Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2848(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0511/2010

Debatten :

PV 09/09/2010 - 10.2
CRE 09/09/2010 - 10.2

Stemmingen :

PV 09/09/2010 - 11.2

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0316

Aangenomen teksten
PDF 80kDOC 39k
Donderdag 9 september 2010 - Straatsburg Definitieve uitgave
Mensenrechten in Syrië, in het bijzonder de zaak Haythan Al-Maleh
P7_TA(2010)0316B7-0511, 0512, 0513, 0514, 0515 en 0516/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2010 over mensenrechten in Syrië, met name de zaak Haythan Al-Maleh

Het Europees Parlement ,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Syrië, met name die van 8 september 2005 over de politieke gevangenen in Syrië(1) , van 15 juni 2006 over Syrië(2) , van 24 mei 2007 over mensenrechten in Syrië(3) , en van 17 september 2009 over Syrië: de zaak Muhannad Al-Hassani(4) ,

–  gezien zijn verslag met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad betreffende de onderhandelingen over een Europees-mediterrane associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Arabische Republiek Syrië anderzijds, aangenomen op 10 oktober 2006,

–  gezien zijn verslag over het EU-beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers, dat op 17 juni 2010 werd aangenomen,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, waarbij Syrië partij is,

–  gezien het Verdrag van de VN tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1975, door Syrië geratificeerd op 18 september 2004,

–  gezien de verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers van 1998,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Top van Parijs voor het Middellandse Zeegebied van 13 juli 2008,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton over schending van de mensenrechten in Syrië van 27 juli 2010,

–  gelet op artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  gezien de betekenis van de politieke, economische en culturele banden tussen de Europese Unie en Syrië,

B.  overwegende dat de heer Haythan Al-Maleh, een 80-jarige Syrische mensenrechtenadvocaat, op 14 oktober 2009 door medewerkers van de Syrische algemene inlichtingendienst werd gearresteerd, tot zijn ondervraging door de militaire aanklager op 20 oktober 2009 zonder contact met de buitenwereld gevangen werd gehouden, en door de tweede militaire rechtbank van Damascus op 4 juli 2010 wegens „verspreiding van valse en overdreven informatie die kan leiden tot verzwakking van het nationaal gevoel” overeenkomstig de artikelen 285 en 286 van het Syrische wetboek van Strafrecht werd veroordeeld tot vier jaar gevangenschap, ondanks het feit dat militaire rechtbanken niet de bevoegdheid hebben burgers te berechten,

C.  overwegende dat uit meldingen van internationale organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich bezighouden met de waarneming van processen blijkt dat het proces van de heer Al-Maleh niet aan de internationale rechtvaardigheidsnormen voldoet, waaronder het recht om voor onschuldig te worden gehouden en het recht op verdediging,

D.  overwegende dat de heer Al-Maleh, die aan artritis en diabetes lijdt en problemen heeft met zijn schildklier niet regelmatig van medicatie wordt voorzien; overwegende dat zijn gezondheidssituatie gedurende de zomer van 2010 ernstig is verslechterd,

E.  overwegende dat ook andere belangrijke Syrische mensenrechtenadvocaten, waaronder de heer Muhannad Al-Hassani en de heer Ali Al-Abdullah nog steeds in Syrië gevangen worden gehouden,

F.  overwegende dat de vervolging en veroordeling van de heer Al-Maleh op grond van het feit dat hij publieke verklaringen heeft afgelegd over het wettelijke en politieke stelsel in Syrië en van de heer Muhannad Al-Hassani voor aanklachten die betrekking hebben op zijn professionele activiteiten als advocaat, waaronder zijn waarneming van en verslaglegging over hoorzittingen aan het staatsveiligheidshof, in feite neerkomen op straf voor de uitoefening van hun legitieme recht op vrije meningsuiting, zoals dat is neergelegd in het IVBPR, waarbij Syrië partij is,

G.  overwegende dat praktijken zoals intimidatie, beperking van de bewegingsvrijheid en willekeurige arrestatie van mensenrechtenadvocaten in Syrië door de Syrische overheidsinstanties zeer regelmatig plaatsvinden; overwegende dat deze praktijken strijdig zijn met de belangrijke rol van Syrië in de regio,

H.  overwegende dat het feit dat de noodwet permanent van kracht is de burgers in feite beperkt in de uitoefening van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering,

I.  overwegende dat de Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Syrië, anderzijds nog ondertekend moet worden; overwegende dat de ondertekening van deze overeenkomst op verzoek van Syrië sinds oktober 2009 is uitgesteld; overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten een wezenlijk deel van deze overeenkomst is,

J.  overwegende dat het partnerschap tussen de landen die deel uitmaken van de Unie voor het Middellandse Zeegebied gebaseerd is op de verbintenis om de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals die zijn verankerd in de internationale mensenrechtenwetgeving, ten volle te eerbiedigen,

1.  spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de situatie van de heer Haythan Al-Maleh en dringt er bij de Syrische autoriteiten op aan hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en zijn lichamelijke en geestelijke integriteit onder alle omstandigheden te garanderen;

2.  dringt er bij de Syrische regering op aan alle gevallen van gewetensgevangenen nog eens te bekijken overeenkomstig de Syrische grondwet en de internationale verbintenissen van Syrië en alle gewetensgevangenen onmiddellijk vrij te laten, waaronder de heer Muhannad Al-Hassani, de heer Ali Al-Abdullah, de heer Anour Al-Bunni en de heer Kamal Labwani;

3.  dringt er bij de Syrische autoriteiten op aan een einde te maken aan het vervolgen en lastigvallen van verdedigers van de mensenrechten en hun familieleden en ervoor te zorgen dat verdedigers van de mensenrechten hun activiteiten zonder belemmeringen of intimidaties kunnen uitoefenen;

4.  dringt er bij de Syrische autoriteiten op aan de internationale mensenrechtennormen en de internationale verplichtingen die het land vrijwillig is aangegaan en die de vrijheid van mening en meningsuiting en het recht op een eerlijk proces garanderen te eerbiedigen, alsmede te waarborgen dat gevangenen goed behandeld worden en gevrijwaard zijn van folter en slechte behandeling en dat zij snel, regelmatig en ongelimiteerd contact kunnen opnemen met hun familieleden, advocaten en artsen;

5.  verzoekt de Syrische autoriteiten erop toe te zien dat de rechterlijke macht en met name het opperste staatsveiligheidshof op een transparante manier te werk gaat;

6.  herhaalt zijn verzoek tot opheffing van de meer dan 40 jaar geleden afgekondigde noodtoestand in Syrië;

7.  beschouwt het vooruitzicht van de ondertekening van de associatieovereenkomst als een belangrijke kans om de voortdurende mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen en het hervormingsproces in Syrië te versterken; verzoekt de Raad en de Commissie ten volle gebruik te maken van deze cruciale hefboom door een bilateraal actieplan inzake mensenrechten en democratie aan te nemen waarin duidelijk wordt aangegeven welke specifieke verbeteringen op het gebied van de mensenrechten van de Syrische autoriteiten worden verwacht;

8.  benadrukt dat het Parlement overeenkomstig artikel 218 van het VWEU in iedere fase van de onderhandelingen over internationale overeenkomsten ten volle geïnformeerd moet worden; verzoekt de Commissie derhalve het Parlement verslag uit te brengen over de stand van de onderhandelingen met de Syrische autoriteiten over de ondertekening van de associatieovereenkomst;

9.  is verheugd over de voortgaande dialoog tussen de Europese Unie en Syrië en hoopt dat de permanente inspanningen tot verbeteringen zullen leiden, niet alleen in de economische en sociale situatie in Syrië, zoals momenteel reeds het geval is, maar tevens op politiek en mensenrechtengebied;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, en de regering en het parlement van de Arabische Republiek Syrië.

(1) PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 349.
(2) PB C 300 E van 9.12.2006, blz. 519.
(3) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 485.
(4) PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 32.

Laatst bijgewerkt op: 11 augustus 2011Juridische mededeling