Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2011 over de situatie in Tunesië
Het Europees Parlement
,
– onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de mensenrechten in Tunesië, en met name zijn resoluties van 29 september 2005(1)
, 15 december 2005(2)
en 15 juni 2006(3)
,
– gezien de Euro-mediterrane associatieovereenkomst die in maart 1998 werd ondertekend tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Republiek Tunesië anderzijds,
– gezien het beleid van de Unie op het gebied van de mensenrechten en de democratie in derde landen, door de Raad vastgesteld in december 2005,
– gezien zijn resolutie van 14 februari 2006(4)
over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten,
– gezien de mededeling van de Commissie van 4 december 2006 getiteld „De versterking van het Europese nabuurschapsbeleid” (COM(2006)0726),
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Het Europees nabuurschapsbeleid: een balans - follow-upverslag Tunesië” (COM(2010)0207 − SEC(2010)0513),
– gezien het actieprogramma Europese Unie-Tunesië,
– gezien zijn resolutie over het beleid van de Europese Unie ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(5)
, dat op 17 juni 2010 werd aangenomen,
– gezien de verklaring van de Europese Unie na afloop van de achtste bijeenkomst van de Associatieraad EU-Tunesië op 11 mei 2010,
– gezien de verklaringen van 13 januari en 17 januari 2011 van mevrouw Ashton, hoge vertegenwoordiger van de Unie, en van commissaris Füle over de situatie in Tunesië,
– gezien de verklaring van 17 januari 2011 van de heer Buzek, Voorzitter van het Europees Parlement, over de situatie in Tunesië,
– gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de massale betogingen, die in het gehele land hebben plaatsgevonden nadat Mohammed Bouazizi zichzelf op 17 december 2010 in brand had gestoken, op 14 januari 2011 tot het vertrek van president Ben Ali hebben geleid en het Tunesische volk in staat hebben gesteld zijn vrijheid te hervinden en een einde te maken aan het regime dat de thans afgezette president Ben Ali in 1987 had gevestigd,
B. overwegende dat de vreedzame protestbeweging door de ordestrijdkrachten met geweld is onderdrukt waarbij meer dan honderd slachtoffers vielen,
C. overwegende dat de EU niet in staat is een echt samenhangend en doeltreffend buitenlands beleid ten aanzien van haar partners te ontwikkelen; met name nota nemend van de zwakke samenwerkingsmechanismen tussen de EU en Tunesië en andermaal wijzend op het verzoek van het Europees Parlement om de mensenrechtenclausules in de associatieovereenkomsten systematisch vergezeld te laten gaan van een mechanisme om deze clausules daadwerkelijk toe te passen, overwegende dat het derhalve noodzakelijk is het huidige nabuurschapsbeleid te herzien,
D. overwegende dat Tunesië er in de conclusies van de Associatieraad van 11 mei 2010 aan wordt herinnerd dat de hervorming van het rechtswezen van wezenlijk belang is voor een daadwerkelijke toenadering tot de Europese Unie, evenals pluralisme en democratische participatie, de vrijheid van meningsuiting en van vereniging en de bescherming van de voorvechters van de mensenrechten; overwegende dat de Tunesische autoriteiten geen enkele van deze verbintenissen zijn nagekomen,
E. overwegende dat Tunesië en de Europese Unie werkten aan de opstelling van een actieprogramma voor de periode 2011-2016; overwegende dat dit proces van beide partners meer inzet vergt op alle gebieden, met name op dat van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden,
F. overwegende dat de hoop op een stabiele democratie die door de val van het autoritaire regime in Tunesië is gewekt, ertoe kan bijdragen dat andere volkeren dezelfde idealen verwezenlijken,
1. betuigt zijn solidariteit met het Tunesische volk dat, gedreven door een gewettigd verlangen naar democratie en de eis van betere sociale omstandigheden en meer werkgelegenheid, zijn land naar een historische politieke ommekeer heeft gevoerd; looft in dit verband de moed en vastberadenheid van het Tunesische volk tijdens de betogingen en betuigt zijn medeleven aan de families van de slachtoffers en zijn solidariteit aan degenen die gewond zijn geraakt;
2. veroordeelt de onderdrukking en het buitensporige geweld waarvan de ordestrijdkrachten zich hebben bediend; is daarentegen ingenomen met de houding van het leger, dat geweigerd heeft op de betogers te schieten; dringt aan erop aan een onafhankelijk onderzoek te openen naar de dodelijke incidenten en het buitensporige gebruik van geweld in de afgelopen weken, alsmede naar gevallen van corruptie, en vervolgens de verantwoordelijken te dagvaarden;
3. acht het belangrijk dat alle politieke, sociale, burgerlijke en democratische krachten in Tunesië volledig vertegenwoordigd zijn, omdat de overgangsregering alleen dan het vertrouwen van de bevolking en de nodige legitimiteit zal genieten om de verkiezingen en de overgang naar democratie te kunnen voorbereiden;
4. betuigt zijn krachtdadige steun voor het democratische proces; onderstreept dat het belangrijk is de nodige voorwaarden te scheppen voor het houden van verkiezingen − met voldoende tijd voor alle oppositiebewegingen en alle media om zich op nationaal niveau te organiseren − voor een nieuwe nationale vergadering die belast wordt met het opstellen van een democratische grondwet waarin het evenwicht tussen de uitvoerende en de wetgevende macht en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in acht worden genomen; wenst dat alle democratische krachten die zich ertoe verbinden het pluralisme, de gewetensvrijheid en de democratische machtswisseling te zullen respecteren, aan deze verkiezingen kunnen deelnemen; is in dit verband verheugd over de opheffing van het ministerie van Informatie en de waarborging van de vrijheid van meningsuiting;
5. is ingenomen met het wetsontwerp over algehele amnestie waardoor de vrijlating van politieke gevangenen, de terugkeer van tegenstanders van het regime, de erkenning van alle oppositiepartijen en de mogelijkheid voor niet-gouvernementele organisaties zich te laten registreren mogelijk moeten worden;
6. verzoekt om de onmiddellijke toepassing door de EU van de besluiten om de onrechtmatig verkregen bezittingen van de familie van Ben Ali en haar entourage te blokkeren; is verheugd over de aankondiging van de autoriteiten dat de roerende en onroerende goederen van de RCD-partij aan de staat zullen worden teruggegeven;
7. steunt de instelling van drie commissies, elk voorgezeten door onafhankelijke en geachte persoonlijkheden, voor respectievelijk de hervorming van de instellingen en van de wetten op de instellingen, de bestrijding van corruptie en de gebeurtenissen na 17 december 2010; onderstreept het feit dat deze commissies hun werkzaamheden in alle onafhankelijkheid moeten kunnen verrichten en over een daadwerkelijke enquêtebevoegdheid moeten kunnen beschikken; acht het noodzakelijk dat deze commissies, voorzover zij dit wensen, kunnen profiteren van de expertise en de ondersteuning van het Hoge Commissariaat voor de mensenrechten en de relevante VN-mechanismen;
8. verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de EU zich in te zetten voor de oprichting van een task force waaraan het Europees Parlement deelneemt en die tot taak heeft in te gaan op de behoeften inzake de begeleiding van de overgang naar de democratie, zoals die zijn geformuleerd door de drijvende krachten achter de democratische veranderingen, met name voor wat betreft de voorbereiding van vrije en democratische verkiezingen, steun voor de oprichting van politieke partijen en voor de opkomst van onafhankelijke media, alsook de wederopbouw van een transparant staatsapparaat dat onafhankelijk is van de politieke macht, en van een rechtvaardige en onafhankelijke rechtspraak;
9. verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de EU/vicevoorzitter van de Commissie de aanstaande verkiezingsprocedure te steunen door een verkiezingswaarnemingsmissie naar Tunesië te sturen;
10. verzoekt de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de EU derhalve klaar te staan om de middelen voor de diverse financiële samenwerkingsinstrumenten EU-Tunesië te herschikken en indien nodig te verhogen;
11. verzoekt de Commissie en de EIB te overwegen om Tunesië te steunen door middel van leningen tegen een gunstig rentetarief, ten einde de Tunesische economie in staat te stellen zich te diversifiëren en aan de Tunesische jongeren uitzicht op geschoold werk te bieden, in het kader van een daadwerkelijk ontwikkelingscontract dat plaatselijke en buitenlandse productieve investeringen bevordert;
12. verzoekt de Commissie om de steun en de hulp die het Europees maatschappelijk middenveld aan de Tunesische maatschappij, in het bijzonder mensenrechtenverenigingen en vakbonden, kan bieden, te bevorderen, ook financieel;
13. dringt er bij de Europese Unie op aan lering te trekken uit het Tunesische voorbeeld en haar beleid ter ondersteuning van de democratie en de mensenrechten te herzien door een mechanisme op te zetten voor de uitvoering van de mensenrechtenclausule in alle overeenkomsten met derde landen; dringt erop aan dat bij de herziening van het nabuurschapsbeleid voorrang wordt verleend aan de criteria met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechtspraak, de eerbiediging van de fundamentele vrijheden, de pluriformiteit van de media, de persvrijheid en de bestrijding van corruptie; dringt aan op een betere coördinatie met de overige beleidsmaatregelen van de Unie ten aanzien van deze landen;
14. is van mening dat de bestrijding van corruptie en de versteviging van de rechtstaat in derde landen basiscriteria zijn om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de bevolking en om buitenlandse investeringen aan te trekken;
15. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de EU, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en de overgangsregering en het parlement van Tunesië.