Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2748(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B7-0466/2011

Debatten :

PV 07/07/2011 - 11.2
CRE 07/07/2011 - 11.2

Stemmingen :

PV 07/07/2011 - 12.2
CRE 07/07/2011 - 12.2

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0341

Aangenomen teksten
PDF 80kDOC 40k
Donderdag 7 juli 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
Indonesië, onder meer aanvallen op minderheden
P7_TA(2011)0341B7-0394, 0444, 0462, 0463, 0464, 0465 en 0466/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2011 over Indonesië, onder meer aanvallen op minderheden

Het Europees Parlement ,

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(1) ,

–  gezien de verkiezing in mei 2011 van Indonesië tot lid van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC); overwegende dat de leden van de VN-Mensenrechtenraad zich aan de hoogste normen moeten houden met betrekking tot de bevordering en bescherming van de mensenrechten,

–  gezien het Indonesische voorzitterschap van ASEAN in 2011, het ASEAN-handvest, dat op 15 december 2008 in werking is getreden, en de oprichting van de Intergouvernementele Commissie voor de mensenrechten van ASEAN op 23 oktober 2009,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Indonesië in 2006 heeft geratificeerd,

–  gezien hoofdstuk 29 van de Indonesische grondwet, dat de vrijheid van godsdienst waarborgt,

–  gezien de artikelen 156 en 156, onder a), van het Indonesische strafwetboek, waarin godslastering, ketterij en religieuze smaad worden verboden,

–  gezien presidentieel besluit nr. 1/PNPS/1965 over de voorkoming van godslastering en misbruik van godsdienst,

–  gezien de verklaring van 8 februari 2011 van de EU over de recente aanvallen en moorden op ahmadi's in de provincie Banten,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Indonesië, en de eerste ronde van de mensenrechtendialoog die in het kader van die overeenkomst in juni 2010 op Jakarta werd gehouden,

–  gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Indonesië het grootste land ter wereld is met een overwegend islamitische bevolking, en overwegende dat de Indonesische traditie van pluralisme, culturele harmonie, godsdienstvrijheid en sociale rechtvaardigheid is vastgelegd in de nationale „Pancasila”-ideologie,

B.  overwegende dat er sprake is van een aanzienlijke toename van de aanvallen op religieuze minderheden, met name ahmadi's, die zichzelf als moslims beschouwen, maar ook op christenen, boeddhisten en vooruitstrevende maatschappelijke organisaties,

C.  overwegende dat de Indonesische minister voor Godsdienstzaken na het verbod op de verspreiding van de ahmadi-moslimleer in 2008 herhaaldelijk heeft opgeroepen tot een algeheel verbod op de ahmadiyyamoslimgemeenschap, en dat drie provincies – West-Java, Zuid-Sulawesi en West-Sumatra – hieraan reeds gevolg hebben gegeven; overwegende dat op 6 februari 2011 in Cikeusik, in de provincie Banten, een grote menigte van minstens 1500 mensen 20 ahmadi-moslims hebben aangevallen, waarbij drie van hen om het leven kwamen en verschillende anderen ernstig gewond raakten, als gevolg waarvan de president van Indonesië een onderzoek eiste,

D.  overwegende dat na deze aanval, op 8 februari 2011, honderden mensen drie kerken in brand staken en een priester aanvielen in de stad Temanggung op Midden-Java, nadat een van belediging van de islam beschuldigde christen een gevangenisstraf van vijf jaar had gekregen in plaats van de doodstraf, zoals de aanvallers hadden verwacht, en overwegende dat het kerkgenootschap in Indonesië tijdens de afgelopen zes jaar 430 aanvallen op christelijke kerken heeft geregistreerd,

E.  overwegende dat er al meer dan 150 personen zijn aangehouden of opgesloten in het kader van de artikelen 156 en 156, onder a), van het Indonesische strafwetboek, en overwegende dat er bewijs is dat plaatselijke verordeningen betreffende godslastering, ketterij en religieuze smaad door extremisten worden gebruikt om de godsdienstvrijheid in te perken en spanningen en geweld tussen gemeenschappen aan te wakkeren,

F.  overwegende dat het Indonesische constitutionele hof op 19 april 2010 vasthield aan de wetten inzake godslastering en ketterij en weigerde gevolg te geven aan de aanvraag tot intrekking van deze wetten, die was ingediend door vier vooraanstaande islamitische geleerden en ten minste zeven Indonesische maatschappelijke en mensenrechtenorganisaties, en ondersteund werd door ten minste 40 andere organisaties,

G.  overwegende dat er geloofwaardige meldingen zijn, voornamelijk door de nationale commissie voor de mensenrechten, van mensenrechtenschendingen door leden van de veiligheidstroepen in Indonesië, met inbegrip van marteling en andere vormen van mishandeling en het buitensporig gebruik van geweld, met name op Papoea en de Molukken; overwegende dat de daders zelden verantwoording hoeven af te leggen tegenover een onafhankelijke rechter,

1.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring die op 24 mei 2011 werd afgegeven door de president, de voorzitter van het Huis van afgevaardigden, de voorzitter van de Raad van regionale vertegenwoordigers, de voorzitter van het Raadgevend Volkscongres, de opperrechters van het hooggerechtshof en het constitutionele hof en andere vooraanstaande ambtenaren, waarin zij aandringen op de handhaving van „Pancasila” en de bescherming van het pluralisme;

2.  onderstreept de vooruitgang die Indonesië de afgelopen jaren heeft geboekt op het gebied van de tenuitvoerlegging van de democratie en de rechtsstaat, en hecht het grootste belang aan het behoud en de verdieping van de op vele gebieden harmonieuze betrekkingen tussen de Europese Unie en Indonesië, zoals blijkt uit de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Indonesië;

3.  is verheugd over de geloften die Indonesië voorafgaand aan zijn verkiezing tot de UNHRC op 20 mei 2011 heeft afgelegd, onder meer met betrekking tot de ratificatie van alle vooraanstaande mensenrechteninstrumenten, en met name het Internationale Verdrag ter bescherming van eenieder tegen gedwongen verdwijning;

4.  uit zijn ernstige zorgen over de uitingen van geweld tegen religieuze minderheden, met name ahmadi-moslims, christenen, bahais en boeddhisten; vreest dat schendingen van de godsdienstvrijheid afbreuk doen aan de in de Indonesische grondwet vastgelegde mensenrechten, waaronder het verbod op discriminatie en de vrijheid van mening, meningsuiting en vreedzame vergadering;

5.  verzoekt de Indonesische regering, en met name de minister voor Godsdienstzaken en de Indonesische rechterlijke macht, de eerbiediging en bevordering van de rechtsstaat te garanderen en ervoor te zorgen dat personen die zich schuldig maken aan religieus geweld en aanzetting tot haat voor het gerecht worden gebracht;

6.  uit zijn diepe bezorgdheid over de plaatselijke verordeningen betreffende godslastering, ketterij en religieuze smaad, die gemakkelijk misbruikt kunnen worden, en over het gezamenlijk ministerieel besluit van 2008 inzake het verbod op de verspreiding van de ahmadiyyamoslimleer, en verzoekt de Indonesische autoriteiten deze in te trekken of te herzien;

7.  is verheugd over de werkzaamheden van het Indonesische maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de islamitische, christelijke en seculiere denktanks, mensenrechtenorganisaties en anti-extremistische organisaties, op het gebied van de bevordering van het pluralisme, godsdienstvrijheid, religieuze harmonie en de mensenrechten;

8.  dringt er bij de Indonesische regering op aan dat zij de aanbevelingen van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN opvolgt, en met name wat betreft de uitnodiging van de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging voor een bezoek aan het land;

9.  is ingenomen met het onderzoek naar de dodelijke aanvallen op de ahmadiyyagemeenschap in februari 2011 op West-Java, als gevolg waarvan de regionale en provinciale politiechefs zijn vervangen, aanklachten zijn ingediend tegen negen politie-officieren wegens veronachtzaming van hun taak, en 14 anderen zijn berecht voor de door hen gepleegde misdaden, en roept op tot onafhankelijk toezicht op de rechtzaken, zodat rechtvaardigheid voor alle betrokken partijen kan worden gewaarborgd;

10.  verzoekt de Indonesische autoriteiten om een onderzoek in te stellen naar de mensenrechtenschendingen door leden van de veiligheidstroepen en om de schuldig bevonden personen te vervolgen, ook degenen met commando-verantwoordelijkheid;

11.  roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen die uitsluitend op grond van hun deelname aan vreedzame politieke protesten zijn gearresteerd en aangeklaagd, aangezien dit in strijd is met de gedachte van de speciale autonomiewet van 2001, die Papoea's, Molukkers en andere etnische en religieuze minderheden het recht geeft hun culturele identiteit te uiten;

12.  verzoekt de EU-delegatie en diplomatieke missies van de lidstaten de mensenrechtensituatie nauwlettend te blijven volgen, met name in gevoelige gebieden als Papoea, de Molukken en Atjeh;

13.  benadrukt het belang van de opname van een mensenrechtendimensie in de politieke dialoog die in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Indonesië plaatsvindt, met de bijzondere nadruk op godsdienstvrijheid en respect voor minderheden,

14.  doet een beroep op de lidstaten en de Commissie om steun te verlenen aan het Indonesische maatschappelijk middenveld en aan de Indonesische mensenrechtenorganisaties die zich actief inzetten voor de bevordering van de democratie, verdraagzaamheid en vreedzame samenleving van verschillende etnische en religieuze groeperingen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Indonesië, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Intergouvernementele Commissie voor de mensenrechten van ASEAN en de VN-mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489.

Laatst bijgewerkt op: 11 oktober 2012Juridische mededeling