Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2852(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0535/2010

Ingediende teksten :

B7-0535/2010

Debatten :

PV 07/10/2010 - 5
CRE 07/10/2010 - 5

Stemmingen :

PV 07/10/2010 - 11.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0357

Aangenomen teksten
PDF 75kDOC 38k
Donderdag 7 oktober 2010 - Brussel Definitieve uitgave
De toekomst van het Europees Sociaal Fonds
P7_TA(2010)0357B7-0535/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 7 oktober 2010 over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds

Het Europees Parlement ,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2010,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010 (EUCO13/10), en met name de goedkeuring van de Europa 2020-strategie,

–  gezien het OESO-verslag van 2010 over de rol van scholing in deze tijden van crisis,

–  gezien de conclusies van de Raad over het strategische verslag 2010 van de Commissie over de uitvoering van de programma's in het kader van het cohesiebeleid, die op 14 juni 2010 zijn goedgekeurd op de 3023e bijeenkomst van de Raad buitenlandse zaken,

–  gelet op artikel 6, onder e), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gelet op artikel 156 van het VWEU,

–  gelet op artikel 162 van het VWEU,

–  gelet op artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

1.  merkt op dat het Europees Sociaal Fonds (ESF) een essentiële rol speelt bij de verbetering van werkgelegenheids- en arbeidskansen, de bevordering van de aanpassing van de vaardigheden van werknemers aan de vraag op de arbeidsmarkt, de integratie van werknemers op de arbeidsmarkt en de versterking van de sociale inclusie;

2.  vestigt de aandacht op de vier werkgelegenheidsrichtsnoeren die het Europees Parlement heeft goedgekeurd en is verheugd dat werkgelegenheid en armoedebestrijding in de context van (re-)integratie in het arbeidsproces door opleiding tot deze doelstellingen behoren;

3.  benadrukt dat wezenlijke vooruitgang bij de verwezenlijking van de Europa 2020-streefcijfers en -doelstellingen, met name op werkgelegenheids- en sociaal gebied, essentieel is voor de geloofwaardigheid van de strategie;

4.  is van mening dat de Europa 2020-streefcijfers en -doelstellingen slechts kunnen worden gehaald als dit instrument wordt gebruikt om het mkb te steunen en het onderwijssysteem en de beroepsopleiding aan de behoeften van het mkb aan te passen;

5.  is van mening dat een sterkere nadruk op goed functionerende arbeidsmarkten en sociale voorwaarden van wezenlijk belang is om de groei, de productiviteit en de werkgelegenheid in Europa te bevorderen;

6.  is ook van oordeel dat er om de Europa 2020-streefcijfers te halen sterke nadruk moet worden gelegd op de modernisering van het onderwijssysteem en de beroepsopleiding, fatsoenlijk werk (met inbegrip van de bestrijding van baanonzekerheid en zwartwerk), gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het scheppen van de voorwaarden voor het combineren van werk en privéleven, en toegang tot de arbeidsmarkt voor mensen die momenteel van de arbeidsmarkt uitgesloten zijn;

7.  is van mening dat het ESF moet worden versterkt als voornaamste drijvende kracht achter de Europa 2020-strategie; benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten het ESF gebruiken om te investeren in vaardigheden, werkgelegenheid, opleiding en herscholing, zodat meer en betere banen kunnen worden geschapen;

8.  is van mening dat de doeltreffendheid van het ESF afhangt van de mate waarin het zich kan aanpassen aan de diverse problemen die voortvloeien uit specifieke lokale en regionale omstandigheden; moedigt daarom een bottom-up aanpak van het vaststellen van de ESF-doelstellingen aan;

9.  is van mening dat beleid gericht op duurzame economische groei en het scheppen van banen een noodzakelijke voorwaarde is voor het verwezenlijken van sociale en territoriale samenhang in Europa;

10.  wijst erop dat territoriale samenhang weliswaar belangrijk is, maar dat er, naar de letter en de geest van de Verdragen, en met name artikel 9 van het VWEU, nog grotere behoefte is aan verdere inspanningen om voor sociale samenhang te zorgen;

11.  benadrukt dat het regionale beleid en het sociale beleid van de EU onderling samenhangen en beide essentieel zijn voor het welslagen van de EU 2020-strategie, en vraagt de Commissie een duidelijk kader vast te stellen het creëren van sterke synergie tussen alle Europese beleidsgebieden en de structuurfondsen;

12.  benadrukt dat de economische, sociale en territoriale samenhang moeten worden versterkt door het bevorderen van inzetbaarheid, arbeidskansen, een hoge arbeidsparticipatie en meer en betere banen;

13.  benadrukt daarom hoe belangrijk het is al het mogelijke te doen om de beleidsmaatregelen en instrumenten van de EU op gecoördineerde en wederzijds ondersteunende wijze te laten samenwerken om de mensen in Europa te helpen een goede baan te vinden, carrière te maken, uit de armoede te raken door middel van integratie op de arbeidsmarkt via opleiding, alle vormen van sociale uitsluiting te vermijden en, in het algemeen, baat te vinden bij toekomstige groei;

14.  erkent dat de structuurfondsen de voornaamste financieringsinstrumenten voor het nastreven van sociale doelstellingen blijven, en verzoekt de Commissie synergie met andere programma's te bevorderen en coherentie tussen de meerjarige kaderprogramma's, zoals Daphne, Progress, het volksgezondheidsprogramma en het programma Europa voor burgers, te bevorderen;

15.  vraagt de Commissie de mogelijkheden van de structuurfondsen te vergroten door vereenvoudiging in het bijzonder van het toezicht,, flexibiliteit en betere procedures en follow-up, en de nadruk te leggen op de sociale-integratiedimensie, teneinde de lidstaten te helpen de resultaten van hun sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid te optimaliseren en duurzame groei te creëren; beklemtoont dat het ESF wat de toewijzing van middelen betreft transparanter moet worden, ten einde de inspanningen van de Europese Unie voor werkgelegenheid echt zichtbaar te maken;

16.  onderstreept het belang van het ESF als instrument om werkloosheid tegen te gaan, de scholing en bijscholing van werknemers te verbeteren – met name tijdens de huidige werkgelegenheidscrisis – en armoede en uitsluiting te bestrijden;

17.  is van mening dat het ESF een grotere rol moet krijgen bij het verbeteren van de inzetbaarheid en het aanpassingsvermogen van werknemers; vraagt de Commissie alle mogelijke beleidsopties te onderzoeken om de bijdrage van het ESF in de context van de toekomstige architectuur van de structuurfondsen te vergroten, ten einde het sociaal model van de Europese Unie te versterken; meent dat er aanzienlijke voordelen aan verbonden zouden zijn als het ESF onder de basisverordening houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen zou blijven vallen, maar dan wel met eigen regels;

18.  is van mening dat het vrije verkeer van personen in de interne markt in sommige delen van de EU, met name in grote steden, heeft geleid tot nieuwe problemen in verband met het bieden van dringende sociale bescherming aan mensen die zichzelf niet kunnen bedruipen, en dat particuliere (charitatieve) organisaties en overheidsdiensten die noodhulp bieden, bijvoorbeeld aan daklozen of gemarginaliseerde groepen in de samenleving, daardoor onder druk komen te staan;

19.  onderstreept dat het partnerschapsbeginsel transparantie en vereenvoudiging in de hand werkt en dat de partners daarom zelf verantwoordelijkheid moeten dragen om hun rol naar behoren te vervullen; benadrukt dat de partnerschapsbenadering verder moet worden versterkt door ESF-steun te verlenen voor capaciteitsontwikkeling en opleiding voor de partners;

20.  is van mening dat er voor het ESF een centrale rol is weggelegd bij het bevorderen van de sociale dimensie van economische groei en de actieve participatie van de burgers in de samenleving en op de arbeidsmarkt, hetgeen gelijke kansen voor iedereen bevordert als vector voor sociale en intergenerationele solidariteit en de totstandbrenging van een meer inclusieve samenleving met het oog op minder armoede;

21.  is van mening dat de resultaten van het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting 2010 de Commissie kunnen helpen om de ESF-steun voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in de EU efficiënter en gerichter te besteden door steun te verlenen voor betere scholing met het oog op toekomstige banen;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Laatst bijgewerkt op: 22 november 2011Juridische mededeling