Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2524(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B7-0067/2011

Debatten :

PV 20/01/2011 - 11.3
CRE 20/01/2011 - 11.3

Stemmingen :

PV 20/01/2011 - 12.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0028

Aangenomen teksten
PDF 84kDOC 42k
Donderdag 20 januari 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
Iran, met name de zaak Nasrin Sotoudeh
P7_TA(2011)0028B7-0043, 0049, 0067, 0068, 0069, 0070 en 0071/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 20 januari 2011 over Iran – het proces tegen Nasrin Sotoudeh

Het Europees Parlement ,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran, met name over de mensenrechten, inzonderheid die van 10 februari 2010(1) en 8 september 2010(2) ,

–  gezien de verklaring d.d. 23 november 2010 van Navy Pillay, de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten, waarin deze zijn bezorgdheid uitte over het proces tegen Nasrin Sotoudeh en verklaarde dat deze affaire moest worden gezien als onderdeel van een veel bredere onderdrukkingscampagne en dat de situatie van mensenrechtenverdedigers in Iran met de dag moeilijker werd,

–  gezien de in 1998 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties unaniem aangenomen verklaring over mensenrechtenverdedigers, waarin wordt gesteld dat de staten in het kader van hun legitieme bemoeiingen ten behoeve van de mensenrechten „alle nodige voorzieningen dienen te treffen ter bescherming door de bevoegde autoriteiten van mensenrechtenverdedigers tegen alle vormen van geweld, bedreiging, represailles, de facto of de jure uitgeoefende discriminatie, pressie of om het even welke andere vorm van willekeurig optreden”,

–  gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, en het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Iran partij is,

–  gelet op de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 21 december 2010 over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gelet op artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh, een prominente Iraanse mensenrechtenadvocaat, tot 11 jaar gevangenis is veroordeeld op beschuldiging van „activiteiten die indruisen tegen de nationale veiligheid”, „lidmaatschap van het Centrum voor verdedigers van de mensenrechten”, het niet dragen van de hejab (islamitische kleding) tijdens de opname van een videoboodschap en „het voeren van propaganda tegen het regime”; voorts overwegende dat haar ook een verbod is opgelegd op de uitoefening van haar beroep als jurist, alsmede een reisverbod gedurende 20 jaar na de beëindiging van haar straf,

B.  overwegende dat Sotoudeh, een moeder met twee kinderen, op 4 september 2010 is gearresteerd en langdurige periodes in eenzame opsluiting heeft doorgebracht en naar verluidt is gemarteld, dat haar iedere vorm van contact met haar familie en advocaat is ontzegd, en dat zij na een hongerstaking om te protesteren tegen de manier waarop zij werd vastgehouden en haar een eerlijke rechtsbedeling werd onthouden, aan de rand van de dood heeft verkeerd,

C.  overwegende dat Sotoudeh's echtgenoot, Reza Khandan, op 15 januari 2011 bij de politie is ontboden en een nacht in de cel heeft doorgebracht, dat hij vervolgens op door een derde verstrekte borgsom is vrijgelaten en wordt vervolgd omdat hij het voor zijn vrouw heeft opgenomen,

D.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh als advocaat is opgetreden voor de Nederlandse staatsburger Zahra Bahrami, die na de Asjoera-manifestaties op 27 december 2009 is gearresteerd en onlangs ter dood is veroordeeld,

E.  overwegende dat de veroordeling van Sotoudeh deel uitmaakt van een systematische campagne tegen mensenrechtenadvocaten en -activisten in Iran, in het kader waarvan ook de veroordeling op 7 januari 2011 van Shiva Nazarahari, mede-oprichter van het Comité van mensenrechtenverslaggevers en een prominente activist, tot vier jaar gevangenis en 74 zweepslagen moet worden gezien, alsmede de veroordeling op 30 oktober 2010 van Mohammed Seifzadeh, een prominente advocaat, tot negen jaar gevangenis en een tienjarig verbod op de uitoefening van zijn beroep als jurist; overwegende dat de mensenrechtenadvocaat Mohammad Oliyafar een eenjarige gevangenisstraf moet uitzitten voor de verdediging van zijn cliënten; overwegende dat daarnaast ook andere verdedigers van de mensenrechten in Iran, namelijk Mohammad Ali Dadkhah, Abdolfattah Soltani en Houtan Kian, rechtsvervolging boven het hoofd hangt,

F.  overwegende dat ruim een jaar na de Asjoera-demonstraties in december 2009 honderden Iraanse burgers die toentertijd gearresteerd waren, nog steeds gevangen zitten, en dat de autoriteiten het hele jaar zijn doorgegaan met het arresteren van mensen, met name ter gelegenheid van de dag van de studenten op 7 december 2010, en overwegende dat er volgens de rapporten van Amnesty International ruim 70 studenten nog steeds worden vastgehouden,

G.  overwegende dat zowel journalisten als bloggers voortdurend het mikpunt van de instanties zijn, dat er naar verluidt momenteel ruim 30 journalisten achter de tralies zitten, en dat het recht op vrije meningsuiting zelfs wordt ontzegd aan gerenommeerde representanten van de Iraanse cultuur zoals filmregisseur Jafar Panahi, die in december 2010 een twintigjarig verbod op het maken van films kreeg opgelegd en is veroordeeld tot 6 jaar hechtenis,

H.  overwegende dat gedwongen bekentenissen, foltering en mishandeling van gevangenen, slaaponthouding, eenzame opsluiting, clandestiene detentie en wrede, onmenselijke en vernederende behandeling, fysieke mishandeling met inbegrip van seksueel geweld, en straffeloosheid voor staatsfunctionarissen nog steeds dagelijkse praktijk zijn, wat grote twijfels oproept over de eerlijkheid en transparantie van de rechtsgang in het land,

I.  overwegende dat rouwende familieleden van degenen die om het leven zijn gebracht, in plaats van aanspraak te kunnen maken op een onderzoek naar buitengerechtelijke executies, juist met arrestatie worden bedreigd, zoals in het geval van Mahdi Ramazani, die in december 2010 bij het graf van zijn zoon in hechtenis werd genomen en exorbitante borgsomcondities opgelegd kreeg waaraan hij volstrekt niet kan voldoen,

J.  overwegende dat Iran jegens de internationale gemeenschap de verplichting is aangegaan het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te zullen naleven,

1.  roept de regering van de Islamitische Republiek Iran ertoe op Nasrin Sotoudeh en alle andere gewetensgevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en beschouwt de veroordeling van Nasrin Sotoudeh als een politieke affaire, die erop gericht is een van de toonaangevende mensenrechtenverdedigers in Iran op non-actief te stellen;

2.  spreekt zijn nadrukkelijke veroordeling uit over het buitengewoon strenge vonnis dat tegen Nasrin Sotoudeh is uitgesproken en over de intimidatie van haar echtgenoot, en prijst haar voor haar moed en betrokkenheid;

3.  roept de Islamitische Republiek Iran ertoe op zich te houden aan de in de Grondbeginselen van de VN inzake de rol van advocaten neergelegde normen, die bepalen dat advocaten in de gelegenheid moeten worden gesteld hun werk „zonder intimidatie, hinder, mishandeling of oneigenlijke inmenging” uit te oefenen en waarin wordt erkend dat advocaten recht hebben op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van „het recht deel te nemen aan het publieke debat over kwesties met betrekking tot de wet, de rechtsbedeling en de bevordering en bescherming van de mensenrechten”;

4.  betreurt het gebrek aan rechtvaardigheid en transparantie van de rechtsgang in Iran ten zeerste en roept de Iraanse autoriteiten ertoe op garant te staan voor een eerlijke en open rechtsbedeling en -praktijk; appelleert aan het hoofd van de Iraanse rechterlijke macht, Ayatollah Sadegh Amoli Larijani, om een onafhankelijke commissie op te richten voor het instellen van een onderzoek naar de vervolging van mensenrechtenadvocaten en om alle functionarissen die aan illegale procedures hebben meegewerkt ter verantwoording te roepen;

5.  roept de autoriteiten ertoe op het straffeloos optreden van mensenrechtenschenders binnen de veiligheidstroepen te bestrijden; dringt eens te meer aan op een onafhankelijk onderzoek naar de buitengerechtelijke executies die naar verluidt sinds de betwiste presidentsverkiezingen van juni hebben plaatsgevonden en verlangt dat de vermeende daders worden berecht;

6.  roept de regering van Iran ertoe op volledig samen te werken met alle internationale mensenrechtenmechanismen, met de Verenigde Naties te blijven zoeken naar mogelijkheden tot samenwerking op het gebied van mensenrechten en justitiële hervorming, en volledige uitvoering te geven aan de aanbevelingen in het kader van de universele periodieke evaluatie (Universal Periodic Review);

7.  dringt erop aan een nieuw VN-mandaat in te stellen voor een speciale rapporteur om mensenrechtenmisbruiken te onderzoeken en werk te maken van de toerekenbaarheid van degenen die zich in Iran aan mensenrechtenschendingen schuldig hebben gemaakt;

8.  verzoekt de Iraanse autoriteiten de Rode Halve Maan zonder uitzondering toegang te verlenen tot alle gevangenen, en internationale mensenrechtenorganisaties toe te staan de situatie in het land te volgen;

9.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan het tegen Zahra Bahrami uitgesproken vonnis te heroverwegen, haar een eerlijk proces te gunnen en haar gezien haar Nederlandse staatsburgerschap conform de internationale normen toegang tot de Nederlandse autoriteiten te verlenen;

10.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden aanvullende maatregelen te formuleren in het kader van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten teneinde Iraanse mensenrechtenverdedigers actief te beschermen, en moedigt de lidstaten en plaatselijke autoriteiten ertoe aan initiatieven zoals het „European Shelter City”-programma en de „International Cities of Refuge” te ondersteunen;

11.  dringt erop aan dat de bestaande lijst van personen en organisaties die niet naar de EU mogen reizen en waarvan bezittingen worden bevroren, wordt uitgebreid tot Iraanse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten, repressie en vrijheidsbeknotting in het land;

12.  roept de EU-vertegenwoordigers en de vice-voorzitter van de Commissie/Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ertoe op met de Islamitische Republiek Iran opnieuw besprekingen over de mensenrechten aan te knopen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de voorzitter van het Iraanse Hooggerechtshof en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

(1) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 9.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0310.

Laatst bijgewerkt op: 4 april 2012Juridische mededeling