Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2846(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B7-0494/2010

Debatten :

OJ 06/09/2010 - 143

Stemmingen :

PV 08/09/2010 - 6.3
CRE 08/09/2010 - 6.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0310

Aangenomen teksten
PDF 93kDOC 48k
Woensdag 8 september 2010 - Straatsburg Definitieve uitgave
De zaken Sakineh Mohammadi-Ashtiani en Zahra Bahrami
P7_TA(2010)0310B7-0494, 0495, 0496, 0497, 0498, 0499 en 0501/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2010 over de mensenrechtensituatie in Iran, en met name de veroordelingen van Sakineh Mohammadi-Ashtiani en Zahra Bahrami

Het Europees Parlement ,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name over de mensenrechten, inzonderheid die van 22 oktober 2009(1) en 10 februari 2010(2) ,

–  gezien de verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement ter gelegenheid van de Europese dag tegen de doodstraf op 9 oktober 2009, alsook de verklaring van 11 augustus 2010 over de veroordeling van de Baha'i-leiders,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 14 juni 2010 en 6 juli 2010,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 23 september 2009 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran en de verklaring over Iran van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 4 maart 2010,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met name de resoluties 62/149 en 63/168 betreffende een moratorium op executies in afwachting van de afschaffing van de doodstraf,

–  gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle vier door de Islamitische Republiek Iran zijn ondertekend,

–  gezien het Verdrag van Wenen over diplomatieke en consulaire betrekkingen van 1963,

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Iran wereldwijd nog steeds het land is dat de meeste jeugdige delinquenten terechtstelt en dat alleen al in 2010 circa 2 000 doodstraffen zijn opgelegd,

B.  overwegende dat volgens berichten in de Mashad's Vahil Abad-gevangenis alleen al in de afgelopen weken meer dan honderd gevangenen zijn terechtgesteld wegens drugsdelicten, en dat een honderdtal anderen in de loop van de komende dagen zal worden terechtgesteld; overwegende dat het collectieve karakter van deze terechtstellingen, waartoe bovendien in het grootste geheim wordt besloten, een flagrante schending vormt van de internationale wetgeving,

C.  overwegende dat Iran in tegenstelling tot de beweringen van de hoogste Iraanse gerechtelijke instanties nog steeds de straf van dood door steniging oplegt, zoals in het geval van Sakineh Mohammadi-Ashtiani wegens „overspel”, wat in haar op 11 augustus 2010 op de televisie uitgezonden „bekentenis” werd benadrukt,

D.  overwegende dat Sakineh Mohammadi-Ashtiani in 2006 in Iran is veroordeeld tot een straf van 99 zweepslagen wegens twee buitenechtelijke intieme relaties na de dood van haar man, en dat deze straf hetzelfde jaar nog is uitgevoerd,

E.  overwegende dat zij tevens werd beschuldigd van medeplichtigheid aan de moord op haar man, maar is vrijgesproken, waarna zij werd beschuldigd van overspel tijdens haar huwelijk, en veroordeeld tot de dood door steniging,

F.  overwegende dat de steniging die op 9 juli 2010 zou plaatsvinden, na internationale pressie door de Iraanse autoriteiten „om humanitaire redenen” is opgeschort,

G.  overwegende dat het stenigingsvonnis een aperte schending betekent van de internationale verplichtingen die krachtens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten op Iran rusten; overwegende dat Iran onlangs nog bij zijn universele periodieke toetsing in de VN-Mensenrechtenraad heeft aanvaard om ten minste de minimumnormen en bepalingen van bovengenoemd verdrag met betrekking tot de doodstraf, zolang die nog blijft bestaan, te eerbiedigen,

H.  overwegende dat de achttienjarige Ebrahim Hamidi in augustus ter dood werd veroordeeld wegens vermeende sodomie op slechts zestienjarige leeftijd, na een bekentenis te hebben afgelegd die volgens zijn zeggen onder foltering was afgedwongen,

I.  overwegende dat de verdediger in beide zaken, Mohammad Mostafaei, die trachtte de publieke opinie op hun situatie te attenderen, het land moest ontvluchten uit angst om te worden gearresteerd, en overwegende dat steeds meer mensenrechtenadvocaten, waaronder Mohammed Ali Dadkah, Mohammad Oliyifard, Mohammad Seifzadeh en zelfs bekende persoonlijkheden zoals Nobelprijswinnaar Shirin Ebadi, het slachtoffer worden van vervolging door de staat, variërend van buitengewoon hoge belastingaanslagen tot doodsbedreigingen jegens henzelf en hun naasten,

J.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh, een alom gerespecteerde mensenrechtenadvocaat vanwege haar inspanningen voor ter dood veroordeelde jongeren en het verdedigen van gewetensgevangenen, op 4 september 2010 werd gearresteerd op beschuldiging van „propaganda tegen de staat” en „samenzwering en samenkomst met als doel in strijd met de nationale veiligheid te handelen”,

K.  overwegende dat een jaar na de frauduleuze presidentsverkiezingen en de daaropvolgende massaprotesten, honderden demonstranten, journalisten en burgerrechtenactivisten of zelfs burgers die iedere betrokkenheid bij de demonstraties ontkennen, zoals de Nederlandse staatsburger Zahra Bahrami, nog steeds gevangenzitten,

L.  overwegende dat Zahra Bahrami, die naar Iran was gereisd om haar familie te bezoeken, naar aanleiding van de protesten tijdens Asjoera op 27 december 2009 is gearresteerd, en is gedwongen op televisie bekentenissen af te leggen ten aanzien van de feiten waarvan zij werd beschuldigd,

M.  overwegende dat noch internationale mensenrechtenorganisaties noch de Nederlandse autoriteiten toestemming hebben gekregen voor contact met mevrouw Bahrami,

N.  overwegende dat gedwongen bekentenissen, foltering en mishandeling van gevangenen, slaaponthouding, eenzame opsluiting, clandestiene detentie en wrede, onmenselijke en vernederende behandeling, fysieke mishandeling met inbegrip van seksueel geweld, en straffeloosheid voor staatsfunctionarissen nog steeds dagelijkse praktijk is, wat grote twijfel oproept over de eerlijkheid en transparantie van de rechtsgang,

O.  overwegende dat er steeds vaker gevallen voorkomen waarin verdedigers van de burgerrechten worden beschuldigd van „moharabeh” (vijandschap tegen God), waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd, zoals in het geval van Shiva Nazar Ahari, lid van de Iraanse Commissie van mensenrechtenjournalisten, die sinds 20 december 2009 vastzit en binnenkort wordt berecht,

P.  overwegende dat de vervolging van religieuze en etnische minderheden in Iran onverminderd aanhoudt; overwegende dat de zeven baha'i-leiders Fariba Kamalabadi, Jamaloddin Khanjani, Afif Naeimi, Saeid Rezaie, Mahvash Sabet, Behrouz Tavakkoli en Vahid Tizfahm, die sinds 2008 uitsluitend op grond van hun geloofsovertuiging vastzitten, in augustus op beschuldiging van propaganda tegen de staat en spionage tot 20 jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld,

Q.  overwegende dat de intimidatie van de oppositiepolitici Mir-Hossein Mousavi en Mehdi Karrubi, alsook van andere prominente leden van politieke partijen, blijft voortduren; overwegende dat het verblijf van de voormalige presidentskandidaat Mehdi Karroubi begin september is aangevallen door tientallen agenten in burger die graffiti op zijn huis aanbrachten, vandalisme pleegden, ramen stukgooiden en binnen zijn huis schoten losten; overwegende dat deze aanvallen plaatsvonden nadat de commandant van de revolutionaire garde, Mohammad Ali Jafari, had verklaard dat het volk van Iran de „opstandelingenleiders”, waarmee hij de oppositieleiders bedoelde, zou veroordelen; overwegende dat de politie geen enkele poging heeft gedaan om een eind te maken aan de aanvallen,

R.  overwegende dat de Iraanse rechtspraak mensen die worden beschuldigd van misdrijven gelijkstelt met de politieke oppositie in Iran, en de politieke oppositie gelijkstelt met het begaan van misdaden, met het doel de politieke oppositie en misdaad over één kam te scheren,

1.  betuigt zijn respect voor alle moedige Iraanse mannen en vrouwen die strijden voor de verdediging van de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen, die actief protesteren tegen steniging en andere wrede straffen, en die wensen te leven in een maatschappij die vrij is van onderdrukking en intimidatie;

2.  veroordeelt met klem de veroordeling van Sakineh Mohammadi-Ashtiani tot de dood door steniging, meent dat een veroordeling tot de dood door steniging, ongeacht de gepleegde feiten, nooit gerechtvaardigd of aanvaardbaar is;

3.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan de vonnissen die tegen Sakineh Mohammadi-Ashtiani zijn uitgesproken te herroepen, en haar veroordeling uitgebreid te herzien;

4.  verzoekt de Iraanse regering met klem de zaak van mevrouw Bahrami te heropenen, toe te staan dat zij wordt bijgestaan door een advocaat en consulaire bijstand krijgt, haar vrij te laten of een eerlijk proces te geven; verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie, Catherine Ashton, de detentie van Zahra Bahrami aan te kaarten bij de Iraanse autoriteiten;

5.  roept de regering van Iran op om het doodvonnis tegen Ebrahim Hamidi, een achttienjarige die wordt beschuldigd van sodomie, niet te voltrekken, en dringt erop aan dat de Islamitische Republiek Iran eindelijk de doodstraf afschaft voor misdaden die door jongeren onder de achttien jaar zijn begaan en haar wetgeving aanpast aan de internationale door Iran geratificeerde mensenrechtenverdragen, met inbegrip van het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

6.  is zeer ontsteld over het feit dat Iran, samen met Afghanistan, Somalië, Saoedi-Arabië, Soedan en Nigeria, nog steeds tot de zeer kleine groep landen behoort die het vonnis van dood door steniging wijzen; verzoekt het Iraanse parlement onmiddellijk wetgeving goed te keuren die de wrede en onmenselijke praktijk van steniging verbiedt;

7.  bevestigt zijn afwijzing van de doodstraf en verzoekt de Iraanse autoriteiten om overeenkomstig de resoluties 62/149 en 63/168 van de Verenigde Naties een moratorium op executies in te stellen, in afwachting van de afschaffing van de doodstraf;

8.  dringt aan op voorlegging van een resolutie aan de volgende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin alle landen die de doodstraf kennen wordt gevraagd de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de publieke opinie volledige openheid te verschaffen over de doodstraf en terechtstellingen, teneinde het stilzwijgen van staatswege omtrent de doodstraf, waarvan bij een groot aantal terechtstellingen sprake is, te doorbreken;

9.  verklaart zich tegenstander van elke criminalisering van consensuele seksuele relaties tussen volwassenen en verzoekt de autoriteiten van Iran met klem om „echtbreuk” en homoseksualiteit uit het strafrecht te halen;

10.  verzoekt de Iraanse autoriteiten dringend om zowel wettelijk als feitelijk een eind te maken aan alle vormen van foltering en iedere andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op een eerlijke procesvoering te handhaven en een halt toe te roepen aan het straffeloos schenden van de mensenrechten;

11.  verzoekt de Islamitische Republiek Iran het VN-Verdrag inzake de eliminatie van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen te ondertekenen en te ratificeren;

12.  betreurt het gebrek aan rechtvaardigheid en transparantie van de rechtsgang ten zeerste en roept de Iraanse autoriteiten op om in te staan voor een eerlijke en open beroepsprocedure;

13.  verzoekt de Iraanse autoriteiten de Rode Halve Maan zonder uitzondering toegang te verlenen tot alle gevangenen, en internationale mensenrechtenorganisaties toe te staan de situatie in het land te volgen;

14.  dringt bij de Iraanse autoriteiten aan op de onmiddellijke vrijlating van al degenen die uitsluitend op grond van hun vreedzaam protest en hun wens gebruik te maken van hun fundamentele mensenrecht van vrijheid van meningsuiting vastzitten, en verzoekt met name opnieuw om vrijspraak van de zeven baha'i-leiders;

15.  wijst erop dat de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst fundamentele rechten vormen die onder alle omstandigheden dienen te worden gewaarborgd, overeenkomstig artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat de Islamitische Republiek Iran heeft ondertekend en geratificeerd;

16.  dringt aan op onmiddellijke vrijlating van alle gearresteerde mensenrechtenadvocaten;

17.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de Iraanse autoriteiten misbruik maken van rechtsbevoegdheid om mensenrechten- en maatschappijactivisten aan te pakken, zoals de leden van de „één miljoen handtekeningen”-campagne en van de Centrale Raad van de studentenorganisatie ADVAR;

18.  verzoekt de Commissie en de Raad aanvullende maatregelen te formuleren in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten om Iraanse mensenrechtenactivisten actief te beschermen, en moedigt de lidstaten aan het Europese „Shelter City”-programma te ondersteunen;

19.  verzoekt om een nieuw VN-mandaat voor een speciale rapporteur om wantoestanden te onderzoeken en ertoe aan te zetten dat degenen die zich schuldig maken aan schendingen van de mensenrechten in Iran ter verantwoording worden geroepen;

20.  wenst dat de bestaande lijst van personen en organisaties die niet naar de EU mogen reizen en waarvan bezittingen worden bevroren, wordt uitgebreid tot degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten, repressie en vrijheidsbeknotting in het land;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-veiligheidsraad, de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, de voorzitter van het Iraanse Hooggerechtshof en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0060.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0016.

Laatst bijgewerkt op: 29 juli 2011Juridische mededeling