Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2198(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0026/2010

Ingediende teksten :

A7-0026/2010

Debatten :

PV 10/03/2010 - 6
CRE 10/03/2010 - 6

Stemmingen :

PV 10/03/2010 - 7.10
CRE 10/03/2010 - 7.10
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0061

Aangenomen teksten
DOC 111k
Woensdag 10 maart 2010 - Straatsburg Definitieve uitgave
De tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie en het EVDB
P7_TA(2010)0061A7-0026/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2010 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (2009/2198(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gelet op titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede de protocollen 10 en 11,

–   gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) met als titel „Een veilig Europa in een betere wereld”, die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen,

–   gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS met als titel „Veiligheid in een veranderende wereld”, dat op 12 december 2008 door de Europese Raad is aangenomen,

–   gezien de verslagen van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie over het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) van 9 december 2008 en van 16 juni 2009,

–   gezien de conclusies over het EVDB en de verklaring met als titel „Tien jaar EVDB − Uitdagingen en kansen”, die op 17 november 2009 door de Raad zijn aangenomen,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over dit onderwerp, in het bijzonder zijn resolutie van 14 april 2005 over de Europese veiligheidsstrategie(1) , zijn resolutie van 16 november 2006 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie in de context van het EVDB(2) , zijn resolutie van 5 juni 2008 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie en het EVDB(3) en zijn resolutie van 19 februari 2009 over de Europese veiligheidsstrategie en het EVDB(4) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 februari 2009 over de rol van de NAVO in de veiligheidsstructuur van de EU(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 november 2009 over een politieke oplossing tegen de piraterij langs de Somalische kusten(6) ,

   gezien de briefwisseling tussen de Europese Unie en de regeringen van Kenia en de Republiek der Seychellen betreffende de overdracht naar deze landen van personen die verdacht worden van piraterij en van gewapende overvallen en die door EUNAVFOR zijn aangehouden in het gebied van de operatie,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2009 over de institutionele aspecten van de oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden(7) ,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0026/2010),

Europese veiligheidsstrategie: een alomvattende benadering

1.   herinnert eraan dat in de Europese veiligheidsstrategie (EVS) en in het verslag over de tenuitvoerlegging ervan de nadruk wordt gelegd op de grootste bedreigingen en uitdagingen waarmee de Europese Unie wordt geconfronteerd:

   verspreiding van massavernietigingswapens,
   terrorisme en georganiseerde misdaad,
   regionale conflicten;
   staatsfalen,
   piraterij op zee,
   handvuurwapens en lichte wapens, clustermunitie en landmijnen,
   energiezekerheid,
   gevolgen van de klimaatverandering en natuurrampen,
   cyberveiligheid,
   armoede;

2.   benadrukt dat de Unie via het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) maatregelen neemt om het hoofd te bieden aan de in de EVS genoemde uitdagingen en bedreigingen en dat zij er zo toe bijdraagt de veiligheid van de Europese burgers te verbeteren;

3.   wijst erop dat de Unie haar strategische autonomie moet ontwikkelen door middel van een sterk en doeltreffend buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, om de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, de internationale veiligheid te bevorderen, de veiligheid van haar burgers en de burgers waarop de GVDB-missies betrekking hebben, te beschermen, haar belangen in de wereld te verdedigen, en hierbij bij te dragen tot een doeltreffend multilateralisme ter ondersteuning van het internationale recht en de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische waarden wereldwijd te bevorderen, overeenkomstig de doelstellingen in artikel 21, lid 2, onder e), van het EU-Verdrag, de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van degene die betrekking hebben op de buitengrenzen;

4.   onderstreept dat de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de vrede en veiligheid in de wereld in de eerste plaats bij de Veiligheidsraad van de VN ligt en wijst andermaal op de noodzaak van een hervorming van de Verenigde Naties ten einde deze organisatie beter in staat te stellen haar taken uit te oefenen en doelmatige oplossingen te vinden voor de uitdagingen en bedreigingen wereldwijd;

5.   erkent dat het voor de Unie noodzakelijk is deze doelstellingen na te streven door haar eigen institutionele capaciteiten te vergroten om aan deze uitdagingen het hoofd te bieden en door middel van multilaterale samenwerking met en binnen internationale organisaties – met name de Verenigde Naties – en regionale organisaties – met name de OVSE en de Afrikaanse Unie – met inachtneming van het Handvest van de Verenigde Naties;

6.   spreekt nogmaals zijn steun uit voor de ontwikkeling door de Unie van een alomvattende en proactieve aanpak om de bedreigingen en uitdagingen het hoofd te bieden, die leidt tot een bundeling van de verschillende (civiele en militaire) actiemiddelen waarover de Unie en haar lidstaten beschikken; conflictpreventie en crisisbeheersing, financiële bijstand en ontwikkelingssamenwerking, sociaal en milieubeleid, instrumenten uit de diplomatie en het handelsbeleid en uitbreiding; benadrukt dat deze onderlinge afstemming van de civiele en militaire middelen een daadwerkelijke toegevoegde waarde verleent aan het beleid van de Unie op het gebied van crisisbeheersing;

7.   verzoekt in dit licht de lidstaten hun strategieën en nationale middelen op doeltreffender wijze op die van de Unie af te stemmen om de coherentie, de doeltreffendheid en de impact en zichtbaarheid ter plaatse ervan te vergroten;

8.   ondersteunt ten aanzien van de bestrijding van terrorisme de voortzetting van de aanpak die is gebaseerd op de strategie van de EU ter bestrijding van het terrorisme, alsmede op de strategie tegen de radicalisering en rekrutering, met name inzake het gebruik van internet voor terrorisme en radicalisering; stelt voor het debat over de bescherming en bevordering van de mensenrechten te stimuleren en hierbij vooral aandacht aan de slachtoffers te schenken;

9.   erkent dat de energiezekerheid van cruciaal belang is voor het functioneren van de lidstaten van de EU en moedigt derhalve de lidstaten aan op dit onderdeel van het veiligheidsbeleid nauw samen te werken;

10.   is verheugd over de inspanningen van de lidstaten om cyberdreigingen het hoofd te bieden; doet een beroep op de Raad en de Commissie om een analyse te verrichten van de uitdagingen op cybergebied en maatregelen te nemen voor een doeltreffende en gecoördineerde reactie op dergelijke dreigingen op basis van optimale praktijken, die in de toekomst zullen uitmonden in een Europese strategie inzake cyberveiligheid;

11.   herhaalt zijn aanbeveling voor een regelmatige herziening van de EVS elke vijf jaar, samenvallend met de aanvang van een nieuwe zittingsperiode van het Europees Parlement en na passend overleg met het Europees Parlement;

12.   benadrukt dat een witboek, waarmee een breed openbaar debat op gang kan worden gebracht, de zichtbaarheid van het GVDB en de samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie zou kunnen versterken door een betere definitie van de veiligheids- en defensiedoelstellingen en -belangen van de Unie ten opzichte van de beschikbare middelen, en op deze manier de tenuitvoerlegging van de EVS doeltreffender en concreter zou kunnen maken, alsook de planning en het verloop van de crisisbeheersingsoperaties van de Unie;

Het Verdrag van Lissabon en de structuren van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

13.   verzoekt de Raad om in 2010 een uitgebreid debat aan te gaan met het Europees Parlement en de nationale parlementen over de tenuitvoerlegging van de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon over het GVDB en in het bijzonder over:

   a) de clausule inzake wederzijdse bijstand aan lidstaten die op hun grondgebied gewapenderhand worden aangevallen,
   b) de clausule inzake solidariteit met lidstaten die het slachtoffer zijn van een terreuraanslag, een natuurramp of een ramp veroorzaakt door menselijk optreden,
   c) de rol van de vice-voorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, ondersteund door de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden (EDEO) die over een uitgebreide infrastructuur voor conflictpreventie, civiele en militaire crisisbeheersing en vredesopbouw beschikt,
   d) de uitbreiding van de onder het GVDB vallende taken,
   e) de permanente gestructureerde samenwerking voor lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan strengere criteria en die ter zake verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uitvoering van de meest veeleisende taken, alsmede de nauwere samenwerking,
   f) de opichting van een startfonds voor de voorbereiding van de missies;

14.   verzoekt, gezien de nieuwe clausule inzake wederzijdse bijstand, zoals geformuleerd in artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de lidstaten van de Europese Unie die tevens lid zijn van de West-Europese Unie (WEU) het gewijzigde Verdrag van Brussel uit 1954, met inbegrip van de assemblee van de WEU, te beëindigen;

15.   verzoekt de Raad, gezien de toevoeging van een solidariteitsclausule aan het nieuwe verdrag, het debat over de oprichting van een Europese noodhulpmacht voor civiele bescherming opnieuw op gang te brengen, met name op basis van het verslag Barnier van mei 2006, teneinde de middelen van de lidstaten te bundelen om een doeltreffend collectief optreden mogelijk te maken in geval van een natuurramp of een ramp veroorzaakt door menselijk optreden; is van mening dat door middel van de militaire component van het GVDB dergelijke civiele risico's eveneens moeten kunnen worden bestreden;

16.   benadrukt, gezien de vooruitgang die op basis van het Verdrag van Lissabon op het gebied van het GVDB kan worden gemaakt, het legitieme karakter en het nut van de oprichting van een Raad Defensie in het kader van de Raad Buitenlandse Zaken, bestaande uit de ministers van Defensie, onder het voorzitterschap van de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger, die een bijzondere rol zou spelen bij de intensivering van de samenwerking, en de harmonisatie en integratie van de militaire capaciteiten;

17.   meent dat de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger zich onverwijld moet gaan inzetten voor de versterking van de samenhang van het buitenlands beleid van de Unie en dat deze samenhang in de praktijk tot uiting moet komen in bijzondere vertegenwoordigers/delegatiehoofden onder haar toezicht die het werk van de betrokken partijen en de internationale gemeenschap kunnen omkaderen;

18.   ondersteunt de oprichting van een Directoraat crisisbeheersing en planning (Crisis Management and Planning Directorate − CMPD) dat zal worden belast met crisisbeheersing en de strategische planning van de civiele en militaire operaties van de Unie en zal bijdragen aan de ontwikkeling van het GVDB, in het bijzonder in termen van civiele en militaire capaciteiten; betreurt echter dat aanzienlijke vertraging is opgelopen bij de oprichting van deze nieuwe structuur; vraagt nauwe samenwerking binnen EDEO tussen enerzijds het CMPD en de andere GVDB-structuren en anderzijds het crisisplatform en andere bevoegde diensten van de Commissie, die in de EDEO moeten worden opgenomen, om een gecoördineerde structuur voor strategische planning op te bouwen, teneinde een alomvattende Europese aanpak te ontwikkelen;

19.   dringt er bij de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter van de Commissie, de Raad en de lidstaten op aan het gebrek aan evenwicht tussen de civiele en militaire capaciteiten op het gebied van de planning weg te nemen en ervoor te zorgen dat er op de gebieden justitie, burgerlijk bestuur, douane en bemiddeling voor EVDB-missies voldoende en adequate expertise beschikbaar is;

20.   pleit nogmaals voor de oprichting van een permanent operationeel centrum van de Unie, onder leiding van de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger, dat zal worden belast met de operationele planning en de uitvoering van militaire operaties; wenst dat dit operationeel centrum aan de EDEO wordt verbonden; benadrukt dat het huidige systeem, met zeven militaire staven, de doeltreffendheid en de reactiviteit niet ten goede komt en tot hoge kosten leidt en dat een permanent militair aanspreekpunt noodzakelijk is voor de civiele en militaire coördinatie ter plaatse; is van mening dat het permanent operationeel centrum dan ook kan worden beschouwd als een militaire structuur voor planning en uitvoering en op dezelfde plaats als het CPCC zou kunnen worden gevestigd om synergieën mogelijk te maken die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende civiele en militaire coördinatie; onderstreept dat het operationeel centrum van de Unie de samenwerking met de NAVO zou vergemakkelijken, zonder de besluitvormingsautonomie van beide organisaties te beïnvloeden;

21.   benadrukt dat het noodzakelijk is om de permanente gestructureerde samenwerking spoedig in te voeren, op basis van zo ruim mogelijke criteria, hetgeen zou moeten leiden tot verdergaande verbintenissen van de lidstaten binnen het GVDB;

22.   onderstreept dat bij de vooruitgang en ontwikkeling van het GVDB ten volle rekening moet worden gehouden met de neutraliteit en ongebondenheid van sommige lidstaten van de EU, die niet mogen worden ondermijnd;

23.   benadrukt het belang van deze verschillende hervormingen voor het verwezenlijken van de ambities van het GVDB, die in december 2008 zijn herhaald en door de Europese Raad zijn aangenomen, alsook voor het verhogen van de doeltreffendheid en de toegevoegde waarde van het GVDB, nu steeds vaker een beroep op dit instrument wordt gedaan;

Militaire operaties en civiele missies

24.   is verheugd over het EVDB/GVDB-acquis ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van dit beleid en herinnert eraan dat de Unie civiele en militaire missies op touw zet in het kader van het GVDB om de bedreigingen voor de internationale veiligheid en de veiligheid van de Europeanen het hoofd te bieden; stelt vast dat het bij het merendeel van deze missies om civiele crisisbeheersing ging; spreekt zijn dankbaarheid uit aan de circa 70 000 personeelsleden die hebben deelgenomen en deelnemen aan de 23 (lopende en afgeronde) missies en operaties van het EVDB; spreekt zijn dankbaarheid uit aan de heer Javier Solana, tot dusver secretaris-generaal van de Raad en Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, voor zijn inspanningen voor de ontwikkeling van het EVDB; verzoekt de lidstaten opnieuw de criteria voor het opzetten van EVDB-missies vast te stellen en zich te buigen over de kwestie van de nationale voorbehouden;

Somalië – Hoorn van Afrika

25.   is verheugd over de geslaagde bijdrage van de vlootoperatie van de Europese Unie EUNAVFOR Somalië - operatie Atalanta aan de strijd tegen de piraterij in de Golf van Aden en langs de kust van Somalië, met name om ervoor te zorgen dat alle behoeftige mensen in dit land humanitaire hulp krijgen; benadrukt het feit dat de operatie Atalanta een centrale speler is geworden in de strijd tegen de piraterij piracy, inter alia via het Centrum voor maritieme veiligheid - Hoorn van Afrika (Maritime Security Centre − Horn of Africa); is ingenomen met het besluit van de Raad om de missie met een jaar tot december 2010 te verlengen en neemt kennis van de uitbreiding van het mandaat van de missie, die van direct belang is voor de veiligheid van de Unie (veiligheid van de burgers, voorzieningsveiligheid, bescherming van kwetsbare schepen) en reageert op een humanitaire en operationele noodsituatie (door de begeleiding van schepen van het Wereldvoedselprogramma die voedsel voor de Somalische bevolking vervoeren en schepen die logistieke steun verlenen aan de militaire-observatiemissie van de Afrikaanse Unie in Somalië (AMISOM)); prijst voorts haar bijdrage aan de versterking van de samenwerking van de zeestrijdkrachten in Europa en de verdere ontwikkeling van de maritieme dimensie van het EVDB. is eveneens verheugd over de deelname van derde landen (Noorwegen, Kroatië en Montenegro) aan deze operatie en de goede samenwerking met de andere in het gebied aanwezige zeemachten, in het bijzonder in het kader van de SHADE-bijeenkomsten (Shared Awareness and Deconfliction); betreurt evenwel de aanhoudende problemen in verband met de strafrechtelijke vervolging van personen die van piraterij of gewapende roofovervallen worden verdacht en die in het operatiegebied zijn aangehouden, die de geloofwaardigheid van de internationale pogingen om de piraterij te bestrijden ondergraven;

26.   benadrukt de noodzaak om de redenen van de piraterij aan te pakken, die wordt veroorzaakt door de instabiliteit en de armoede in Somalië, en is derhalve van mening dat de Unie in samenwerking met de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties de federale overgangsregering (TFG) moet steunen, met maatregelen om de veiligheid, de politieke stabiliteit en de rechtstaat te herstellen en duurzame ontwikkeling te bevorderen, en een gezamenlijke strategie moet ontwikkelen om een regionaal vredesproces op gang te brengen;

27.   verlangt dat de EU er in haar concept voor Somalië rekening mee houdt dat alleen een grootschalige natievormende inspanning op de lange termijn − die verder gaat dan de opbouw van een veiligheidsleger van de TFG − duurzaam zal kunnen bijdragen aan vrede en veiligheid in dit land; verzoekt de Raad en de Commissie dan ook een ambitieuze, gezamenlijke en uitgebreide strategie voor Somalië voor te leggen;

28.   legt bijzondere nadruk op het spoedeisende karakter hiervan, teneinde de TFG in staat te stellen aan de macht te blijven en haar invloed over het gehele Somalische grondgebied te kunnen uitoefenen; is daarom tevreden met het feit dat de Raad er op 25 januari 2010 mee akkoord is gegaan een militaire GVDB-missie te organiseren (opleidingsmissie van de EU (EU Training Mission) in Somalië (EUTM Somalia)), om bij te dragen tot de opleiding van de Somalische veiligheidsdiensten in Oeganda, in nauwe samenwerking met de EU-partners, met name de TGF, Oeganda, de Afrikaanse Unie, de Verenigde Naties en de Verenigde Staten; verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger het Parlement naar behoren te informeren en te raadplegen;

29.   benadrukt eveneens dat het belangrijk is de capaciteiten op het gebied van maritiem toezicht in de regio te versterken, in het bijzonder door de opleiding van en samenwerking tussen grenswachten van de landen in de regio, en is van mening dat de Unie aan deze inspanningen moet deelnemen door de gedragscode van Djibouti en het plan voor de tenuitvoerlegging ervan dat is ontwikkeld door de Internationale Maritieme Organisatie te ondersteunen, die zijn goedgekeurd door de landen in de regio (centrum voor informatie-uitwisseling in Jemen en opleidingscentrum voor het varend personeel in Djibouti);

30.   wat de situatie in Jemen betreft, herinnert aan zijn resolutie van 10 februari 2010 en verzoekt de Commissie en de Raad om samen met internationale partners, met inbegrip van Jemens buurlanden, de regering te helpen door middel van een alomvattende aanpak met onder andere een hervorming van de veiligheidssector en contraterrorisme, alsmede een politieke dialoog, humanitaire en economische hulp en onderwijs;

Afghanistan en Pakistan

31.   herinnert eraan dat het belangrijk is dat de veiligheids- en politieke situatie in Afghanistan en Pakistan zich stabiliseert om de directe algemene bedreigingen voor de veiligheid van de Europeanen af te kunnen wenden (terrorisme, drugshandel, verspreiding van massavernietigingswapens) en is dan ook verheugd over het actieplan van de Unie voor Afghanistan en Pakistan dat de Raad op 27 oktober 2009 heeft aangenomen; wijst er opnieuw op dat voor de aanpak van deze problemen een samenhangend concept nodig is, waarbij het veiligheidsaspect nauwer wordt verbonden met de aspecten ontwikkeling, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten alsmede met genderaspecten; verzoekt de Raad en de Commissie derhalve om concretere initiatieven in deze richting, onder meer door de bijdrage van de Unie te versterken en ervoor te zorgen dat de acties van de Unie, de lidstaten en de internationale gemeenschap beter op elkaar worden afgestemd;

32.   is van mening dat de versterking van de institutionele en administratieve capaciteiten van de Afghaanse staat, in het bijzonder op het bredere gebied van justitie en rechtsstaat (naast de politie) een prioriteit moet vormen bij de tenuitvoerlegging van een nieuwe Europese strategie;

33.   verzoekt de Raad en de Commissie met klem de middelen voor civiele actie in Afghanistan aanzienlijk te verhogen, zodat de prioriteit die de EU geeft aan het civiele aspect geloofwaardig en zichtbaarder wordt in de ogen van de Afghanen en de internationale partners; benadrukt het belang van een doeltreffende en betrouwbare civiele politie voor de opbouw van de rechtsstaat in Afghanistan en is verheugd over het werk van de missie EUPOL Afghanistan; verzoekt de Raad onverwijld het nog altijd bestaande personeelstekort van de EUPOL-missie terug te dringen en de inzet hiervan in de provincies te vergemakkelijken door te zorgen voor extra logement en adequate logistieke ondersteuning van de missie; verzoekt de NAVO meer met de missie samen te werken en zijn politieacties met EUPOL te coördineren via het internationaal bureau voor politiecoördinatie (IPCB);

34.   ondersteunt het voorstel van de Raad om de mogelijkheid te onderzoeken van een ondersteuningsmissie in Pakistan voor de hervorming van de veiligheidssector en voor capaciteitsopbouw in de strijd tegen het terrorisme, om dit land erbij te helpen een strategie tegen het terrorisme te ontwikkelen, terwijl eveneens een dialoog wordt aangegaan over de rechtsstaat en de mensenrechten;

De Balkan

35.   is verheugd over de geslaagde stationering van de missie EULEX Kosovo op het gehele grondgebied en benadrukt dat het belangrijk is dat alle onderdelen van de missie (politie, justitie, douane) zonder belemmeringen hun werk kunnen blijven doen op het gehele grondgebied van Kosovo, met inbegrip van het noorden;

36.   is dan ook verheugd over de ondertekening van het protocol voor politiesamenwerking tussen EULEX Kosovo en Servië en herinnert eraan dat dit protocol uitsluitend technisch van aard is en als doel heeft de strijd tegen de georganiseerde misdaad te bevorderen;

37.   veroordeelt alle vijandige acties tegen de missie EULEX Kosovo, die als doel heeft om in samenwerking met de Kosovaarse autoriteiten te werken aan het herstel en de versterking van de rechtsstaat, ten gunste van alle gemeenschappen in Kosovo;

38.   verzoekt de Raad de mogelijkheid te overwegen van een militaire operatie in het kader van het GVDB om de KFOR te ondersteunen;

39.   herinnert eraan dat ondanks de aanhoudende politieke problemen in Bosnië en Herzegovina, de veiligheidssituatie nog altijd betrekkelijk kalm en stabiel is en benadrukt dat de militaire operatie van de EU (Althea) hieraan heeft bijgedragen; ondersteunt het besluit van de Raad om de activiteiten van de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) terug te brengen tot de strijd tegen de georganiseerde misdaad en corruptie en onderstreept het feit dat een alomvattende aanpak voor de rechtsstaatsector (politie – justitie – gevangenissen) nodig is; moedigt de Raad aan om spoedig te besluiten om van het opleiden van de Bosnische strijdkrachten het nieuwe brandpunt van de militaire operatie Althea te maken; betreurt het feit dat er nog geen gezamenlijk besluit is genomen over de toekomst van de internationale aanwezigheid in Bosnië en Herzegovina, hetgeen leidt tot eenzijdige terugtrekkingen van deelnemende landen en de geloofwaardigheid en de samenhang van het Europese optreden in Bosnië en Herzegovina zou kunnen schaden; herinnert de Raad eraan het vooruitzicht van toetreding tot de EU te behouden, als overeengekomen in 2003 in Thessaloniki;

Kaukasus

40.   herinnert eraan dat de EU een bepalende rol speelt om een escalatie van het conflict tussen Georgië en Rusland te voorkomen, in het bijzonder dankzij de snelle inzet van een observatiemissie die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van de akkoorden van 12 augustus en 8 september 2008; betreurt het feit dat de Russische Federatie die beloften die zij met betrekking tot deze akkoorden heeft gedaan, nog niet is nagekomen; benadrukt dat de rol van de observatiemissie van de Unie in Georgië nog belangrijker is geworden na de beëindiging van de missies van de OVSE en de Verenigde Naties;

41.   ondersteunt de eenjarige verlenging van de missie en vraagt dat de waarnemingscapaciteit ervan, inclusief de technische uitrusting ervan, wordt opgevoerd; betreurt het feit dat de personeelsleden van de missie door de Russische en de lokale strijdkrachten belet is de separatistische regio's Zuid-Ossetië en Abchazië te bezoeken;

Midden-Oosten

42.   is van mening dat de Unie haar acties in de Palestijnse gebieden moet opvoeren; is verheugd over het werk van de politiemissie EUPOL COPPS en verzoekt de Raad om een versterking van deze missie te overwegen en een nieuwe regeling voor te stellen voor het behoud en doeltreffender maken van de ondersteuningsmissie aan de grensovergang bij Rafah (EUBAM Rafah) en het verlichten van de dramatische humanitaire crisis in de Gazastrook;

43.   steunt, in het kader van de missie EUJUST LEX in Irak, de geleidelijke aanvang van activiteiten op het Iraakse grondgebied, al naar gelang de veiligheidssituatie ter plaatse;

Afrika ten zuiden van de Sahara

44.   erkent het feit dat de Europese Unie een bijdrage moet leveren aan de hervorming van de veiligheidssectoren van een aantal Afrikaanse landen, zoals de Democratische Republiek Congo en Guinee-Bissau, en verzoekt de Raad om zijn acties op een alomvattende aanpak van de hervorming van de veiligheidssector (Security Sector Reform, SSR) te baseren en regelmatig de doeltreffendheid en de impact van deze missies te beoordelen;

Haïti

45.   wat de situatie in Haïti betreft, benadrukt het feit dat coördinatie van de Europese hulpmaatregelen belangrijk is; is in deze samenhang tevreden met de collectieve EU-bijdrage van op zijn minst 300 politieagenten om tijdelijke versterking te bieden voor de politiecapaciteit van de stabilisatiemissie van de VN in Haïti (UN Stabilisation Mission in Haïti, MINUSTAH), alsmede met het besluit van de Raad om in Brussel een cel op te richten (EUCO Haïti) voor de coördinatie van de bijdragen van de lidstaten in de vorm van militaire en veiligheidsmiddelen om in de door de VN geïdentificeerde behoeften te voorzien, als aanvulling van het waarnemings- en informatiecentrum (Monitoring and Information Centre, MIC); betreurt evenwel het gebrek aan coördinatie op het terrein in Haïti tussen de lidstaten en de Europese Unie; verzoekt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger het voortouw te nemen met betrekking tot de Europese inspanningen op dit gebied;

Lessen die geleerd zijn

46.   benadrukt dat de processen inzake de lessen die bij EU-operaties zijn geleerd, belangrijk zijn en verzoekt de Raad een mechanisme te ontwikkelen om het Parlement bij deze processen te betrekken; wenst in verband hiermee te worden geïnformeerd over het eerste jaarverslag over inspanningen om de lessen die bij civiele missies zijn geleerd, te identificeren en er rekening mee te houden; doet een beroep op de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter om een gedegen en transparante controle van de vorige en huidige EVDB/GVDB-missies op gang te brengen om de sterke en zwakke kanten ervan op te sporen;

47.   is verheugd over de geslaagde overgang van de operatie van de Unie in Tsjaad en in de Centraal-Afrikaanse Republiek (operatie EUFOR Tsjaad/RCA) naar de missie van de Verenigde Naties in de Centraal-Afrikaanse Republiek en in Tsjaad (MINURCAT) en wenst op de hoogte te worden gehouden van het huidige proces inzake de lessen die zijn geleerd, met name wat de manier betreft waarop de bestaande lacunes en problemen bij de praktische samenwerking met de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie bij toekomstige missies kunnen worden voorkomen;

Beleid inzake oefeningen

48.   onderstreept dat de planning en het houden van oefeningen van de EU op het gebied van het GVDB als onderdeel van een ambitieuzer beleid inzake oefeningen van de EU, inclusief de mogelijkheid voor de EU om oefeningen te houden in realistische omstandigheden (LIVEX), een grote bijdrage zou leveren tot een doelmatigere coördinatie van de middelen van de lidstaten, met als gevolg meer interoperabiliteit en uitwisseling van ervaringen;

Integratie van gender en mensenrechten in alle beleidsterreinen
49. wijst erop dat in alle fases van EVDB-operaties, zowel tijdens de planning als bij de uitvoering, systematisch rekening moet worden gehouden met mensenrechten- en genderaspecten; dringt erop aan dat zowel bij de opleiding van personeel als tijdens operaties rekening wordt gehouden met resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid en wenst dat het personeel dat voor operaties wordt ingezet, uit meer vrouwen bestaat; beveelt aan het personeel beter op te leiden op het gebied van mensenrechten en kennis van het maatschappelijk middenveld;
Non-proliferatie en ontwapening

50.   is tevreden met resolutie 1887(2009) van de VN-veiligheidsraad en steunt ten volle het verzoek daarin om stopzetting van de verspreiding van kernwapens en om intensievere inspanningen voor ontwapening onder strenge en effectieve internationale controle; verzoekt de lidstaten een krachtig gezamenlijk standpunt voor de conferentie voor de herziening van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV) in 2010 te formuleren, herinnert aan zijn aanbeveling van 24 april 2009 aan de Raad over non-proliferatie en de toekomst van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens(8) en benadrukt de noodzaak van een verdere versterking van de drie pijlers van het NPV, te weten non-proliferatie, ontwapening en samenwerking bij de civiele toepassing van kernenergie; dringt voorts aan op de ratificatie en inwerkingtreding van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT);

51.   benadrukt dat de ontwikkeling van een internationaal systeem voor veilige en gegarandeerde voorziening van kernbrandstof (d.w.z. een systeem met een internationale brandstofbank onder controle van het IAEA) en mechanismen voor een betere handhaving van de zogeheten MVW-clausule, die in de samenwerkingsovereenkomsten van de EU met derde landen is opgenomen, belangrijk zijn;

52.   is verheugd over de verklaringen en doelstellingen van de nieuwe Amerikaanse regering, die zich wil inzetten voor verdere nucleaire ontwapening en vraagt nauwe samenwerking tussen de EU en de VS wat de bevordering van nucleaire ontwapening betreft; verzoekt de twee Europese kernmachten expliciet hun steun voor dit engagement uit te spreken en nieuwe maatregelen voor te stellen om het beoogde doel te bereiken; is tegelijk tevreden met het engagement van de Russische Federatie en de Verenigde Staten om de onderhandelingen over de sluiting van een nieuw algemeen wettelijk bindend akkoord ter vervanging van het START I-verdrag over de vermindering van strategische kernwapens, dat in december 2009 is afgelopen, voort te zetten; kijkt ernaar uit dat op dit punt zo spoedig mogelijk tastbare resultaten worden gehaald;

53.   neemt nota van het akkoord van de Duitse coalitie van 24 oktober 2009 over de terugtrekking van de Amerikaanse kernwapens uit Duitsland in het kader van de steun van de coalitie voor het beleid van president Obama voor een kernwapenvrije wereld, de wenselijkheid van tussenstappen om dit doel te halen en de noodzaak van het vinden van een nieuwe dynamiek voor wapenbeheersing en ontwapening op de NPV-toetsingsconferentie in 2010; moedigt de andere lidstaten met Amerikaanse kernwapens op hun grondgebied aan een soortgelijk duidelijk engagement aan te gaan; is daarom verheugd over het schrijven van 26 februari 2010 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Nederland, België, Luxemburg en Noorwegen aan de secretaris-generaal van de NAVO, waarin wordt gepleit voor een alomvattend beraad binnen het bondgenootschap over de vraag hoe de overkoepelende politieke doelstelling van een kernwapenvrije wereld naderbij kan worden gebracht;

54.   uit nogmaals zijn bezorgdheid over de situatie in Iran en Noord-Korea en herinnert eraan dat de EU zich ertoe heeft verbonden alle instrumenten waarover zij beschikt te gebruiken om de ontwikkeling van proliferatieprogramma's, waarover in de gehele wereld bezorgdheid bestaat, te voorkomen en te ontmoedigen en deze programma's een halt toe te roepen en indien mogelijk uit te bannen; herinnert er echter aan dat het ontwapeningsproces dat bepaalde landen in gang hebben gezet niet direct van invloed is op het voornemen van andere landen hun proliferatieprogramma's te beëindigen of voort te zetten, hetgeen moet leiden tot een standvastige houding ten opzichte van landen of organisaties die van plan zijn een proces te starten of reeds een proces hebben gestart dat leidt tot de proliferatie van massavernietigingswapens; onderstreept het feit dat het belangrijk is dat alle lidstaten dienovereenkomstig handelen, volgens de aanpak van de Unie op dit gebied;

55.   wijst er in verband met de conventionele ontwapening op dat bijzondere aandacht moet gaan naar het vooruithelpen van de besprekingen over een internationaal verdrag inzake wapenhandel;

56.   herhaalt dat het zijn volledige steun hecht aan ruimere ontwapening en een totaal verbod op wapens als chemische en biologische wapens, antipersoonsmijnen, clustermunitie en munitie die verarmd uranium bevat, die veel lijden veroorzaken bij de burgerbevolking; dringt daarom aan op grotere multilaterale inspanningen om te zorgen voor volledige uitvoering van het Verdrag inzake chemische wapens (Chemical Weapons Convention, CWC), het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (Biological and Toxin Weapons Convention, BTWC), het Verdrag tegen clustermunitie (Convention on Cluster Munitions, CCM) en het Verdrag tegen antipersoonsmijnen (Anti-Personnel Mines Convention, APMC) en op verdere ontwikkeling van het internationale regime tegen de proliferatie van massavernietigingswapens; is in dit verband tevreden met het engagement van alle EU-lidstaten door de goedkeuring van het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake wapenexport, alsmede artikel 28 B, lid 1, van het Verdrag van Lissabon, dat de EU gezamenlijke ontwapeningsoperaties als taak geeft;

Capaciteitsontwikkeling

57.   herinnert eraan dat de Unie haar civiele en militaire capaciteiten moet ontwikkelen om in de toenemende operationele behoeften te voorzien en haar crisisbeheersing te professionaliseren; spoort de Raad dan ook aan een nieuwe algemene doelstelling te formuleren, die zowel een civiele als een militaire component zou kunnen hebben en in de eerste plaats gericht zou moeten zijn op een doeltreffende capaciteitsopbouw;

58.   benadrukt dat naar synergieën tussen civiele en militaire capaciteiten moet worden gezocht, alsmede naar gebieden waar de lidstaten hun inspanningen en capaciteiten in een moeilijke economische situatie op EU-niveau kunnen bundelen, hetgeen van cruciaal belang is om het hoofd te kunnen bieden aan de gecombineerde gevolgen van de toenemende kosten van defensiematerieel en de bestaande beperkingen van de defensie-uitgaven, mede met gebruikmaking van de kans die wordt geboden door de oprichting van de EDEO, die één unit moet hebben die de ontwikkeling van de civiele en militaire capaciteit controleert;

59.   spreekt nogmaals zijn steun uit voor de ambitieuze doelstellingen voor civiele en militaire capaciteitsopbouw vastgesteld tijdens de Europese Raad van december 2008; verzoekt de Raad vooruitgang te boeken bij de tenuitvoerlegging van de in dit verband voorgestelde projecten, ondanks de huidige economische crisis; verzoekt de Raad regelmatig op de hoogte te worden gehouden van de door de lidstaten toegezegde inspanningen om deze doelstellingen te bereiken;

60.   benadrukt dat er nog vele belemmeringen bestaan voor de snelle stationering van civiele missies; verzoekt de lidstaten hun ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken aan te sporen hun verantwoordelijkheden op dit gebied te nemen; steunt dan ook de inspanningen van de Raad om ervoor te zorgen dat gekwalificeerd en behoorlijk opgeleid civiel personeel met een evenwichtig aandeel van mannen en vrouwen eenvoudiger ter beschikking kan worden gesteld en kan worden ingezet (goedkeuring van nationale strategieën en gemeenschappelijke normen, verbetering van het proces voor troepenopbouw en van de opleiding voorafgaand aan de inzet, herziening van het concept van Civilian Response Teams - CRT's) en dat het materieel voor de nieuwe civiele missies eenvoudiger snel ter beschikking kan worden gesteld (opstelling van kadercontracten en project inzake permanente opslag); is dan ook verheugd over het besluit om een voorlopige opslagplaats voor materieel binnen de politiemissie van de Unie in Bosnië en Herzegovina te vestigen;

61.   benadrukt de behoefte van civiele missies aan beveiligde geïntegreerde communicatie-instrumenten die verenigbaar zijn met militaire communicatiesystemen;

62.   verzoekt de Raad om binnen de EDEO een permanente structuur te creëren voor ondersteunende dienstverlening ten behoeve van zowel civiele missies als militaire operaties (aanwervingsprocedures en aanbestedingsprocedures) zodat deze zich op hun eigenlijke taken kunnen richten;

63.   benadrukt dat de civiele GVDB-missies en de andere EU-instrumenten nauw op elkaar moeten worden afgestemd om de middelen op doelmatiger wijze te kunnen gebruiken; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter om te zorgen voor coördinatie met de Commissie om samen met de EDEO de acties te plannen die zij op vergelijkbare gebieden voert; dringt aan op een permanente informatie-uitwisseling tussen de civiele GVDB-missies en de actoren belast met de politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten, in het bijzonder Europol, met name in de strijd tegen de georganiseerde misdaad;

64.   merkt op dat de Battlegroups, ondanks de hoge kosten, om politieke redenen maar ook vanwege de strenge vereisten betreffende hun inzet, tot op heden nog altijd niet zijn ingezet; staat achter een doeltreffender en flexibeler gebruik van de Battlegroups zodat zij eveneens kunnen worden ingezet als reservetroepen of als gedeeltelijke vervanging wanneer het proces voor troepenopbouw niet tot de gewenste resultaten heeft geleid, op voorwaarde dat naar behoren rekening wordt gehouden met de wensen van de landen die de groepen in kwestie gezamenlijk hebben gevormd; verzoekt om een verlenging van de voorlopige overeenkomst betreffende de kostendekking van de strategische inzet van de Battlegroups en om een uitbreiding van de gemeenschappelijke kosten voor de inzet van de Battlegroups; verzoekt de Raad de Battlegroups in te zetten in het kader van grootschalige militaire oefeningen; is verheugd over de onder het Zweedse voorzitterschap ondernomen werkzaamheden betreffende het kader waarbinnen en de flexibiliteit waarmee de Battlegroups kunnen worden ingezet en verzoekt de lidstaten om de aangenomen aanbevelingen uit te voeren;

65.   is verheugd over de geboekte vooruitgang op het gebied van militaire en civiele capaciteiten en dringt aan op spoedige vooruitgang bij:

   de projecten die een snellere inzet van de EVDB-missies en de troepen van de Unie mogelijk maken, te weten:
   de oprichting van een Europese vloot voor luchtvervoer en het bestuursmodel waarmee 14 lidstaten hebben ingestemd tijdens de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen, in de samenstelling met de ministers van Defensie, van 17 november 2009, de oprichting van een Europees vluchtcentrum voor luchtvervoer in Eindhoven en de oprichting van een multinationale A400M-eenheid, terwijl het de aanzienlijke vertraging betreurt die is opgelopen bij de levering en de betrokken lidstaten en de EDEO verzoekt het A400M-project te laten slagen, zodat de multinationale eenheid spoedig kan worden opgericht; benadrukt het feit dat het gebruik van militaire transportcapaciteit als ondersteuning van operaties op het gebied van civiele bescherming en crisisbeheer belangrijk is;
   de modernisering van de helikopters en de training van de bemanning, alsook het project betreffende de toekomstige helikopter voor zware lasten;
   de projecten voor de verbetering van de informatieverstrekking aan de militaire teams ingezet door de Europese Unie:
   de nieuwe generatie waarnemingssatellieten (MUSIS-programma);
   de akkoorden tussen een aantal lidstaten en het Satellietcentrum van de Europese Unie (EU Satellite Centre, EUSC) met als doel de toegang te verbeteren van het Satellietcentrum tot regeringsbeelden (Hélios II, Cosmo-Skymed en SAR-Lupe);
   de werkzaamheden van het Europees Defensieagentschap (EDA) betreffende de militaire behoeften op het gebied van de ruimtecontrole;
   het project betreffende de wereldwijde monitoring van milieu en veiligheid (GMES), terwijl het echter betreurt dat hierbij niet voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van de veiligheids- en defensiesector, in het bijzonder in termen van beeldresolutie; stelt dat het EUSC op dit gebied als tussenschakel zou kunnen fungeren;
   de projecten met als doel de maritieme dimensie van de EU te versterken met gebruikmaking van de militaire middelen van het GVDB:
   de instelling van een systeem voor maritieme controle naar het Baltische voorbeeld (SUBCAS) om het zeevervoer veiliger te doen verlopen en de strijd aan te gaan tegen illegale immigratie en mensenhandel, alsook tegen de verontreiniging van de zee;
   de routekaart voor de geïntegreerde maritieme controle, gepland voor 2010; is van mening dat het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende Europese spelers in geen enkel geval een belemmering mag vormen voor de tenuitvoerlegging van deze projecten;

66.   is verheugd over de bepalende rol van het EDA bij de ontwikkeling van deze kritische defensiecapaciteiten, met name dankzij de invoering van gemeenschappelijke programma's; verzoekt de lidstaten om het potentieel van het EDA beter te benutten overeenkomstig het nieuwe verdrag, haar voldoende middelen toe te kennen om aan de verwachtingen te kunnen voldoen en de planning van haar werkzaamheden te vereenvoudigen door de goedkeuring van een driejarig financieel kader en werkprogramma; verzoekt de lidstaten onverwijld de administratieve regeling tussen het EDA en de Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensiematerieelgebied (OCCAR) af te werken, alsook het veiligheidsakkoord tussen de Unie en de OCCAR, om hun samenwerking op het gebied van defensiematerieel doeltreffend te laten verlopen;

67.   ondersteunt de totstandbrenging van een concurrerende Europese industriële en technologische defensiebasis en van een open en transparante Europese markt voor defensiematerieel; verzoekt de lidstaten dan ook hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voort te zetten, met inachtneming van de aangegane verbintenis om hieraan 2% van hun defensie-uitgaven te besteden, en in onderlinge afstemming de richtlijnen van het defensiepakket om te zetten;

68.   verzoekt de Europese nationale agentschappen die defensieopdrachten plaatsen, om met de steun van het Europees Defensieagentschap concrete stappen te ondernemen om meer Europese aankopen te doen, met name door een vrijwillige gedragscode te tekenen die het principe van „Europese preferentie” invoert op sommige gebieden in verband met defensiematerieel waar het belangrijk is strategische autonomie en operationele soevereiniteit uit Europees oogpunt te behouden, en de industriële en technologische leiderspositie van Europa te ondersteunen;

69.   staat volledig achter de totstandbrenging van civiele en militaire synergieën op het gebied van capaciteiten; hoopt dat het CMPD en het EDA hun complementaire taken spoedig kunnen vaststellen, waarbij het CMPD onder het gezag van de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter binnen de EDEO een strategische rol moet gaan spelen bestaande uit het ingangzetten en het coördineren van de werkzaamheden, met name op het gebied van het vaststellen van de gemeenschappelijke behoeften, en het EDA een operationele rol moet gaan spelen bestaande uit het ontwikkelen van duale technologieën en civiele en militaire capaciteiten; is van mening dat onder andere het hoofdstuk „veiligheid” van het kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling als basis kan dienen voor het zoeken naar dergelijke synergieën;

70.   is verheugd over de vooruitgang geboekt onder het Zweedse voorzitterschap bij de oprichting van een pool van civiele en militaire deskundigen die kunnen worden ingezet voor de hervorming van de veiligheidssectoren, terwijl het de vertraging betreurt die is opgelopen bij de tenuitvoerlegging van deze in herfst 2008 voorgestelde maatregel, en verzoekt om de spoedige oprichting van deze pool;

71.   ondersteunt de opleidingsinitiatieven met als doel het samenwerkingsvermogen van Europees personeel te versterken en in het bijzonder:

   de organisatie van uitwisselingen tussen jonge Europese officieren naar het voorbeeld van het Erasmus-programma;
   de uitbreiding van de opleidingscapaciteiten op EU-niveau; benadrukt in het bijzonder de noodzaak om onverwijld de Europese veiligheids- en defensieacademie in haar nieuwe vorm op te richten, overeenkomstig het besluit van de Raad van december 2008;
   de uitbreiding van de institutionele opleidingscapaciteiten op EU-niveau; benadrukt in het bijzonder de noodzaak om onverwijld de Europese Academie voor extern optreden in haar nieuwe vorm op te richten, die bestaande opleidingsstructuren zoals het Defence College omvat, en ambtenaren van de Unie en de lidstaten die taken op het gebied van externe betrekkingen moeten vervullen, alsmede personeel van de GBDB-missies, in nauwe samenwerking met bevoegde instellingen in de lidstaten, scholing op basis van eenvormige en geharmoniseerde curricula kan geven, met een alomvattende en gemeenschappelijke opleiding voor alle ambtenaren en een passende opleiding in consulaire en gezantschapsprocedures, diplomatie, conflictbemiddeling en internationale betrekkingen, en in de geschiedenis en de ervaringen van de Europese Unie;

72.   is van mening dat een systematischer verband moet worden gelegd tussen de deelname door personeelsleden aan trainingen en hun inzet voor missies, teneinde de training van ingezet personeel te verbeteren en optimaal gebruik te maken van de voor training bestemde middelen; verzoekt de Raad een gemeenschappelijk Europees statuut voor ingezet personeel op te stellen, dat punten regelt zoals opleidingsnormen, aanwervings- en inzetvoorwaarden en de mate van operationele vrijheid, rechten en plichten, aard van de uitrusting en medische zorg, en socialezekerheidsregelingen in het geval van overlijden, verwonding of handicap;

73.   is verheugd over de ondertekening op 26 februari 2009 van het Verdrag van Straatsburg, dat rechtspersoonlijkheid aan het Eurokorps verleent; pleit ervoor dat deze multinationale strijdmacht indien noodzakelijk door de Unie wordt ingezet;

Financiering van het GVDB

74.   herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon de financiering van de missies en operaties die in het kader van het GVDB worden uitgevoerd, niet fundamenteel wijzigt:

   de civiele missies worden uit de EU-begroting gefinancierd;
   de gemeenschappelijke kosten van de militaire operaties worden via het Athena-mechanisme gefinancierd;

75.   herinnert aan de bepaling in het Verdrag van Lissabon over het startfonds, dat ter beschikking staat van de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger en is bedoeld voor de financiering van de voorbereiding van de GVDB-missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie; benadrukt de meerwaarde van dit fonds, dat de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger in staat moet stellen de GVDB-acties doeltreffender en sneller voor te bereiden; spoort de lidstaten dan ook aan om spoedig de uitvoeringswerkzaamheden te beginnen;

76.   verzoekt de lidstaten om de lijst met gemeenschappelijke kosten, gefinancierd via het Athena-mechanisme, uit te breiden om meer onderlinge solidariteit tot stand te brengen en meer landen aan te moedigen deel te nemen aan de militaire operaties van de Unie;

77.   stelt voor dat in het kader van de herziening van het Financieel Reglement, de regels en procedures voor crisisbeheersing, een gebied met specifieke vereisten (snelle inzet, veiligheidsvereisten, ...), worden versoepeld;

78.   herinnert eraan dat de door de Commissie beheerde financiële instrumenten een beslissende rol spelen op het gebied van crisisbeheersing, in het bijzonder het stabiliteitsinstrument en het Europees Ontwikkelingsfonds (waaronder de Vredesfaciliteit voor Afrika); benadrukt dat het belangrijk is om deze verschillende instrumenten op elkaar af te stemmen;

Partnerschappen
EU / NAVO

79.   herinnert eraan dat het strategische partnerschap tussen de Unie en de NAVO moet worden geconsolideerd en dat voor constructieve samenwerking tussen beide organisaties moet worden gezorgd; beveelt aan blokkeringen te vermijden en dringt aan op een herziening van de huidige afspraken inzake operationele samenwerking tussen de EU en de NAVO (Berlijn Plus-overeenkomst), alsmede op de ontwikkeling van een nieuw functioneel kader dat nauwere samenwerking vergemakkelijkt wanneer beide organisaties op hetzelfde strijdtoneel actief zijn;

80.   dringt erop aan dat de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger een doortastende dialoog met de secretaris-generaal van de NAVO aangaat over de lopende herziening van het strategisch concept van de organisatie, om te verzekeren dat de NAVO ten volle rekening houdt met de ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU, met inbegrip van een mogelijke permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie;

81.   betreurt dat de technische akkoorden tussen de NAVO en de Unie betreffende de operaties in Afghanistan en Kosovo nog altijd niet zijn gesloten; verzoekt de Raad en de lidstaten in de bevoegde organen van de EU en de NAVO hun politieke invloed aan te wenden om de uitvoering ervan te waarborgen;

82.   benadrukt de goede samenwerking tussen de twee organisaties in de strijd tegen de piraterij (operatie Atalanta en NAVO-operatie Ocean Shield);

83.   is verheugd over het voornemen van de secretaris-generaal van de NAVO om de Unie, met inbegrip van het Europees Parlement, te betrekken bij de besprekingen over de herziening van het strategische concept van deze organisatie; verwacht dat dit streven snel tot concrete initiatieven zal leiden;

84.   is verheugd over de samenwerking tussen de Unie en de NAVO op het gebied van militaire capaciteiten, naar het voorbeeld van de werkzaamheden voor de verbetering van de operationele capaciteit van helikopters;

EU / Verenigde Naties

85.   herinnert aan het belang van een nauwe samenwerking tussen de Unie en de Verenigde Naties op het gebied van crisisbeheersing, in het bijzonder op de strijdtonelen waar beide organisaties aanwezig zijn en/of operaties van elkaar overnemen; dringt aan op een versterkte samenwerking voorafgaande aan crises, in het bijzonder bij de planning van operaties;

EU / Afrikaanse Unie

86.   benadrukt het belang van een goede samenwerking tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie, overeenkomstig de verbintenissen aangegaan in het kader van het partnerschap inzake vrede en veiligheid van de EU-Afrikastrategie; is van mening dat de Europese Unie de Afrikaanse Unie zo veel mogelijk moet ondersteunen, in het bijzonder op de strijdtonelen waar de Afrikaanse Unie de enige organisatie ter plaatse is, zoals in Somalië, en verzoekt de Afrikaanse Unie ernaar te streven Afrika's crisisresponscapaciteit te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat efficiënter gebruik wordt gemaakt van de bijstand van internationale partners; verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan het probleem van de ongecontroleerde verspreiding van kleine en lichte wapens, met name in Afrika, en in deze context te benadrukken dat alle lidstaten de bestaande wapenregelgeving in crisisgebieden moeten naleven;

EU / Verenigde Staten

87.   verzoekt de Raad de betrekkingen tussen de Unie en de Verenigde Staten op het gebied van vredesopbouw en crisisbeheersing te ontwikkelen, eveneens op het gebied van militaire vraagstukken en natuurrampen, en merkt op dat deze samenwerking van bijzonder belang is in de strijd tegen de piraterij en in Somalië, bij de versterking van de Afrikaanse vredeshandhavingscapaciteiten, alsook in Kosovo en in Afghanistan; is bijzonder verheugd over de deelname van de Verenigde Staten, onder Europees gezag, aan de missie EULEX Kosovo;

88.   is van mening dat de nieuwe versie van het antiraketschild, overeenkomstig de plannen van de Amerikaanse regering, grondig moet worden bestudeerd en onderzocht en dat, als dit systeem wordt ontwikkeld, er rekening in moet worden gehouden met een gemeenschappelijke Europese visie die Europa tegen raketdreiging beschermt, in een dialoog die ons werelddeel omspant, waarbij de deelname van de Europese defensie-industrie aan de plaatsing van het schild moet worden aangemoedigd;

Deelname van derde landen aan het EVDB

89.   herinnert eraan dat tot nu toe 24 landen van 5 continenten aan 16 civiele en militaire operaties van de Unie hebben deelgenomen; benadrukt dat de deelname van derde landen aan operaties een belangrijke toegevoegde waarde, zowel op politiek als op operationeel vlak, vormt voor de operaties van de Unie; is van mening dat de Unie op deze weg verder moet gaan en de mogelijkheden moet onderzoeken om deze derde landen beter bij haar operaties te betrekken, zonder haar autonomie op besluitvormingsgebied te verliezen;

Parlementaire prerogatieven

90.   is verheugd over de grotere deelname van de Raad aan de werkzaamheden van het Europees Parlement op het gebied van veiligheid en defensie, met name binnen de gespecialiseerde subcommissie; is verheugd over de opneming van een hoofdstuk over de betrekkingen met het Parlement in de laatste conclusies van de Raad over het EVDB; moedigt de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger aan om in het kader van het Verdrag van Lissabon op deze weg verder te gaan teneinde het GVDB een sterke democratische legitimiteit te verlenen;

91.   herinnert eraan dat het Europees Parlement de enige supranationale instelling is die bevoegd is om democratische controle op het veiligheids- en defensiebeleid van de Unie uit te oefenen en dat deze rol is versterkt door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; is in het licht hiervan van mening dat de Assemblee van de WEU – die haar bestaan dankt aan een verdrag, het gewijzigde Verdrag van Brussel, dat niet door alle lidstaten van de Europese Unie is ondertekend – noch politiek de middelen heeft noch juridisch bevoegd is om parlementaire controle op het GVDB uit te oefenen;

92.   moedigt het Europees Parlement en de nationale parlementen dan ook aan, gezien de mogelijkheden die het Verdrag van Lissabon biedt, volledig gebruik te maken van protocol nr. 1 van dit verdrag om hun samenwerking op het gebied van het GBVB en het GVDB te versterken door nauwere en beter gestructureerde betrekkingen op het gebied van veiligheids- en defensievraagstukken te ontwikkelen tussen hun respectievelijke bevoegde commissies; benadrukt dat deze versterkte samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in de plaats zal komen van de bevoegdheden die de Assemblee van de WEU zich onrechtmatig heeft toegeëigend; benadrukt eveneens de noodzaak om zijn eigen structuren aan te passen om een betere controle op het GVDB te kunnen uitoefenen; dringt er bij de Raad en de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter op aan manieren te vinden om het Europees Parlement en zijn bevoegde commissie van meet af aan te betrekken bij de uitwerking van civiele crisisbeheersingsconcepten en operationele plannen;

93.   verzoekt de Raad het Parlement van tevoren in kennis te stellen van de missies en operaties die worden voorbereid en van het verloop hiervan; stelt de Raad voor, ter verbetering van de transparantie, het Parlement regelmatig te informeren over het gebruik van het Athena-mechanisme en het startfonds, zoals de Raad reeds doet voor het gebruik van de GBVB-kredieten voor de civiele missies; is, met het oog op de duidelijkheid van de begroting, van oordeel dat in eerste instantie alle niet-militaire uitgaven in de EU-begroting moeten worden vermeld en dat als bijkomende stap, na een noodzakelijke wijziging van het Verdrag, ook de militaire uitgaven in de EU-begroting moeten worden vermeld;

94.   verzoekt om de herziening van de interinstitutionele akkoorden van 2002 tussen het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige informatie van de Raad op het gebied van het EVDB en het GVDB, opdat de verantwoordelijke parlementsleden, in het bijzonder de voorzitters van de subcommissies belast met veiligheid en defensie en met mensenrechten, over de nodige informatie kunnen beschikken om hun bevoegdheden weloverwogen te kunnen uitoefenen;

o
o   o

95.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, aan de parlementen van de lidstaten en aan de Parlementaire Vergadering van de NAVO, alsmede aan de secretarissen-generaal van de Verenigde Naties en van de NAVO.

(1) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 580.
(2) PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 334.
(3) PB C 285 E van 26.11.2009, blz. 23.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0075.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0076.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0099.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0057.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0333.

Laatst bijgewerkt op: 30 november 2010Juridische mededeling