worden geboden om deel uit te maken van een groep kinderen of een vereniging om zo andere kinderen te kunnen ontmoeten en zich in dit verband te uiten; verzoekt derhalve de lidstaten en de plaatselijke autoriteiten om projecten te bevorderen die kinderen de mogelijkheid bieden zich aldus te uiten in het kader van plaatselijke raden of parlementen voor kinderen, door ervoor te zorgen dat de meest uitgesloten kinderen erbij worden betrokken en dat onder kinderen uitgebreid informatie over deze activiteiten wordt verspreid;
134. is verheugd over het feit dat de Commissie een forum heeft opgezet waartoe vertegenwoordigers van de Europese instellingen en nationale en internationale organisaties behoren, die zich op het gebied van de rechten van het kind inzetten; is van oordeel dat de participatie van kinderen een van de voornaamste doelstellingen van dit forum moet zijn en doet derhalve een beroep op de Commissie om ervoor te zorgen dat de kinderen bij alle activiteitenstadia van het forum worden betrokken;
135. acht het belangrijk dat informatie over de rechten van kinderen op toegankelijke wijze en met geschikte middelen onder kinderen wordt verspreid; verzoekt de Commissie doeltreffende communicatie-instrumenten te ontwikkelen waarmee de kennis van kinderen over hun rechten, de situatie van de kinderen in de lidstaten en de activiteiten van de Unie op dit gebied wordt vergroot;
Sociale rechten
136. is van mening dat armoede en sociale uitsluiting slechts kunnen worden bestreden door alle grondrechten te waarborgen, en met name de economische en sociale rechten van allen; stemt in dit verband in met het besluit om 2010 uit te roepen tot het Europese Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband ambitieuze doelstellingen overeen te komen en na te streven;
137. onderstreept het feit dat er een geheel van ondeelbare en onderling samenhangende grondrechten bestaat, waartoe alle mensen daadwerkelijk toegang moeten hebben;
Armoede
138. benadrukt dat volgens artikel 30 van het herzien Europees Sociaal Handvest iedereen recht heeft op bescherming tegen armoede en uitsluiting, en verzoekt de lidstaten dit te ratificeren;
139. onderstreept dat steeds meer belang moet worden gehecht aan het beleid inzake "actieve integratie" van mensen die het verst van de arbeidsmarkt staan;
140. benadrukt het feit dat extreme armoede en sociale uitsluiting in strijd zijn met de grondrechten;
141. wenst een daadwerkelijke opneming van de sociale dimensie en van de grondrechten in alle beleidsvormen van de Unie;
142. zet zich in voor een duurzaam model van sociale ontwikkeling dat strookt met een benadering op basis van de sociale rechten en dat vooral gericht is op meer sociale samenhang;
143. herinnert aan het feit dat in de artikelen 34 en 36 van het Handvest het recht op sociale zekerheid en sociale diensten en op de toegang tot diensten van algemeen economische belang wordt erkend; doet een beroep op de lidstaten om aan alle burgers, met inbegrip van de meest kwetsbaren, de toegang tot deze rechten te waarborgen;
144. herinnert eraan dat de strijd tegen de armoede moet geschieden in samenwerking met de armste bevolkingsgroepen, die hierbij het meest betrokken zijn en dus het best in staat om te verwoorden hoe het is om geen toegang tot rechten te hebben en hoe hieraan iets kan worden gedaan; wenst de invoering van een participerende democratie waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de participatie van personen die te kampen hebben met armoede, uitsluiting, discriminatie en ongelijkheid;
Dakloosheid
145. verzoekt de Commissie een Europese kaderdefinitie van dakloosheid te ontwikkelen, vergelijkbare en betrouwbare statistische gegevens te verzamelen en jaarlijks actuele informatie te geven over de maatregelen die in de lidstaten van de EU zijn genomen om een einde aan dakloosheid te maken en over de daarbij geboekte vooruitgang;
146. dringt er bij de lidstaten op aan "winternoodplannen" te maken die deel uitmaken van een bredere strategie om dakloosheid uit te bannen;
Huisvesting
147. wijst erop dat in artikel 34, lid 3 van het Handvest het recht op sociale bijstand en op bijstand ten behoeve van huisvesting wordt erkend voor al diegenen die niet over voldoende middelen beschikken, ten einde de sociale uitsluiting en armoede te bestrijden; verzoekt de lidstaten derhalve de toegang tot fatsoenlijke huisvesting te garanderen;
148. herinnert aan de kanttekeningen en beginselen in het rapport van de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa(20)
;
Gezondheid
149. wijst erop dat in artikel 35 van het Handvest is bepaald dat eenieder recht heeft op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging; verzoekt de lidstaten de toegang tot adequate zorg te garanderen, met name voor degenen die een laag inkomen hebben en degenen wier gezondheidstoestand dure en langdurige intensieve zorg vergt;
150. roept de lidstaten en de EU op ervoor te zorgen dat personen die verdovende middelen gebruiken volledig toegang hebben tot gespecialiseerde gezondheidsdiensten en alternatieve behandelingen, en niet worden behandeld als misdadigers enkel omdat ze zelf onwettige verdovende middelen gebruiken;
Werknemers
151. onderstreept dat het nodig is de transparantie van de arbeidsmarkt zodanig te verbeteren dat elke soort arbeid (tijdelijk, permanent, voltijds, deeltijds en op basis van een uurloon) in het wit geschiedt, behoorlijk wordt betaald en dat hierbij de rechten van werknemers volledig worden geëerbiedigd;
152. erkent dat niet alle lidstaten over een nationale wetgeving inzake het minimumloon beschikken; wenst derhalve dat voorschriften worden ingevoerd ten einde de toegang van allen tot fatsoenlijke loonniveaus te waarborgen om ervoor te zorgen dat alle werknemers in de Europese Unie een loon krijgen dat hen in staat stelt een waardig leven te leiden;
153. dringt er bij de lidstaten en de kandidaatlanden op aan de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) te ratificeren en volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de IAO te steunen bij de bestendiging van haar systeem en van haar controlemechanismen;
154. moedigt de bedrijven ertoe aan om een verantwoordelijk beleid inzake aanwerving en beroepsontwikkeling zonder discriminatie te hanteren ten einde de werkgelegenheid van vrouwen, jongeren en benadeelde personen te bevorderen;
155. herinnert eraan dat discriminatie eveneens een beperking vormt van de vier fundamentele vrijheden − met name van het vrije verkeer van personen − en op die manier de werking van de interne markt belemmert; roept de Commissie op de lidstaten aan te moedigen de overgangsbepalingen te herzien die de toegang tot hun arbeidsmarkt regelen, om op dit vlak een verschillende behandeling van Europese burgers te vermijden;
156. verzoekt de lidstaten hun wetgeving te herzien om ervoor te zorgen dat sekswerkers, ongeacht hun wettelijke status, niet worden uitgebuit door criminele organisaties, dat hun grondrechten gewaarborgd zijn en dat ze toegang hebben tot adequate sociale en gezondheidsvoorzieningen;
157. verzoekt de Commissie en de lidstaten om de sociale integratie te ondersteunen van personen die het verst van de arbeidsmarkt afstaan, en om de situatie van de "arme werknemers" aan te pakken; is van oordeel dat dergelijke strategieën voor een redelijk evenwicht moeten zorgen tussen een billijk salarisniveau, een juist evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven, goede arbeidsomstandigheden, sociale bescherming, inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en de zekerheid van werk;
Onregelmatig werk
158. verzoekt de lidstaten het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden(21)
te ratificeren en vestigt de aandacht op het feit dat de meeste werknemers, die werk verrichten zonder over de juiste immigratiedocumenten te beschikken, legaal werk verrichten dat onontbeerlijk is voor de Europese economie, zoals het plukken van fruit, de bouw en het onderhoud van gebouwen, en de verzorging van zieken, bejaarden en kinderen;
159. verzoekt de instellingen van de Unie en de lidstaten om niet langer de term "illegale immigranten" te gebruiken, aangezien deze een zeer negatieve bijklank heeft, en veeleer de termen "onregelmatige werknemers/migranten" te gebruiken of "personen zonder papieren";
160. bevestigt andermaal dat het arbeidsrecht bedoeld is om de werknemer die in een onregelmatige arbeidsverhouding werkt te beschermen, hetgeen nu juist het geval is bij werknemers zonder papieren, en verzoekt de lidstaten het recht van alle werknemers om zich te organiseren te waarborgen, ook dat van de werknemers zonder papieren;
161. verzoekt de Commissie om dezelfde prioriteit en spoed te verlenen aan het in ontwikkeling zijnde immigratiebeleid als aan "sancties tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen" door deze in één pakket te behandelen;
162. onderstreept het feit dat het de eerste taak van de arbeidsinspectie is om de werknemers te beschermen en verzoekt derhalve de lidstaten om:
–
ervoor te zorgen dat werknemers zonder papieren op veilige wijze en zonder het risico van uitwijzing een klacht kunnen indienen tegen een werkgever die zich aan uitbuiting schuldig maakt,
–
te investeren in de opleiding van arbeidsinspecteurs en van degenen die bijstand verlenen aan werknemers zonder papieren, over de mogelijkheden om een officiële klacht tegen inbreuken op het arbeidsrecht in te dienen,
–
een systeem van sancties in te stellen waarmee niet de werknemers in plaats van de werkgevers worden gestraft;
Bejaarden
163. is van mening dat de veroudering van de bevolking een uitdaging vormt en moet worden beschouwd als een kans om personen die over een lange en waardevolle ervaring beschikken, nauwer bij de maatschappij te betrekken waardoor een actief ouder worden wordt bevorderd; is van oordeel dat inspanningen moeten worden geleverd om ouder wordende werknemers op te nemen in de arbeidsmarkt;
164. is van mening dat speciale aandacht moet worden geschonken aan alleenstaande, bejaarde vrouwen, die een zeer kwetsbare groep vormen en vaak als eersten in armoede verzinken, wanneer de economie stagneert;
165. wijst erop dat discriminatie van oudere vrouwen moet worden bestreden en dat hun participatie op de arbeidsmarkt moet worden bevorderd (bijvoorbeeld door programma's voor een leven lang leren), gezien hun kwetsbaarheid en hun groeiende aantal in de Unie;
166. wijst erop dat in artikel 25 van het Handvest is bepaald dat ouderen het recht hebben om een waardig en zelfstandig leven te leiden; beveelt derhalve aan om aan ouderen, in combinatie met de artikelen 34 en 35 van het Handvest, de toegang te garanderen tot preventieve medische zorg en sociale zekerheid, opdat zij een waardig leven kunnen leiden;
167. verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan regelgeving betreffende levenstestamenten in te voeren, om ervoor te zorgen dat, in overeenstemming met artikel 9 van het Verdrag van Oviedo inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde, "rekening wordt gehouden met de in het verleden uitgesproken wensen met betrekking tot een medische ingreep, door een patiënt die op het moment van de ingreep niet in staat is zijn wensen kenbaar te maken", en ervoor te zorgen dat eveneens het recht op waardigheid aan het einde van het leven wordt gewaarborgd;
o o o
168. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaatlanden, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Comité van ministers, de Parlementaire Assemblee en de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, en de dienovereenkomstige organen van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa en van de Verenigde Naties.
In arrest C 267/06 Tadao Maruk tegen Versorgungsanstalt der deutschen Bühnen d.d. 1 april 2008 bepaalde het Europees Hof van Justitie dat de weigering om aan levenspartners een nabestaandenuitkering toe te kennen, directe discriminatie op grond van seksuele geaardheid is, indien nabestaande echtgenoten en nabestaande levenspartners in een vergelijkbare situatie ten aanzien van die uitkering verkeren.
Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19), Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad van 19 juli 2002 betreffende de bestrijding van mensenhandel (PB L 203 van 1.8.2002, blz. 1).
Internationaal verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, goedgekeurd middels resolutie 45/158 van 18 december 1990 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.