Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2519(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0061/2012

Ingediende teksten :

B7-0061/2012

Debatten :

PV 16/02/2012 - 6
CRE 16/02/2012 - 6

Stemmingen :

PV 16/02/2012 - 8.12
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0060

Aangenomen teksten
PDF 113kWORD 57k
Donderdag 16 februari 2012 - Straatsburg Definitieve uitgave
Regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels
P7_TA(2012)0060B7-0061/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting van het regionale verdrag over de pan-euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (2012/2519(RSP))

Het Europees Parlement ,

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2005 over een terugblik op het proces van Barcelona(1) en zijn resolutie van 25 november 2009 over het euro-mediterrane economische en handelspartnerschap met het oog op de achtste Euromed-conferentie van de ministers van Handel(2) ,

–  gezien de Verklaring van Barcelona van 28 november 1995, waarmee een partnerschap tussen de Europese Unie en de zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeelanden in het leven werd geroepen, en het op die conferentie vastgestelde werkprogramma,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en sociaal comité en het Comité van de regio's van 8 maart 2011 over „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse-Zeegebied”, (COM(2011)0200),

–  gezien de routekaart inzake de euromediterrane handel tot 2011 en daarna, zoals in 2009 aangenomen door de achtste Euromed-conferentie van de ministers van Handel,

–  gezien de gezamenlijke mededeling aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 mei 2011 over „Een nieuwe respons op een veranderend nabuurschap”, (COM(2011)0303),

–  gezien de Euromediterrane associatieovereenkomsten tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Tunesië(3) , Israël(4) , Marokko(5) , Jordanië(6) , Egypte(7) , Libanon(8) en Algerije(9) , anderzijds en de Euromediterrane interim-associatieovereenkomst tussen de Gemeenschap en de PLO (ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit)(10) ,

–  gezien Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (96/142/EG),

–  gezien de duurzamheids-effectbeoordeling van het euromediterraans vrijhandelsgebied, die werd opgesteld door het Instituut voor ontwikkelingsbeleid en –beheer van de universiteit van Manchester,

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2007 over de instelling van een euromediterrane vrijhandelszone(11) en de overwegingen die daarin aan de orde komen,

–  gezien de conclusies van de euromediterrane ministerconferenties en de sectoriële ministerconferenties die sinds de start van het Proces van Barcelona hebben plaatsgevonden, en in het bijzonder de conclusies van de negende Euromedconferentie van de ministers van Handel op 11 november 2010,

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 februari 2010 in zaak C-386/08, Brita GmbH v. Hauptzollamt Hamburg Hafen,

–  gezien de verklaring van de EU voor de vierde bijeenkomst van de Associatieraad EU-Israël, die op 17 en 18 november 2003 in Brussel plaatsvond,

–  gezien de technische regeling EU-Israël bij het vierde protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël en het bericht van de Commissie aan importeurs, getiteld „Invoer uit Israël in de Gemeenschap”(12) ,

–  gezien de conclusies van de Raad betreffende het vredesproces in het Midden-Oosten, aangenomen op de 2985ste bijeenkomst van de Raad buitenlandse zaken op 8 december 2009 te Brussel,

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de datum van toepassing van de protocollen inzake de oorsprong van producten die voorzien in een diagonale cumulatie tussen de Europese Unie, Algerije, Egypte, de Faeröer, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Noorwegen, Syrië, Tunesië, Turkije, de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, IJsland en Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein)(13) ,

   gezien de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap enerzijds, en de regering van Denemarken en de landsregering van de Faeroër anderzijds(14) ,

–  gezien de artikelen 115, lid 5, en 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de pan-euromediterrane zone met een diagonale cumulatie van oorsprong gebaseerd is op een groot aantal bilaterale protocollen betreffende oorsprongsregels die zo ingewikkeld voor het bedrijfsleven zijn, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, maar ook landen, dat er geen beroep op kan worden gedaan;

B.  overwegende dat in oktober 2007 op de Euromed-conferentie van Lissabon van de ministers van handel het groene licht werd gegeven voor het opstellen van een verdrag waarin alle protocollen voor de pan-euromediterrane dialoog zouden worden ondergebracht in één vereenvoudigd instrument, waarmee het gebruik van de pan-euromediterrane cumulatie van oorsprong zou worden vergemakkelijkt; overwegende dat dit verdrag door de negende Unie voor de mediterrane conferentie van de ministers van handel van 11 november 2010 werd bekrachtigd;

C.  overwegende dat het geografische terrein van dit verdrag verbreed is, zodat het ook de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces omvat, waardoor een doeltreffende vergroting van de voordelen van de pan-euromediterrane cumulatie van oorsprong wordt bereikt;

D.  overwegende dat hier weliswaar van zeer positieve stappen kan worden gesproken, maar dat het gevaar bestaat dat een eventueel misbruik of omzeilen in van de voorschriften inzake de cumulatie van oorsprong ook gevolgen voor een groter geografisch gebied zal hebben;

E.  overwegende dat tussen de EU en zowel Israël als Palestina een associatieovereenkomst bestaat die beide voorzien in een vrijhandelsakkoord dat afzonderlijke en welomschreven bepalingen voor een preferentiële commerciële behandeling bevat;

F.  overwegende dat de Raad op 8 december 2009 in zijn conclusie over het vredesproces in het Midden-Oosten er opnieuw op wijst „dat de nederzettingen overeenkomstig de internationale wetgeving illegaal zijn, een belemmering vormen voor de vrede en een tweestatenoplossing onmogelijk dreigen te maken”;

G.  overwegende dat volgens het standpunt dat de EU inneemt producten die afkomstig zijn van plaatsen welke sinds 1967 onder Israëlisch bestuur zijn gekomen geen beroep kan worden gedaan op de preferentiële tariefbehandeling op grond van de associatieovereenkomst EU-Israël;

H.  overwegende dat de toepassing door Israël van de associatieovereenkomst EU-Israël ten aanzien van de bezette gebieden tot een ontoereikende uitvoering van de EU-wetgeving heeft geleid, die, zoals het Europese hof van Justitie in de zaak Brita GmbH tegen Hauptzollamt Hamburg-Hafen heeft bevestigd, de douaneautoriteiten van de lidstaten niet toestaat om op grond van de associatieovereenkomst EU-Israël een preferentiële behandeling te geven aan producten die afkomstig zijn uit de door Israël bezette gebieden;

I.  overwegende dat de Europese burgers duidelijk hebben gemaakt wat hun standpunt is met betrekking tot producten die uit de door Israël bezette Palestijnse gebieden afkomstig zijn;

J.  overwegende dat de EU met een aantal problemen is geconfronteerd bij de handhaving van de regels van oorsprong met betrekking tot producten die uit nederzettingen in de bezette gebieden afkomstig zijn; overwegende dat de EU in haar verklaring voor de vierde bijeenkomst van de Associatieraad EU-Israël in 2003 heeft benadrukt dat het van belang is de bilaterale kwestie van de oorsprongsregels op te lossen voordat het oorspongsprotocol wordt geamendeerd om de toepassing van de pan-euromediterrane cumulatie van oorsprong mogelijk te maken; overwegende dat de Commissie wegens het ontbreken van een dergelijke oplossing getracht heeft deze problemen aan te pakken door een juridisch niet-bindende bilaterale technische regeling met Israël te treffen waarbij Israël op elke verklaring van oorsprong de postcode aangeeft van de plaatsen waarin de producten waarop de verklaring betrekking heeft zijn geproduceerd, zodat de douaneautoriteiten van de EU op producten die in de Israëlische nederzettingen zijn geproduceerd onmiddellijk niet-preferentiële heffingen kunnen toepassen;

K.  overwegende dat deze technische regeling bestaat tussen de EU en Israël, enerzijds, en tussen de EVA-landen en Israël, anderzijds; overwegende dat het voorgestelde verdrag op generlei wijze deze regeling uitbreidt tot het geografische gebied waarop het betrekking heeft, dan wel bindend is voor de andere partijen;

L.  overwegende dat Israël en zijn exporteurs op grond van de voorschriften van de technische regeling er al toe verplicht zijn een onderscheid te maken tussen productiewerkzaamheden die zijn uitgevoerd in de gebieden die in 1967 onder Israëlisch bestuur zijn gebracht en productie die plaatsvindt op het internationaal erkende grondgebied van de staat Israël;

M.  overwegende dat het verdrag in zijn huidige vorm de Europese Unie of enige overeenkomstsluitende partij geen aanvullende rechtsmiddelen biedt in gevallen waarbij de voorschriften inzake de cumulatie geacht worden niet op de juiste wijze te zijn opgevolgd;

N.  overwegende dat de douaneautoriteiten van de afzonderlijke lidstaten de waarachtigheid moeten controleren van de opgaven omtrent de preferentiële oorsprong van producten die in de EU worden ingevoerd; overwegende dat de douaneautoriteiten, ondanks al hun inspanningen, niet elk afzonderlijk preferentieel bewijs van oorsprong en iedere preferentiële zending die vanuit Israël naar de EU wordt geïmporteerd kunnen controleren; overwegende dat het verdrag dit logistieke probleem nog eens kan verergeren door uitbreiding van het aantal partnerlanden die de be- of verwerking van door Israël uitgevoerde materialen cumuleren wanneer zij producten uitvoeren uit hoofde van hun overeenkomsten met de EU,

O.  overwegende dat, hoewel het probleem van bepaling van de echte oorsprong van door Israël uitgevoerde producten adequater moet worden aangepakt, dit niet ten koste mag gaan van de sociale en economische integratie van de gehele regio;

P.  overwegende dat de Arabische Lente heeft aangetoond dat er eerlijke en billijke regels nodig zijn waardoor de bevolking van ieder land aan de Middellandse Zee optimaal kan profiteren van haar eigen economische inspanningen en dat de EU deze inspanningen duidelijk moet ondersteunen; overwegende dat de EU naar aanleiding van de Arabische Lente heeft herhaald dat zij de handelsbetrekkingen met de Arabische landen wil verbeteren;

Q.  overwegende dat de Commissie in haar gezamenlijke mededeling van 8 maart 2011 getiteld „Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied” de goedkeuring van het verdrag als een van de instrumenten noemt die ervoor moeten zorgen dat handel en investeringen een zo groot mogelijke impact hebben in de regio;

R.  overwegende dat de euro-mediterrane vrijhandelszone in 2010 niet van de grond is gekomen; overwegende dat dit vooral was toe te schrijven aan het gebrek aan sociale, commerciële en economische zuid-zuidintegratie tussen de zuidelijke Middellandse Zeelanden;

S.  overwegende dat deze overeenkomst een zeer ingrijpend effect op nationaal en regionaal vlak zou kunnen hebben,

1.  is van mening dat internationale handel een vehikel kan zijn voor economische groei, economische diversificatie en armoedebestrijding, elk op zich noodzakelijke onderdelen voor de democratisering van het Middellandse Zeegebied; steunt de inspanningen van de Commissie om preferentiële toegang te verlenen tot de interne EU-markt aan goederen die geproduceerd en gecumuleerd zijn in het Middellandse Zeegebied;

2.  is verheugd over het initiatief ter vereenvoudiging van het systeem van cumulatie van oorsprongregels in de pan-euromediterrane zone; is van mening dat het regionale verdrag voor pan-euromediterrane preferentiële oorsprongsregels een belangrijke stap voorwaarts is in de richting van handelsbevordering en sociale en economische integratie in het zuidelijke Nabuurschap;

3.  is bezorgd over huidige stand van zaken ten aanzien van de totstandbrenging van een euro-mediterrane vrijhandelszone die er al in 2010 had moeten zijn, maar die niet van de grond is gekomen; betreurt het feit dat de verschillende actoren niet echt vooruitgang hebben geboekt bij het tot stand brengen van de noodzakelijke voorwaarden; is ook voorstander van de ontwikkeling van bilaterale en multilaterale economische zuid-zuidsamenwerking, die tastbare voordelen kan opleveren voor de burgers van de betrokken landen en het politieke klimaat in de regio kan verbeteren; erkent dat het gebrek aan intraregionale handel tussen de zuidelijke Middellandse Zeelanden een groot struikelblok is geweest voor dit project; dringt er op aan dat de totstandkoming van de euro-mediterrane vrijhandelszone een van de doelen van de EU en haar zuidelijke partners moet blijven; beschouwt dit verdrag als een belangrijke stap voorwaarts naar de totstandbrenging van deze vrijhandelszone en als een mogelijke stimulans voor de zuid-zuidhandel;

4.  hoopt dat in de nieuwe democratieën die in de regio zullen opkomen in het kielzog van de Arabische Lente zal worden gepleit voor mensenrechten en sociale rechten en dat de politieke dialoog zal worden verdiept zodat er een vriendelijker klimaat ontstaat voor de intraregionale handel omdat de oorzaak van het uitblijven van die handel voor een deel gelegen was in het beleid van de vroegere dictatoriale regimes; moedigt de nieuwe democratieën aan nauw samen te werken binnen de Agadir-groep en optimaal gebruik te maken van dit verdrag; verzoekt de Commissie deze nieuwe democratieën technische bijstand te verlenen zodat zij optimaal gebruik kunnen maken van de handelsinstrumenten waarover zij beschikken, met inbegrip van het verdrag;

5.  is verheugd over het feit dat het verdrag één enkel instrument is dat het noodzakelijke wetgevingskader biedt voor diagonale cumulatie, niet alleen tussen de traditionele zuidelijke mediterrane partners, maar ook tussen de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de EVA, waardoor de cumulatie een grotere geografische ruimte omvat en een grotere markt gecreëerd wordt voor gecumuleerde export;

6.  betreurt dat het verdrag niet wordt aangevuld met een geschillenregeling in geval van discussie over de controle van het bewijs van oorsprong; is van mening dat het Gemengd Comité als opgericht krachtens het verdrag niet een werkbaar instrument is om dergelijke discussies te beslechten; merkt op dat de regeling van geschillen moet plaatsvinden in overeenstemming met bilaterale geschillenregelingen indien deze bestaan;

7.  is van mening dat het verdrag al sterk zou zijn verbeterd door opneming van één enkele vorm van geschillenregeling waardoor geschillen over de oorsprong en de cumulatie van producten op een snelle en bevredigende wijze kunnen worden opgelost; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen om een dergelijke regeling alsnog op te nemen wanneer het verdrag in de toekomst wordt herzien;

8.  betreurt dat in het verdrag niet wordt voorzien in een herziening of evaluatieprocedure in de toekomst; is van mening dat een complex en vérstrekkend instrument als het verdrag op gezette tijden zou moeten worden herzien; verzoekt de Commissie te overwegen een herzieningsbepaling op te nemen;

9.  acht het belangrijk dat de sluiting van het verdrag zo spoedig mogelijk vergezeld gaat van een herziening van de oorsprongregels die van toepassing zijn op de partijen bij het verdrag en dat een dergelijke herziening zodanig wordt uitgevoerd dat de oorsprongregels voor de zuidelijke Middellandse Zeelanden in overeenstemming worden gebracht met de regels die voor de verordening betreffende het algemene preferentiestelsel (SAP) worden voorgesteld; gelooft dat minder gunstige oorsprongregels af zouden doen aan het volle potentieel van het verdrag en het zuidelijke nabuurschap zouden benadelen;

10.  is ernstig bezorgd over het feit dat bepaalde bedrijven blijven doorgaan met de export van uit de bezette gebieden afkomstige producten op grond van de associatie-overeenkomst EU-Israël; betreurt deze praktijk die zij als een slag in het gezicht van het internationale EU-beleid ziet en misbruik maakt van de uitgebreide mogelijkheden voor een legitieme preferentiële toegang tot de interne markt van de Unie; verzoekt daarom de Commissie een zwarte lijst op te stellen van bedrijven die in deze praktijken volharden en de lidstaten op de hoogte te stellen;

11.  wijst er nogmaals op dat het Europees Hof van Justitie in zijn arrest in de zaak Brita GmbH v. Hauptzollamt Hamburg-Hafen verklaard heeft dat douaneautoriteiten van de importerende lidstaten de preferentiële behandeling op grond van de associatie-overeenkomst EU-Israël mogen weigeren van producten die zijn verkregen in door Israël bezette gebieden, of waarvoor de Israëlische autoriteiten niet voldoende gegevens verstrekken om de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen;

12.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van het verdrag er niet toe mag leiden dat er een situatie wordt bestendigd of ontstaat waarin dit misbruik van de regels wordt vergemakkelijkt of aangemoedigd; benadrukt dat het verdrag, zoals gesteld wordt in de preambule, in het algemeen niet tot een minder gunstige situatie mag leiden dan die welke bestond tussen vrijhandelspartners die diagonale cumulatie toepassen; verzoekt de Commissie samen te werken met het Europees Parlement zodat de twee instellingen hun politieke wil en gewicht kunnen inzetten om een oplossing te vinden voor dit misbruik van de regels van de interne markt; verzoekt de Commissie met nieuwe voorstellen te komen voor een meer waterdichte oplossing van dit probleem;

13.  merkt op dat de landen van de EU en van de EVA elk een technische regeling met Israël hebben waarin de kwestie van de territorialiteit wordt geregeld en die tot op zekere hoogte enig soelaas biedt; is van oordeel dat de oplossingen die deze technische regelingen bieden niet bevredigend zijn; wijst er bovendien op dat de technische regelingen niet bindend zijn voor de overige partijen bij het regionale verdrag; is derhalve bezorgd dat het regionale verdrag aanleiding zal geven tot proliferatie van situaties waarin overige partijen op moeilijkheden stuiten bij hun eigen cumulatie op grond van hun overeenkomsten met de EU wanneer zij op hun eigen grondgebied werken met producten, of deze bewerken, die geïmporteerd zijn op grond van hun overeenkomsten met Israël;

14.  dringt er bij de Commissie op aan de technische regeling te herzien, desnoods via heronderhandelingen, om haar effectiever en eenvoudiger te maken verzoekt de Commissie te streven naar een oplossing die ook toepasbaar zou zijn op producten die geïmporteerd worden uit derde landen, die de be- of verwerking op hun eigen grondgebied hebben gecumuleerd met materialen die uit hoofde van hun overeenkomsten met Israël zijn ingevoerd; verzoekt de Commissie om zich bij toekomstige herzieningen van het regionale verdrag te beijveren voor opneming van bepalingen die een uniforme toepassing van het territorialiteitsbeginsel door alle verdragsluitende partijen kunnen bewerkstelligen;

15.  merkt op dat overeenkomstig de procedures als vastgelegd in de technische regeling die momenteel van kracht is tussen de EU en Israël, enerzijds, en tussen de EVA en Israël, anderzijds, de Israëlische douaneautoriteiten en de exporteurs nu al een onderscheid maken tussen productiewerkzaamheden die verricht zijn in de Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden en productiewerkzaamheden die verricht zijn op het internationaal erkende grondgebied van de staat Israël; stelt vast dat deze procedures niet voorzien in doorgifte van het onderscheid dat gemaakt wordt door de Israëlische autoriteiten en exporteurs om de EU-douaneautoriteiten in staat te stellen hetzelfde onderscheid op correcte, eenvoudige en efficiënte wijze toe te passen; vraagt de Commissie samen te werken met de douaneautoriteiten van de lidstaten om een oplossing te vinden die erop gericht is deze technische regeling om te zetten in een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme;

16.  is van mening dat een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme om de huidige technische regeling te vervangen overeengekomen moet worden met Israël dat erin voorziet dat Israëlische exporteurs en douaneautoriteiten hetzelfde onderscheid moeten maken en duidelijk en op passende wijze moeten aanduiden wanneer de oorsprong van producten gelegen is in gebieden die sinds 1967 onder Israëlisch bestuur zijn geplaatst;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat hun douaneautoriteiten de technische regeling daadwerkelijk toepassen naar de geest van het arrest van het Europees Hof van Justitie op de gecumuleerde producten die naar de EU worden geëxporteerd op grond van de diagonale cumulatie als bepaald in het regionale verdrag; is van mening dat de Commissie het voortouw moet nemen bij de coördinatie van dergelijke EU-brede inspanningen en ook stappen moet ondernemen om de verschillende douaneautoriteiten van de afzonderlijke EU-lidstaten ervan bewust te maken hoe de technische regeling moet worden toegepast op in Israël gecumuleerde producten; is van oordeel dat de douaneautoriteiten van de EU doeltreffender zouden moeten toezien op de toepassing van de technische regeling om misbruik van het preferentiestelsel te voorkomen;

18.  verzoekt de Commissie, aangezien het verdrag een dergelijke bepaling ontbeert, na drie jaar een effectbeoordeling uit te voeren waarin onder meer geëvalueerd wordt welke voordelen de goedkeuring van het verdrag heeft opgeleverd, alsmede het effect van de cumulatie tengevolge van het verdrag op de praktijken van bepaalde eerdergenoemde bedrijven;

19.  benadrukt dat vooral het bedrijfsleven in de zuidelijke Middellandse Zeelanden meer doordrongen moet worden van de kansen die de cumulatie door het vereenvoudigde nieuwe pan-euromediterrane verdrag biedt; steunt de Commissie in haar initiatieven om dit bewustzijn te vergroten;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de partijen bij het regionale verdrag betreffende de pan-euromediterrane preferentiële oorsprongsregels en de voorzitter van de parlementaire vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UfM).

(1) PB C 272 E van 9.11.2006, blz. 570.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 35.
(3) PB L 97 van 30.03.98, blz. 2.
(4) PB L 147 van 21.06.00, blz. 3.
(5) PB L 70 van 18.03.00, blz. 2.
(6) PB L 129 van 15.05.02, blz. 3.
(7) PB L 304 van 30.09.04, blz. 39.
(8) PB L 143 van 30.05.06, blz. 2.
(9) PB L 265 van 10.10.05, blz. 2.
(10) PB L 187 van 16.07.97, blz. 3.
(11) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 210
(12) PB C 20 van 25.1.2005, blz. 2.
(13) PB C 156 van 26.5.2011, blz. 3.
(14) PB L 53 van 22.2.1997, blz. 2.

Laatst bijgewerkt op: 22 juli 2013Juridische mededeling