Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2038(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0335/2011

Ingediende teksten :

A7-0335/2011

Debatten :

PV 02/02/2012 - 5
CRE 02/02/2012 - 5

Stemmingen :

PV 02/02/2012 - 12.10
CRE 02/02/2012 - 12.10

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0026

Aangenomen teksten
PDF 145kDOC 78k
Donderdag 2 februari 2012 - Brussel Definitieve uitgave
Toepassing van de afvalstoffenrichtlijn
P7_TA(2012)0026A7-0335/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de in verzoekschriften opgeworpen vragen betreffende de toepassing van de afvalstoffenrichtlijn en aanverwante richtlijnen in de lidstaten van de Europese Unie (2011/2038(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gezien het in artikel 227 van het VWEU verankerde petitierecht,

–  gezien de ontvangen verzoekschriften opgenomen in de bijlage van het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0335/2011),

–  gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen(1) ,

–  gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht(2) ,

–  gezien Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen(3) ,

–  gezien Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval(4) ,

–  gezien Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's(5) (SMB),

–  gezien Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad(6) ,

–  gezien Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad(7) (MER),

–  gezien het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Aarhus, Denemarken, 25 juni 1998),

–  gezien de studie van deskundigen „Afvalbeheer in Europa: voornaamste problemen en beste praktijken” van juli 2011,

–  gezien artikel 202, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0335/2011),

A.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften in de periode 2004-2010 114 verzoekschriften heeft ontvangen en ontvankelijk verklaard die betrekking hadden op vermeende inbreuken op dit regelgevend kader door de volgende lidstaten: Italië, Griekenland, Frankrijk, Spanje, Ierland (meer dan 10 verzoekschriften), Bulgarije, het VK, Polen, Roemenië, Duitsland (3-10 verzoekschriften), Oostenrijk, Hongarije, Litouwen, Malta, Portugal en Slowakije (elk 1 verzoekschrift);

B.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften vijf verslagen heeft opgesteld over onderzoeksmissies met betrekking tot verzoekschriften inzake afval naar Ierland(8) , Fos-sur-Mer (Frankrijk)(9) , de stortplaats van Path Head (VK)(10) , Campania (Italië)(11) en Huelva (Spanje)(12) ;

C.  overwegende dat verzoekschriften over milieukwesties steeds de grootste groep van ontvangen verzoekschriften uitmaken en verzoekschriften over afval daarvan een belangrijk onderdeel vormen, en overwegende dat afvalkwesties zeer directe gevolgen hebben voor burgers in de hele EU, met name wat betreft de vergunningsprocedure voor nieuwe afvalbeheerinstallaties of de werking van bestaande installaties, gevolgd door kwesties inzake het algemeen beheer van afval;

D.  overwegende dat een grote meerderheid van verzoekschriften inzake afval betrekking heeft op afvalbeheerinstallaties, waarbij ongeveer 40% betrekking heeft op de vergunningsprocedure voor geplande nieuwe installaties en 40% op de werking van bestaande installaties; daarvan gaat 75% over stortplaatsen en 25% over verbrandingsinstallaties, terwijl de rest van deze verzoekschriften problemen van algemeen afvalbeheer aansnijden;

E.  overwegende dat uit de meest recente cijfers van Eurostat (2009) blijkt dat de EU-burgers gemiddeld 513 kg afval per jaar produceren, waarbij vele nieuwe lidstaten ver onder het gemiddelde zitten en de meest geïndustrialiseerde landen op kop liggen;

F.  overwegende dat de landen die het meeste afval produceren de hoogste percentages vertonen voor het recyclen, composteren en verbranden van afval voor energie terwijl ze niet of bijna niet storten, terwijl daarentegen de lidstaten die het minste afval produceren bij de eersten zijn inzake storten en achteraan bengelen inzake recyclen en zelfs voor verbranden van afval;

G.  overwegende dat het bij sommige verbrandingsinstallaties schort aan goede voorzieningen voor de scheiding en behandeling van afval; overwegende dat er geen duidelijke limieten zijn voor de soorten afval die mogen worden verbrand en er onverminderd bezorgdheid is over de toxische assen die bij de verbranding vrijkomen;

H.  overwegende dat Richtlijn 2008/98/EG inzake afval (de kaderrichtlijn afvalstoffen (KRA)) maatregelen vaststelt ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen, beperking van de algemene gevolgen van het gebruik van hulpbronnen en efficiënter gebruik van die hulpbronnen, wat voordelen biedt voor de EU-burgers op het gebied van gezondheid en welzijn en tegelijk zorgt voor een milieuvriendelijke methode van afvalverwijdering;

I.  overwegende dat Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht een minimum aantal ernstige milieudelicten definieert en van de lidstaten verlangt dat er meer afschrikkende sancties worden gesteld op dit soort misdrijven wanneer ze opzettelijk of uit grove nalatigheid worden begaan;

J.  overwegende dat een afvalstrategie die in overeenstemming is met de KRA, moet waarborgen dat alle afval wordt verzameld en naar een netwerk van geschikte afvalverwerkingsinstallaties wordt gebracht voor toepassing en uiteindelijk verwijdering, en ook maatregelen moet inhouden om de productie van afval bij de bron te verminderen;

K.  overwegende dat in sommige regio's, bijv. Fos-sur-Mer (Frankrijk – 2008), Path Head (VK – 2009), Huelva (Spanje – 2009) en Campanië (Italië – 2011), met het reduceren van de totale hoeveelheid afval en het recycleren van huishoudelijk afval nauwelijks vooruitgang is geboekt, en dat huishoudelijk en ander afval nog altijd zonder selectie wordt gestort, waarbij het soms kennelijk gemengd wordt met verschillende soorten industrieel afval;

L.  overwegende dat de termijn voor omzetting van de KRA december 2010 was, maar dat nog slechts zes lidstaten deze verplichting zijn nagekomen en dat de Commissie actieve maatregelen neemt om te verzekeren dat de overige lidstaten snel de richtlijn omzetten en met de uitvoering ervan beginnen;

M.  overwegende dat huishoudelijk afval moet worden beheerd in overeenstemming met de afvalstoffenhiërarchie, die gebaseerd is op preventie, vermindering, hergebruik, recycling, terugwinning (bijv. van energie) en verwijdering, overeenkomstig artikel 4 van de KRA;

N.  overwegende dat een hulpbronnenefficiënt Europa een van de voornaamste doelstellingen is van de Europa 2020-strategie en dat de KRA voor het recyclen van stedelijk afval een streefcijfer van 50% heeft geïntroduceerd, dat tegen 2020 door alle lidstaten moet worden bereikt, vanuit de overtuiging dat omvorming van de EU tot een groene kringloopeconomie waarin afval als grondstof wordt gebruikt, een belangrijk element van de doelstelling op het gebied van hulpbronnenefficiëntie vormt;

O.  overwegende dat er diverse redenen zijn waarom er geen afvalbeheerplannen in overeenstemming met de KRA tot stand zijn gekomen; overwegende dat het onder meer ontbreekt aan implementatie en handhaving, terdege opgeleid personeel op plaatselijk en regionaal niveau en coördinatie op nationaal niveau, dat er onvoldoende controle is op EU-niveau, er niet voldoende middelen worden uitgetrokken en er geen boeteregeling is, waardoor kansen worden verspeeld voor een goed afvalbeheer om broeikasgasemissies en ander milieugevolgen terug te dringen en om de Europese afhankelijkheid van ingevoerde grondstoffen te verminderen;

P.  overwegende dat een belangrijk, vaak verwaarloosd, argument is dat de recyclingindustrie een potentieel biedt van bijna een half miljoen banen, aangezien bepaalde soorten afval een productieve grondstof vormen die kan bijdragen tot een grotere duurzaamheid van het milieu en tot stappen in de richting van een groene economie;

Q.  overwegende dat het beheer van bioafval in de EU nog min of meer in zijn kinderschoenen staat en dat de huidige wetgevingsinstrumenten verder moeten worden uitgewerkt en de technieken efficiënter moeten worden gemaakt;

R.  overwegende dat het halen van de EU-streefcijfers voor inzameling, recycling en voorkomen van het storten van afval een prioriteit moet blijven;

S.  overwegende dat de lidstaten, op nationaal, regionaal en lokaal niveau, de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de EU-wetgeving en overwegende dat de EU door de burgers verantwoordelijk wordt gehouden voor het garanderen van de uitvoering van het afvalstoffenbeleid, maar niet de adequate middelen heeft om de wetgeving handhaven;

T.  overwegende dat burgers volgens het Verdrag van Aarhus het recht hebben te worden geïnformeerd over de stand van zaken op hun eigen grondgebied en dat de autoriteiten verplicht zijn informatie te verschaffen en de burgers te stimuleren zich verantwoordelijk te gedragen; overwegende dat de lidstaten er krachtens Richtlijn 2003/35/EG voor moeten zorgen dat de burgers in een vroeg stadium daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld te participeren in de opstelling en wijziging of herziening van de te ontwikkelen plannen of programma's;

U.  overwegende dat de burgers via de verzoekschriftenprocedure uitdrukking geven aan hun gevoel dat de autoriteiten de situatie niet in de hand hebben, dat zij soms niet bereid zijn de nodige inspanningen te ondernemen om bij te dragen aan oplossingen, dat het vertrouwen is beschadigd en dat er sprake is van een situatie die steeds verder verslechtert en in sommige gevallen leidt tot openlijke confrontatie en verlamming waardoor optreden onmogelijk wordt;

V.  overwegende dat in een recente studie(13) die in opdracht van de Commissie werd uitgevoerd om de haalbaarheid van de oprichting van een EU-agentschap voor afvalbeheer te onderzoeken, benadrukt werd dat vele lidstaten niet over voldoende capaciteit beschikken om afvalbeheerplannen voor te bereiden, of voor inspecties, controles of andere maatregelen om de afvalwetgeving naar behoren te handhaven;

W.  overwegende dat in de studie ook wordt gewezen op een hoge mate van niet-naleving, illegaal storten en vervoeren van afvalstoffen, een groot aantal klachten van burgers en inbreukzaken voor het Europees Hof van Justitie en bijgevolg onvoldoende bescherming van de volksgezondheid en het milieu, terwijl die bescherming een centrale doelstelling van de EU-afvalwetgeving is;

X.  overwegende dat illegaal lozen of storten van afval een van de activiteiten van de georganiseerde misdaad is geworden, hetgeen te denken geeft over de rol van de verantwoordelijke autoriteiten en, waar het om industrieel afval gaat, over medeplichtigheid van de industrie;

Y.  overwegende dat de huidige toezichts- en controleprocedures om te verzekeren dat huishoudelijk afval niet door giftig afval wordt besmet, soms zwak of onbestaande zijn, hetgeen leidt tot verontreiniging van stortplaatsen en verbrandingsovens; overwegende dat moet worden onderstreept dat het verwijderen van afval door middel van verbranding in installaties die bedoeld zijn voor het verbranden van huishoudelijk afval, volstrekt verboden is;

Z.  overwegende dat een diepgaande analyse van de verzoekschriften bevestigt dat de wetgeving voor een goed werkend en milieuvriendelijk afvalbeheersysteem grotendeels voorhanden is en dat de voornaamste problemen zich voordoen op het gebied van implementatie en handhaving, waarbij 95% van de verzoekschriften betrekking hebben op tekortkomingen op het lokaal of regionaal bestuursniveau;

AA.  overwegende dat een gebrek aan informatie en bewustwording, aan administratieve capaciteit en aan financiële en andere middelen op lokaal niveau wordt aangewezen als een van de cruciale factoren voor deze situatie;

AB.  overwegende dat de Commissie de steun heeft opgevoerd, onder meer 4,1 miljard euro in 2005-2006, om de tenuitvoerlegging en handhaving van het EU-afvalacquis op nationaal niveau te verbeteren; overwegende dat eind 2009 toch 20% van alle inbreukzaken met betrekking tot milieuwetgeving, met afval te maken had;

AC.  overwegende dat de kosten van slecht afvalbeheer zeer hoog zijn en dat een territoriaal systeem dat de gehele cyclus omvat, aanzienlijke besparingen kan opleveren;

AD.  overwegende dat de toepassing van de afvalwetgeving in de EU wel een taak van de overheid is, maar dat particuliere en multinationale ondernemingen 60% van het huishoudelijk afval en 75% van het industrieel afval verwerken en een jaarlijkse omzet hebben van 75 miljard euro(14) ;

AE.  overwegende dat de instelling van nieuwe stortplaatsen en verbrandingsovens onder bijlage I, punt 9, van de richtlijn inzake milieueffectrapportage (MER)(15) valt, waarbij een MER overeenkomstig artikel 4, lid 1, vereist is of ten minste een doorlichting overeenkomstig artikel 4, lid 2, indien de stortplaats onder bijlage II , punt 11, letter b, valt;

AF.  overwegende dat vergunningen voor stortplaatsen onder bijlage II van de MER-richtlijn vallen indien zij aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, en onderworpen zijn aan drempelcriteria die zijn vastgesteld door de lidstaten;

AG.  overwegende dat in artikel 6, lid 4, van de MER-richtlijn het volgende wordt bepaald: „Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen”;

AH.  overwegende dat de EU-richtlijnen en het Verdrag van Aarhus specifiek verwijzen naar toegang tot informatie en inspraak bij besluitvorming in milieuaangelegenheden;

AI.  overwegende dat in vele verzoekschriften wordt aangevoerd dat de vergunningsprocedure voor afvalbeheerinstallaties niet volledig in overeenstemming was met de EU-wetgeving, met name wat betreft de MER en de openbare raadpleging;

AJ.  overwegende dat indien een vergunning beantwoordt aan de vereisten van de richtlijn en een MER is uitgevoerd, de Commissie niet bevoegd is om zich te mengen in besluiten van de nationale autoriteiten; overwegende dat een aantal lidstaten evenwel geen grondige MER's hebben uitgevoerd vooraleer vergunningen af te geven voor het openen of het uitbreiden van stortplaatsen of het bouwen van verbrandingsovens;

AK.  overwegende dat juridische stappen pas kunnen worden genomen als een project door de lidstaten is goedgekeurd; overwegende dat het voor burgers moeilijk te begrijpen is dat de EU niet doeltreffend kan ingrijpen totdat de volledige procedure is afgerond en het project door de lidstaten is goedgekeurd;

AL.  overwegende dat de opmerkingen van burgers tijdens de openbare raadpleging en de milieueffectbeoordeling betreffende geprojecteerde stortplaatsen veelal betrekking hebben op vermeende aantastingen van beschermde gebieden, zoals in het geval van de stortplaats in het nationaal park van de Vesuvius, of een uiting zijn van ongerustheid over de negatieve effecten op gezondheid en welzijn;

AM.  overwegende dat geplande locaties voor nieuwe stortplaatsen op verzet stuiten omdat de tegenstanders vinden dat zij een op ecologische of culturele gronden beschermd gebied aantasten, zoals blijkt uit de verzoekschriften over het plan om een nieuwe stortplaats te openen in het nationaal park van de Vesuvius, en dat het van mening is dat de aanleg van stortplaatsen in gebieden die deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk onverenigbaar moet worden geacht met het milieurecht van de EU;

AN.  overwegende dat de richtlijn betreffende het storten van afval (de „stortrichtlijn”) de vergunningverlening voor de exploitatie van stortplaatsen en de gemeenschappelijke controleprocedures gedurende de exploitatie- en nazorgfasen regelt en overwegende dat stortplaatsen die zijn gesloten vóór de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht, niet onderworpen zijn aan de bepalingen ervan; overwegende dat de in de richtlijn genoemde criteria betrekking hebben op de ligging van stortplaatsen, de watercontrole en het percolaatbeheer, de bodem- en waterbescherming, de controle van gasuitstoot, overlast en gevaren, de stabiliteit van de afvalmassa en de omheining rond stortplaatsen;

AO.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften verscheidene verzoekschriften heeft ontvangen, met name het verzoekschrift dat aanleiding heeft gegeven tot het studiebezoek aan Path Head (VK), betreffende stortplaatsen die zeer dicht bij woningen zijn gelegen en waar de bevolking te kampen heeft met stankoverlast, verhoogde luchtverontreiniging en ongedierte in de nabijheid van hun huis; overwegende echter dat, aangezien de EU-wetgeving niet voorziet in meer nauwkeurige voorschriften inzake de nabijheid van stortplaatsen bij woningen, scholen en ziekenhuizen, de precieze voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu onderworpen zijn aan het in de Verdragen verankerde subsidiariteitsbeginsel;

AP.  overwegende dat in verzoekschriften inzake stortplaatsen vaak bezorgdheid wordt geuit over mogelijke grondwaterverontreiniging, omdat oudere stortplaatsen soms geen waterafdichting hebben die voorkomt dat percolatiewater in de waterhoudende grondlaag lekt of omdat de waterafdichting gescheurd lijkt, wat voor lekkage doet vrezen, dan wel omdat ze in geologisch instabiele bodem of te dicht bij grond-/drinkwatervoorraden liggen;

AQ.  overwegende dat de Commissie meldt dat sedert 2001 177 inbreukprocedures op de stortrichtlijn zijn ingeleid en dat in een recente inventaris minstens 619 illegale stortplaatsen in de EU zijn geteld;

AR.  overwegende dat uit de verzoekschriften en de klachten aan de Commissie blijkt dat er tal van illegale stortplaatsen zijn die werken zonder vergunning, ook al is het exacte aantal niet gekend omdat er geen adequaat toezicht is;

AS.  overwegende dat eraan wordt herinnerd dat storten van afval als een laatste redmiddel moet gelden; overwegende dat de overheden in bepaalde lidstaten die achterop hinken inzake het voorkomen, recyclen en hergebruik van afval, misschien onder druk staan om bestaande, zelfs niet-conforme, stortplaatsen uit te breiden of nieuwe stortplaatsen te openen als kortetermijnoplossing voor het wegwerken van afval;

AT.  overwegende dat het gebruik van verbrandingsovens, die laag staan in de afvalhiërarchie, algemeen erkend en aanvaard wordt door de burgers in sommige landen die geacht worden de KRA goed na te leven, omdat deze ovens energie terugwinnen in het proces en dat landen die tot nu toe geen gebruik hebben gemaakt van verbranding, kunnen besluiten dit toch te doen om hun opgestapelde achterstand weg te werken;

AU.  overwegende dat dit enkel kan gebeuren indien de relevante EU-wetgeving strikt gecontroleerd en nageleefd wordt en met dien verstande dat dergelijke maatregelen waarschijnlijk begrijpelijk verzet zullen uitlokken bij de meest direct betrokken bevolking in de omgeving, die bezorgd is over de gevolgen ervan voor hun gezondheid;

AV.  overwegende dat erkend moet worden dat nieuwe technologieën de emissies van verbrandinginstallaties aanzienlijk hebben verminderd; overwegende dat in bepaalde lidstaten, met name de landen waar een hoog percentage van het afval wordt verbrand, de acceptatiegraad van de lokale bevolking kennelijk hoger ligt, wellicht omdat men zich ervan bewust is dat verbrandingsinstallaties ook warmte en energie leveren en ook omdat de informatie over de werking ervan transparant en toegankelijk is;

AW.  overwegende dat vergunningen voor de bouw van verbrandingsinstallaties op evenveel verzet stuiten als vergunningen voor stortplaatsen en om gelijke redenen, vooral vanwege de vrees voor luchtverontreiniging en negatieve gezondheidseffecten en/of gevolgen voor op milieugronden beschermde gebieden;

AX.  overwegende dat overheden voor de bouw van verbrandingsinstallaties vaak gebieden kiezen waar al veel luchtvervuiling is, dat niet mag worden voorbijgegaan aan de cumulatieve effecten op de gezondheid van de bewoners van het gebied en dat vaak geen aandacht wordt besteed aan het zoeken naar alternatieve methodes voor afvalverwijdering en energieproductie door middel van methanisering;

AY.  overwegende dat de nadruk op verbranding voor energieproductie als eerste keuze toch een minder efficiënte methode van afvalbeheer vormt dan voorkoming, recycling en hergebruik, die dan ook voorrang moeten krijgen, overeenkomstig de afvalhiërarchie van de KRA;

AZ.  overwegende dat een actieve participatie van de maatschappelijke organisaties, een betere participatie van belanghebbenden en - middels publiekscampagnes via de media - meer bewustwording nodig is om de wettelijk vastgestelde doelstellingen voor recycling en preventie te halen;

BA.  overwegende dat alle verslagen over onderzoeksmissies van de Commissie verzoekschriften betreffende afvalkwesties melding maken van het feit dat er tussen burgers en autoriteiten weinig of geen communicatie bestaat, wat in bepaalde gevallen kan leiden tot gespannen situaties en burgerdemonstraties waarover vaak in de pers wordt bericht;

BB.  overwegende dat de wereldbevolking toeneemt en de totale consumptie aanzienlijk zal stijgen, waardoor het afvalbeheer sterker onder druk zal komen te staan; overwegende dat het voor een oplossing van dit probleem onder meer nodig is dat de mensen dit beseffen en dat het beginsel van de afvalhiërarchie in praktijk wordt gebracht;

BC.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften geen preventieve of rechterlijke bevoegdheden heeft, maar de belangen van de burgers kan verdedigen, met name waar zich problemen voordoen met de toepassing van het EU-recht, door samen te werken met de bevoegde autoriteiten om oplossingen of verklaringen te zoeken voor de in verzoekschriften voorgelegde kwesties;

1.  roept de lidstaten op de KRA onverwijld om te zetten en ervoor te zorgen dat alle voorschriften van deze richtlijn volledig worden nageleefd, met name de opstelling en uitvoering van geïntegreerde afvalbeheerplannen, met inbegrip van de tijdige omzetting van alle doelstellingen in het kader van de Europese wetgeving;

2.  vraagt de Commissie nauwlettend te controleren of de lidstaten gevolg geven aan de EU-richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en erop toe te zien dat de richtlijn tijdig en doelmatig wordt geïmplementeerd; verzoekt de Commissie haar aandacht te richten op de rol die de georganiseerde misdaad in al zijn vormen speelt bij milieudelicten;

3.  wijst erop dat afval en vervuiling een ernstige bedreiging voor volksgezondheid en milieu vormen en dringt er daarom bij de lidstaten op aan snel werk te maken van de introductie van een geavanceerde afvalbeheerstrategie overeenkomstig de KRA;

4.  vraagt de overheden te erkennen dat forse investeringen nodig zijn om behoorlijke strategieën, infrastructuur en installaties voor afvalbeheer op te zetten in de meeste lidstaten en meent dat zij moeten overwegen een passend deel van de middelen van het Cohesiefonds voor dit doel te bestemmen of directe financiering te vragen aan de Europese Investeringsbank;

5.  meent dat de capaciteit voor inspectie ter plaatse en handhaving op nationaal en EU-niveau moet worden versterkt om te zorgen voor een betere naleving van de afvalwetgeving en dringt er daarom bij de lidstaten op aan hun capaciteit voor inspecties, toezicht en andere maatregelen in alle stadia van de afvalbeheerketen te versterken met het oog op een betere handhaving van de afvalwetgeving, en verzoekt de Commissie specifieke procedures in te voeren voor de volledige en effectieve toepassing van het subsidiariteitsbeginsel ingeval de lidstaten ernstig in gebreke blijven;

6.  verzoekt de Commissie om specifieke richtsnoeren voor de bevoegde overheden om hen te helpen met de correcte implementatie van het afvalacquis, maar merkt op dat de beschikbare middelen op Europees niveau momenteel ontoereikend zijn; vindt dan ook dat aanvullende financiële en administratieve maatregelen moeten worden genomen om te voorzien in een betere begeleiding en opleidingsfaciliteiten voor functionarissen die in de afvalsector werken;

7.  vraagt de Commissie dat zij zoekt naar en zich concentreert op de meer systemische zwakheden in de implementatie van de afvalrichtlijnen door de lidstaten, zoals inadequate netwerken van afvalbeheerinstallaties, een bovenmatig beroep op stortplaatsen, een toenemende hoeveelheid afval per hoofd van de bevolking of een laag aandeel van recycling;

8.  meent dat de oprichting van een nieuw EU-agentschap voor afvalbeheer niet wenselijk is en vindt dat de huidige institutionele structuur op EU-niveau, die gebaseerd is op het DG Milieu van de Commissie en het Europees Milieuagentschap als expertise- en kenniscentrum, meer kosteneffectief is ofschoon deze diensten nog verder versterkt moeten worden met het oog op een meer actief toezicht en handhaving;

9.  meent dat het huidige Europees Milieuagentschap bij dit proces kan helpen en een meer constructieve rol kan vervullen door verslag uit te brengen over nationale afvalbeheerstrategieën en na te gaan waar de zwakke plekken zitten door te onderzoeken of de door de lidstaten opgestelde afvalbeheerplannen in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving;

10.  meent dat een nauwere samenwerking tussen de autoriteiten op lokaal, regionaal en nationaal niveau het mogelijk maakt positieve resultaten te bereiken bij het zoeken naar modellen van beste praktijken; merkt op dat het Comité van de Regio's, Europol, het Netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van het milieurecht, Municipal Waste Europe en de FEAD, de Europese federatie die de afvalbeheerindustrie vertegenwoordigt, een nuttiger rol kunnen vervullen bij het organiseren van deze uitwisseling en dat zij zo ook kunnen helpen het vertrouwen op te bouwen bij de bevolking die van de uitvoering van het afvalbeleid gevolgen ondervindt;

11.  vraagt de lidstaten die met flagrante afvalcrises geconfronteerd worden, dat zij zich bezinnen over het feit dat efficiëntere afvalbeheerstrategieën kansen bieden, zowel voor het creëren van banen als voor het verhogen van de ontvangsten, en tegelijk zorgen voor de duurzaamheid van het milieu door middel van hergebruik, recycling en het winnen van energie uit afval;

12.   wijst erop dat de afvalhiërarchie een essentieel element van Richtlijn 2008/98/EG vormt en volgens deze richtlijn de grondslag moet zijn van elke vorm van afvalbeheer; wijst er ook op dat economische argumenten voor de afvalhiërarchie pleiten en in de richting wijzen van voorkoming, gevolgd door hergebruik en recycling en dan pas verbranding voor energiewinning, en dat storten als verspillende en niet-duurzame methode zo veel mogelijk moet worden vermeden;

13.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan in dit verband te zorgen voor een groter milieubewustzijn bij de bevolking over de voordelen van efficiënt afvalbeheer, door met name informatie te verstrekken over de voordelen van gescheiden inzameling, de werkelijke kosten van de inzameling van het huishoudelijk afval, alsook over de opbrengst van benutting van het huishoudelijk afval;

14.  meent dat een hechtere samenwerking tussen de nationale overheden en de Commissie verzoekschriften wanneer deze laatste de directe problemen van de plaatselijke burgers behandelt, een uitstekende gelegenheid biedt om de dialoog tussen de bevoegde autoriteiten en de plaatselijke gemeenschappen inzake prioriteiten in verband met de uitvoering van afvalstrategieën, vlotter te doen verlopen en in sommige gevallen een doeltreffende remedie kan vormen wanneer dit nuttig kan zijn om plaatselijke conflicten op te lossen;

15.  stelt voor dat een gemeenschappelijke EU-norm wordt overeengekomen voor kleurcodering van bepaalde categorieën van afvalstoffen voor het sorteren en het recyclen, om de deelname van de burgers en het inzicht in het afvalproces te vergemakkelijken en te verbeteren, en meent dat dit kan bijdragen tot de inspanningen van de lidstaten om het aandeel van recycling aanzienlijk en snel te doen verhogen;

16.  spoort aan tot een vroegtijdige en effectieve dialoog tussen de bevoegde plaatselijke en regionale overheden en de plaatselijke burgers in de planningfasen, voordat besluiten worden genomen over de bouw van afvalverwerkingsinstallaties, in het besef dat de nimby-houding („not in my back yard ”) hierbij een grote uitdaging vormt;

17.  benadrukt dat het van cruciaal belang is dat de richtlijn inzake milieueffectrapportage correct en volledig wordt uitgevoerd en dat de door de milieuwetgeving vereiste vergunningsprocedures naar behoren gecoördineerd worden;

18.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat een volledige milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd, vooraleer enig besluit wordt genomen inzake de oprichting of de bouw van een nieuwe afvalinstallatie, met name een verbrandingsoven of een methaniseringsinstallatie, of – als laatste redmiddel – een nieuwe afvalstortplaats; meent dat dergelijke beoordelingen verplicht moeten zijn;

19.  begrijpt dat in sommige gevallen dringende besluiten nodig zijn om acute afvalcrises te beheren, of om te voorkomen dat er een crisis uitbreekt, maar benadrukt dat zelfs in die gevallen een volledige eerbiediging van de bestaande EU-wetgeving gegarandeerd moet worden, met name omdat de gezondheid en het welzijn van plaatselijke gemeenschappen op lange termijn op het spel staan;

20.  is ervan overtuigd dat de dialoog tussen de overheden, de operatoren uit de particuliere sector en de getroffen bevolkingen verbeterd moet worden en dat burgers betere toegang moeten krijgen tot objectieve informatie, met efficiëntere mechanismen voor administratieve controle en rechterlijke toetsing waar deze noodzakelijk zijn;

21.  verzoekt de Commissie meer steun te geven aan het publiek-privatepartnerschapsnetwerk voor bewustmakingsprojecten; dringt aan op steun voor de campagne „Maak de wereld schoon”, waarover een schriftelijke verklaring is opgesteld die al door ruim 400 EP-leden ondertekend is, en waarvoor volgend jaar de steun van miljoenen vrijwilligers te verwachten is;

22.  meent dat indieners moeten worden aangemoedigd om optimaal van zulke mechanismen gebruik te maken indien deze bestaan, omdat zij vaak effectiever zijn en sneller tot resultaat leiden dan maatregelen op EU-niveau, zeker wanneer het om specifieke afvalfaciliteiten gaat;

23.  dringt er bij de Commissie op aan meer duidelijke en meer specifieke criteria voor te stellen voor de ligging van stortplaatsen en verbrandingsinstallaties tegenover woningen, scholen of gezondheidszorginstellingen in de buurt, teneinde te zorgen voor solidere garanties tegen mogelijke risico's voor de gezondheid van de mens en het milieu, waarbij moet worden overwogen dat een groot aantal variabelen en plaatselijke omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen met volledige eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel;

24.  beveelt aan dat de nationale overheden samenwerken, vooral wanneer zij plannen maken voor afvalverwerkingsinstallaties in grensgebieden, en dat zij ervoor zorgen dat grensoverschrijdende effectbeoordelingen worden uitgevoerd waarin rekening wordt gehouden met informatie die voor alle burgers en betrokken partijen relevant is;

25.  spoort de Commissie ertoe aan ten volle te erkennen dat de effectieve milieuwetgeving inzake plaatsen van historisch erfgoed en inzake het behoud en de bevordering van de biodiversiteit, zoals vastgesteld in de waterkaderrichtlijn en de habitat- en vogelrichtlijnen, gekoppeld moet worden aan de MER- en SEA-richtlijnen en aan de wetgeving inzake afvalbeheer;

26.  spoort de Commissie ertoe aan om, in de gevallen waarin zij daarvoor bevoegd is, te zorgen voor de naleving van de procedurevoorschriften van de EU-wetgeving (milieueffectbeoordeling, openbare raadpleging), onder meer ook de voorschriften van de richtlijnen voor de bescherming van de natuur en plaatsen van historisch erfgoed;

27.  meent dat uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van officieel erkende stortplaatsen, die in overeenstemming zijn met de stortrichtlijn en die naar behoren afgeleverde vergunningen hebben, en dat hun ligging duidelijk moet worden aangegeven en geregistreerd, terwijl alle andere stortplaatsen illegaal moeten worden verklaard, effectief gesloten, afgesloten en gesaneerd en hun omgeving effectief moet worden gecontroleerd op mogelijke negatieve gevolgen;

28.  meent dat een openbare en duidelijke definitie van de criteria voor het aanvaarden van afvalstoffen noodzakelijk is en dat een efficiënte toezichtregeling moet worden opgezet voor, met name gevaarlijk, afval om te verzekeren dat alleen geschikte afvalstoffen naar stortplaatsen of verbrandingsovens worden getransporteerd en er worden gestort; vindt dat er systematisch regelmatige onaangekondigde bemonsterings- en testprocedures moeten worden uitgevoerd in alle lidstaten;

29.  is van oordeel dat met name in overwegend agrarische regio's het accent meer moet komen te liggen op de terugwinning van organisch afval, iets waaraan tot op heden weinig aandacht is geschonken;

30.  dringt erop aan dat gemeenschappelijke criteria worden vastgesteld voor de meting van de belangrijkste emissiewaarden van verbrandingsinstallaties en dat de metingsuitslagen online en in real time voor het publiek beschikbaar moeten zijn, om vertrouwen tot stand te brengen binnen de plaatselijke gemeenschappen en ook om te voorzien in een efficiënt alarmsysteem in geval zich onregelmatigheden voordoen;

31.  herinnert de lidstaten eraan dat zij, ook als problemen op een lager bestuursniveau rijzen, verantwoordelijk zijn voor effectief toezicht en controle op de naleving van alle EU-normen en vergunningen en spoort hen ertoe aan te zorgen voor voldoende en bekwaam personeel om deze taak uit te voeren, met inbegrip van regelmatige inspecties ter plaatse;

32.  constateert dat met spoed aandacht moet worden besteed aan het openlijk en illegaal storten van gemengd en ongeïdentificeerd afval en dringt erop aan dat het afvalbeheer aan strikte controles wordt onderworpen; herinnert de bevoegde autoriteiten eraan dat zij in volledige overeenstemming met de GPBV-richtlijn (2008/1/CE, gewijzigd bij Richtlijn 2010/75/EU) de behandeling van deze specifieke soorten afval, ongeacht de herkomst ervan, aan strikte controles moeten onderwerpen en verzoekt de Commissie alles te doen wat in haar vermogen ligt om erop toe te zien dat de bevoegde autoriteiten er daadwerkelijk voor zorgen dat afvalstoffen op de juiste wijze worden verzameld, gescheiden en behandeld, bijvoorbeeld door middel van stelselmatige inspecties, en dat de regionale autoriteiten een geloofwaardig plan voorleggen;

33.  verzoekt alle lidstaten maatregelen te nemen om de bevolking in de nabijheid van bestaande of geplande afvalbeheerinstallaties aan te sporen deze beter te accepteren, door aan te tonen dat de vergunningverlenende en goedkeurende instanties de voorschriften correct en met volledige transparantie eerbiedigen;

34.  beveelt aan dat adequate en ontradende sancties en boetes worden opgelegd voor het illegaal storten van afval, met name giftig en gevaarlijk afval, gedeeltelijk om de milieuschade te vergoeden overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt; wenst dat op het illegaal storten van chemisch of sterk radioactief afval in de natuur zeer zware sancties staan die recht doen aan de daaraan verbonden gevaren voor mens en milieu;

35.  dringt aan op doeltreffende maatregelen om infiltratie van de georganiseerde misdaad in het afvalbeheer en connecties tussen de georganiseerde misdaad en de bedrijven of de overheid tegen te gaan;

36.  beveelt aan dat, wanneer openbare middelen worden toegekend aan particuliere ondernemingen voor het beheer van afvalverwerking, moet worden gezorgd voor efficiënt financieel toezicht op het gebruik van deze middelen door de plaatselijke en/of nationale autoriteiten teneinde de naleving van de EU-wetgeving te garanderen;

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.
(2) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.
(3) PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.
(4) PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.
(5) PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.
(6) PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.
(7) PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.
(8) DT 682330.
(9) DT 745784.
(10) DT 778722.
(11) DT 833560 + B7-0073/2011.
(12) DT 820406.
(13) Studie over de haalbaarheid van de oprichting van een agentschap voor afvalbeheer, herzien eindverslag, 7 december 2009.
(14) FEAD „Verklaring van Brussel”, 15 februari 2011.
(15) 85/337/EEG.

Laatst bijgewerkt op: 3 mei 2013Juridische mededeling