Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2035(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0222/2011

Ingediende teksten :

A7-0222/2011

Debatten :

PV 23/06/2011 - 5
PV 23/06/2011 - 7
CRE 23/06/2011 - 5
CRE 23/06/2011 - 7

Stemmingen :

PV 05/07/2011 - 7.22
CRE 05/07/2011 - 7.22
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0316

Aangenomen teksten
PDF 221kWORD 124k
Dinsdag 5 juli 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
Vijfde cohesieverslag en de Strategie voor het cohesiebeleid na 2013
P7_TA(2011)0316A7-0222/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2011 over het vijfde cohesieverslag van de Commissie en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013 (2011/2035(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 met als titel „Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid” (COM(2010)0642) (hierna „de conclusies” genoemd),

–  gezien het vijfde verslag van de Commissie d.d. 9 november 2010 over de economische, sociale en territoriale cohesie met als titel „Investeren in de toekomst van Europa” (hierna „het vijfde cohesieverslag” genoemd),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name deel III, titel XVIII daarvan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1783/1999(1) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999(2) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS)(3) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(4) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1164/94(5) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA)(6) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1906/2006 van de Raad van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten(7) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 april 2007 over de gevolgen van de toekomstige uitbreidingen voor de effectiviteit van het cohesiebeleid(8) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over het Groenboek territoriale cohesie en stand van de discussie over de toekomstige hervorming van het cohesiebeleid(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(10) ,

–  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden(11) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over de bestaande situatie met betrekking tot het EFRO en andere structuurfondsen en de synergievoordelen die kunnen worden bereikt door deze beter op elkaar af te stemmen(14) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 mei 2004 over „Een versterkt partnerschap voor de ultraperifere regio's” (COM(2004)0343) en de mededeling van de Commissie van 17 oktober 2008 over „De ultraperifere regio's: Een troef voor Europa” (COM(2008)0642),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 met als titel „Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie” (COM(2010)0553),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 met als titel „Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie” (COM(2011)0017),

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 21 februari 2011 inzake het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang (06762/2011),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 1 april 2011 inzake het vijfde cohesieverslag(15) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie begrotingscontrole en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0222/2011),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid van de EU er tijdens de vorige en lopende steunperiode in alle regio's van de Unie in belangrijke mate toe heeft bijgedragen dat de productiviteit is toegenomen; benadrukt dat bij de evaluaties achteraf voorts opvalt dat er duidelijk sprake is van een significante vermindering van de economische, sociale en regionale verschillen; overwegende dat deze ontwikkelingen voorts ook een positief effect hebben in termen van sociale zekerheid en investeringen in milieubescherming,

B.  overwegende dat het cohesiebeleid was bedoeld als tegenhanger voor de interne markt en ter bevordering van een op solidariteit gebaseerd innovatief Europa dat bescherming zou bieden tegen de uitdagingen van de globalisering en de demografische veranderingen en dat bevorderlijk zou zijn voor het behoud van natuurlijke hulpbronnen, en tevens overwegende dat het intrinsieke potentieel van alle regio's moet worden benut om de groei en de regionale en sociale cohesie te stimuleren,

C.  overwegende dat het cohesiebeleid een zaak is die de burgers daadwerkelijk raakt, en waardoor Europa in het dagelijkse leven van de burgers gestalte krijgt en in de gehele EU tastbaar en zichtbaar wordt,

D.  overwegende dat het cohesie- en structuurbeleid in crisissituaties flexibel is gebleken en in belangrijke mate kon bijdragen aan verschillende nationale conjunctuur- en scholingsprogramma's, en dat het belangrijk is om deze flexibiliteit te behouden,

E.  overwegende dat het Europees structuurbeleid een belangrijke bijdrage levert tot het overwinnen van de economische en financiële crisis, aangezien dit beleid qua insteek gericht is op innovatie en het wegwerken van verschillen, waardoor de Europese regio's er krachtig toe worden aangespoord hun infrastructuur te verbeteren, hun regionaal innovatiepotentieel te versterken en stimulansen te geven voor een duurzame ecologische ontwikkeling,

F.  overwegende dat de gerichtheid van de structuurfondsen op de doelstellingen van de Lissabonstrategie kennelijk resultaat heeft opgeleverd, zoals blijkt uit de indrukwekkende vastleggingspercentages die zijn gerealiseerd voor de doelstellingen convergentie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, en overwegende dat 20% van de Europese territoriale samenwerkingsprojecten op schema liggen met de doelstellingen van Lissabon,

G.  overwegende dat de territoriale samenwerking ten doel heeft regio's en gebieden te helpen samen hun gemeenschappelijke problemen aan te pakken, fysieke, bestuurlijke en regeltechnische obstakels voor samenwerking uit de weg te ruimen en het „grenseffect” te verminderen,

H.  overwegende dat het gedeeltelijk mislukken van de Lissabonstrategie niet te wijten is aan ontoereikende tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, maar veeleer aan het gebrek aan meerlagig beleid en betrokkenheid bij deze strategie van regionale en lokale zijde, de gevolgen van de financiële crisis en de gebrekkige verwezenlijking van de interne markt, alsmede aan de geringe begrotingsdiscipline en de inadequate macro-economische randvoorwaarden in de individuele lidstaten,

I.  overwegende dat het aantal fouten en het misbruik van subsidies de laatste tijd duidelijk zijn afgenomen; het evenwel betreurende dat het structuurbeleid niettemin nog steeds een beleidsterrein is dat er qua onregelmatigheden negatief uitspringt en dat sommige lidstaten wat dat betreft nog steeds niet beschikken over effectieve mechanismen om misbruik van subsidies tegen te gaan en ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen; overwegende dat onregelmatigheden – hetzij door nalatigheid, hetzij met opzet – soms niet worden gerapporteerd, en dat een aanzienlijk percentage fouten in het cohesiebeleid wellicht toe te schrijven is aan wettelijke voorschriften buiten de sfeer van het cohesiebeleid, op gebieden zoals overheidsopdrachten, milieu en overheidssteun,

J.  overwegende dat het bestaande systeem van cohesie- en structuurbeleidsdoelstellingen (convergentie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, en Europese territoriale samenwerking), in combinatie met een meerlagige beleidsaanpak, horizontale doelstellingen en de garantie dat wordt gepland op basis van betrouwbare subsidieverschaffing en binnen een vastgesteld tijdschema (zeven jaar) over het algemeen vruchten heeft afgeworpen, maar voorts overwegende dat er aanzienlijke vertragingen bij de programmering zijn opgetreden als gevolg van te langdurige financierings- en wetgevingsonderhandelingen in het kader van het besluitvormingsproces van de EU en van substantiële veranderingen in de regelgeving met betrekking tot het cohesiebeleid,

K.  overwegende dat langdurige ondersteuning en ontwikkeling van convergentieregio's een positief effect heeft op de vraag naar goederen en diensten op hun markten en daarmee ook aantoonbaar positieve effecten heeft op de rijkere lidstaten van de EU,

L.  overwegende dat een coherent en adequaat gefinancierd cohesiebeleid van de EU voor alle Europese regio's nog steeds van essentieel belang is, gezien de onevenwichtige economische en sociale situatie in de respectieve regio's en de geografische handicaps van sommige – met name ultraperifere – regio's, de specifieke structurele problemen waarmee zij te kampen hebben en het feit dat zij zich aan de nieuwe uitdagingen moeten aanpassen; overwegende dat een en ander ook noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het Verdrag van Lissabon,

M.  overwegende dat het cohesiebeleid, gezien het strategische belang dat er voor de toekomst aan vastzit, geen aanpassingsvariabele mag worden voor toekomstige begrotingsonderhandelingen,

Meerwaarde van en investeringsprioriteiten voor het cohesiebeleid

1.  dringt erop aan dat er in de cohesie- en structuurbeleidsprogramma's meer aandacht wordt besteed aan de Europese meerwaarde die daaraan is verbonden; is van mening dat er van meerwaarde sprake is wanneer EU-projecten de economie, de infrastructuur en de sociale en/of milieusituatie van zwakkere, minder ontwikkelde regio's een duurzame kwalitatieve impuls geven die zonder steun van Europa niet zou kunnen worden gerealiseerd;

2.  ziet voorts meerwaarde in Europese steun wanneer gesubsidieerde projecten op nationaal, regionaal en lokaal niveau bijdragen aan de verwezenlijking van pan-Europese doelstellingen op het gebied van Europese integratie, economische groei, research, milieubescherming, cultuur, hulpbronnenbeheer, demografische ontwikkeling, duurzame energievoorziening, sociale cohesie of grensoverschrijdende ontwikkeling, en deze toegevoegde waarde zonder Europese impuls niet mogelijk zou zijn;

3.  beschouwt de verwezenlijking van Europese doelstellingen middels een gedecentraliseerd beleid en onder toepassing van het beginsel van meerlagig bestuur en gedeelde verantwoordelijkheid als een van de grote voordelen van het cohesiebeleid en dus ook als een meerwaarde op zich; beschouwt meerlagig bestuur met duidelijk gedefinieerde structuren en verantwoordelijkheden als een belichaming van het subsidiariteitsbeginsel en als een rechtmatige erkenning van het belang van regionale autoriteiten bij de uitvoering van het cohesiebeleid; dringt aan op nadrukkelijker erkenning van het partnerschapsbeginsel en de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken actoren door opneming van gedetailleerde bindende bepalingen in een per lidstaat te sluiten territoriaal pact om te komen tot een meer resultaatgerichte planning en uitvoering van het beleid;

4.  is van mening dat transparantie in het cohesiebeleid en de daarbij te volgen programmeringscyclus, correcte allocatie van uitgaven en toegang tot informatie voor potentiële begunstigden van de structuurfondsen essentiële voorwaarden zijn om de algemene doelstellingen van het cohesiebeleid te kunnen verwezenlijken, en dat transparantie derhalve het leidende, sectoroverschrijdende beginsel moet zijn bij de cohesieprogrammerings- en besluitvormingsprocessen voor de daaropvolgende financieringsperiode; onderstreept dat moet worden doorgegaan met de bekendmaking van de lijst van begunstigden – met name online – aangezien dit een efficiënt instrument is om de transparantie te verbeteren;

5.  is van mening dat de transparantievoorschriften (tot verplichte bekendmaking van de eindbegunstigden) voor de deskundigen, het publiek en de beleidsmakers een noodzakelijk instrument zijn om te beoordelen of de middelen uit de structuurfondsen conform de doelstellingen en rechtmatig zijn gebruikt; dringt erop aan de publicatie daarvan niet alleen in de desbetreffende landstaal, maar ook in een van de drie werktalen (Engels, Frans of Duits) verplicht te stellen, en pleit voor verdere standaardisering van de te verstrekken gegevens;

6.  onderstreept dat er, in weerwil van de tendens tot verkleining van interregionale verschillen, nog steeds grote onevenwichtigheden bestaan – en dat de verschillen tussen/binnen sommige lidstaten zelfs toenemen, onder andere als gevolg van de economische en financiële crisis – en dat het cohesiebeleid zich daarom moet blijven concentreren op verkleining van ongelijkheden en bevordering van een harmonieuze en duurzame ontwikkeling in alle regio's van de Unie, ongeacht de lidstaat waarin zij zich bevinden;

7.  erkent de speciale behoeften van regio's die op grond van hun geografische ligging of natuurlijke omstandigheden bijzonder zijn benadeeld; dringt er bij de lidstaten en de Commissie eens te meer op aan vast te houden aan speciale vormen van preferentiële steun – voor zover deze effectief zijn en een Europese meerwaarde opleveren – ten behoeve van bijzonder benadeelde categorieën regio's zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (ultraperifere regio's, zeer dunbevolkte regio's in het hoge noorden en insulaire, berg- of grensregio's);

8.  erkent de bijzondere status en behoeften van bepaalde regio's die voortvloeien uit hun geografische situatie, demografische veranderingen of specifieke beperkingen zoals hun natuurlijke omgeving, waarbij ook de nodige aandacht moet worden besteed aan hun potentieel; dringt eens te meer aan op handhaving van bepaalde vormen van preferentie, flexibiliteit en speciale begrotingsfinanciering voor deze categorieën regio's, met name die welke zijn bedoeld in de artikelen 349 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te weten regio's die bijzonder zijn benadeeld (zoals ultraperifere gebieden, met inbegrip van landelijke ultraperifere gebieden, zeer dun bevolkte regio's in het hoge noorden die o.a. te kampen hebben met lange afstanden en een noordelijk klimaat, alsmede insulaire, berg- en grensoverschrijdende regio's), waarbij gunstiger voorwaarden kunnen worden bedongen voor investeringen in deze regio's door middel van directe steun of belastingvrijstellingen; dringt er tevens op aan dat wordt uitgezocht in hoeverre er voor deze categorieën regio's bepaalde preferenties kunnen worden gehandhaafd of gecreëerd om te waarborgen dat de te gebruiken cohesiebeleidsinstrumenten zijn aangepast aan hun economieën, onder inachtneming van de rol van hun kleine en middelgrote ondernemingen en van de noodzaak hun concurrentievermogen en gelijke kansen te vrijwaren, zodat zij een integraal onderdeel van de interne markt van de EU gaan uitmaken;

9.  benadrukt dat de Unie alleen in staat zal zijn in de mondiale context te concurreren indien zij via haar cohesiebeleid ten volle kan profiteren van de ontwikkelingsmogelijkheden van alle regio's, stedelijke gebieden en steden en een voldoende flexibele regionale respons kan geven op de uitdagingen en knelpunten die zijn gedefinieerd in de Europa 2020-strategie; onderstreept in dit verband dat de middelen uit de structuurfondsen vanuit een brede territoriale invalshoek ook doelgericht moeten worden ingezet om structurele tekortkomingen in de sterkere regio's te compenseren; benadrukt echter dat het cohesiebeleid niet alleen maar een instrument mag zijn ter implementatie van Europa 2020 en dat niet-aflatende concentratie op de kernbeginselen van het cohesiebeleid als meerwaarde zal opleveren dat de verworvenheden van Europa 2020 kunnen worden gehandhaafd, zelfs nadat deze strategie haar eindstadium heeft bereikt;

10.  benadrukt dat het cohesiebeleid de nodige aandacht moet blijven schenken aan de territoriale cohesie en onderstreept dat het Verdrag van Lissabon territoriale cohesie als doelstelling heeft toegevoegd aan de na te streven economische en sociale cohesie; wijst erop dat deze doelstelling onlosmakelijk verbonden is met de te verwezenlijken economische en sociale cohesie en de Europese meerwaarde van het cohesiebeleid vergroot; onderstreept ten slotte dat territoriale cohesie ook op subregionaal niveau van belang is, met name in stedelijke gebieden (stedelijke probleemwijken, ongecontroleerde stedelijke expansie), zelfs in gebieden die als rijk worden beschouwd;

11.  beschouwt macroregionale strategieën – voor zover de regionale autoriteiten bij de aansturing daarvan worden betrokken – als een reële mogelijkheid om optimaal gebruik te maken van supranationale capaciteitseffecten, om de samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus te verbeteren en aan gezamenlijke oplossingen te werken voor gemeenschappelijke problemen zoals de bescherming van het milieu of het gebruik van hulpbronnen en ontwikkelingscapaciteiten, een en ander met het oog op een efficiëntere, evenwichtigere en duurzamere ontwikkeling; onderstreept de noodzaak om territoriale samenwerkingsprogramma's effectiever te combineren met territoriale strategieën (zoals regionale ontwikkelingsprogramma's, plaatselijke ontwikkelingsstrategieën en lokale ontwikkelingsplannen); ziet mogelijkheden om de EU-structuurfondsen door een betere coördinatie van bestaande subsidiemechanismen doelgerichter in te zetten, zonder dat daar een verhoging van de middelen voor deze vormen van interregionale samenwerking tegenover hoeft te staan; is bovendien van mening dat er voor deze strategieën geen nieuwe instrumenten, financiële middelen of implementatiestructuren mogen worden gecreëerd en dat de financiële steun aan de regio's voor kleinere ontwikkelingsprojecten daar niet ongunstig door mag worden beïnvloed; is van mening dat de banden tussen het cohesie- en het nabuurschapsbeleid langs macroregionale weg nauwer kunnen worden aangehaald; spoort de Commissie en de lidstaten er in dit verband toe aan meer rekening te houden met de territoriale dimensie van het ESF, in het bijzonder wat betreft de toegang tot de arbeidsmarkt;

12.  betwijfelt of specifieke operationele programma's voor functionele geografische entiteiten die onder gezamenlijk overheidsbeheer staan zoals lokale gebieden, zee- of rivierbekkens extra voordelen opleveren wanneer er geen politieke (inclusief democratisch gekozen) instanties voorhanden zijn met voldoende breed gezag om deze programma's ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren; dringt daarom juist aan op intensievere coördinatie tussen macroregionale, grootstedelijke, regionale of milieugeografische strategieën op intergouvernementeel niveau en verlangt dat in de nationale operationele programma's de nodige aandacht aan deze functionele geografische entiteiten wordt besteed om het gebruik van EU-steun voor interregionale ontwikkelingsprojecten te vergemakkelijken; is van mening dat specifieke operationele programma's een uitvoeringsoptie dienen te zijn voor regio's waar subregionale implementatie toegevoegde waarde oplevert ten opzichte van nationale en regionale programma's en waar door de bevoegde politieke organen samenwerkingsverbanden zijn gevormd met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan; pleit ervoor om voor grensoverschrijdende programma's op basis van de EGTS-verordening grensoverschrijdende groeperingen te betrekken bij de opstelling van de operationele programma's;

13.  wijst met nadruk op de essentiële rol van stedelijke gebieden en regio's – met inbegrip van hoofdsteden en hoofdstedelijke regio's – bij de verwezenlijking van de economische, ecologische en sociale doelstellingen van de Europa 2020-strategie; staat positief tegenover de tijdens de vorige programmeringsperiode ontstane dynamiek in het kader van de geïntegreerde stedelijke programma's en onderstreept het belang van de momenteel lopende experimenten; dringt aan op steun voor modelconcepten en –projecten op basis van geïntegreerde plaatsgebonden ontwikkelingsplannen en op de wederzijds voordelige opwaardering van de relaties tussen steden en de plattelandsgebieden die daarmee functioneel verbonden zijn; is van mening dat een nauwere cohesie tussen deze gebieden van bijzonder belang is voor het oplossen van de problemen van gebieden met achtergestelde gemeenschappen; onderstreept in dit verband dat de grootste sociaaleconomische verschillen zich veelal binnen steden voordoen en dat ook in welvarende regio's steden met achterstandswijken en armoedekernen voorkomen;

14.  benadrukt dat steden en stadsgebieden als groeicentra en groeimotoren voor een bepaalde regio een essentiële bijdrage kunnen leveren; wijst er tegelijkertijd op dat dorpen door bevordering van partnerschappen en netwerken in de gelegenheid moeten worden gesteld om mee te werken aan geïntegreerde oplossingen voor bepaalde functionele geografische entiteiten; wijst op de specifieke problemen waarmee grotere stedelijke centra te kampen hebben als gevolg van de complexiteit van hun sociale, economische en milieutaken; beschouwt het endogene potentieel van plattelands- en voorstedelijke gebieden in dit verband als een kans voor de verdere ontwikkeling van deze gebieden, maar is van mening dat dit niet alleen geldt voor gebieden in de buurt van agglomeraties en grote steden; wijst voorts op de mogelijkheid om de economische ontwikkeling van bijzonder achtergestelde gebieden te bevorderen door een correct gebruik en adequate ondersteuning van het endogene potentieel van plattelandsgebieden, onder meer van hun ecologische en culturele pluspunten; is voorts in het kader van het structuur- en cohesiebeleid van mening dat partnerschappen van stedelijke en plattelandsgebieden meer moeten worden gezien vanuit het perspectief van de mogelijkheden die zij bieden om plattelandsgebieden dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden en dezelfde levenskwaliteit te bieden, vooral in sociaal en economisch opzicht; roept de lidstaten ertoe op de dynamische invloed van steden en stadsgebieden op het economische ontwikkelingsproces in de regio's en in termen van stimulering van de economie van de omringende plattelandsgebieden te erkennen en de benodigde middelen voor de realisatie van de noodzakelijke projecten in steden en voorsteden te waarborgen;

15.  kant zich tegen het gebruik van verplichte quota's, met name voor de nationale toewijzingen in het kader van ESF- en EFRO-programma's, voor lokale en stedelijke ontwikkeling, voor plattelandsgebieden en andere soorten ruimtelijke agglomeraties of functionele gebieden, aangezien de kritische massa van de ondernomen acties daardoor zou worden vergroot; is van mening dat de verplichte specificatie in operationele programma's van de stedelijke en andere gebieden die voor subsidiëring in aanmerking komen een optie is waaraan de voorkeur dient te worden gegeven, voor zover deze methode meerwaarde en concentratie van de verleende steun oplevert, en is voorts van mening dat hierover moet worden onderhandeld op basis van de beginselen inzake meerlagige beleidsverantwoordelijkheid; is in dit verband tevens van mening dat de lidstaten en regio's meer eigen verantwoordelijkheid moeten krijgen voor het organiseren van selectieprocedures met een concurrentieel en resultaatgericht karakter;

16.  benadrukt dat het structuur- en cohesiebeleid niet eenzijdig in het voor- of nadeel van bepaalde categorieën regio's mogen uitvallen; dringt erop aan dat partnerschappen tussen stedelijke en plattelandsgebieden vanuit een breder sociaal, economisch en milieuperspectief worden bekeken;

17.  wijst erop dat bij de financiering van het structuur- en cohesiebeleid ook rekening moet worden gehouden met de educatieve, culturele en sociaal-politieke eisen van de Europa 2020-strategie, maar dat het gevoerde financieringsbeleid ook moet sporen met de overkoepelende EU-doelstelling van economische, sociale en territoriale cohesie, zoals neergelegd in het Verdrag en onder inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; is echter van mening dat een algehele europeanisering van de betreffende beleidsterreinen alleen al om financiële redenen gedoemd is te mislukken; pleit daarom voor de introductie van nader uitgewerkte plaatsgebonden lokale ontwikkelingsstrategieën die als modellen kunnen fungeren, zonder afbreuk te doen aan de bestaande nationale en regionale bevoegdheden;

18.  onderstreept voorts dat het cohesiebeleid geen vehikel of instrument mag worden ten behoeve van sectorale aangelegenheden zoals het beleid op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, industriële innovatie en de bestrijding van klimaatverandering, aangezien daarmee de primaire doelstelling van dat beleid zou worden afgezwakt en het moeilijker zou kunnen worden ingezet voor de bevordering van het ontwikkelingspotentieel van de regio's, hetgeen essentieel is om de afstand tussen de meest benadeelde en de meest ontwikkelde regio's te verkleinen;

19.  dringt erop aan dat het cohesiebeleid, met name in het licht van de noodzakelijke overschakeling op hernieuwbare energiebronnen en van het klimaatdebat, een grotere bijdrage levert aan de snelle ontwikkeling van milieutechnologie en hernieuwbare energiebronnen; is van mening dat dit een van de prioriteiten moet zijn, voor zover er in de programma's voldoende geld beschikbaar wordt gesteld en duurzame energie voldoende aandacht krijgt om een meerwaarde voor de EU te kunnen bieden, waarbij plannen voor gedecentraliseerde energieconcepten in combinatie met effectieve technologieën voor energieopslag in de regio's als uitgangspunt moeten dienen; pleit ervoor op dit gebied het potentieel van de regionale economieën goed te benutten;

20.  ziet mogelijkheden om via de structuurfondsen investeringen in specifieke energie-infrastructuur te ondersteunen, voor zover die steun alleen beschikbaar wordt gesteld in regio's waar de capaciteit van de markt om te voorzien in de energiebehoeften om politieke of geografische redenen duidelijk beperkt is; verlangt bovendien dat aan steun uit de structuurfondsen altijd de voorwaarde wordt verbonden dat hij bevorderlijk moet zijn voor de interne energiemarkt en de veiligheid van de energievoorziening en dat het beginsel van meerlagige verantwoordelijkheid voor het middelenbeheer moet worden gerespecteerd;

21.  is daarnaast van mening dat er in het kader van het cohesiebeleid moet worden gedaan wat nodig is om leemten en knelpunten via een kernnetwerk van significante TEN- verkeersassen weg te werken, met name in de tot dusver sterk veronachtzaamde grensregio's;

22.  benadrukt dat de trans-Europese vervoersnetwerken van doorslaggevend belang zijn voor de cohesie van Europese regio's en dat de ontwikkeling van en de toegang tot TEN-infrastructuren, maritieme snelwegen en specifieke E-wegen met name in grensgebieden en ultraperifere regio's moeten worden verbeterd; dringt aan op de nodige maatregelen om toereikende financiering en tijdige uitvoering van prioritaire TEN-T-projecten te kunnen waarborgen; stelt zich op het standpunt dat bepaalde grensoverschrijdende „infrastructuurvoorzieningen” moeten worden beschouwd als prioritaire projecten die in aanmerking komen voor subsidiëring in het kader van de doelstellingen 1, 2 en 3, en dringt erop aan dat de regio's het recht moeten krijgen om als eerste met voorstellen voor dergelijke projecten te komen en dat grensregio's en lokale autoriteiten in gelijke mate bij het planningproces moeten worden betrokken;

23.  pleit voor toepassing van de nationale middelen, gelet op de toegevoegde waarde van dergelijke maatregelen voor de versterking van de regionale convergentie, de territoriale cohesie en ontwikkelingsactiviteiten zoals toerisme, die van groot belang zijn voor afgelegen gebieden zoals insulaire regio's;

24.  spreekt zijn steun uit voor de economische ontwikkeling van mkb- en microbedrijven en voor de bevordering van de werkgelegenheid bij dergelijke ondernemingen; verlangt derhalve dat de fundamentele uitgangspunten van de Small Business Act for Europe (SBAE) zoals „denk eerst klein” en het „eenmaligheidsbeginsel” als een van de grondslagen van het cohesiebeleid worden beschouwd en is van mening dat de lidstaten en de regio's deze beginselen ook moeten toepassen bij de vaststelling van hun operationele programma's;

Doelstellingenstructuur en programmeringskader

25.  onderstreept dat de kernelementen van de EU 2020-strategie (innovatie, onderwijs en opleiding, energie, milieu, werkgelegenheid, mededinging, beroepskwalificatie en armoedebestrijding) al integraal deel uitmaken van het cohesie- en structuurbeleid; is van mening dat de in het kader van Europa 2020 gestelde eisen moeiteloos kunnen worden ingepast in het driedoelstellingensysteem (convergentie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, en Europese territoriale samenwerking), dat zijn effectiviteit heeft bewezen;

26.  wijst erop dat investeringen in innovatie en onderwijs groeibevorderend kunnen werken; wijst er evenwel op dat een en ander effectief moet worden ondersteund met behulp van de relevante infrastructuren (verkeer, breedbandinternet, energie) en van adequate institutionele voorzieningen (een evenwichtige combinatie van overheidsinvesteringen en begrotingsconsolidatie met macro-economische maatregelen, e-governmentdiensten en grensoverschrijdend leren);

27.  is van mening dat ook de ontwikkeling van basisinfrastructuren als EU 2020-compatibel moet worden beschouwd, aangezien convergentieregio's alleen maar een bijdrage kunnen leveren aan de EU 2020-doelstellingen als ze beschikken over concurrentiebestendige vervoers-, energie- en communicatienetwerken en afvalverwerkingsinfrastructuren, hetgeen precies de reden is waarom de zwakste en armste regio's bij de interpretatie van die doelstellingen over enige armslag moeten kunnen beschikken;

28.  benadrukt dat het ESF het belangrijkste instrument is voor de tenuitvoerlegging van de sociale dimensie van de Europa 2020-strategie en dat het fonds een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de centrale prioriteiten van die strategie, te weten werkgelegenheid, overschakeling naar een duurzame economie, vermindering van het aantal vroegtijdige schoolverlaters, bestrijding van armoede, discriminatie en sociale uitsluiting en het formuleren van oplossingen voor de verschillende sociale situaties waarin mensen zich bevinden; benadrukt in deze context dat naast het bbp ook andere maatschappelijke indicatoren nuttig kunnen zijn voor het opmaken van SWOT-analyses;

29.  is van mening dat het ESF van cruciaal belang is voor het cohesiebeleid en een grotere bijdrage kan leveren aan de doelstellingen van EU 2020, onder meer op het gebied van duurzame groei door mkb-bedrijven te steunen om groene arbeidsplaatsen te scheppen;

30.  is van mening dat de bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt op grond van hetzij geslacht, seksuele geaardheid, etnische herkomst, leeftijd, handicaps of woonplaats van het grootste belang is om echte kansengelijkheid te bevorderen; wijst erop dat vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen essentieel is om het werkgelegenheidsdoel van de EU 2020-strategie te bereiken en dat de belemmeringen voor de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt derhalve serieus moeten worden aangepakt;

31.  is van mening dat het bbp het belangrijkste criterium moet blijven voor de bepaling van gebieden die voor maximale ondersteuning in aanmerking komen (namelijk gebieden met een bbp per hoofd van de bevolking van minder dan 75% van het EU-gemiddelde) en eventueel ook van de desbetreffende cohesielanden (met een bni van minder dan 90% van het EU-gemiddelde); is van mening dat de bevoegde nationale en regionale autoriteiten de nodige speelruimte moet worden geboden om – op het juiste besluitvormingsniveau, voor elke doelstelling afzonderlijk en op een wijze die de relatieve geografische concentraties weerspiegelt – ook gebruik te maken van andere indicatoren, die in de respectieve ontwikkelings- en investeringspartnerschapscontracten moeten worden vastgelegd en aan de hand waarvan de sociale, economische, ecologische, demografische en geografische problemen waarmee zij te kampen hebben kunnen worden beoordeeld;

32.  dringt erop aan dat het cohesiebeleid zich conform het Verdrag van Lissabon vooral blijft richten op de meest achtergebleven regio's; onderstreept dat de meest behoeftige regio's moeten kunnen rekenen op een adequaat aandeel van de in het kader van doelstelling 1 (convergentie) beschikbare steun, dat in verhouding moet staan tot de ernst van hun ontwikkelingsproblemen;

33.  dringt aan op een beperking van de steunperiodes voor regio's die ook na meerdere programmaperiodes nog geen noemenswaardige verbetering van hun economische, sociale en milieusituatie kunnen laten zien, hoewel ze maximale steun hebben ontvangen;

34.  verzoekt de Commissie te komen met een voorstel tot vaststelling van de duur van de volgende programmeringsperiode, dat voorziet in een aanpasbare, solide en evenredige overgangssteunregeling voor regio's die niet langer vallen onder de convergentiedoelstelling, zodat hun specifieke situatie kan worden aangepakt, alsook voor regio's met een bbp per hoofd van de bevolking tussen 75% en 90% van het EU-gemiddelde bij wijze van tussencategorie, teneinde ongelijke behandeling van regio's die in een vergelijkbare situatie verkeren te vermijden; is van mening dat deze specifieke regeling in de plaats moet komen van de bestaande systemen voor „in- en uitfasering”, zodat er een eerlijk systeem wordt gecreëerd dat beter is toegesneden op de negatieve gevolgen van de economische en financiële crisis voor de regio's, en dat tegelijkertijd positief uitpakt in termen van rechtvaardigheid en solidariteit, de fundamentele waarden van het cohesiebeleid; benadrukt dat deze overgangsmaatregelen voor de komende programmeringsperiode niet ten koste mogen gaan van de huidige convergentie- en concurrentieregio's (respectievelijk de doelstellingen 1 en 2) of van de doelstelling 3-regio's (Europese territoriale samenwerking);

35.  pleit voor aanscherping van doelstelling 2 (regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid) om middels de horizontale opzet daarvan resultaten te bereiken voor een beperkt aantal EU-prioriteiten, zoals ondersteuning van mkb-bedrijven, groene innovaties, lokale economieën, onderwijs en opleiding, infrastructuur, duurzame mobiliteit, hernieuwbare energie en energievoorziening, optimalisering van hulpbronnen en sociale integratie; benadrukt dat moet worden gewerkt aan de instandhouding en verdere verbetering van systemen die zichzelf hebben bewezen en waardoor meer ontwikkelde regio's beter in staat zijn om hun structurele regionale tekortkomingen weg te werken, territoriale verschillen te verkleinen, bij te dragen aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke Europese doelstellingen en toekomstige uitdagingen aan te gaan door het gebruik van structuren die flexibel kunnen inspelen op veranderende omstandigheden, o.a. in de vorm van innovatieclusters en concurrentiële steunfinanciering op regionaal niveau; dringt aan op aanvullende maatregelen voor gebieden die zwaar geraakt zijn door structurele aanpassingen welke kunnen helpen hun sociaaleconomische en infrastructurele situatie te verbeteren; wijst er in dit verband op dat er bij het uitwerken van de strategieën voldoende flexibiliteit moet worden ingebouwd om rekening te houden met de problemen en specifieke eigenschappen van elk van die regio's;

36.  pleit ervoor om de meer ontwikkelde regio's in staat te stellen hun sociale en economische kapitaal te moderniseren en specifieke vormen van achterstand en uitblijvende economische ontwikkeling aan te pakken;

37.  stelt zich ondubbelzinnig op het standpunt dat doelstelling 3 (Europese territoriale samenwerking) aan alle binnengrenzen van de EU en op alle drie de samenwerkingsniveaus (grensoverschrijdend, interregionaal en transnationaal) moet worden versterkt, en roept op tot verhoging van het daarvoor bestemde aandeel van de structuurfondsen tot 7%; dringt erop aan de subsidies per territoriaal samenwerkingsprogramma toe te kennen op basis van geharmoniseerde criteria, ten einde op een strategische, geïntegreerde wijze aan de behoeften en de specifieke kenmerken van ieder geografisch gebied en iedere geografische zone te kunnen voldoen; wijst nadrukkelijk op de betekenis van de grensregio's voor de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen; is van mening dat de coördinatie tussen de trans-Europese netwerken moet worden verbeterd, met name die welke betrekking hebben op vervoer en energie, alsmede op grensoverschrijdende infrastructuur, en dat de subsidies voor deze netwerken in overeenstemming met de Europese prioriteiten moeten worden verhoogd, en dringt aan op een dienovereenkomstige verhoging van de subsidies voor alle grensregio's; dringt erop aan de uitvoeringsbepalingen voor de programma's in het kader van doelstelling 3 te vereenvoudigen op basis van het beginsel van evenredigheid, en gemeenschappelijke subsidiëringsregels te ontwikkelen opdat deze programma's effectiever en beter zichtbaar kunnen worden gemaakt; onderstreept dat lokale beleidsmakers hierbij nauw moeten worden betrokken, omdat dat de enige manier is om de programma's concreet gestalte te kunnen geven;

38.  beschouwt Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) als een uniek en bijzonder waardevol instrument voor territoriaal bestuur dat voorziet in de behoeften aan gestructureerde samenwerking en moet worden bevorderd als hulpmiddel voor het opzetten van systemen voor grensoverschrijdend bestuur en om ervoor te zorgen dat de regionale en lokale instanties bij de respectieve beleidsvormen worden betrokken;

39.  verwerpt resoluut alle voorstellen tot nationalisering of sectorale opdeling van het cohesiebeleid; is van mening dat de instelling van nieuwe thematische fondsen (voor klimaat, energie en vervoer) het beproefde beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid en geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's zou ondermijnen en de ontwikkeling van synergievoordelen en de effectiviteit van de genomen maatregelen, en derhalve ook de regionale betrokkenheid bij de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen in gevaar zou brengen;

40.  staat erop dat het Europees Sociaal Fonds deel blijft uitmaken van het cohesiebeleid, omdat alleen op die manier geïntegreerde strategieën voor het oplossen van economische en sociale problemen kunnen worden ontwikkeld en uitgevoerd;

41.  steunt de Commissie in haar streven naar een versterkt, efficiënt en beter zichtbaar ESF; roept de Commissie en de lidstaten er in dit verband toe op om bij de te voeren onderhandelingen overeenstemming te bereiken over de noodzakelijke omvang van de ESF-bijdrage binnen de structuurfondsen;

42.  is van mening dat maatregelen om de doelmatigheid van het ESF te verbeteren allereerst moeten bestaan uit prikkels in plaats van boetes;

43.  wijst erop dat de economische crisis de dringende noodzaak om maatregelen te nemen in de sectoren die onder het ESF vallen nog verder heeft versterkt, waarbij het met name gaat om maatregelen ter bevordering van werkgelegenheid, omscholing, sociale integratie en armoedebeperking;

44.  wijst erop dat het ESF cruciale steun verleent voor het arbeidsmarktbeleid, o.a. in de vorm van preventieve en lokale maatregelen, alsmede beleidsmaatregelen om jongeren te helpen de arbeidsmarkt te betreden en de werkloosheid te bestrijden; wijst erop dat de lidstaten het ESF moeten gebruiken voor investeringen in nieuwe vaardigheden, onderwijs (inclusief kleuteronderwijs), permanente educatie en herscholings- en omscholingsactiviteiten, en benadrukt dat het ESF een belangrijke rol vervult bij het versterken van alle vormen van sociale integratie, ook voor de meest benadeelde en kwetsbare groepen;

45.  verzoekt de Commissie meer werk te maken van de ESF-maatregelen om de integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen; spoort de lidstaten ertoe aan al op zeer jonge leeftijd in kinderen te investeren in de vorm van onderwijs en in een later stadium schoolkeuzebegeleiding in te voeren die is gebaseerd op lokale en regionale beroepskansen en permanente educatie om werknemers te helpen zich aan te passen aan de eisen van de arbeidsmarkt, en ondertussen maatregelen te treffen om jeugdwerkloosheid tegen te gaan en om het verschijnsel van de „werkende armen” aan te pakken, en om specifieke bijstandsprogramma's voor benadeelde en kwetsbare groepen zoals Roma, migranten, gehandicapten en voortijdige schoolverlaters op te zetten teneinde effectieve en inclusieve groei en een Europa met een op kennis gebaseerde economie te bevorderen;

46.  verzoekt om meer gerichte aandacht en aanvullende technische steun voor de entiteiten waar op het niveau onder de regio's diepe armoede heerst en meerderheids- en minderheidsculturen vaak in spanning samenleven; is van mening dat dergelijke entiteiten op het niveau onder de regio's eenvoudig geïsoleerde arme gebieden kunnen blijven die des te meer te kampen hebben met segregatie, zelfs in regio's die niet noodzakelijkerwijze achterblijven in de statistieke gemiddelden; wijst erop dat de inspanningen in het bijzonder gericht moeten zijn op de ontwikkeling van deze entiteiten op het niveau onder de regio's;

47.  is verheugd over het feit dat in enkele lidstaten voor de financieringsperiode 2007-2013 in het kader van het ESF voor het eerst ook op nationaal niveau operationele programma's zijn opgezet die alle doelgebieden dekken;

48.  onderstreept dat de onschatbare ervaring die is opgedaan met het Gemeenschapsinitiatief EQUAL nog steeds relevant is, vooral wat betreft de combinatie van lokale en regionale maatregelen en de EU-brede uitwisseling van optimale praktijken;

49.  vestigt de aandacht op de synergievoordelen die zijn bewerkstelligd middels de geïntegreerde lokale en regionale ontwikkelingsstrategieën, waarbij met name een koppeling is gelegd tussen het ESF en het EFRO, en dringt aan op de instelling van een gemeenschappelijke subsidiabiliteitsregeling en op intensiever gebruik en facilitering van de mogelijkheid tot kruisfinanciering tussen deze beide fondsen, inzonderheid ter bevordering van plaatsgebonden geïntegreerde ontwikkelingsprogrammering; steunt de invoering van operationele programma's (OP's) die uit meerdere fondsen worden gefinancierd en waarbij een geïntegreerde benadering beter past; dringt voorts aan op verbetering van de synergieën tussen het EOF en het EFRO;

50.  dringt met het oog op de verbetering van de synergiewerking aan op verdere integratie van sectorale beleidsvormen (vervoer, energie, onderzoek, milieu, onderwijs) in het kader van de cohesie- en het structuurbeleid, ter bevordering van de effectiviteit en de coördinatie tussen de structuurfondsen, het CIP en de kaderprogramma's voor onderzoek en ontwikkeling; stelt zich op het standpunt dat programmering via meerdere fondsen zou kunnen bijdragen tot een meer geïntegreerde aanpak en de effectiviteit van de interactie tussen deze respectieve fondsen ten goede zou komen; beschouwt de nationale en regionale ontwikkelingspartnerschappen als een geschikt instrument voor het samenbrengen van de diverse beleidsterreinen; onderstreept in dit verband dat het noodzakelijk is heldere doelstellingen te formuleren en te evalueren of deze inderdaad door de lidstaten zijn verwezenlijkt;

51.  stelt voor, het onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid op territoriaal niveau gestalte te geven; onderstreept derhalve de noodzaak het cohesiebeleid en het onderzoek- en innovatiebeleid aan de specifieke behoeften van de respectieve territoria aan te passen, aangezien een nauwere betrokkenheid van regionale en lokale autoriteiten bij het ontwerp en de uitvoering van de regionale ontwikkelingsfondsen, onderzoek- en innovatieprogramma's van cruciaal belang is, gelet op het feit dat dezelfde ontwikkelingsstrategie niet in alle regio's kan worden toegepast;

52.  dringt aan op een gemeenschappelijk strategisch kader voor het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, de kaderprogramma's, het ELFPO en het EVF voor de programmeringsperiode na 2013; is van mening dat het model voor een geharmoniseerde regelgevingsaanpak (met betrekking tot beheer, subsidiabiliteit, auditing- en verslagleggingsvoorschriften) verder moet worden uitgewerkt door middel van een gemeenschappelijke kaderverordening; wijst er in dit verband op dat een soepele samenwerking tussen de verschillende fondsen belangrijk is om resultaten te kunnen boeken; verlangt dat de Commissie dienovereenkomstige aanpassingen doorvoert, zodat de desbetreffende fondsen elkaar waar mogelijk kunnen aanvullen;

53.  verlangt dat de Raad en het Europees Parlement een nieuw gemeenschappelijk strategisch kader vaststellen overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure van artikel 177 van het VWEU;

54.  is van mening dat het Europees Sociaal Fonds in het gemeenschappelijk strategisch kader moet worden ingepast, zonder dat echter mag worden geraakt aan zijn eigen specifieke operationele regels en bepalingen en met de garantie dat er voldoende middelen voor beschikbaar moeten zijn; dringt er bij de Commissie op aan de rol van het ESF te versterken, het ESF duidelijker te profileren en de begrotingscontrole binnen het fonds te stroomlijnen door eenvoudige en effectieve procedures voor samenwerking tussen de beheersautoriteiten en de afdelingen voor begrotingscontrole vast te stellen;

55.  pleit er in deze context voor zich te beraden over herintegratie van de regionaal georiënteerde ELFPO-programma's (de bestaande centrale thema's 3 en 4); verzet zich er evenwel tegen dat dit resulteert in een verlaging van de budgetten voor het EFRO en het ELFPO; dringt aan op de vaststelling van bindende doelstellingen voor de lidstaten en regio's om de beheersstructuren voor de EU-structuurfondsen en de regionale programma's voor plattelandsontwikkeling meer op één lijn te krijgen;

56.  dringt aan op herziening van de verordening inzake grensoverschrijdende samenwerking aan de buitengrenzen en van het bestaande ENPI, zodat de desbetreffende middelen in doelstelling 3 (Europese territoriale samenwerking) kunnen worden geïntegreerd;

57.  is ingenomen met de doelstellingen van de door de Commissie voorgestelde partnerschapsovereenkomsten voor ontwikkeling en investeringen tussen de EU en de lidstaten, die in de plaats moeten treden van de vroeger ten behoeve van de individuele lidstaten opgemaakte strategische referentiekaders; dringt erop aan dat reeds in dit stadium investeringsprioriteiten worden vastgesteld voor de implementatie van de EU 2020-strategie en voor de verwezenlijking van de andere doelstellingen van het cohesiebeleid; is van mening dat de concrete taakverdeling tussen de betrokken niveaus zo snel mogelijk duidelijk moet worden gemaakt, en dringt aan op handhaving van de nationale en/of regionale en lokale bevoegdheden conform het subsidiariteitsbeginsel; dringt aan op duidelijke toezeggingen met betrekking tot de betrokkenheid van partners bij de ontwikkelings- en investeringscontracten;

58.  is voorstander van handhaving van de operationele programma's als belangrijkste instrument voor de omzetting van de strategiedocumenten in concrete investeringsprioriteiten; dringt erop aan dat hiervoor duidelijke en meetbare doelstellingen worden vastgesteld;

59.  pleit ervoor regionale en lokale overheden en verenigingen van dergelijke instanties conform de grondwettelijke en institutionele systemen van de afzonderlijke lidstaten op een gestructureerde en systematische manier verplicht te betrekken bij alle fasen van de uitvoering van het cohesiebeleid (strategische planning, de opstelling en sluiting van overeenkomsten voor ontwikkelings- en investeringspartnerschappen en operationele programma's, monitoring en evaluatie); beschouwt het als essentieel dat in de structuurfondsenverordeningen daartoe de nodige bepalingen worden opgenomen;

60.  is van mening dat toekomstige strategieën voor het gebruik van het ESF doeltreffender zullen zijn als de regionale en lokale bestuursniveaus erbij worden betrokken, omdat deze in staat zijn de strategische doelstellingen te verbinden met specifieke territoriale kenmerken op basis van een structurele dialoog met alle belanghebbenden;

61.  is voorstander van het systeem van thematische prioriteiten dat de Commissie heeft voorgesteld; wijst erop dat, hoe lager het ontwikkelingsniveau van een lidstaat of regio, hoe uitgebreider een dergelijke prioriteitenlijst moet zijn, waarbij rekening moet worden gehouden met specifieke regionale ontwikkelingsbehoeften en ervoor moet worden gezorgd dat deze thematische aanpak voor de programmering van structuur- en cohesiefondsen niet ten koste gaat van de geïntegreerde plaatsgebonden aanpak;

62.  verzoekt de lidstaten, in het geval er voor alle lidstaten bepaalde bindende prioriteiten worden vastgesteld, daartoe ook innovatie, infrastructuur, transport en een correct middelenbeheer te rekenen, maar is van mening dat er wel enige speelruimte dient te zijn om ook rekening te houden met de omvang van de te programma's, het basisscenario voor elke regio en de te bereiken resultaten, zodat deze prioriteiten kunnen worden toegesneden op de specifieke behoeften van elke regio; benadrukt in dit verband dat innovatie breed moet worden gedefinieerd, in overeenstemming met het vlaggenschipinitiatief „Innovatie-Unie”; merkt op dat mkb-bedrijven in de EU de belangrijkste bron voor werkgelegenheid zijn en een broedplaats voor zakelijke ideeën; benadrukt dat de steun voor mkb-bedrijven moet worden voortgezet en uitgebreid in het licht van de belangrijke rol die zij kunnen spelen bij de uitvoering van de Europa 2020-strategie; onderstreept dat in het kader van de „Innovatie-Unie” een brede definitie van het begrip „innovatie” moet worden gehanteerd, terwijl mkb-bedrijven daarnaast ook in de toekomst gemakkelijker toegang tot financiering moet worden verschaft; benadrukt dat op vrijwillige basis en overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel meer prioriteiten moeten kunnen worden aangeboden en nagestreefd; dringt erop aan dat tot de aangeboden prioriteitsterreinen ook energie, onderwijs en opleiding, alsmede armoedebestrijding moeten worden gerekend;

63.  dringt erop aan dat vertragingen bij het opstarten van programma's worden vermeden en pleit meer in het algemeen voor een sneller verloop van besluitvormings- en evaluatieprocessen; benadrukt dat dit met name voor mkb-bedrijven van bijzonder groot belang is; dringt er tevens op aan dat de technische apparatuur waarover de bevoegde administratieve autoriteiten kunnen beschikken, wordt verbeterd en dat deze autoriteiten nauwer met elkaar contact onderhouden, dat de publicatievoorschriften worden versoepeld en dat de termijnen voor aanbestedingen en het indienen van aanvragen aanzienlijk worden verkort; verzoekt de Commissie na te gaan of er proefgebieden kunnen worden gecreëerd om nieuwe regelingen op kleinere schaal te kunnen uittesten voordat deze voor de overige regio's van kracht worden, teneinde mogelijke implementatieproblemen te kunnen opsporen;

Stimulansen, gestelde voorwaarden, resultaatgerichtheid, cofinanciering en financieringsopties

64.  dringt erop aan dat aan steun in het kader van de ontwikkelings- en investeringspartnerschappen bepaalde specifieke verplichtingen worden verbonden waarover vooraf in overleg tussen de Commissie en de lidstaten afspraken moeten worden gemaakt; is van mening dat de lidstaten middels deze vooraf bepaalde voorwaarden moeten worden verplicht hervormingen door te voeren om ervoor te zorgen dat de steun efficiënt wordt gebruikt in gebieden die rechtstreeks vallen onder het cohesiebeleid, dat de lidstaten er waar nodig toe moeten worden opgeroepen hiertoe over te gaan, en dat de te verlenen steun van de vervulling van deze voorwaarden afhankelijk moet worden gesteld; dringt erop aan dat de actoren die betrokken zijn bij het ​​beheer van operationele programma's in staat moeten worden gesteld op de in acht te nemen voorwaarden invloed uit te oefenen; acht het terecht dat deze voorwaarden met name ook de correcte tenuitvoerlegging behelzen van al bestaande EU-wetgeving (bv. met betrekking tot prijsregulering, openbare aanbestedingen, vervoer, milieu en gezondheidszorg), om zo onregelmatigheden te voorkomen en effectiviteit te garanderen; staat echter afwijzend tegenover het opleggen van voorwaarden die van lidstaten fundamentele sociale en economische hervormingen verlangen; alle voorwaarden moeten volledig in overeenstemming zijn met de beginselen van subsidiariteit en partnerschap;

65.  is van mening dat nieuwe voorwaarden niet mogen leiden tot bijkomende administratieve lasten voor de betrokken actoren; pleit voor de ontwikkeling van consistente, genormaliseerde systemen voor de formulering van voorwaarden voor zowel het EFRO als het ESF, die tevens objectief moeten kunnen worden beoordeeld;

66.  is van mening dat de Commissie verantwoordelijk moet zijn voor het formuleren van de te stellen voorwaarden en voor het toezicht op de tenuitvoerlegging daarvan, en stelt daarom voor om voor de lidstaten en de regio's de bijbehorende actieplannen uit te werken;

67.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het cohesiebeleid meer op een resultaatgerichte leest te schoeien door hantering van vooraf vast te stellen adequate doelstellingen en indicatoren; benadrukt dat het daarbij slechts om een klein aantal duidelijk omschreven en meetbare indicatoren mag gaan die rechtstreeks verband houden met de verleende subsidie en die in overleg met de regio's/lidstaten moeten worden vastgesteld; is echter van mening dat bij alle voorgestelde instrumenten en criteria voor het meten van resultaten in de eerste plaats de kwaliteit van de programma's voor ogen moet worden gehouden;

68.  is van mening dat de indicatoren voor verlening van regionale steun uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds gebaseerd moeten zijn op de meest recente Eurostatgegevens, zodat volledig rekening wordt gehouden met de economische en sociale gevolgen van de crisis voor de betrokken regio's;

69.  dringt erop aan dat de doeltreffendheid en transparantie van het ESF worden vergroot met behulp van meer resultaatgerichte maatregelen en dringt aan op voorafgaande vaststelling van duidelijke en meetbare doelstellingen en resultaatindicatoren, die rechtstreeks gekoppeld moeten zijn aan het doel van de verleende steun en die vooral de resultaten moeten meten welke zijn behaald in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting en bij de beschikbaarstelling van hoogwaardige werkgelegenheid; is van mening dat de belanghebbenden op alle bestuursniveaus betrokken moeten worden bij de vaststelling van deze doelstellingen en indicatoren en dat ze ruim vóór het verstrekken van de steun duidelijk gedefinieerd moeten worden, zodat zowel de lidstaten als de Commissie de behaalde resultaten kunnen evalueren en er lering uit kunnen trekken voor de volgende programmeringsperiode; steunt het voorstel van de Commissie om de toewijzing van ESF-middelen afhankelijk te maken van vooraf vast te stellen voorwaarden, onder meer voor de omzetting van EU-wetgeving en EU-doelstellingen die van wezenlijk belang zijn voor het welslagen van de ESF-maatregelen, alsook van structurele hervormingen en toereikende capaciteiten binnen de betrokken administraties; benadrukt dat resultaatgerichtheid niet mag betekenen dat kleine steunprojecten benadeeld worden of te maken krijgen met nieuwe belemmeringen in termen van toegankelijkheid of risico's;

70.  beschouwt publieke en particuliere cofinanciering als een van de basisbeginselen van het cohesiebeleid; dringt erop aan dat wordt nagegaan wat het maximale steunpercentage van de EU zou moeten zijn, waarbij meer recht moet worden gedaan aan regionale ontwikkelingsniveaus, Europese toegevoegde waarde en de diverse categorieën ondersteunde acties, in die zin dat dit plafond dienovereenkomstig naar boven of naar beneden moet worden bijgesteld;

71.  roept de lidstaten en regio's ertoe op bij de planning van cofinancieringssteun vooruit te kijken en het effect daarvan te vergroten door middel van financiële instrumentering;

72.  dringt erop aan dat bij directe bedrijfssubsidiëring wordt onderkend dat cohesiebeleidssteun vaak niet zozeer van invloed is op het besluit van – met name grotere – bedrijven om op een bepaalde locatie een bedrijf te vestigen, maar veeleer terechtkomt bij bedrijven die daartoe toch al hadden besloten (het zogenaamde „buitenkanseffect”), en dringt er derhalve op aan dat bij subsidieverlening aan grote particuliere bedrijven sterker de nadruk komt te liggen op investeringen in onderzoek en ontwikkeling, of om de beoogde steun vaker dan nu het geval is indirect te verlenen door middel van infrastructuurfinanciering; dringt er voorts op aan dat in de algemene structuurfondsenverordening duidelijke regels worden opgenomen om te vermijden dat er EU-steun wordt verleend voor de verplaatsing van bedrijven binnen de Unie, om de drempel voor heroverweging van relocatie-investeringen substantieel te verlagen, grote ondernemingen niet in aanmerking te laten komen voor directe subsidies en een tienjarige limiet te hanteren voor de duur van de bedrijfsactiviteiten;

73.  onderkent het hefboomeffect van nieuwe financieringsinstrumenten en hun potentieel om investeringen te mobiliseren, is principieel voorstander van meer kredietfinanciering en dringt aan op intensiever gebruik van roulerende financieringsinstrumenten in steungebieden die zich daarvoor goed blijken te lenen; dringt erop aan dat de desbetreffende procedures in die zin worden vereenvoudigd en pleit voor meer rechtszekerheid tijdens de gehele financieringsperiode, alsook voor de instelling van een EU-register waaruit blijkt voor welke projecten er leningen worden verstrekt en welke er worden gesubsidieerd; dringt erop aan dat de instrumenten kunnen worden aangepast, zodat kan worden gegarandeerd dat zij voor alle regio's en steden inzetbaar en uitvoerbaar zijn; is van mening dat uiterlijk na één financieringsperiode de verantwoordelijkheid voor de inzet van de middelen moet worden overgedragen naar het nationale of projectniveau; merkt op dat tijdens de huidige periode niet alle lidstaten hebben gekozen voor een gedecentraliseerde benadering bij de gebruikmaking van financieringsinstrumenten zoals JESSICA; benadrukt dat steden hiervan direct gebruik moeten kunnen maken;

74.  benadrukt dat subsidiëring altijd als voorkeursoptie beschikbaar moet blijven en dat het aan de actoren ter plaatse is om in voorkomende gevallen een op de regionale behoeften afgestemde financieringsmix te kiezen;

75.  is van mening dat de EIB bij de financiering van TEN-infrastructuren een grotere rol moet spelen; dringt erop aan meer plaats in te ruimen voor publiek/private partnerschappen die met eigen middelen kunnen worden gefinancierd; is van mening dat het Europees Parlement in dit verband in beginsel een belangrijke verantwoordelijkheid dient te dragen in termen van transparantie en met betrekking tot de besluitvormings- en controletaken;

76.  is ingenomen met de effectieve samenwerking tussen de EIB en de Commissie bij de tenuitvoerlegging van drie gezamenlijke initiatieven, namelijk JESSICA, JEREMIE en JASMINE, die ten doel hebben de doelmatigheid en effectiviteit van het cohesiebeleid te vergroten en de werking van de structuurfondsen te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan, in samenwerking met de EIB actief door te gaan met de uitvoering van gezamenlijke initiatieven, vooral op het gebied van het cohesiebeleid, en de verstrekking van financiële steun voor mkb-bedrijven te waarborgen;

77.  beschouwt globale subsidieverlening op subregionaal niveau als een passend instrument voor de ontwikkeling van onafhankelijke innovatiestrategieën conform de Europese regionale beleidsdoelstellingen;

78.  is echter tegenstander van het hanteren van quota of verplichtingen voor globale subsidies, aangezien deze het vastleggen van primaire, op de behoeften van de regio's afgestemde prioriteiten zouden kunnen doorkruisen;

Budgettering, financiële procedures, vermindering van administratieve lasten, begrotingsdiscipline en financiële controle

79.  is van mening dat het instellen van programmeringsperiodes van zeven jaar voor het cohesiebeleid effectief is gebleken en minimaal tot het einde van de volgende programmeringsperiode (2020) moet worden gehandhaafd; dringt evenwel aan ook op een snellere strategische herevaluatie van de basisvoorwaarden, zodat de EU nog sneller en flexibeler kan inspelen op exceptionele ontwikkelingen (zoals de financiële crisis, de energiecrisis of natuurrampen);

80.  onderstreept niettemin dat de EU-begroting zoals die momenteel is gestructureerd en de allocatiemechanismen waarin zij voorziet – en die zijn gebaseerd op de respectieve fondsenverordeningen – voor de uitvoering van het cohesie- en het structuurbeleid hun waarde hebben bewezen, en dat deze daarom alleen mogen worden gewijzigd voor zover de procedures niet effectief zijn gebleken of de bewuste voorzieningen in strijd waren met het Financieel Reglement; steunt in dit verband de voorstellen van de Commissie tot harmonisatie van de regels met betrekking tot alle voor regionale ontwikkeling beschikbare fondsen; dringt erop aan bij elke wijziging in bestaande en beproefde structuren – hoe klein deze ook zij – zeer omzichtig te werk moet worden gegaan om verstoringen en twijfels bij nationale of regionale administratieve organen en vergroting van de bureaucratische rompslomp voor de betrokken subsidieontvangers te voorkomen, vooral wanneer het gaat om kleine bedrijven of begunstigden met een beperkte capaciteit;

81.  beschouwt integratie van de EU 2020-doelstellingen in het bestaande stelsel van doelstellingen en fondsen als een haalbare kaart; verzet zich tegen elke vorm van opdeling van de EU-begroting in abstracte rubrieken zoals „slimme”, „inclusieve” of „duurzame” groei, alsook tegen elke vorm van opsplitsing van het cohesiebeleid over meerdere begrotingsrubrieken; is van mening dat voor dit beleid een eigen rubriek binnen de EU-begroting moet worden gecreëerd;

82.  is van mening dat het cohesiebeleid in de periode na 2013 een nog grotere bijdrage kan leveren aan de verdere en duurzame ontwikkeling van de EU-regio's en kan uitgroeien tot de beleidsvorm die van doorslaggevend belang is voor de sectoroverschrijdende uitvoering van de Europa 2020-strategie, en dringt er daarom op aan dat hiervoor minimaal een even groot budget wordt uitgetrokken;

83.  wijst erop dat de Europese Rekenkamer al sinds jaren bericht dat bij de betalingen voor het cohesiebeleid een foutenpercentage van ruim 5% wordt genoteerd, maar merkt op dat uit het jaarverslag van de Europese Rekenkamer blijkt dat dit percentage voor de laatste kwijtingsprocedure nog hoger uitkwam (namelijk op 11%), en dat de gehanteerde toezicht- en controlesystemen maar ten dele effectief zijn; dringt voorts aan op verduidelijking van de methode voor de berekening van het foutenpercentage, aangezien de verschillende cijfers die door de Rekenkamer en de Commissie worden geciteerd aanleiding geven tot verwarring en tot scepsis ten aanzien van de officiële cijfers;

84.  pleit voor toepassing van strengere regels voor het toezicht op onregelmatigheden bij het gebruik van de structuurfondsen ten aanzien van lidstaten die veel onregelmatigheden te zien geven bij het gebruik van gelden uit de structuurfondsen, en dringt aan op een procedure voor de stelselmatige onderbreking en opschorting van betalingen van zodra er bewijs voorhanden lijkt te zijn dat wijst op significante functionele tekortkomingen bij de bevoegde instanties; dringt er echter tegelijkertijd op aan dat overbodige controles worden afgeschaft in lidstaten die over een bevredigend systeem voor middelenbeheer beschikken; is van mening dat de beginselen die besloten liggen in het „vertrouwenscontract'en het ”single audit„-model waar mogelijk moeten worden toegepast;

85.  verlangt dat de respectieve lidstaten/overheden instanties of entiteiten aanwijzen die exclusief verantwoordelijk zijn voor het rechtmatige beheer van gelden uit de structuurfondsen;

86.  is van mening dat de jaarlijkse geverifieerde beheersverklaringen van de hoofden van de administratieve diensten die de middelen beheren (betaalorganen/ beheersautoriteiten) een geschikt instrument zijn om de rapportage- en controleketen te verbeteren, en benadrukt dat volstrekt zeker moet zijn dat deze verklaringen inhoudelijk juist zijn; dringt derhalve aan op de instelling van een stelsel van sancties voor onjuiste verklaringen; is nog steeds voorstander van het systeem van nationale betrouwbaarheidsverklaringen;

87.  verlangt dat de Commissie van bij het begin van de volgende programmeringsperiode meer verantwoordelijkheid krijgt voor het verbeteren van de nationale administratieve procedures; is in dit verband van mening dat er dringend behoefte is aan vereenvoudiging en verduidelijking van het beheer van steunprogramma's, vooral wat betreft financiële implementatie en controle; is van mening dat het derhalve de Commissie is die verantwoordelijk dient te zijn voor de implementatie van procedures voor de accreditering van nationale en federale overheden en auditorganen; is van mening dat de toekenning van het recht op vereenvoudigde en minder frequente verslaggeving zou moeten zijn gekoppeld aan de succesvolle accreditering van die organen en aan vermindering van het foutenpercentage;

88.  verlangt voorts dat de toezichthoudende rol van de Commissie wordt verscherpt door invoering van automatische stopzetting en opschorting van betalingen van zodra er duidelijke aanwijzingen zijn voor significante tekortkomingen in het optreden van de geaccrediteerde instanties; dringt voorts bij de Commissie aan op beter onderbouwde plannen voor intensievere terugvordering van ten onrechte verstrekte betalingen;

89.  dringt aan op vereenvoudiging van het inspectiesysteem en stroomlijning van het aantal inspectieniveaus, alsmede op verduidelijking van de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten; dringt aan op gebruikmaking van een eenlagige inspectieprocedure waarbij de lidstaten projecten controleren en de Commissie de inspectiesystemen van de lidstaten verifieert;

90.  is van mening dat er ter verbetering van de prestaties van de operationele programma's voor het selecteren van projecten binnen de regio's vaker gebruik zou moeten worden gemaakt van concurrerende procedures;

91.  dringt ter beperking van de administratieve rompslomp aan op ruimere toepassing van gestandaardiseerde procedures met hogere standaardkosteneenheden en declaratie van overheadkosten op forfaitaire grondslag voor zover het systeem zich daartoe leent; dringt erop aan dat meer recht wordt gedaan aan het evenredigheidsbeginsel, d.w.z. dat voor de uitvoering van kleinere programma's beduidend minder verslagleggings- en auditverplichtingen dienen te worden opgelegd;

92.  verzoekt de Commissie elk jaar een „foutenmelder” te publiceren met informatie over gebrekkig en/of te laat nagekomen rapportage- en meldingsverplichtingen en over onregelmatigheden of gevallen van misbruik of fraude bij het gebruik van geld uit de cohesiefondsen; dringt erop aan dat deze informatie wordt gespecificeerd per lidstaat en per fonds;

93.  stelt met bezorgdheid vast dat de administratieve rompslomp voor kleine bedrijven en organisaties een belemmering vormt om toegang te krijgen tot structuurfondsensubsidies; dringt erop aan dat de desbetreffende regels en technische documentatie zo duidelijk mogelijk worden gemaakt;

94.  dringt erop aan dat voor de nieuwe programmeringsperiode jaarlijkse rekeningcontroleprocedures worden gehanteerd die ook inzetbaar zijn voor meerjarige programma's;

95.  is van mening dat er voor het gehele implementatie- en controlesysteem behoefte is aan efficiëntere e-overheidstoepassingen (in de vorm van gestandaardiseerde formulieren); dringt aan op door de Commissie gecoördineerde systemen voor de uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten en op de gecoördineerde implementatie daarvan middels samenwerkingsverbanden van bestuurs- en auditinginstanties;

96.  steunt het voorstel van de Commissie om door nationale instanties gedane uitgaven pas te vergoeden nadat de betreffende EU-subsidie aan de begunstigden is uitgekeerd; is van mening dat de betalingsprocedures hierdoor zullen worden bespoedigd en dat dit een beslissende stimulans zal zijn voor het doorvoeren van stringente nationale auditcontroles; wijst er echter op dat lidstaten of regio's hierdoor te maken zouden kunnen krijgen met liquiditeitsproblemen en dat er adequate voorzieningen moeten worden getroffen om dit te ondervangen;

97.  beschouwt de oproep van de Commissie om steunbetalingen nauwer af te stemmen op de behaalde resultaten als een onlogisch uitgangspunt omdat er hoe dan ook alleen resultaten kunnen worden geboekt met projecten die al gefinancierd zijn; ziet het als een punt van bezorgdheid dat het toezicht op projecten wellicht een zeer bureaucratische aangelegenheid is, maar acht het niettemin doenlijk om aan de te verlenen steun als voorwaarde te verbinden dat de bewuste projecten in overeenstemming dienen te zijn met bijvoorbeeld de Europa 2020-strategie;

98.  is weliswaar van mening dat terugbetaling pas kan plaatsvinden nadat de EU-subsidie voor een project is uitbetaald, maar dat de begunstigden door banken of andere financiële instellingen geen extra lasten mogen worden opgelegd in de vorm van rentepercentages die geen correcte afspiegeling vormen van het lage risico dat aan dergelijke leningen is verbonden;

99.  dringt aan op diversificatie van de toegepaste sanctiemechanismen – onder andere in de vorm van een bonussysteem voor lidstaten die de regels correct implementeren – door met name administratieve tegemoetkomingen te hanteren;

100.  herinnert eraan dat het ESF in zoverre van de andere structuurfondsen verschilt dat het nauw gekoppeld is aan de doelgroepen die het ondersteunt en dat het in een vorm moet worden gegoten die ruimte laat voor tal van kleinschalige plaatsgebonden projecten; dringt erop aan dat de lidstaten de financiële steun voor projecten onmiddellijk doorsluizen zodat problemen voor kleinere begunstigden kunnen worden vermeden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan flexibiliteit bij de financiële implementatie van programma's te betrachten, bij de vaststelling van controle- en auditverplichtingen in termen van tijd, geleverde inspanningen en financiële bijdragen recht te doen aan het evenredigheidsbeginsel, de procedures te vereenvoudigen en buitensporige administratieve rompslomp terug te dringen en eventuele obstakels voor projecten en potentiële begunstigden te verkleinen, zodat het ESF beter kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU op het gebied van groei en nieuwe werkgelegenheid; dringt er bij de Commissie op aan beheersinstanties en begunstigden meer financieringsopties te bieden en daarnaast de mogelijkheid te verschaffen om naast traditionele boekhoudsystemen ook gestandaardiseerde kostenopties voor te stellen;

101.  steunt het voorstel van de Commissie om ter wille van de flexibiliteit – eventueel in het kader van de allocaties per lidstaat – in bepaalde situaties stelselmatig de N+2 en N+3 regels toe te passen, behalve in het eerste subsidiejaar en met uitzondering van grensoverschrijdende programma's, en om alle andere afwijkingen van de regel inzake ambtshalve annulering alleen toe te staan bij wijze van aanpassing aan de administratieve lasten die voortvloeien uit nieuwe bepalingen inzake strategische programmering, resultaatgerichte beleidsoriëntatie en vooraf vast te stellen voorwaarden; pleit met name ook voor toepassing van de N+3 regel bij grensoverschrijdende programma's om recht te doen aan de tragere administratieve procedures die het gevolg zijn van taalkundige of culturele problemen; is van mening dat dit een evenwichtige verhouding tussen kwalitatief hoogwaardige investeringen en een probleemloze en snelle tenuitvoerlegging van de programma's garandeert;

Nabuurschaps- en uitbreidingsbeleid

102.  wijst met nadruk op de betekenis voor het cohesiebeleid van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) met betrekking tot de grensoverschrijdende samenwerking met landen buiten de EU; neemt nota van de huidige problemen met de uitvoering van het programma; is ervan overtuigd dat het uiteindelijk nodig zal blijken te zijn de grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's in het kader van het ENPI te herintegreren in het cohesiebeleid; verwacht juist van de infrastructuurverbanden (op het gebied van transport, energie en milieu) met de buurlanden bijzonder positieve effecten voor de Europese grensregio's; dringt erop aan de middelen uit het ENPI meer in te zetten ter dekking van strategische behoeften op het gebied van energievoorziening en transportinfrastructuur; benadrukt de rol die macroregio's in dit verband kunnen spelen; verzoekt de Commissie zich te beraden over de mogelijkheid om efficiëntere synergieën tot stand te brengen tussen EFRO-initiatieven, het instrument voor pretoetredingssteun, het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF); verzoekt de Commissie voorts te evalueren of de reeds in de regionale beleidssfeer gebruikte structuren ook kunnen worden ingezet bij het beheer van het ENPI;

103.  onderstreept daarnaast ook het belang van het EU-uitbreidingsproces voor het cohesiegebeuren, in het kader waarvan het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) de kandidaat-lidstaten behulpzaam is bij de inhoudelijke en organisatorische voorbereiding op de implementatie van het cohesiebeleid; vestigt de aandacht op de uitvoeringsproblemen in de lidstaten; herinnert aan de oorspronkelijke doelstellingen van het IPA, dat met name gericht was op de versterking van de financiële capaciteit en de institutionele opbouw en ondersteuning van de voorbereidingen van de kandidaat-lidstaten ter uitvoering van het cohesiebeleid van de Gemeenschap, om deze voor te bereiden op de volledige tenuitvoerlegging van het communautair acquis op het moment van toetreding; dringt er bij de Commissie op aan de bestaande problemen bij het functioneren van het IPA nader te identificeren;

104.  dringt er eens te meer op aan de Commissie regionale ontwikkeling te betrekken bij en medeverantwoordelijk te maken voor het bepalen van de vorm die deze instrumenten in de toekomst zullen aannemen;

o
o   o

105.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de leiders van de EU-regio's en deelstaten.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 1.
(2) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 12.
(3) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19.
(4) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(5) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 79.
(6) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82.
(7) PB L 391 van 30.12.2006, blz. 1.
(8) PB C 74E van 20.3.2008, blz. 275.
(9) PB C 117E van 6.5.2010, blz. 65.
(10) PB C 161 E, 31.5.2011, blz. 120.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0341.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0356.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0357.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0286.
(15) PB C 166 van 7.6.2011, blz. 35.

Laatst bijgewerkt op: 22 januari 2013Juridische mededeling