Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2855(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0541/2010

Debatten :

PV 06/10/2010 - 10
CRE 06/10/2010 - 10

Stemmingen :

PV 07/10/2010 - 9.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0351

Aangenomen teksten
PDF 106kWORD 57k
Donderdag 7 oktober 2010 - Brussel Definitieve uitgave
Werelddag tegen de doodstraf
P7_TA(2010)0351B7-0541, 0542, 0543, 0544 en 0545/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf

Het Europees Parlement,

–  gezien het zesde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstraf, van 28 april 1983,

–  gelet op het Tweede Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten inzake de afschaffing van de doodstraf, van 15 december 1989,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de afschaffing van de doodstraf, met name de resolutie van 26 april 2007 over het initiatief voor een universeel moratorium op de doodstraf(1) ,

–  onder verwijzing naar zijn resoluties van 26 november 2009 over China: rechten van minderheden en toepassing van de doodstraf(2) , van 20 november 2008 over de doodstraf in Nigeria(3) , van 17 juni 2010 over terechtstellingen in Libië(4) , van 8 juli 2010 over Noord-Korea(5) , van 22 oktober 2009 over Iran(6) , van 10 februari 2010 over Iran(7) en van 8 september 2010 over mensenrechten in Iran, met name de zaken van Mohammadi Ashtiani en Zahra Bahrami(8) ,

–  gezien Resolutie 62/149 van 18 december 2007 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarin een moratorium op de toepassing van de doodstraf wordt geëist, en Resolutie 63/168 van 18 december 2008 waarin de tenuitvoerlegging van Resolutie 62/149 van 2007 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wordt geëist,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de Algemene Vergadering over moratoria op de toepassing van de doodstraf van 11 augustus 2010 (A/65/280),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de vijftiende bijeenkomst van de Raad voor de mensenrechten over moratoria het vraagstuk van de doodstraf van 16 juli 2010 (A/HRC/15/19),

–  gezien de tijdens de plenaire vergadering van 16 juni 2010 gehouden toespraak van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie over het mensenrechtenbeleid, waarin deze verklaard heeft dat afschaffing van de doodstraf in de gehele wereld een prioriteit is voor de EU en voor haar persoonlijk,

–  gezien de verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement, Jerzy Buzek, van 19 oktober 2009, waarbij deze een krachtige oproep doet tot afschaffing van de doodstraf,

–  gezien de slotverklaring van het vierde wereldcongres tegen de doodstraf, dat heeft plaatsgevonden in Genève van 24 tot 26 februari 2010, waarin wordt opgeroepen tot de universele afschaffing van de doodstraf,

–  gezien de resolutie van 2008 van de Afrikaanse commissie voor de rechten van de mens en van volkeren, de resolutie van 2009 van de parlementaire vergadering van de OVSE over een moratorium op de doodstraf, en andere regionale initiatieven, zoals die van de inter-Amerikaanse commissie voor de mensenrechten,

–  gezien de herziene en bijgewerkte versie van de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, die de Raad op 16 juni 2008 heeft goedgekeurd,

–  gezien de Werelddag tegen de doodstraf en de invoering van een Europese Dag tegen de doodstraf, elk jaar op 10 oktober,

–  gelet op artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie met grote inzet ijvert voor afschaffing van de doodstraf overal ter wereld en de universele instemming met dit beginsel nastreeft,

B.  overwegende dat de EU wereldwijd de leidende institutionele partij is in de strijd tegen de doodstraf en dat haar optreden op dit gebied de voornaamste prioriteit vormt van haar externe mensenrechtenbeleid; overwegende dat de EU eveneens de belangrijkste donor is bij de inspanningen van maatschappelijke organisaties in de hele wereld voor afschaffing van de doodstraf,

C.  overwegende dat de doodstraf als extreme vorm van wrede, onmenselijke en onterende bestraffing, een schending vormt van het recht op leven zoals vastgelegd in de Universele verklaring van de rechten van de mens, en overwegende dat de detentieomstandigheden als gevolg van het besluit tot toepassing van de doodstraf gelijk te stellen zijn met een daad van foltering die onaanvaardbaar is voor staten die de mensenrechten eerbiedigen,

D.  overwegende dat diverse studies hebben aangetoond dat de doodstraf geen effect heeft op trends wat gewelddadige criminaliteit betreft,

E.  overwegende dat is aangetoond dat de doodstraf voornamelijk wordt toegepast op achtergestelde personen,

F.  overwegende dat de bepalingen van het zesde en dertiende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens de lidstaten van de Raad van Europa verbieden de doodstraf toe te passen,

G.  overwegende dat de EU zich beijvert voor moratoria op de toepassing van de doodstraf door derde landen en mettertijd de afschaffing ervan, en voor de ratificatie van de desbetreffende internationale VN- en andere instrumenten, met name het tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat in afschaffing van de doodstraf voorziet,

H.  overwegende dat de afschaffing van de doodstraf een van de thematische prioriteiten is voor steun van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), dat sinds 1994 meer dan 30 projecten over de gehele wereld heeft gefinancierd, met een totale begroting van meer dan 15 miljoen EUR,

I.  overwegende dat het Europees Parlement sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet instemmen met de sluiting van handelsovereenkomsten, en meer in het algemeen van internationale overeenkomsten met derde landen,

J.  overwegende dat het statuut van het Internationaal Strafhof, tezamen met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda, het Speciaal Hof voor Sierra Leone, de speciale panels voor ernstige misdaden in Dili, Oost-Timor, en de Buitengewone Kamers van de Rechtbanken van Cambodja, de doodstraf uitsluit voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide, de ernstigste misdaden in de ogen van de internationale gemeenschap, waarover zij jurisdictie hebben,

K.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2007 en in 2008 de historische Resoluties 62/149 en 63/168 heeft aangenomen waarin wordt opgeroepen tot een wereldwijd moratorium op terechtstellingen en uiteindelijk de afschaffing van de doodstraf, en wat dat betreft beklemtonend dat steeds meer landen deze resolutie zijn gaan steunen, zodat Resolutie 63/168 met een overweldigende meerderheid werd aangenomen, namelijk met 106 stemmen voor en 46 tegen bij 34 onthoudingen,

L.  overwegende dat tijdens het vierde Wereldcongres tegen de doodstraf, dat in februari 2010 te Genève plaatsvond, de landen met de facto afschaffing werden opgeroepen de doodstraf bij formele wet af te schaffen, de staten waar de doodstraf de jure is afgeschaft, om de universele afschaffing als thema in hun internationale betrekkingen te integreren, en internationale en regionale organisaties om de universele afschaffing te steunen door aanneming van resoluties voor een moratorium op executies,

M.  overwegende dat in 154 staten in de wereld de doodstraf de jure of de facto is afgeschaft: in 96 staten is de doodstraf volledig afgeschaft, ongeacht het misdrijf, in 8 staten blijft deze alleen nog mogelijk in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in oorlogstijd, in 6 staten geldt een moratorium op terechtstellingen, en in 44 staten is sprake van de facto afschaffing (d.w.z. landen waar sinds ten minste 10 jaar geen terechtstelling meer is voltrokken of landen die zich ertoe hebben verbonden de doodstraf niet aan te wenden),

N.  overwegende dat meer dan 100 landen die de doodstraf voor misdrijven handhaven, de terechtstelling van jeugddelinquenten hebben uitgebannen; daarbij onderstrepend dat een klein aantal landen nog steeds kinderdelinquenten terechtstellen, in flagrante schending van het internationale recht, met name van artikel 6, lid 5, van het ICCPR, met name overwegende dat Iran het hoogste aantal minderjarigen vasthoudt,

O.  overwegende dat er momenteel wereldwijd enkele tientallen Europese onderdanen in afwachting zijn van hun executie of een terdoodveroordeling tegemoet zien, en dat het in dit verband van cruciaal belang is om de Europese reactie op de mogelijke executie van Europese onderdanen te consolideren en te verstevigen,

P.  overwegende dat de president van de Doema van de Russische federatie, Boris Gryzlov, op 23 maart 2010 op een vergadering in Moskou met leden van het toezichtcomité van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, heeft gezegd dat Rusland het zesde Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstraf niet heeft geratificeerd i.v.m. terroristische dreigingen in het land,

Q.  overwegende dat het parlement van Kirgizië op 11 februari 2010 het tweede facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten inzake de afschaffing van de doodstraf, geratificeerd heeft, en dat het definitieve ontwerp van grondwet, dat onder andere de doodstraf verbiedt en thans is goedgekeurd, op 21 mei 2010 door de interim-regering van Kirgizië openbaar is gemaakt,

R.  overwegende dat wereldwijd 43 landen de doodstraf handhaven en dat het hoogste aantal executies heeft plaatsgevonden in China, Iran en Irak; overwegende dat China alleen al ca. 5 000 of 88% van het totale aantal executies ter wereld heeft voltrokken; dat Iran ten minste 402 mensen ter dood heeft gebracht, Irak ten minste 77 en Saoedi-Arabië ten minste 69,

S.  overwegende dat Iran nog steeds de doodstraf door steniging toepast in strijd met het tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

T.  overwegende dat de Noord-Koreaanse overheidsautoriteiten zich stelselmatig aan moorden namens de staat schuldig maken en dat het rechtsapparaat ondergeschikt aan de staat is gemaakt en overwegende dat de doodstraf wordt toegepast bij een breed scala aan misdrijven tegen de staat en regelmatig door het wetboek van strafrecht wordt uitgebreid, terwijl burgers, ook kinderen, gedwongen worden openbare terechtstellingen bij te wonen,

U.  overwegende dat in Japan gevangenen en hun familieleden en advocaten in het duister moeten tasten omtrent hun noodlotsdag totdat deze gekomen is,

V.  overwegende dat de Presidentiële Raad van Irak onlangs de doodvonnissen van ten minste 900 gevangenen, onder wie vrouwen en kinderen, heeft geratificeerd,

W.  overwegende dat Wit-Rusland het enige Europese land blijft dat de doodstraf nog steeds in de praktijk toepast overwegende dat zowel de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa als de Europese Unie er herhaaldelijk bij Wit-Rusland op hebben aangedrongen de doodstraf af te schaffen; overwegende dat details rond de doodstraf in Wit-Rusland geheim worden gehouden, dat er ernstige bezorgdheid over een eerlijke procesgang bestaat en dat volgens het wetboek van strafvordering de doodstraf zonder getuigen met de kogel wordt voltrokken, en dat de administratie van de detentie-inrichting de rechter op de hoogte brengt van de executies, waarop de rechter de familieleden informeert; overwegende dat het lichaam van een geëxecuteerde niet voor teraardebestelling aan zijn/haar familie wordt teruggegeven, en de plaats van het graf niet bekend wordt gemaakt,

X.  overwegende dat 35 van de 50 staten die samen de Verenigde Staten van Amerika vormen de doodstraf kennen, hoewel in 4 daarvan sinds 1976 geen executies hebben plaatsgevonden; overwegende dat in 2009 het aantal executies is toegenomen tot 52 na het aflopen van het de facto moratorium dat gold van september 2007 tot mei 2008, hoewel voor het zevende opeenvolgende jaar het aantal doodvonnissen in de Verenigde Staten van Amerika is gedaald tot 106,

Y.  verheugd over het feit dat sommige staten, waaronder Montana, New Mexico, New Jersey, New York, North Carolina en Kentucky, zich zijn gaan verzetten tegen de doodstraf via allerlei maatregelen waaronder een moratorium op executies of de afschaffing van de doodstraf, maar zijn veroordeling uitsprekend over de executies van Teresa Lewis in Virginia en Holly Wood in Alabama, ondanks bewijzen dat beiden een verstandelijk handicap hadden; tevens erop wijzende dat Mumia Abu-Jamal in Pennsylvania en Troy Davis in Georgia in afwachting zijn van hun executie,

1.  is vanouds tegenstander van de doodstraf, in alle gevallen en onder alle omstandigheden, en beklemtoont nogmaals dat afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de verhoging van de menselijke waardigheid en de geleidelijke ontwikkeling van de mensenrechten;

2.  veroordeelt alle terechtstellingen, waar zij ook plaatsvinden; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de tenuitvoerlegging van de VN-resolutie inzake een universeel moratorium op executies door te zetten, teneinde te komen tot een volledige afschaffing van de doodstraf in alle landen waar zij nog wordt toegepast; vraagt de Raad en de Commissie actie te ondernemen om de aanwending van de doodstraf geleidelijk aan te beperken, waarbij erop moet worden aangedrongen dat bij executies ten minste de internationale minimumnormen in acht worden genomen; geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het opleggen van de doodstraf aan minderjarigen en aan personen met een psychische of intellectuele handicap en wenst dat daar onmiddellijk en definitief een eind aan gemaakt wordt;

3.  dringt er bij de EU op aan alle beschikbare instrumenten op het vlak van diplomatie en samenwerkingsbijstand aan te wenden teneinde zich in te zetten voor afschaffing van de doodstraf;

4.  dringt er bij de landen die de doodstraf toepassen op aan onmiddellijk een moratorium op executies in te stellen; spoort voorts landen zoals China, Egypte, Iran, Maleisië, Soedan, Thailand en Vietnam ertoe aan officiële statistieken over de aanwending van de doodstraf in hun land te publiceren; vraagt ook Noord-Korea met klem onmiddellijk en blijvend een eind te maken aan openbare terechtstellingen;

5.  doet een beroep op Japan licht te werpen op zijn stelsel van toepassing van de doodstraf;

6.  moedigt de landen die de doodstraf niet hebben afgeschaft aan de waarborgen ter bescherming van de rechten van terdoodveroordeelden te eerbiedigen, als verankerd in de Waarborgen van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de resterende landen die het tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet hebben ondertekend en geratificeerd aan te moedigen dit alsnog te doen, alsmede de lidstaten die het dertiende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens inzake de doodstraf niet hebben ondertekend dit alsnog te doen;

7.  dringt er bij de OVSE-landen, met name de Verenigde Staten en Wit-Rusland, op aan onmiddellijk een moratorium op executies af te kondigen;

8.  vraagt Kazachstan en Letland met aandrang de bepalingen in hun nationale wetgeving die nog steeds toestaan dat voor bepaalde misdrijven onder uitzonderlijke omstandigheden de doodstraf wordt opgelegd, te wijzigen;

9.  spoort de EU-lidstaten en alle mede-ondersteuners van de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uit 2007 en 2008 er met klem toe aan om in het kader van een versterkte interregionale alliantie in de 65ste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een vervolgresolutie over de doodstraf in te dienen:

   de afschaffing van „staatgeheimen” rondom de doodstraf;
   de positie van een speciale afgevaardigde die zich niet alleen zou belasten met het toezicht op de situatie en het uitoefenen van druk om tot meer transparantie binnen de stelsels van toepassing van de doodstraf te komen, maar die ook degenen die nog steeds aan de doodstraf vasthouden ertoe te bewegen zich te scharen achter de opstelling van de VN, die een moratorium op terechtstellingen wenst met het oog op de afschaffing van de doodstraf;
   de drempel van „ernstigste misdrijven” voor de wettige toepassing van de doodstraf;

10.  dringt er bij de deelnemende OVSE-staten op aan het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) en OVSE-missies aan te moedigen om in samenwerking met de Raad van Europa bewustmakingsactiviteiten tegen toepassing van de doodstraf uit te voeren, met name bij de media, rechtshandhavingsfunctionarissen, beleidsmakers en het publiek;

11.  dringt er bij OVSE-staten die willen vasthouden aan de doodstraf op aan om informatie betreffende de doodstraf op transparante wijze te behandelen en voor ieder toegankelijke informatie over de identiteit van terdoodveroordeelden of terechtgestelde personen te verstrekken, evenals statistische gegevens over toepassing van de doodstraf, overeenkomstig OVSE-verplichtingen;

12.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan, met name met het oog op het opzetten van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), sturing te geven aan een alomvattend en effectief Europees beleid inzake de doodstraf, met betrekking tot de tientallen Europese onderdanen van wie vaststaat dat zij in derde landen in afwachting zijn van hun executie, waarbij moet worden voorzien in forse en versterkte mechanismen in termen van identificatiesysteem, verlening van rechtsbijstand, juridische interventies en diplomatieke demarches van de EU;

13.  moedigt voorts de activiteiten aan van niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor afschaffing van de doodstraf, waaronder Hands Off Cain, Amnesty International, Penal Reform International, World Coalition Against the Death Penalty, de Internationale Helsinki-Federatie voor mensenrechten, Sant'Egidio en Reprieve; verwelkomt en steunt de aanbevelingen betreffende EU-instrumenten in de strijd tegen de doodstraf die op het twaalfde EU-NGO Forum inzake de mensenrechten werden gedaan;

14.  verbindt zich ertoe de kwestie van de doodstraf op de voet te volgen en specifieke gevallen aan te kaarten bij de autoriteiten van de desbetreffende landen en mogelijke initiatieven en ad hoc missies naar landen die vasthouden aan de doodstraf te overwegen, en er bij regeringsautoriteiten op aan te dringen een moratorium af te kondigen op executies met het oog op volledige afschaffing ervan;

15.  verzoekt de Raad en de Commissie wanneer er overeenkomsten worden gesloten met landen die de doodstraf nog steeds toepassen of met landen die het moratorium op executies met het oog op afschaffing van de doodstraf niet hebben ondertekend, hen ten zeerste aan te moedigen dit alsnog te doen;

16.  vraagt de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie en de lidstaten met één stem te blijven spreken en in gedachten te houden dat de belangrijkste politieke inhoud van de resolutie moet zijn dat er een wereldwijd moratorium wordt ingesteld, als een cruciale stap naar volledige afschaffing van de doodstraf;

17.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie met name om blijk te geven van de politieke prioriteit die zij aan de afschaffing van de doodstraf toekent door dit onderwerp stelselmatig ter sprake te brengen in haar politieke contacten met landen die aan de doodstraf willen vasthouden en door middel van regelmatige persoonlijke interventies ten behoeve van personen die het risico van terechtstelling op korte termijn lopen;

18.  herinnert eraan dat de volledig afschaffing van de doodstraf een van de voornaamste doelen van het mensenrechtenbeleid van de EU blijft; is van oordeel dat dit doel alleen zal worden bereikt door nauwe samenwerking tussen de staten, samenwerking in het algemeen, voorlichting, bewustmaking, efficiency en doeltreffend optreden;

19.  moedigt daartoe regionale samenwerking aan; wijst er bij voorbeeld op dat Mongolië in januari 2010 formeel een moratorium heeft ingesteld op executies en dat, als positief gevolg daarvan, verscheidene landen die vasthouden aan de doodstraf zich hebben gebogen over de grondwettelijkheid van deze vorm van bestraffing;

20.  doet een beroep op de Raad en de Commissie manieren te omschrijven waarop de uitvoering en doeltreffendheid van de EU-richtsnoeren betreffende de doodstraf kunnen worden verbeterd tijdens de lopende herziening van het mensenrechtenbeleid van de EU, in het bijzonder met het oog op de voorgenomen herziening van deze richtsnoeren in 2011;

21.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de Werelddag tegen de doodstraf en de Europese dag tegen de doodstraf aan te grijpen om aandacht te vragen voor onder andere de gevallen van Sakineh Mohamadi Ashtiani, Zahara Bahrami, Mumia Abu-Jamal, Troy Davis, Oleg Grisjkovstov, Andrej Burdyko en Ebrahim Hamidi, Suliamon Olyfemi en Siti Zainab Binti Duhri Rupa;

22.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN, alsmede de regeringen van de staten die lid zijn van de VN.

(1) PB C 74 E van 20.3.2008, blz. 775.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0105.
(3) PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 71.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0246.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0290.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2009)0060.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0016.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0310.

Laatst bijgewerkt op: 22 november 2011Juridische mededeling