Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/0302(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0098/2011

Ingediende teksten :

A7-0098/2011

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/05/2011 - 5.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0211

Aangenomen teksten
PDF 105kDOC 92k
Woensdag 11 mei 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen ***I
P7_TA(2011)0211A7-0098/2011
Resolutie
 Geconsolideerde tekst
 Tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2011 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (gecodificeerde tekst) (COM(2010)0610 – C7-0340/2010 – 2010/0302(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement ,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0610),

–  gelet op artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0340/2010),

–  gelet op artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2011(1) ,

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(2) ,

–  gelet op de artikelen 86 en 55 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0098/2011),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 84 van 17.3.2011, blz. 54.
(2) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 mei 2011 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (Codificatie)
P7_TC1-COD(2010)0302

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1) ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2) ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 87/402/EEG van de Raad van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen(3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(4) . Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)  Richtlijn 87/402/EEG is één van de bijzondere richtlijnen van het bij Richtlijn 74/150/EEG van de Raad geregelde EG-typegoedkeuringssysteem, thans geregeld in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad(5) en stelt de technische voorschriften vast betreffende het ontwerp en de constructie van landbouw- of bosbouwtrekkers met betrekking tot de vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen. Deze technische voorschriften beogen de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2003/37/EG geregelde EG-typegoedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type trekker mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2003/37/EG betreffende landbouw- of bosbouwtrekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines, alsmede de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing. 

(3)  Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn is van toepassing op de in artikel 2, onder j), van Richtlijn 2003/37/EG  omschreven trekkers met de volgende kenmerken:

   a) maximum vrije hoogte van 600 mm onder het laagste punt van de voor- en achteras, rekening houdend met het differentieel;
   b) vaste of instelbare minimum spoorbreedte van de as met de grootste banden van minder dan 1 150 mm; de as met de breedste banden wordt geacht te zijn ingesteld op een spoorbreedte die maximaal 1 150 mm bedraagt; de andere as moet dan zo kunnen worden ingesteld dat de buitenranden van de smalste banden niet verder reiken dan de buitenranden van de banden van de andere as; zijn de assen voorzien van velgen en banden van dezelfde maat dan moet de vaste of instelbare spoorbreedte van beide assen minder dan 1 150 mm bedragen;
   c) een massa tussen 600 en 3 000 kg, overeenkomend met de lege massa van de trekker in de zin van punt 2.1 van model A in bijlage I bij Richtlijn 2003/37/EG, met inbegrip van de kantelbeveiligingsinrichting gemonteerd overeenkomstig deze richtlijn en met de grootste bandenmaat die door de fabrikant wordt aanbevolen.

Artikel 2

1.  Elke lidstaat verleent de EG-typegoedkeuring voor onderdelen voor elk type kantelbeveiligingsinrichting en de bevestiging daarvan aan de trekker die voldoen aan de in de bijlagen I en II opgenomen constructie- en keuringsvoorschriften.

2.  De lidstaat die de EG-typegoedkeuring voor onderdelen heeft verleend, treft de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de bevoegde instanties van de andere lidstaten, voor zover noodzakelijk te controleren of het vervaardigde onderdeel in overeenstemming is met het als onderdeel goedgekeurde type. Deze controle blijft beperkt tot steekproeven.

Artikel 3

De lidstaten kennen de fabrikant van een trekker of de fabrikant van een kantelbeveiligingsinrichting of hun respectieve gemachtigden een EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen toe overeenkomstig het in bijlage IV weergegeven voorbeeld, voor elk type kantelbeveiligingsinrichting en de bevestiging daarvan op de trekker, door hen goedgekeurd als onderdeel krachtens artikel 2.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen teneinde te voorkomen dat merken worden gebruikt die verwarring kunnen doen ontstaan tussen kantelbeveiligingsinrichtingen van een krachtens artikel 2 goedgekeurd type en andere inrichtingen.

Artikel 4

Een lidstaat mag het in de handel brengen van kantelbeveiligingsinrichtingen, voorzien van het EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen, en de bevestiging daarvan op de trekker niet verbieden om redenen die verband houden met de constructie daarvan.

Een lidstaat mag echter het in de handel brengen van kantelbeveiligingsinrichtingen die voorzien zijn van het EG-typegoedkeuringsmerk en die niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type, verbieden.

Deze lidstaat brengt de genomen maatregelen onverwijld ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie met opgave van de beweegredenen daarvoor.

Artikel 5

De bevoegde instanties van elke lidstaat zenden binnen een maand aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten een kopie van de EG-typegoedkeuringsformulieren voor onderdelen, waarvan een model in bijlage V is opgenomen, voor elk type kantelbeveiligingsinrichting dat zij als onderdeel goedkeuren of weigeren goed te keuren.

Artikel 6

1.  Indien de lidstaat die de EG-typegoedkeuring voor onderdelen heeft verleend, constateert dat verscheidene kantelbeveiligingsinrichtingen en de bevestiging daarvan op de trekker, voorzien van hetzelfde EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen, niet in overeenstemming zijn met het door hem goedgekeurde type, neemt hij de nodige maatregelen om te waarborgen dat de productie overeenstemt met het goedgekeurde type.

De bevoegde instanties van deze lidstaat stellen de bevoegde instanties van de andere lidstaten in kennis van de genomen maatregelen die, wanneer het gebrek aan overeenstemming van ernstige aard is en zich herhaaldelijk voordoet, zelfs tot intrekking van de EG-typegoedkeuring voor onderdelen kunnen leiden.

Genoemde instanties nemen dezelfde maatregelen, wanneer zij door de bevoegde instanties van een andere lidstaat van een dergelijk gebrek aan overeenstemming in kennis worden gesteld.

2.  De bevoegde instanties van de lidstaten stellen elkaar binnen een maand in kennis van de intrekking van een verleende EG-typegoedkeuring voor onderdelen en van de beweegredenen daarvoor.

Artikel 7

Elk besluit tot weigering of intrekking van de goedkeuring voor onderdelen, dan wel verbod op het in de handel brengen of van gebruik, genomen uit hoofde van de bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn, moet nauwkeurig met redenen worden omkleed.

Het wordt ter kennis van de belanghebbende gebracht met opgave van de krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de lidstaten openstaande rechtsmiddelen en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Artikel 8

1.  Ten aanzien van trekkers die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen,  mogen de lidstaten:

   a) voor een type trekker noch de EG-typegoedkeuring, noch de nationale typegoedkeuring weigeren;
   b) noch het voor de eerste maal in het verkeer brengen van trekkers verbieden.

2.  De lidstaten mogen de nationale typegoedkeuring weigeren voor een type trekker, indien dat type niet aan de voorschriften van deze richtlijn beantwoordt.

Artikel 9

1.  De lidstaten mogen niet de inschrijving weigeren of  de verkoop of het gebruik van trekkers verbieden om redenen die verband houden met de kantelbeveiligingsinrichtingen en de bevestiging daarvan op de trekker, indien deze zijn voorzien van het EG-typegoedkeuringsmerk en indien aan de voorschriften van bijlage VI is voldaan.

De lidstaten kunnen evenwel, met inachtneming van het Verdrag, beperkingen stellen aan het plaatselijke gebruik van de trekkers als bedoeld in artikel 1 indien de veiligheid zulks vereist gezien het specifieke karakter van bepaalde terreinen of bepaalde teelten. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van zulke beperkingen voordat zij worden toegepast, onder opgave van de redenen die aan die maatregelen ten grondslag liggen.

2.  Deze richtlijn laat de bevoegdheid van de lidstaten onverlet om, met inachtneming van het Verdrag, de eisen te stellen die zij nodig achten voor de bescherming van werknemers bij het gebruik van de trekker, voor zover zulks geen wijzigingen inhoudt van de kantelbeveiligingsinrichtingen ten opzichte van de bepalingen van de richtlijn.

Artikel 10

1.  In het kader van de EG-goedkeuring moet elke trekker, bedoeld in artikel 1, zijn uitgerust met een kantelbeveiligingsinrichting.

2.  De in lid 1 bedoelde inrichting moet, indien het niet een aan de achterzijde gemonteerde inrichting betreft, voldoen aan de eisen van de bijlagen I en II bij deze richtlijn of van de bijlagen I tot en met IV bij  Richtlijn 2009/57/EG(6) of Richtlijn 2009/75/EG(7) van het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 11

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen I tot en met VII aan te passen aan de stand van de techniek, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG bedoelde procedure.

Artikel 12

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Richtlijn 87/402/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VIII, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 14

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te […]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 84 van 17.3.2011, blz. 54.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 11 mei 2011.
(3) PB L 220 van 8.8.1987, blz. 1.
(4) Zie bijlage VIII, deel A.
(5) PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.
(6) PB L 261 van 3.10.2009, blz. 1.
(7) PB L 261 van 3.10.2009, blz. 40.


(De tekst van de bijlagen is vanwege technische redenen hier niet weergegeven. Voor deze tekst, zie het voorstel van de Commissie COM(2010)0610).
Laatst bijgewerkt op: 12 november 2012Juridische mededeling