Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2066(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0317/2015

Ingediende teksten :

A8-0317/2015

Debatten :

PV 24/11/2015 - 10
CRE 24/11/2015 - 10

Stemmingen :

PV 25/11/2015 - 9.5
CRE 25/11/2015 - 9.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0408

Aangenomen teksten
PDF 465kWORD 320k
Woensdag 25 november 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect
P8_TA(2015)0408A8-0317/2015
Resolutie
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (2015/2066(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115, 116, 175 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn besluit van 12 februari 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(1) ,

–  gezien de onthullingen van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ) over fiscale rulings en andere schadelijke praktijken in Luxemburg, de zogenoemde "LuxLeaks",

–  gezien de resultaten van de topontmoetingen van de G7, G8 en G20 over internationale belastingkwesties, met name de top van Elmau van 7 en 8 juni 2015, de top van Brisbane van 15 en 16 november 2014, de top van Sint-Petersburg van 5 en 6 september 2013, de top van Lough Erne van 17 en 18 juni 2013 en de top van Pittsburgh van 24 en 25 september 2009,

–  gezien het verslag over schadelijke belastingconcurrentie ("Harmful Tax Competition. An emerging global issue") van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 1998,

–  gezien het verslag "Addressing Base Erosion and Profit Shifting" (BEPS) van de OESO van 2013, het actieplan van de OESO tegen BEPS en de daarop volgende publicaties van de OESO,

–  gezien de recente conclusies van de Europese Raad over de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (14 maart 2013), over belasting (22 mei 2013), over de automatische uitwisseling van inlichtingen (18 december 2014), over grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), de automatische uitwisseling van inlichtingen op mondiaal niveau en schadelijke belastingmaatregelen (18 december 2014) en over belastingontwijking (27 juni 2014),

–  gezien de conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) en zijn verslag aan de Europese Raad over belastingkwesties van 22 juni 2015,

–  gezien de zesmaandelijkse verslagen van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) aan de Raad over de gedragscode,

–  gezien de richtlijn administratieve samenwerking(2) , de richtlijn interest en royalty's(3) en de recentste wetgevingsvoorstellen van de Commissie tot wijziging daarvan,

–  gezien Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten(4) (de "moeder-dochterrichtlijn"), laatstelijk gewijzigd in 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen(5) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU(6) ,

–  gezien Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies(7) ,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG(8) van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2007 aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de werkzaamheden van het Gemeenschappelijk EU-forum Verrekenprijzen op het gebied van procedures om geschillen te voorkomen en te beslechten en op het gebied van voorafgaande afspraken over prijzen (advance pricing agreements of APA's) binnen de EU (COM(2007)0071),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 december 1998 over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen(9) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2015 met als titel "Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden" (COM(2015)0302),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 maart 2015 over fiscale transparantie ter bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking (COM(2015)0136),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 met als titel "Actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking" (COM(2012)0722),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 over agressieve fiscale planning (C(2012)8806),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 met betrekking tot maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen (C(2012)8805),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 juni 2012 over concrete manieren om de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, ook in relatie tot derde landen, te versterken (COM(2012)0351),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2011)0121), en het standpunt van het Parlement van 19 april 2012 daarover(10) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 met als titel "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen(11) en gezien de regelmatige verslagen van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) aan de Raad,

–  gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 april 2014 over de bescherming van klokkenluiders,

–  gezien het verslag van Simmons & Simmons van 1999 over bestuurlijke praktijken zoals genoemd in paragraaf 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999, het verslag-Primarolo (SN 4901/99) en de bijgewerkte versie van dit verslag van 2009,

–  gezien de op 8 juli 2015 door het Parlement aangenomen amendementen op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als problemen voor goed bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2015 over het jaarverslag over belastingen(14) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding(15) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen(16) ,

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen(17) ,

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2012 inzake de oproep om belastingfraude en belastingontduiking op concrete wijze te bestrijden(18) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden(19) ,

–  gezien zijn resolutie van 10 februari 2010 over de bevordering van goed bestuur in belastingzaken(20) ,

–  gezien de verschillende parlementaire hoorzittingen en verslagen van nationale parlementen, met name het Britse Lagerhuis, de Amerikaanse Senaat en de Franse Assemblée nationale, over dit onderwerp,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (A8-0317/2015),

LuxLeaks: feiten en cijfers

A.  overwegende dat op 5 november 2014 het LuxLeaks-schandaal uitbrak toen het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten zo'n 28 000 bladzijden vertrouwelijke documenten naar buiten bracht over ruim 500 particuliere belastingverdragen die tussen 2002 en 2010 zijn gesloten tussen de Luxemburgse belastingdienst en meer dan 300 multinationale ondernemingen, en werd onthuld in welke mate gebruik werd gemaakt van geheime afspraken met complexe financiële constructies die zijn ontworpen om enorme belastingverminderingen te verkrijgen; overwegende dat Luxemburgse dochterondernemingen in veel gevallen honderden miljoenen euro's beheren terwijl zij nauwelijks in Luxemburg aanwezig zijn en er nauwelijks economische activiteiten verrichten;

B.  overwegende dat kwesties in verband met de uitholling van de vennootschapsbelastinggrondslag en agressieve belastingplanningpraktijken al minstens tientallen jaren lang op internationaal niveau bekend zijn en worden geanalyseerd; overwegende dat LuxLeaks deze kwesties onder de aandacht van het publiek en de media heeft gebracht door twijfelachtige belastingpraktijken te onthullen die worden gepromoot door accountantskantoren in één bepaalde lidstaat; overwegende dat uit het onderzoek van de Commissie en de werkzaamheden van de bijzondere commissie van het Parlement is gebleken dat dit geen alleenstaand geval is, maar dat het nemen van belastingmaatregelen om de totale belastingverplichtingen van bepaalde grote ondernemingen te verminderen teneinde de nationale belastinggrondslag kunstmatig te vergroten ten koste van andere landen, waarvan sommige onder bezuinigingsmaatregelen gebukt gaan, zowel binnen als buiten Europa een wijdverspreide praktijk is;

C.  overwegende dat dergelijke gedragingen, die er vaak toe leiden dat de winsten niet worden belast waar de waarde wordt gecreëerd, niet beperkt blijven tot fiscale rulings, maar een hele reeks schadelijke belastingpraktijken omvatten die worden toegepast door nationale belastingdiensten binnen en buiten de EU;

D.  overwegende dat deze praktijken aan publiek toezicht onderwerpen, deel uitmaakt van de democratische controle; overwegende dat deze praktijken, gezien hun negatieve gevolgen voor de samenleving in haar geheel, slechts kunnen blijven bestaan als zij geheim blijven of worden getolereerd; overwegende dat onderzoeksjournalisten, de niet-gouvernementele sector en de academische wereld een rol hebben gespeeld bij het aan het licht brengen van gevallen van belastingontwijking en bij het hierover informeren van het publiek; overwegende dat zolang dergelijke praktijken niet kunnen worden voorkomen, de onthulling ervan niet mag afhangen van de moed en het ethische besef van individuele klokkenluiders, maar deel moet uitmaken van meer systematische mechanismen voor verslaglegging en informatie-uitwisseling;

De aanpak van vennootschapsbelasting in de lidstaten

E.  overwegende dat de inkomsten uit vennootschapsbelasting in de 28 lidstaten van de Unie in 2012 gemiddeld 2,6 % van het bbp bedroegen(21) ;

F.  overwegende dat directe belastingen krachtens het Verdrag voornamelijk een bevoegdheid van de lidstaten zijn; overwegende dat voor zover de EU bevoegdheid heeft op het gebied van belastingen, de uitoefening van die bevoegdheid meestal eenparigheid van stemmen in de Raad vereist; overwegende dat daardoor op EU-niveau nog geen besluiten van betekenis over vennootschapsbelasting zijn genomen, ondanks de recente ontwikkelingen in de EU-integratie in verband met de interne markt en andere gebieden die onder de EU-Verdragen vallen, zoals internationale handelsverdragen, de gemeenschappelijke munt, economische en budgettaire governance, alsmede antiwitwasbeginselen en ‑wetgeving; overwegende dat de lidstaten het Europese mededingingsrecht in acht moeten nemen en ervoor moeten zorgen dat hun belastingwetgeving met de beginselen van de interne markt strookt en geen concurrentieverstoring veroorzaakt; overwegende dat de eenparigheidsregel in de Raad, door elke lidstaat een vetorecht te geven, de stimulans vermindert om van de status quo op te schuiven naar een meer samenwerkingsgezinde oplossing; merkt echter op dat er, tenzij de procedure van artikel 116 VWEU wordt gebruikt, een Verdragswijziging nodig zou zijn om de eenparigheidsvereiste op het gebied van directe belastingen te wijzigen;

G.  overwegende dat de huidige situatie, waarin elke lidstaat een vetorecht heeft, impliceert dat alle lidstaten gedecideerd en coöperatief moeten handelen bij de aanpak van het pan-Europese probleem van belastingontwijking en ‑ontduiking;

H.  overwegende dat nationale politieke vertegenwoordigers, op een paar prijzenswaardige uitzonderingen na, tot op heden niet voldoende voortvarend zijn geweest in de aanpak van het probleem van belastingontduiking, met inbegrip van fiscale rulings;

I.  overwegende dat kapitaal op de Europese interne markt vrij stroomt en dat grote ondernemingen op geconsolideerde basis verslag uitbrengen van hun activiteiten, maar dat belastingen nationaal wordt geïnd door belastingautoriteiten die onderling zeer weinig informatie uitwisselen;

J.  overwegende dat beslissingen over investeringen en de vestigingsplaats van ondernemingen binnen een voltooide interne markt niet aan kunstmatige verstorende invloeden onderhevig mogen zijn; overwegende dat de mondialisering, de digitalisering en het vrije verkeer van kapitaal echter de voorwaarden creëren voor sterkere belastingconcurrentie tussen de lidstaten, alsook met derde landen, met als doel investeringen en ondernemingen aan te trekken; overwegende dat het van belang is ondernemingen in Europa te houden en aan te trekken, maar dat dit niet de vorm mag aannemen van potentieel schadelijke belastingregelingen die er in de eerste plaats op gericht zijn investeringen te bevorderen en extra economische activiteiten aan te trekken in reactie op soortgelijke maatregelen in buurlanden of die bedoeld zijn ter correctie van wat wordt gezien als reeds bestaande onevenwichtigheden tussen de lidstaten wat relatieve rijkdom, grootte of perifere ligging betreft; overwegende dat er trouwens in bepaalde rechtsgebieden een correlatie lijkt te zijn tussen aantrekkelijke vennootschapsbelastingstelsels en een grote nationale rijkdom; overwegende dat het optimale ontwerp van belastingstelsels van tal van factoren afhangt en bijgevolg verschilt van land tot land; overwegende dat schadelijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten het potentieel van de interne markt beperkt;

K.  overwegende dat landen, in plaats van zich louter te concentreren op het bevorderen van een aantrekkelijk ondernemingsklimaat – met bv. goede infrastructuur en hooggekwalificeerde arbeidskrachten, onder meer door productiviteitsverhogende uitgaven – en op het garanderen van de stabiliteit en voorspelbaarheid van het belastingstelsel, als spelers in het belastingconcurrentiespel hun nationale wetgeving in combinatie met hun netwerk van belastingverdragen gebruiken om zichzelf te promoten als landen om in te investeren of als knooppunten waardoor financiële stromen kunnen worden geleid of waar winsten kunnen worden geboekt, en zo ondernemingen of brievenbusmaatschappijen aantrekken ten nadele van partnerlanden en oneerlijke praktijken tussen landen creëren; overwegende dat elk land er, afzonderlijk gezien, duidelijk belang bij heeft zich als een "freerider" te gedragen, d.w.z. de eerste te zijn om specifieke belastingregelingen en ‑voorschriften te ontwerpen en toe te passen teneinde belastinggrondslag aan te trekken, en de laatste te zijn om deel te nemen aan samenwerking en gecoördineerde maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan;

L.  overwegende dat belastingconcurrentie tussen de lidstaten bestaat; overwegende dat het beginsel van loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten is vastgelegd in artikel 4 VEU; overwegende dat de lidstaten het beginsel van loyale samenwerking volledig dienen toe te passen ten aanzien van belastingconcurrentiekwesties;

M.  overwegende dat sommige lidstaten zich ambivalent opstellen ten aanzien van belastingontwijking, en enerzijds klagen over de uitholling van hun nationale belastinggrondslag, terwijl ze tegelijk verantwoordelijk zijn voor het ontwerp van de huidige nationale en internationale belastingstelsels die deze uitholling mogelijk hebben gemaakt, en een ontwikkeling van hun belastingstelsels in de richting van een meer gecoördineerde oplossing blijven tegenhouden; overwegende dat in een context van volledige mobiliteit van kapitaal binnen de EU en de doelstelling van de Commissie om een kapitaalmarktenunie tot stand te brengen, ten volle rekening moet worden gehouden met de onderlinge afhankelijkheid en de wederzijdse effecten van de nationale belastingstelsels, en in gedachten moet worden gehouden dat belastingbesluiten van afzonderlijke lidstaten grote positieve en negatieve grensoverschrijdende overloopeffecten hebben, aangezien de fiscale stimulans in het ene land de grondslaguitholling in het andere land is;

N.  overwegende dat we momenteel getuige zijn van een paradoxale situatie waarin vrije concurrentie tussen de lidstaten op belastinggebied heeft geresulteerd in concurrentieverstorende gedragingen en concurrentievervalsing;

O.  overwegende dat de totstandbrenging van de Europese interne markt bijzonder gunstig is gebleken voor de nationale economieën, aangezien de interne markt hen concurrerender en aantrekkelijker maakt in een gemondialiseerde economie, en overwegende dat fiscale convergentie tussen de lidstaten op termijn hetzelfde effect zal hebben;

P.  overwegende dat de wetgever en de vaak over onvoldoende middelen beschikkende belastingdiensten niet kunnen anticiperen, maar slechts – soms met veel vertraging – kunnen reageren op de innovatieve belastingontwijkingsregelingen die door sommige belastingadviseurs, met name van zeer grote accountantskantoren, door juristen en door tussenpersonen worden ontworpen en gepromoot; overwegende dat uit de ervaring met name blijkt dat EU-organen die de invoering van nieuwe schadelijke belastingmaatregelen moeten voorkomen (zoals de Groep gedragscode, die in 1998 door de lidstaten is opgericht, of de Commissie, als hoedster van de Verdragen), niet in staat zijn gebleken de ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en soms op ondoeltreffende wijze en op basis van een te beperkt mandaat hebben gereageerd, en dat er in de EU tal van nieuwe en vaak agressieve belastingontwijkingsmaatregelen of ‑overeenkomsten, zoals octrooiboxen, zijn ingevoerd; overwegende dat multinationals, in de EU en wereldwijd, voor de ontwikkeling van hun belastingontwijkingsmaatregelen een beroep doen op de deskundigheid van een goed georganiseerde en gekwalificeerde sector van belastingadviseurs, evenals banken en andere financiële dienstverleners; overwegende dat deze sector tegelijk vertegenwoordigd is in organen die regeringen en overheidsinstellingen over belastingzaken adviseren, bv. het EU-platform voor goed fiscaal bestuur; overwegende dat er bezorgdheid heerst over de belangenconflicten die zouden kunnen ontstaan doordat dezelfde adviesbureaus diensten verrichten voor zowel overheidsinstellingen als particuliere multinationals;

Q.  overwegende dat alle belastingplanning moet plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en de toepasselijke verdragen; overwegende dat wat de gewenste uitkomst betreft, het meest passende antwoord op agressieve belastingplanning daarom goede wetgeving en internationale coördinatie is;

R.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de wetgeving bepalend is voor de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen; overwegende dat deze tenuitvoerlegging de taak is van nationale instanties, die vaak weinig reden zien om op Europees niveau met elkaar samen te werken; overwegende dat deze situatie de discrepanties die uit de verschillen in wetgeving in de EU voortvloeien, in de hand werkt en nog erger maakt;

S.  overwegende dat de trojka van instellingen (Europese Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds) bij zijn toezicht op de financiële en fiscale aanpassingsprogramma's in lidstaten zoals Portugal en Griekenland niet heeft getracht regelingen voor fiscale amnestie, fiscale rulings, belastingvoordelen en belastingvrijstellingen te voorkomen die onrechtmatig discriminerend waren en belastingontduikende ondernemingen en personen bevoordeelden, hetgeen een ernstige wissel op de staatsinkomsten trok en de last overgehevelde naar de reeds overbelaste kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en burgers;

T.  overwegende dat onderzoek naar en vervolging van belastingmisdrijven en witwaspraktijken, waarbij vaak financiële verrichtingen en rechtspersonen in meerdere jurisdicties betrokken zijn, uitermate lastig zijn; overwegende dat het personeel van de lidstaten dat belast is met het onderzoek en de gerechtelijke vervolging van daders van belastingmisdrijven en andere financiële misdrijven vaak onvoldoende opgeleid en slecht uitgerust is;

U.  overwegende dat het beleid van bezuinigingen en budgettaire beperkingen van de afgelopen jaren de mogelijkheden van belastingautoriteiten om belastingmisdrijven en schadelijke belastingpraktijken te onderzoeken, ernstig beperkt heeft; overwegende dat deze bezuinigingen met name schadelijk waren in landen die onder financiëlebijstandsprogramma onder leiding van de trojka vielen, waar de overheidsinkomsten werden verhoogd ten koste van de overbelaste kmo's en burgers, terwijl grote ondernemingen en vermogende belastingontduikers vaak konden profiteren van fiscale amnestie, fiscale rulings en andere belastingvrijstellingen en ‑regelingen, zoals het geval was in Portugal en Griekenland;

Fiscale rulings en schadelijke belastingpraktijken

V.  overwegende dat fiscale rulings een uiteenlopende reeks praktijken in de lidstaten, variërend van ad-hocbeleid tot een duidelijk omlijnde toepassing van de wet, omvatten wat betreft mogelijke werkingssfeer en voorwerp, bindende aard, gebruiksfrequentie, openbaarheid, duur en betaling van vergoedingen; overwegende dat er geen op internationaal niveau gezamenlijk overeengekomen definitie van fiscale rulings bestaat, behalve dat de Commissie ernaar verwijst als "mededelingen of andere instrumenten of maatregelen met soortgelijk effect, van of namens een lidstaat, betreffende de interpretatie of toepassing van de belastingwetgeving";

W.  overwegende dat fiscale rulings niet intrinsiek problematisch zijn, aangezien ze, zoals oorspronkelijk de bedoeling is, de belastingbetaler juridische zekerheid bieden en de financiële risico's voor eerlijke firma's verminderen in gevallen waarin de belastingwetgeving of de specifieke toepassing daarvan in bepaalde omstandigheden onduidelijk is of op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd, met name met betrekking tot complexe transacties, zodat toekomstige geschillen tussen de belastingbetaler en de belastingautoriteit worden voorkomen;

X.  overwegende dat de praktijk van rulings zich, in het kader van nauwere en meer op samenwerking gerichte betrekkingen tussen belastingdiensten en belastingbetalers, heeft ontwikkeld tot een instrument om de toenemende complexiteit van de fiscale behandeling van bepaalde transacties in een steeds complexere, mondiale en gedigitaliseerde economie te verhelpen; overwegende dat – hoewel lidstaten beweren dat rulings niet discretionair zijn, maar louter een instrument om de bestaande belastingwetgeving te verduidelijken, terwijl ze wel geheim worden gehouden – uit de werkzaamheden van zijn bijzondere commissie is gebleken dat fiscale rulings zonder enig wettelijk kader kunnen worden afgegeven door middel van informele of discretionaire regelingen, die fiscaal gemotiveerde structuren schragen die steunen op belastingplanninginstrumenten die gewoonlijk door multinationals worden gebruikt om hun belastingbijdrage te verminderen; overwegende dat dit met name – zij het niet exclusief – een probleem lijkt bij rulings die betrekking hebben op de prijsstelling van bedrijfsinterne overdrachten (zogeheten voorafgaande verrekenprijsafspraken); overwegende dat als er slechts aan een selecte groep van actoren wettelijke zekerheid wordt geboden, er ongelijkheid kan ontstaan tussen ondernemingen die rulings verkrijgen en ondernemingen in diezelfde sector die daar geen toegang toe krijgen;

Y.  overwegende dat de OESO noch de Europese Commissie ervoor heeft gepleit een eind te maken aan de praktijk van fiscale rulings als zodanig;

Z.  overwegende dat fiscale rulings de fiscale behandeling van een transactie op generlei wijze horen te beïnvloeden, noch de ene belastingbetaler boven de andere horen te bevoordelen, maar bij overigens gelijke omstandigheden hetzelfde effect dienen te hebben als de toepassing achteraf van de onderliggende belastingbepalingen; overwegende dat in dit verslag daarom niet alleen naar fiscale rulings wordt gekeken, maar, in overeenstemming met het mandaat dat de bijzondere commissie (TAXE) heeft gekregen, ook naar alle andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, onder de algemene term "schadelijke belastingpraktijken", d.w.z. maatregelen die tot doel hebben niet-ingezeten bedrijven of transacties aan te trekken ten nadele van andere fiscale rechtsgebieden waar deze transacties normaliter zouden moeten worden belast en/of maatregelen die tot doel hebben slechts aan bepaalde ondernemingen privileges te verlenen, hetgeen de concurrentie verstoort;

AA.  overwegende dat schadelijke belastingpraktijken in zekere mate gepaard kunnen gaan met een of meer van de volgende ongewenste effecten: gebrek aan transparantie, willekeurige discriminatie, concurrentieverstoring en een ongelijk speelveld binnen en buiten de interne markt, aantasting van de integriteit van de interne markt en de billijkheid, stabiliteit en legitimiteit van het belastingstelsel, zwaardere belasting van minder mobiele economische factoren, grotere economische ongelijkheid, oneerlijke concurrentie tussen staten, uitholling van de belastinggrondslag, maatschappelijke ontevredenheid, wantrouwen en een democratisch deficit;

AB.  overwegende dat moet worden erkend dat, hoewel kmo's de drijvende kracht achter de economie en de werkgelegenheid in Europa blijven, ook multinationals een belangrijke rol spelen bij het genereren van investeringen, economische groei en banen; overwegende dat het betalen van een billijke belastingbijdrage in de landen waar de reële economische activiteiten worden ontplooid en de economische waarde wordt gecreëerd, een essentiële bijdrage van deze ondernemingen aan de welvaart en de duurzaamheid van de Europese samenlevingen blijft;

De werkzaamheden van de bijzondere commissie

AC.  overwegende dat zijn bevoegde bijzondere commissie, die op 26 februari 2015 is ingesteld, 14 vergaderingen heeft gehouden, tijdens welke zij Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker, de commissaris voor Mededinging, Margrethe Vestager, de commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane, Pierre Moscovici, fungerend voorzitter van de Raad, Pierre Gramegna, de ministers van Financiën van Frankrijk, Michel Sapin, Duitsland, Wolfgang Schäuble, Italië, Pier Carlo Padoan, en Spanje, Luis de Guindos, vertegenwoordigers van de OESO, alsook klokkenluiders, onderzoeksjournalisten, deskundigen, academici, vertegenwoordigers van multinationale ondernemingen, beroepsverenigingen, vakbonden, niet-gouvernementele organisaties en leden van nationale parlementen van EU-landen heeft gehoord (zie bijlage 1); overwegende dat delegaties van de Commissie TAXE Zwitserland hebben bezocht om specifieke aspecten van de derdelanddimensie van haar mandaat te onderzoeken, en de volgende lidstaten hebben bezocht om informatie te verzamelen: België, Luxemburg, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk; overwegende dat er ook bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de regeringen van Gibraltar en Bermuda zijn georganiseerd; overwegende dat al deze activiteiten, hoewel zij tal van inzichten van onschatbare waarde geven in de belastingstelsels en -praktijken in de hele EU, niet alle relevante vraagstukken hebben opgehelderd, zoals de resterende inconsistenties in de verklaringen van Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Commissie, met betrekking tot de pagina van het verslag-Krecké die al lang geheim wordt gehouden;

AD.  overwegende dat sommige van de werkzaamheden van de commissie werden gehinderd doordat een aantal van de lidstaten en de Raad niet tijdig hebben geantwoord (zie bijlage 2) en uiteindelijk niet alle gevraagde documenten hebben toegezonden of slechts een beleefd antwoord hebben gestuurd waarin de inhoud van het verzoek amper werd aangeroerd; overwegende dat slechts vier van de 17 uitgenodigde multinationals er na de eerste uitnodiging mee hebben ingestemd in juni en juli 2015 voor de commissie te verschijnen; overwegende dat nog eens 11 multinationals er pas mee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen nadat de TAXE-commissie het verslag had aangenomen en na herhaalde uitnodigingen, zodat kort voor de stemming in de plenaire vergadering een nieuwe, buitengewone vergadering moest worden belegd (zie bijlage 3); overwegende dat de Europese Commissie evenmin volledig heeft meegewerkt, niet alle zittingsdocumenten en informele vergaderstukken van de vergaderingen van de Groep gedragscode heeft overgelegd en, wegens de onbuigzaamheid van de lidstaten, slechts in een beperkte raadplegingsprocedure heeft voorzien; overwegende dat het mandaat van de bijzondere commissie daarom moest worden verlengd;

AE.  overwegende dat een aantal onderzoeken van de Europese Commissie naar staatssteun – betreffende door fiscale rulings en overige maatregelen die vergelijkbaar zijn qua aard of werking, goedgekeurde verrekenprijsregelingen die van invloed zijn op de belastbare winst die aan bepaalde dochterondernemingen van multinationals is toebedeeld – nog liepen toen dit verslag werd aangenomen;

Overzicht van de praktijk inzake vennootschapsbelasting in de lidstaten

1.  herinnert eraan dat de vennootschapsbelastingmodellen die in de geïndustrialiseerde landen bestaan, zijn ontworpen in de eerste helft van de twintigste eeuw, toen er nog maar weinig grensoverschrijdende activiteiten waren; stelt vast dat de mondialisering en de digitalisering van de economie de mondiale waardeketen en de manier waarop de markten werken, radicaal hebben veranderd en dat de meeste grote bedrijven nu een transnationale structuur hebben, zodat er verder moet worden gekeken dan de nationale belastingregels; benadrukt dat de nationale en internationale regelgeving op belastinggebied geen gelijke tred heeft gehouden met de ontwikkelingen in het bedrijfsleven;

2.  benadrukt dat er een evenwichtig en rechtvaardig belastingbeleid moet worden geformuleerd als integraal onderdeel van de structurele hervormingen in de lidstaten;

3.  merkt op dat het voor bedrijven die over de grenzen heen actief zijn, steeds ingewikkelder is geworden om verschillende belastingstelsels in acht te nemen, maar dat de mondialisering en de digitalisering het voor hen wel gemakkelijker heeft gemaakt om hun activiteiten via offshore financiële centra te organiseren teneinde hun totale belastingbijdrage te verlagen; is bezorgd over het feit dat de meeste lidstaten het personeel van hun belastingdiensten sterk hebben ingekrompen wegens de economische en schuldencrisis en begrotingsinspanningen; benadrukt dat de nationale belastingdiensten over voldoende middelen, waaronder personele middelen, moeten beschikken om effectief werk te maken van het voorkomen, opsporen en bestrijden van agressieve belastingplanning, belastingontduiking en belastingontwijking, die hun belastinggrondslag aanzienlijk uithollen, en om een betere en billijkere belastinginning en de geloofwaardigheid van het belastingstelsel te garanderen; merkt op dat uit onderzoek blijkt dat bekwame belastingambtenaren de staat aanzienlijk meer opleveren dan verwante uitgaven, aangezien de doeltreffendheid van de belastingdiensten een rechtstreeks positief effect heeft op de belastingontvangsten;

4.  wijst op het onderscheid tussen enerzijds schadelijke praktijken van bepaalde belastingautoriteiten en nationale autoriteiten, waardoor multinationals hun winsten kunnen verschuiven om niet belast te worden op het grondgebied waar de winst wordt gemaakt, en anderzijds de concurrentie tussen regeringen die directe buitenlandse investeringen willen aantrekken of economische activiteiten in hun land willen houden, met volledige inachtneming van de EU-wetgeving;

5.  benadrukt dat het Verdrag de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel vrij laat om hun eigen vennootschapsbelastingtarieven en belastingrondslag vast te stellen totdat er overeenkomstig het Verdrag sterkere maatregelen inzake fiscale convergentie worden overeengekomen; benadrukt echter ook dat door de al te complexe regels van de nationale belastingstelsels en door de verschillen tussen deze stelsels achterpoortjes ontstaan die door multinationals worden gebruikt voor agressieve belastingplanning, hetgeen leidt tot grondslaguitholling, winstverschuiving, een "race to the bottom" en uiteindelijk een suboptimaal economisch resultaat; onderstreept dat dit soort belastingontwijking voor alle nationale begrotingen samen een spel met alleen negatieve uitkomsten is, aangezien de stijging van de belastinginkomsten uit schadelijke praktijken in de ene lidstaat (dankzij afwijkingen, specifieke aftrekken of achterpoortjes) de daling van de belastinginkomsten in andere lidstaten niet compenseert; wijst erop dat alleen een meer gecoördineerde, gezamenlijke aanpak van de lidstaten, die zou moeten resulteren in een gemeenschappelijk kader waarbinnen de lidstaten hun belastingtarieven kunnen vaststellen, een verdere grondslaguitholling, schadelijke belastingconcurrentie en een "race to the bottom" op belastinggebied kan voorkomen;

6.  herinnert eraan dat sommige lidstaten formeel hogere bedrijfsbelastingen hebben dan andere, maar in werkelijkheid, dankzij aftrekken en achterpoortjes die binnenlandse bedrijven bevoordelen, aanzienlijk lagere tarieven hebben, waardoor hun effectieve belastingtarief lager is dan in lidstaten met een formeel hoger tarief;

7.  wijst erop dat in sommige lidstaten een lagere vennootschapsbelasting relatief hogere belastinginkomsten kan opleveren dan hogere belastingtarieven;

8.  merkt op dat de wettelijke tarieven van de vennootschapsbelasting in de EU volgens de Commissie(22) tussen 1995 en 2014 met 12 procentpunten zijn gedaald, van 35 % tot 23 %; benadrukt dat deze verlaging van de belastingtarieven gepaard gaat met een verruiming van de belastinggrondslag, met als doel het inkomstenverlies te beperken, en dat de relatief stabiele inkomsten uit de vennootschapsbelasting gedurende dezelfde periode ook kunnen worden verklaard door een aanzienlijke "vervennootschappingstrend", d.w.z. een verschuiving van bepaalde rechtsvormen voor bedrijven, zoals de eenmanszaak, naar de status van vennootschap, die leidt tot een gelijkaardige verschuiving van de heffingsgrondslag van de personenbelasting naar de vennootschapsbelasting;

9.  merkt op dat de meeste lidstaten veel geld uitgeven aan fiscale stimulansen die bedoeld zijn om kmo's een concurrentievoordeel te bieden, maar dat deze pogingen volgens de Commissie(23) in drie van de vier lidstaten die in een recente studie zijn onderzocht, worden ondergraven door het effect van internationale belastingplanning; merkt op dat kmo's door dit effect een concurrentienadeel hebben, ondanks de hoge kosten van de belastingmaatregelen om kmo's te steunen, en dat dit resultaat de intentie van de nationale beleidsmakers ondergraaft;

10.  wijst op de toenemende kloof tussen de wettelijke en de effectieve belastingtarieven, met name voor ondernemingen die wereldwijd actief zijn, hetgeen ten minste voor een deel het gevolg is van diverse afwijkingen en vrijstellingen van het algemene belastingstelsel, die hetzij door de wetgever bedoeld zijn om bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, hetzij resulteren uit agressieve belastingplanning, d.w.z. dat er louter kunstmatige regelingen worden getroffen die enkel voor belastingdoeleinden dienen;

11.  benadrukt dat de slechte afstemming tussen de belastingstelsels op mondiaal niveau aanzienlijke grondslaguitholling en belastingontduiking in de hand werkt, maar dat deze problemen niet kunnen worden verholpen als er alleen op EU-niveau wordt opgetreden;

12.  stelt vast dat de 28 belastingstelsels in de EU een grote verscheidenheid vertonen, zowel wat de definitie van de belastinggrondslag als wat de hoogte van het belastingtarief betreft, en dat die verscheidenheid nog groter is als de aan EU-lidstaten verbonden bijzondere rechtsgebieden met autonome belastingstelsels (overzeese gebieden en direct van de Britse Kroon afhankelijke gebieden) in aanmerking worden genomen; betreurt het dat er voor basisbegrippen en ‑elementen, zoals het evenwicht tussen bron- en ingezetenenbelasting, vaste vestiging en belastbare entiteiten, economische substantie en antimisbruikregels, de definitie van rente en royalty's, de behandeling van immateriële activa en de behandeling van schulden en activa, om nog maar te zwijgen van wat er al dan niet van de belastinggrondslag kan worden afgetrokken, in de EU momenteel geen gemeenschappelijke definitie of richtsnoeren zijn, waardoor de lidstaten met ongecoördineerde belastingstelsels zitten; benadrukt dat deze definities moeten worden geharmoniseerd;

13.  benadrukt dat nationale voorkeursregelingen en incongruenties tussen de verschillende belastingstelsels binnen de interne markt mogelijkheden scheppen om belastingen te ontwijken; merkt op dat deze ongewenste effecten nog worden verergerd door de wisselwerking met een groot aantal bilaterale belastingverdragen tussen lidstaten en derde landen, die bovendien onvoldoende antimisbruikbepalingen bevatten;

14.  merkt op dat dit ongecoördineerde belastingkader binnen de EU ook onder een flagrant gebrek aan samenwerking tussen de lidstaten te lijden heeft; benadrukt in dit verband dat de lidstaten niet noodzakelijk rekening houden met de gevolgen van hun belastingmaatregelen voor andere lidstaten, niet alleen wanneer zij hun belastingmaatregelen ontwerpen, maar ook wanneer zij informatie over de toepassing van die maatregelen uitwisselen, wat de facto leidt tot een de-ene-zijn-dood-is-de-andere-zijn-broodpolitiek op belastinggebied, hetgeen in strijd is met de grondslagen van het Europese project; wijst erop dat een automatische, stelselmatige en doeltreffende uitwisseling van informatie tussen de lidstaten het mogelijk zou maken rekening te houden met de fiscale behandeling van bepaalde inkomstenstromen of transacties in andere lidstaten; benadrukt dat dit ook bijdraagt tot het creëren van een onaanvaardbare situatie waarin de winsten die multinationals in een lidstaat maken, vaak tegen zeer lage tarieven of helemaal niet worden belast in de EU;

15.  is van mening dat het belastingbeleid en het concurrentiebeleid moeten worden beschouwd als twee zijden van dezelfde medaille op de interne markt, en dringt bij de Commissie aan op een herbeoordeling en versterking van de mechanismen en de middelen op het gebied van concurrentiebeleid en staatsteun;

16.  benadrukt dat de convergentie tussen de nationale belastingstelsels in de EU zeer beperkt is gebleven, hoewel er de afgelopen dertig jaar een ongekende verdieping van het EU-integratieproces heeft plaatsgevonden, met name in verband met de interne markt en de economische en monetaire unie; betreurt het dat de coördinatie van de nationale belastingstelsels ver achterblijft ten opzichte van de coördinatie-inspanningen op andere gebieden op EU-niveau, met name in het kader van het Europees semester, hoewel – het belang van maatregelen aan de uitgavenzijde buiten beschouwing gelaten – een aanzienlijk deel van de beleidsmix om begrotingsconsolidatie te bewerkstelligen, de inkomenszijde betreft; is van mening dat dit aspect had moeten worden vermeld in het verslag van de vijf voorzitters over "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie" van juni 2015;

17.  onderstreept dat het gebrek aan politieke wil om de nationale fiscale beleidsmaatregelen te laten convergeren de lidstaten ertoe beweegt voor een bilaterale aanpak te kiezen, terwijl een gemeenschappelijke aanpak doeltreffender zou zijn; herinnert aan de mogelijkheid om aan fiscale convergentie te werken door gebruik te maken van nauwere samenwerking; is in dit verband verheugd over het voornemen van een aantal lidstaten om een belasting op financiële transacties in te voeren;

Agressieve belastingplanningsinstrumenten en de impact daarvan

18.  benadrukt dat belastingontwijking door sommige multinationals kan leiden tot een effectief belastingtarief van bijna nul procent op de winst die zij in Europese rechtsgebieden maken, en wijst erop dat deze multinationals daar waar zij actief zijn, wel profiteren van diverse openbare goederen en diensten, maar geen billijke bijdrage betalen, en zo bijdragen tot de uitholling van de nationale belastinggrondslag en grotere ongelijkheid; benadrukt dat alleen bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten de mogelijkheid hebben om winsten te verschuiven, wat concurrenten die slechts in één land actief zijn, benadeelt;

19.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de ontduiking van vennootschapsbelasting een rechtstreekse impact heeft op de nationale begrotingen en op de verdeling van de belastinginspanning tussen categorieën belastingbetalers en tussen economische factoren (ten voordele van meer mobiele factoren zoals kapitaal in de vorm van directe buitenlandse investeringen); betreurt het dat dit, naast concurrentieverstoring en een ongelijk speelveld, een zeer zorgwekkende situatie met zich brengt waarin, in een context van zware begrotingsinspanningen en structurele hervormingen, sommige van de belastingbetalers die het meest kunnen betalen, aanzienlijk minder bijdragen dan degenen die het zwaarst onder de economische, financiële en schuldencrisis te lijden hebben, zoals gewone burgers en bedrijven die geen gebruik maken van agressieve belastingplanning, die vaak kmo's zijn en door dit comparatieve fiscale nadeel vaak niet met multinationals kunnen concurreren; benadrukt dat deze situatie democratisch wantrouwen in de hand dreigt te werken en gevolgen dreigt te hebben voor de algemene belastingnaleving, met name in landen die aanpassingsprogramma's opgelegd hebben gekregen; betreurt het dat klokkenluiders die de nationale autoriteiten, in het algemeen belang, cruciale informatie over wangedrag, overtredingen, fraude of onwettige activiteiten of praktijken verschaffen, rechtsvervolging alsook persoonlijke en economische gevolgen riskeren; merkt met grote bezorgdheid op dat zelfs journalisten die onwettige of onrechtmatige praktijken aan het licht brengen, soms soortgelijke gevolgen riskeren;

20.  merkt op dat in een onderzoek van het IMF(24) , dat 51 landen omvat, wordt geconcludeerd dat winstverschuiving tussen fiscale rechtsgebieden leidt tot een gemiddeld verlies van 5 % van de huidige inkomsten uit de vennootschapsbelasting, maar bijna 13 % in niet-OESO-landen; merkt ook op dat volgens de Commissie uit econometrisch bewijsmateriaal blijkt dat directe buitenlandse investeringen in de loop der tijd gevoeliger zijn geworden voor de vennootschapsbelasting; onderstreept dat er volgens een studie in de EU elk jaar naar schatting 1 biljoen EUR aan potentiële belastinginkomsten verloren gaat door het gecombineerde effect van belastingfraude, belastingontduiking – met inbegrip van de schaduweconomie – en belastingontwijking(25) , en dat het jaarlijkse verlies voor de nationale begrotingen als gevolg van belastingontwijking op ca. 50 à 70 miljard EUR wordt geraamd, maar dat deze inkomstenderving in de hele EU in werkelijkheid zou kunnen oplopen tot 160 à 190 miljard EUR als rekening wordt gehouden met speciale belastingregelingen, inefficiëntie bij de belastinginning en andere soortgelijke activiteiten(26) ; overwegende dat de VN-commissie voor handel en ontwikkeling heeft berekend dat de ontwikkelingslanden ongeveer 100 miljard USD per jaar aan inkomsten mislopen als gevolg van belastingontwijking door multinationals; benadrukt dat deze cijfers met de enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd en dat de reële verliezen voor de nationale begrotingen wellicht onderschat worden, gezien de geringe transparantie en de ingewikkelde boekhoud- en conceptuele kaders in de wereld, die een negatieve invloed hebben op de beschikbaarheid van vergelijkbare en zinvolle gegevens en de betrouwbaarheid van ramingen;

21.  merkt op dat belastingplanningstrategieën gebaseerd kunnen zijn op de structuur van bedrijven, financieringsregelingen voor hun dochterondernemingen of verrekenprijzen die geen verband houden met reële economische activiteiten, waardoor winsten kunstmatig tussen rechtsgebieden kunnen worden verschoven teneinde de totale belastingbijdrage van bedrijven te verlagen; merkt met grote bezorgdheid op dat in de EU steeds meer gebruik wordt gemaakt van brievenbusfirma's, die echter alleen in naam "firma's" zijn en uitsluitend worden gebruikt om belastingen te ontduiken; wijst op het specifieke voorbeeld van McDonalds, waarvan de belastingpraktijken volgens een verslag van een coalitie van vakbonden de Europese landen tussen 2009 en 2013 meer dan 1 miljard EUR aan gederfde belastinginkomsten hebben gekost(27) ;

22.  is van mening dat nationale voorkeursregelingen en de gebrekkige coördinatie of convergentie tussen de belastingstelsels van de lidstaten, ondanks de effectieve economische verwevenheid en wisselwerking binnen de interne markt, leiden tot een aantal incongruenties die agressieve belastingplanning, dubbele aftrekken en dubbele niet-belasting mogelijk maken, bv. door een van de volgende praktijken of een combinatie daarvan: misbruik van verrekenprijzen, aftrekken laten plaatsvinden in rechtsgebieden met hoge belastingen, geleende bedragen doorsluizen via stromanbedrijven, risico's overdragen, hybride financiële producten, profiteren van incongruenties, belastingarbitrage, royalty-overeenkomsten, verdragshoppen ("treaty shopping") en de verkoop van activa laten plaatsvinden in rechtsgebieden met lage belastingen;

23.  benadrukt dat zijn bijzondere commissie tijdens haar onderzoeksmissies in vijf lidstaten en Zwitserland heeft vastgesteld dat een aantal nationale belastingmaatregelen, die vaak door multinationals met elkaar worden gecombineerd, potentieel schadelijke belastingpraktijken kunnen zijn, in het bijzonder de volgende reeks maatregelen, die slechts als een niet-uitputtende lijst dient te worden beschouwd:

   misbruik van fiscale rulings en schikkingsovereenkomsten om verder te gaan dan een loutere verduidelijking van de bestaande wetgeving en een fiscale voorkeursbehandeling te krijgen,
   uiteenlopende definities van permanente vestiging en fiscale woonplaats,
   weinig of geen rekening houden met economische substantie, wat het mogelijk maakt special purpose vehicles (bv. brievenbusfirma's, lege vennootschappen enz.) op te richten die lagere belastingen betalen,
   notionele-interestaftrek (op grond waarvan bedrijven een fictieve rente, die wordt berekend op basis van hun eigen vermogen, kunnen aftrekken van hun belastbaar inkomen),
   overwinstrulings (waardoor een bedrijf een schriftelijke bevestiging van de belastingdienst kan krijgen dat zijn belastbaar inkomen niet de winsten omvat die het niet zou hebben gerealiseerd als het een op zichzelf staand bedrijf was),
   onduidelijke of ongecoördineerde bepalingen inzake verrekenprijzen,
   een aantal preferentiële regelingen, met name in verband met immateriële activa (octrooi-, kennis- of intellectuele-eigendomsboxen),
   vrijstelling van bronbelasting op rente, dividenden en royalty's door bilaterale belastingverdragen en/of overeenkomstig de nationale wetgeving,
   verschillen in juridische kwalificaties tussen de lidstaten (hybride entiteiten of hybride leningen), waarbij rentelasten veranderen in vrijgestelde dividenden,
   in het geval van Zwitserland, bijzondere belastingregelingen op kantonnaal niveau voor bedrijven die onder buitenlandse controle staan, waarvan geen gebruik kan worden gemaakt door bedrijven die onder nationale controle staan (zogenoemde "ring-fencing regimes"),
   een gebrek aan effectieve algemene of specifieke antimisbruikvoorschriften of een lakse handhaving of interpretatie van die voorschriften,
   en structuren waarachter de uiteindelijke begunstigde schuilgaat en waarop informatie-uitwisseling niet van toepassing is, zoals trusts en zogenoemde "freeports";

24.  neemt ter kennis dat volgens de Commissie(28) 72 % van de winstverschuiving in de EU plaatsvindt via verrekenprijzen en lokalisatie van intellectuele eigendom;

25.  benadrukt dat een aantal lidstaten de afgelopen jaren specifieke regelingen voor de verlaging van de vennootschapsbelasting hebben ontwikkeld om mobiele immateriële activa van bedrijven aan te trekken, zoals inkomsten uit intellectuele eigendom; neemt kennis van de verscheidenheid aan belastingtariefverlagingen en toelagen en van de uiteenlopende toepassingsgebieden van de voorgestelde regelingen (innovatieboxen, intellectuele-eigendomboxen, kennisboxen, octrooiboxen enz.); benadrukt dat belastingbetalers in sommige lidstaten intellectuele eigendom niet zelf en/of in het land hoeven te produceren om toegang te krijgen tot belastingvoordelen, maar die eigendom slechts dienen te verwerven via een bedrijf dat in het rechtsgebied gevestigd is; benadrukt daarom dat fiscale voordelen voor onderzoek en ontwikkeling aan reële uitgaven in het betreffende rechtsgebied gekoppeld moeten zijn;

26.  onderstreept voorts dat de kosten van onderzoek en ontwikkeling in de nationale belastingstelsels ook zonder octrooiboxen als aftrekpost kunnen worden opgevoerd, en dat octrooiboxen derhalve belastingontwijking in de hand werken op een wijze die tegen het stelsel indruist;

27.  beschouwt dergelijke regelingen als voorbeelden van schadelijke belastingconcurrentie tussen landen, omdat zij, hoewel hun verband met en effect op de reële economie meestal onbestaande is, leiden tot minder belastinginkomsten voor andere landen, waaronder lidstaten; wijst erop dat de Commissie in een overzicht van fiscale stimulansen voor onderzoek en ontwikkeling(29) concludeert dat "octrooiboxen eerder een verplaatsing van vennootschapsbelastinginkomsten lijken te bewerkstelligen dan innovatie lijken te stimuleren";

28.  benadrukt dat, in een economische omgeving die wordt gekenmerkt door meer immateriële activa, de vaststelling van verrekenprijzen vaak wordt beïnvloed door het gebrek aan vergelijkbare transacties en benchmarks, wat de juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel, op grond waarvan de prijzen van transacties tussen entiteiten die tot hetzelfde bedrijfsconcern behoren op dezelfde manier moeten worden vastgesteld als die tussen onafhankelijke entiteiten, tot een moeilijke uitdaging maakt;

29.  wijst erop dat de bestaande richtsnoeren voor verrekenprijzen multinationals een ruime beoordelingsmarge bieden bij de keuze en toepassing van evaluatiemethoden; benadrukt dat het ontbreken van een doeltreffende gemeenschappelijke norm voor verrekenprijzen, alsook de diverse afwijkingen, uitzonderingen en alternatieven door multinationals worden uitgebuit, in strijd met de geest van deze richtsnoeren, om hun belastbare winst per rechtsgebied te kalibreren en hun totale belastingplicht te beperken door bv. oneigenlijke cost plus, willekeurige vaststelling van winstmarges of de twijfelachtige uitsluiting van bepaalde uitgaven van hun berekening; benadrukt dat de kwestie van verrekenprijzen op EU-niveau het beste kan worden aangepakt door middel van een geconsolideerde heffingsgrondslag, waarmee de noodzaak van deze prijzen zou wegvallen;

30.  onderstreept dat door multinationals of hun vertegenwoordigers ingediende dossiers inzake verrekenprijzen niet naar behoren kunnen worden gecontroleerd door de belastingdiensten, omdat die vaak niet over voldoende middelen en personeel beschikken om die analyses en het resultaat of de impact daarvan kritisch en grondig te bestuderen;

31.  betreurt het dat, in een economische context waarin 60 % van de wereldwijde handel binnen groepen plaatsvindt(30) , de richtsnoeren voor de toepassing van dit puur economische concept per lidstaat verschillen en daarom onderhevig zijn aan tegenstrijdigheden tussen de lidstaten en juridische geschillen;

32.  onderstreept voorts dat er, ondanks het aanzienlijke aantal juridische geschillen in de EU die het gevolg zijn van uiteenlopende interpretaties van dezelfde beginselen inzake verrekenprijzen, geen doeltreffend Europees geschillenbeslechtingsmechanisme voorhanden is; wijst erop dat de beslechting van verrekenprijsgeschillen die aan het EU-arbitrageverdrag worden onderworpen tot wel acht jaar in beslag kan nemen, hetgeen bijdraagt tot rechtsonzekerheid voor bedrijven en belastingdiensten;

33.  benadrukt de cruciale rol van grote accountantskantoren, waaronder de "grote vier", bij de ontwikkeling en marketing van rulings en belastingontwijkingsconstructies waarmee incongruenties tussen de wetgevingen van de lidstaten worden uitgebuit; benadrukt dat die kantoren, wier inkomsten voor een aanzienlijk deel lijken voort te vloeien uit fiscale dienstverlening en die de auditmarkten van de meeste lidstaten alsook de wereldwijde dienstverlening op het gebied van belastingadvies lijken te domineren, een nauw oligopolie vormen; is van oordeel dat een dergelijke situatie niet kan voortduren zonder schade toe te brengen aan de werking van de interne markt op de gebieden waarop de "grote vier" actief zijn; vestigt de aandacht op het belangenconflict dat het gevolg is van het naast elkaar bestaan, binnen dezelfde kantoren, van activiteiten op het gebied van belastingadvies en consulting, die enerzijds bedoeld zijn voor de belastingdiensten en anderzijds voor de belastingplanningsdiensten van multinationals, die de tekortkomingen van de nationale belastingwetten uitbuiten; is van mening dat good practices ter zake moeten worden bevorderd en dat bestaande gedragscodes moeten worden verbeterd; betwijfelt echter of bedrijfsgedragscodes en beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen dit probleem effectief kunnen aanpakken; onderstreept dat fiscale rulings, in de EU en wereldwijd, een gangbare zakelijke praktijk zijn geworden, niet alleen om rechtszekerheid of voordelige belastingakkoorden te verkrijgen, maar ook in gevallen waarin wettelijke bepalingen geen ruimte voor interpretatie bieden; is bezorgd over ramingen van de belastingadviessector dat er slechts een kans van 50 % hoeft te bestaan dat een fiscale planningsconstructie wettig is opdat die aan cliënten wordt aanbevolen(31) ;

34.  vraagt de belastingautoriteiten hun bronnen van knowhow te verbeteren en te diversifiëren en de effectbeoordelingsprocedure te verbeteren, teneinde het risico van onverwachte gevolgen van nieuwe belastingmaatregelen te beperken; herinnert de lidstaten eraan dat niet alleen verschillen tussen belastingstelsels, maar ook een al te grote complexiteit van de nationale belastingstelsels en geringe stabiliteit met te frequente veranderingen, in belangrijke mate bijdragen aan het ontstaan van belastingkloven, onrechtvaardigheid van belastingstelsels en een geringe geloofwaardigheid van het belastingbeleid; onderstreept in dit verband dat fiscale versnippering een obstakel vormt voor de totstandbrenging van een Europese kapitaalmarktunie;

Stand van zaken en beoordeling van EU-, internationale en nationale maatregelen

35.  stelt vast dat naar aanleiding van de economische crisis, en daarbovenop het LuxLeaks-schandaal, de aanpak van agressieve fiscale planning door multinationals hoog op de politieke agenda van de lidstaten, de EU, de OESO en de G20 staat, maar betreurt het dat er tot nu toe in de praktijk weinig vooruitgang is geboekt, met uitzondering van het door de G20 gesteunde BEPS-project van de OESO, dat pas is afgerond en nog niet door de landen wordt toegepast;

36.  wijst er in deze context op dat vele lidstaten maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking hebben ingevoerd of willen vaststellen, met name in verband met de beperking van de aftrekbaarheid van rente, antimisbruikregels, een betere definiëring van het begrip permanente vestiging (met inbegrip van de ontwikkeling van economische-substantietoetsingen om beter te kunnen bepalen waar bedrijven belastingplichtig zijn), de eventuele uitsluiting van zich misdragende bedrijven van openbare aanbestedingen en de openbaarmaking van belastingplanningsregelingen, wat kan bijdragen aan het herstel van de geloofwaardigheid van het belastingstelsel en het verkorten van de tijdspanne tussen de instelling van specifieke regelingen en de vaststelling van corrigerende maatregelen, onder meer op wetgevingsniveau;

37.  vreest desondanks dat, bij gebrek aan een op samenwerking gebaseerde aanpak, de unilaterale maatregelen van de lidstaten tegen grondslaguitholling zouden kunnen leiden tot meer complexiteit, nieuwe incongruenties en, als gevolg daarvan, meer mogelijkheden voor belastingontwijking op de interne markt; benadrukt dat een uiteenlopende tenuitvoerlegging van internationale of EU-richtsnoeren door de lidstaten hetzelfde effect kan hebben;

38.  is ingenomen met de diverse initiatieven en wetgevingsvoorstellen van de Commissie van de afgelopen 20 jaar, met inbegrip van de meest recente, om toe te werken naar een betere coördinatie van de vennootschapsbelastingstelsels van de lidstaten, met het oog op het versterken van de interne markt, het aanpakken van kwesties inzake dubbele belasting of dubbele niet-belasting en het waarborgen van het recht van de lidstaten om effectief belastingen te heffen; betreurt niettemin dat tot nu toe slechts een klein aantal van deze voorstellen door de Raad is goedgekeurd, wat te wijten is aan de unanimiteitsvereiste en het feit dat bepaalde lidstaten blijven denken dat zij individueel meer te winnen hebben bij mazen in het ongecoördineerde belastingstelsel dan ze collectief te winnen zouden hebben in een gecoördineerd stelsel;

39.  is ingenomen met de publicatie van een nieuw pakket voor fiscaal beleid, en verzoekt de Commissie te streven naar een rechtvaardig belastingstelsel dat gebaseerd is op het beginsel dat belastingen moeten worden betaald in de lidstaat waar de winst wordt gemaakt, om zo verstoring van de interne markt en oneerlijke concurrentie te voorkomen;

40.  benadrukt dat de in 1998 door de lidstaten opgerichte Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) (de "Groep") het eind jaren 90 en begin deze eeuw mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de destijds meest schadelijke afzonderlijke belastingpraktijken door middel van een "soft law"-tweesporenaanpak, waarbij bestaande belastingmaatregelen die tot schadelijke belastingconcurrentie leidden, werden teruggedraaid, en werd toegezegd dat dergelijke maatregelen in de toekomst niet meer zouden worden geïntroduceerd ("standstill");

41.  betreurt het dat het werk van de Groep aan kracht lijkt te hebben ingeboet; merkt op dat sommige van de meer dan 100 maatregelen die in het kader van zijn werkzaamheden zijn afgeschaft, in een aantal lidstaten zijn vervangen door belastingmaatregelen met vergelijkbare schadelijke effecten; merkt op dat belastingdiensten de aanbevelingen van de Groep hebben tegengewerkt door nieuwe constructies op te zetten met dezelfde schadelijke effecten als de door de Groep afgeschafte constructies; betreurt het dat eerdere pogingen om het bestuur en het mandaat van de Groep te versterken en de in de code vastgelegde werkmethoden en criteria aan te passen teneinde nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken in de huidige economische omgeving te bestrijden, niet zijn geslaagd; steunt de recentste voorstellen van de Commissie ter zake, die zijn uiteengezet in haar actieplan van 17 juni 2015 voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU;

42.  betreurt, in weerwil van de ambitieuze doelstellingen die sedert 1997 worden verkondigd, het voortduren van de belastingconcurrentie tussen lidstaten, die niet zozeer voortkomt uit een verschil in tarieven als wel uit de heterogeniteit van de nationale regels die bepalen wat belastbare winsten zijn, een heterogeniteit die al tientallen jaren onveranderd tot uiting komt in de verschillen tussen de nominale en de effectieve vennootschapsbelastingtarieven die door de lidstaten worden toegepast;

43.  betreurt het ook dat de oorspronkelijke status en bestuurlijke afspraken van de Groep te veel ruimte lieten voor politieke onderhandelingen en compromissen bij het streven naar "brede consensus" (oftewel quasi-unanimiteit, met de mogelijkheid om ongenoegen tot uitdrukking te brengen in voetnoten) over de beoordeling van schadelijke praktijken, waardoor afbreuk is gedaan aan de betrouwbaarheid en volledigheid van zijn werkzaamheden en wat er in sommige gevallen toe heeft geleid dat verslagen, zoals het verslag uit 1999 van Simmons & Simmons over administratieve praktijken, opzettelijk niet zijn gepubliceerd of geen follow-up hebben gekregen; acht het betreurenswaardig dat bij de afschaffing van bestaande maatregelen politieke vertraging optrad en, in enkele gevallen, na de uiterste datum nog nieuwe begunstigden werden toegelaten, hetgeen ook samenhangt met de uiterst zwakke verantwoordings- en toezichtmechanismen van de Groep;

44.  benadrukt in meer fundamentele zin dat de in de code gehanteerde aanpak per geval er weliswaar toe heeft geleid dat lidstaten nu meer met algemene maatregelen concurreren, maar geen betrekking heeft op de systemische tekortkomingen van een versnipperd vennootschapsbelastingskader in de EU, waardoor een grondigere herziening noodzakelijk is geworden;

45.  wijst tevens op de geleverde inspanningen in verband met de oprichting van het Platform voor goed fiscaal bestuur, dat diverse stakeholders bijeenbrengt teneinde een consensus te bereiken over de kwestie belastingontwijking, in het bijzonder in een internationale context, en het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, dat een aantal richtsnoeren verstrekt over de technische kwesties met betrekking tot verrekenprijzen; benadrukt dat er tot op heden mede dankzij deze organen beperkte correcties zijn aangebracht in het vennootschapsbelastingskader; betreurt het dat de door het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen opgestelde richtsnoeren vooralsnog niet tot een toereikende aanpak van belastingontwijking hebben geleid; betreurt dat het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, ondanks een recente vernieuwing van zijn leden, nog steeds onevenwichtig is samengesteld; heeft er bezwaar tegen dat belastingdeskundigen bijdragen aan het opstellen van richtsnoeren voor verrekenprijzen, maar tegelijkertijd hun cliënten mogelijkerwijs adviseren over strategieën voor agressieve belastingplanning, en zich dus in een situatie van belangenconflict bevinden;

46.  benadrukt dat de EU-wetgeving (de richtlijnen inzake moeder-dochterondernemingen, rente en royalty's, fusies en administratieve samenwerking), hoewel zij slechts betrekking heeft op enkele aspecten van vennootschapsbelasting, het hoofd heeft kunnen bieden aan specifieke problemen van lidstaten en bedrijven die in meerdere landen actief zijn; benadrukt dat deze maatregelen, die in eerste instantie zijn ontwikkeld om een eind te maken aan dubbele belastingheffing, een aantal onbedoelde contraproductieve effecten op belastingontwijking hebben en in sommige gevallen leiden tot dubbele niet-belastingheffing; is verheugd dat de Raad onlangs amendementen op de moeder-dochterrichtlijn heeft goedgekeurd die beogen een algemene antimisbruikbepaling in te voeren en incongruenties bij hybride leningen aan te pakken, en die eind 2015 in werking zullen treden, en verwacht dat hiermee een einde zal komen aan een aantal van de mogelijkheden voor belastingontwijking in de EU;

47.  herinnert aan de bepalingen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad inzake administratieve samenwerking die uitvoering geven aan de uitwisseling van alle relevante fiscale informatie; is van mening dat een automatische, onmiddellijke en volledige uitwisseling en verwerking van fiscale informatie een sterk afschrikkend effect zou hebben op belastingontduiking en de invoering van schadelijke belastingpraktijken, en de lidstaten en de Commissie in staat zou stellen te beschikken over alle relevante informatie om hiertegen op te treden;

48.  betreurt het dat het huidige wetgevings- en toezichtskader voor de uitwisseling van informatie over belastingmaatregelen niet doeltreffend is, aangezien is gebleken dat niet wordt voldaan aan de bestaande vereisten voor spontane informatie-uitwisseling of informatie-uitwisseling op aanvraag; betreurt het dat vrijwel geen enkele lidstaat informatie uitwisselt die gevolgen kan hebben voor partnerlanden van de EU; betreurt het gebrek aan coördinatie tussen de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten;

49.  betreurt het dat fiscale informatie bijna nooit spontaan tussen de lidstaten wordt uitgewisseld; is ingenomen met automatische uitwisseling van informatie die niet langer op wederkerigheid berust; vestigt de aandacht op de structurele ontwerpfouten van een systeem dat gebaseerd is op beoordelingsvrijheid over wat al dan niet moet worden meegedeeld en dat gepaard gaat met zwakke toezichtsystemen, waardoor schendingen van de vereiste inzake informatie-uitwisseling zeer moeilijk vast te stellen zijn;

50.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de automatische uitwisseling van fiscale informatie te bevorderen als de toekomstige Europese en internationale norm op het vlak van transparantie; verzoekt de Commissie met klem om, als eerste stap, haar verplichting als hoedster van de Verdragen na te komen en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bestaande EU-wetgeving en het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten, zoals vastgelegd in de Verdragen, in acht worden genomen; is ingenomen met het voorstel van de deskundigengroep inzake automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen om de mogelijkheden te bestuderen om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de automatische uitwisseling van informatie door niet-wederkerige uitwisselingsovereenkomsten te sluiten;

51.  wijst erop dat staatssteunregels en sancties een nuttig middel zijn om de meest oneigenlijke en verstorende schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, en een afschrikkend effect kunnen hebben;

52.  is ingenomen met het pakket fiscale transparantie van de Commissie van maart 2015 inzake de automatische uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over hun fiscale rulings en haar actieplan van juni 2015 voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU; benadrukt evenwel dat deze teksten slechts als eerste stappen in de goede richting kunnen worden beschouwd, en dat er dringend behoefte is aan een samenhangend kader van wettelijke bepalingen en administratieve samenwerking, ook ten behoeve van kmo's en van multinationals die echte economische groei helpen creëren en een billijk deel van de belastingen op de interne markt betalen;

53.  is ingenomen met de recente overeenkomst over het BEPS-actieplan van de OESO, waarin, naar aanleiding van opeenvolgende oproepen tot actie tijdens de G7- en G20-topbijeenkomsten, wordt beoogd de afzonderlijke problemen die de werking van het internationale vennootschapsbelastingstelsel bemoeilijken, aan te pakken met voorstellen voor wereldwijde en systematische maatregelen om deze problemen te verhelpen; betreurt de late en ongelijke inspraak van de ontwikkelingslanden in het BEPS-proces van de OESO, waaraan zij op een eerlijke manier hadden moeten kunnen deelnemen; betreurt het dat sommige uitkomsten van het BEPS-actieplan niet verder gaan, bv. op het gebied van schadelijke belastingregelingen, digitale economie en transparantie;

54.  neemt ter kennis dat, naar aanleiding van een systematische analyse van de knelpunten van het internationale belastingstelsel, het BEPS-actieplan in 15 actiepunten is opgedeeld, waarvan er 7 in november 2014 door de G20 zijn goedgekeurd en de overige in oktober 2015 zijn uitgevoerd; benadrukt dat die actiepunten, tegen de achtergrond van een veranderend ondernemingsklimaat, gericht zijn op het aanpakken van transparantiekwesties, bv. door richtsnoeren te verstrekken over verslaggeving per land, het gebrek aan substantie in bepaalde belastingontwijkingsconstructies en meer samenhang in de internationale regels;

55.  waarschuwt niettemin voor compromissen die kunnen achterblijven bij de oorspronkelijke ambities of kunnen leiden tot uiteenlopende interpretaties op nationaal niveau; benadrukt voorts dat er tot nog toe vrijwel geen doeltreffend toezicht is gehouden op de tenuitvoerlegging van de OESO-richtsnoeren in de landen die ze hebben goedgekeurd, en dat zelfs de best uitgewerkte oplossingen niet doeltreffend kunnen zijn als ze niet naar behoren worden gecontroleerd en geïmplementeerd;

56.  benadrukt dat de werkzaamheden van de EU en de OESO op dit gebied complementair zijn; is van mening dat de EU, gezien haar mate van integratie, verder moet gaan dan de BEPS-voorstellen wat betreft coördinatie en convergentie ter voorkoming van alle vormen van schadelijke belastingconcurrentie op de interne markt; is ervan overtuigd dat de EU, zonder dat haar concurrentievermogen eronder hoeft te lijden, doeltreffendere instrumenten kan ontwikkelen om toe te zien op eerlijke belastingconcurrentie en het recht van de lidstaten om effectief belasting te heffen op winsten die op hun grondgebied worden gegenereerd;

Onderzoeken van de Commissie naar staatssteun: overzicht en resultaten

57.  benadrukt dat nieuwkomers en bedrijven – met inbegrip van kmo's – die geen gebruik maken van agressieve belastingpraktijken, op de interne markt worden benadeeld ten opzichte van multinationals, die in staat zijn winsten te verschuiven of andere vormen van agressieve belastingplanning toe te passen via een verscheidenheid aan besluiten en instrumenten die hun uitsluitend ter beschikking staan omdat zij zo groot zijn en hun activiteiten internationaal kunnen organiseren; stelt met bezorgdheid vast dat, onder voor het overige gelijke omstandigheden, de hieruit voortvloeiende lagere belastingverplichtingen leiden tot een hogere winst na belastingen voor multinationals en derhalve tot een ongelijk speelveld met hun concurrenten op de interne markt, die geen gebruik kunnen maken van agressieve belastingplanning en de connectie behouden tussen de plaats waar zij winst genereren en de plaats waar zij belasting betalen; wijst erop dat deze verstoring van het gelijke speelveld ten voordele van multinationals strijdig is met het fundamentele beginsel van de interne markt;

58.  benadrukt dat de OESO(32) erop wijst dat sommige multinationals gebruik maken van strategieën om slechts 5 % aan vennootschapsbelasting te betalen, terwijl kleinere bedrijven tot wel 30 % betalen, en is zeer bezorgd over het feit dat de vennootschapsbelastingbijdrage van grensoverschrijdende bedrijven volgens een aantal studies(33) gemiddeld tot wel 30 % lager is dan die van binnenlandse bedrijven die slechts in één land actief zijn; vindt het onaanvaardbaar dat sommige multinationals dankzij die strategieën een zeer laag effectief vennootschapsbelastingtarief betalen, terwijl sommige kmo's het volle tarief moeten betalen;

59.  benadrukt dat deze verstorende invloed op de beslissingen van marktdeelnemers, die worden genomen op basis van de verwachte opbrengst na belastingen, leidt tot een suboptimale toewijzing van middelen binnen de EU en een minder concurrentie, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de groei en de werkgelegenheid;

60.  onderstreept dat sommige schadelijke belastingpraktijken mogelijk binnen de werkingssfeer van belastinggerelateerde staatssteunregels vallen, met name voor zover zij op dezelfde manier "selectieve" voordelen kunnen toekennen en tot concurrentieverstoringen op de interne markt kunnen leiden; merkt op dat de staatssteunprocedures en de activiteiten van de Groep gedragscode elkaar onderling ondersteunden, met name in 1999 en in de eerste helft van het voorbije decennium; benadrukt dat met de handhaving van de EU-mededingingsregels juridische druk is toegevoegd aan het soft law-besluitvormingsproces in de Groep, waardoor het gebrek aan andere doeltreffende instrumenten voor de aanpak van het probleem van belastingontwijking op EU-niveau gedeeltelijk wordt gecompenseerd;

61.  neemt nota van de belangrijke ontwikkelingen in de afgelopen 20 jaar in verband met het analytisch kader van de Commissie voor belastinggerelateerde staatssteun, waardoor het mogelijk werd meer duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de definitie en analyse van staatssteun via belastingmaatregelen, alsook stelselmatiger op te treden tegen dergelijke maatregelen; wijst met name op de richtsnoeren van de Commissie van 1998 over de toepassing van de staatssteunregels op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen, het verslag van 2004 daarover en de diverse belangrijke arresten van het voorbije decennium; is in het kader van het proces tot modernisering van het staatssteunbeleid, dat de Commissie in gang heeft gezet, ingenomen met de openbare raadpleging van 2014 over ontwerprichtsnoeren ter verduidelijking van het begrip "staatssteun" overeenkomstig artikel 107 VWEU, dat elementen behelst op het gebied van belastinggerelateerde staatssteun en met name fiscale rulings;

62.  stelt vast dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de toepassing van de staatssteunregels op fiscale maatregelen van de lidstaten de afgelopen decennia steeds vastere vorm heeft gekregen, laatstelijk met de zaak-Gibraltar in 2011(34) ;

63.  wijst erop dat het Hof van Justitie de nadruk heeft gelegd op het beginsel dat de inhoudelijke kant voorrang heeft op formele aspecten, en dat dus het economische effect van een maatregel het uitgangspunt vormt bij de beoordeling;

64.  stelt bijgevolg vast dat het Hof van Justitie uit het verbod op staatssteun vergaande voorwaarden heeft afgeleid voor de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de belastingwetgeving;

65.  wijst erop dat het concept van "de aard en de opzet van het nationale stelsel" als referentiekader dient om te beoordelen of directe of indirecte belastingen al dan niet selectief zijn en derhalve al dan niet verenigbaar met de interne markt, en dat elke vorm van staatssteun moet worden getoetst aan het reeds bestaande evenwicht; benadrukt dat, aangezien de EU-benchmark voor het beoordelen van mogelijke verstoringen het nationale referentiestelsel is(35) , niet alle concurrentieverstoringen en schadelijke belastingpraktijken op de interne markt onder de huidige mededingingsregels vallen; wijst er derhalve op dat het probleem van de ontwijking van vennootschapsbelasting in de EU niet kan worden opgelost met alleen de volledige handhaving van deze regels;

66.  wijst erop dat de Europese Commissie, volgens de gegevens die zij zijn bevoegde bijzondere commissie heeft toegestuurd(36) , sinds 1991 naar slechts 65 belastinggerelateerde staatssteunzaken een officieel onderzoek heeft ingesteld, waarvan er 7 fiscale rulings betroffen en slechts 10 afkomstig waren van formele aanmeldingen van de lidstaten;

67.  benadrukt dat de Commissie in de tweede helft van het voorbije decennium slechts een klein aantal zaken op het gebied van belastinggerelateerde staatssteun heeft behandeld, en dat de recente staatssteunprocedures de volgende fasen omvatten:

   de instelling, in juni 2013, van een onderzoek naar praktijken op het vlak van fiscale rulings in zeven lidstaten, dat in december 2014 werd uitgebreid tot alle lidstaten,
   de start, in oktober 2013, van een onderzoek naar de vennootschapswetgeving van Gibraltar, en met name de vraag of deze bepaalde ondernemingen bevoordeelt, en de uitbreiding van dit onderzoek, in oktober 2014, tot fiscale rulings van Gibraltar,
   tegelijkertijd, de instelling van een afzonderlijk onderzoek naar fiscale regelingen op het gebied van intellectuele eigendom ("octrooiboxen"),
   de instelling, in juni 2014, van officiële onderzoeken naar drie gevallen: Apple in Ierland, Fiat Finance and Trade in Luxemburg en Starbucks in Nederland, die in oktober 2015 zijn afgerond, in oktober 2014 gevolgd door een onderzoek naar Amazon in Luxemburg,
   de instelling, in februari 2015, van een officieel onderzoek naar een belastingregeling in België (systeem van fiscale rulings voor overwinst);

68.  benadrukt dat de lopende en afgeronde onderzoeken van de Commissie en de door LuxLeaks aan het licht gebrachte zaken erop wijzen dat sommige lidstaten zich niet hebben gehouden aan hun wettelijke verplichting(37) om alle potentiële staatssteundossiers over te leggen aan de Commissie;

69.  benadrukt dat deze onderzoeken licht hebben geworpen op slechts een zeer beperkte steekproef van een aantal typische praktijken, die van invloed zijn op de belastbare winst die door middel van verrekenprijzen wordt toegewezen aan sommige dochterondernemingen van multinationals; vreest dat de huidige middelen van de bevoegde diensten van de Commissie haar vermogen beperken om een beduidend groter aantal zaken te behandelen en stelselmatige controles uit te voeren om na te gaan of er, naast de praktijken op basis van verrekenprijzen, nog andere praktijken op het gebied van vennootschapsbelasting zijn die mogelijkerwijs botsen met de staatssteunwetgeving;

70.  spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor de aanpak van de Commissie, die erin bestaat de nodige tijd te nemen om de lopende zaken grondig en met alle vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken; is van mening dat het resultaat van de onderzoeken ertoe zal bijdragen dat er nauwkeurigere, doeltreffendere richtsnoeren inzake belastinggerelateerde staatssteun en verrekenprijzen worden vastgesteld en dat de lidstaten ertoe worden verplicht hun praktijken dienovereenkomstig aan te passen; verzoekt de Commissie desalniettemin deze lopende belastinggerelateerde staatssteunonderzoeken zo snel als praktisch gezien mogelijk is af te ronden, zonder daarbij afbreuk te doen aan de kwaliteit en de geloofwaardigheid van de onderzoeken, en kijkt met veel belangstelling uit naar de resultaten; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over deze onderzoeken; verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat elke ontbrekende euro wordt terugbetaald als in de lopende zaken wordt bevestigd dat de staatssteun onwettig was;

71.  benadrukt dat de lopende onderzoeken er in het geval van een inbreuk op de EU-regelgeving toe kunnen leiden dat de lidstaat die de betreffende belastingmaatregel heeft goedgekeurd, het bedrag terugvordert dat overeenkomt met de onrechtmatige staatssteun die aan de begunstigde ondernemingen is toegekend; benadrukt dat deze terugvordering weliswaar een aanzienlijk negatief effect kan hebben op de reputatie van de betreffende lidstaat, maar in feite neerkomt op een beloning voor niet-naleving, die de lidstaten er in geval van twijfel waarschijnlijk niet van zal weerhouden om oneigenlijke belastingvoordelen toe te kennen, maar ze integendeel vrijstelt van de verantwoordelijkheid om toe te zien op de inachtneming van de EU-staatssteunregels, en die geen compensatie vormt voor het financiële verlies dat de begrotingen van de benadeelde lidstaten hebben geleden; meent meer in het algemeen dat de staatssteunregels moeten voorzien in sancties die voldoende afschrikkend zijn om onwettige staatssteun tegen te gaan;

72.  wijst tevens op de mogelijkheid, in het geval van oneigenlijke verrekenprijzen tussen grensoverschrijdende dochterondernemingen, dat niet alleen de belastinginkomsten van de lidstaat waarvan de belastingvoordelen uitgaan, worden aangepast (terugvordering van steun), maar ook die van andere landen waar de transactie plaatsvond (ex-post aanpassing van verrekenprijzen en dus van het belastbaar inkomen); benadrukt dat dit in sommige gevallen zou kunnen leiden tot dubbele belastingheffing;

73.  wijst er nogmaals op dat fiscale rulings moeten dienen om rechtszekerheid te beiden en bij de begunstigden gerechtvaardigde verwachtingen wekken; benadrukt, in een context waarin nationale rulings kunnen worden aangevochten op grond van EU-staatssteunregels, dat het risico bestaat dat de lidstaten afzonderlijke verzoeken om rulings massaal gaan aanmelden met het oog op voorafgaande toestemming van de Commissie, teneinde rechtsonzekerheid voor belastingdiensten en ondernemingen te voorkomen; onderstreept dat op de grotere aantallen aanmeldingen, alsook op de van de lidstaten verlangde grotere transparantie in fiscale aangelegenheden, gereageerd moet worden met de terbeschikkingstelling van meer capaciteit bij de Commissie en verbeterde processen voor het doorgeven van informatie;

Derde landen

74.  vindt het zorgwekkend dat de negatieve overloopeffecten van schadelijke belastingpraktijken van sommige multinationals veel groter lijken te zijn voor ontwikkelingslanden dan voor ontwikkelde landen(38) , aangezien eerstgenoemden een groter deel van hun inkomsten uit vennootschapsbelasting halen en beschikken over zwakkere stelsels voor overheidsfinanciën, regelgevingsklimaten en administratieve capaciteit om toe te zien op de belastingnaleving en het hoofd te bieden aan deze schadelijke belastingpraktijken; merkt op dat ontwikkelingslanden volgens het IMF(39) relatief gezien drie keer meer inkomsten verliezen door agressieve belastingplanning dan ontwikkelde landen; benadrukt dat artikel 208 van het Verdrag van Lissabon de lidstaten ertoe verplicht hun beleid aan te passen om de ontwikkeling in ontwikkelingslanden te steunen; wijst erop dat uitvoerige analyses van de overloopeffecten van de belastingpraktijken van de lidstaten, waarvan de bevindingen openbaar zouden moeten worden gemaakt, de beleidsvorming kunnen helpen sturen om ervoor te zorgen dat deze praktijken de belastinggrondslag van andere lidstaten of derde landen niet uitholt;

75.  benadrukt dat de weinige "winnaars" van de wereldwijde belastingconcurrentie, namelijk de landen met een zeer aantrekkelijk vennootschapsbelastingbeleid binnen en buiten de EU, tegelijkertijd over een aantal onevenredige economische fundamentals beschikken in verhouding tot hun omvang en reële economische activiteit, met name wanneer wordt gekeken naar bv. het aantal ingezeten vennootschappen per inwoner, het geboekte bedrag aan buitenlandse winsten, directe buitenlandse investeringen of uitgaande financiële stromen in verhouding tot het bbp, enz.; merkt op dat hieruit het artificiële karakter van hun belastinggrondslag en inkomende financiële stromen blijkt, alsook de door de huidige belastingstelsels mogelijk gemaakte loskoppeling van de plaats waar de waarde wordt gecreëerd en de plaats waar belasting wordt geheven;

76.  benadrukt dat belastingconcurrentie beslist niet beperkt is tot de lidstaten, met inbegrip van hun afhankelijke of geassocieerde gebieden, en dat de meeste onderzochte praktijken een internationale dimensie hebben, vanwege de verschuiving van winsten naar rechtsgebieden met een laag belastingniveau of zonder belastingheffing of met een geheimhoudingsregeling, waar vaak geen substantiële economische activiteit plaatsvindt; betreurt dat er geen sprake is van een gecoördineerde aanpak van de lidstaten ten aanzien van al die rechtsgebieden, niet alleen op het vlak van een gezamenlijk optreden of gezamenlijke reactie tegen hun schadelijke praktijken, maar ook, ondanks de inspanningen van de Commissie, met betrekking tot hun identificatie en de relevante criteria; schaart zich daarom resoluut achter het voorstel van de Commissie van 2012, dat voorziet in substantiële criteria voor eerlijke concurrentie, naast transparantie en de uitwisseling van informatie, alsook de recente publicatie in het belastingpakket van de Commissie van 17 juni 2015 van een lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden, die is vastgesteld aan de hand van een "gemene deler"-aanpak op basis van bestaande nationale lijsten; benadrukt dat de vaststelling van een dergelijke lijst een eerste vereiste is voor het nemen van passende maatregelen tegen dergelijke rechtsgebieden; is van oordeel dat deze lijst de eerste stap moet zijn van een proces dat leidt tot een nauwkeurige, objectieve definitie van belastingparadijzen, die als uitgangspunt kan dienen voor toekomstige lijsten, die zullen worden opgesteld aan de hand van duidelijke criteria die van tevoren bekend moeten zijn; moedigt de Commissie aan om te beoordelen of Europese rechtsgebieden aan deze criteria voldoen;

77.  benadrukt dat in het kader van de werkzaamheden van de OESO in dit verband een aantal belangrijke resultaten zijn geboekt op het gebied van transparantie en informatie-uitwisseling; is met name verheugd over het feit dat sinds juni 2015 bijna 100 landen het Multilaterale Verdrag inzake administratieve bijstand in belastingzaken (het "Gezamenlijk Verdrag") hebben ondertekend, dat voorziet in administratieve samenwerking tussen staten bij de beoordeling en inning van belastingen, met name met het oog op het bestrijden van belastingontwijking en -ontduiking;

78.  benadrukt evenwel dat de werkzaamheden van de OESO met betrekking tot haar eerdere lijst van niet-coöperatieve belastingparadijzen gebaseerd waren op een politiek proces dat reeds bij de vaststelling van de criteria voor de lijsten geleid heeft tot willekeurige compromissen, zoals de vereiste om een belastingakkoord te sluiten met 12 andere landen, en waardoor geen enkel rechtsgebied als niet-coöperatief belastingparadijs is aangemerkt; benadrukt dat haar huidige aanpak nog steeds gebaseerd is op criteria voor fiscale transparantie en informatie-uitwisseling, die niet toereikend zijn om de schadelijkheid van bepaalde belastingpraktijken aan te pakken; wijst erop dat dit, zonder in te gaan op de verdiensten ervan, afbreuk doet aan de relevantie van de OESO-aanpak om vast te stellen welke fiscale rechtsgebieden de pijlers zijn van de wereldwijde belastingontwijkingspraktijken en schadelijke belastingconcurrentie; benadrukt met name dat deze aanpak geen verband houdt met kwalitatieve indicatoren op basis waarvan objectief kan worden beoordeeld of er al dan niet sprake is van goed bestuur, en dat hierin geen kwantitatieve gegevens in aanmerking worden genomen, zoals boekwinsten, inkomende en uitgaande financiële stromen en hun verband met/loskoppeling van de economische realiteit in een bepaald rechtsgebied;

79.  onderstreept voorts dat deze lijsten op nationaal niveau kunnen worden gebruikt om nationale beschermings- en ontwijkingsbestrijdingsregels toe te passen op derde landen (zoals een beperking van voordelen, een onderzoek naar het hoofddoel, regels inzake buitenlandse filialen, enz.) en dat de beperkingen van dergelijke lijsten dus ook de reikwijdte en doeltreffendheid kunnen beperken van nationale maatregelen tegen schadelijke belastingprakijken;

80.  is ervan overtuigd dat het garanderen van eerlijke concurrentie op de interne markt en het beschermen van de belastinggrondslag van de lidstaten sterk afhankelijk zijn van de aanpak van de zwakste schakel in de interacties met rechtsgebieden met een laag belastingniveau of zonder belastingheffing of met een geheimhoudingsregeling, rekening houdend met het feit dat belastingtarieven een nationale bevoegdheid zijn, aangezien het bestaan van een belastingsluis (bv. geen bronbelasting) naar derde landen, ongeacht hun belastingpraktijken, de mogelijkheden voor belastingontwijking binnen de EU aanzienlijk vergroot;

81.  benadrukt dat een gecoördineerde aanpak van de lidstaten ten aanzien van zowel ontwikkelingslanden als ontwikkelde landen de aanpak van schadelijke belastingpraktijken en het bevorderen van meer wederkerigheid in belastingzaken veel doeltreffender kan maken;

82.  benadrukt dat, als antwoord op de druk van zowel de EU als de G20 met betrekking tot fiscale transparantie, en in de context van de financiële, economische en schuldencrisis, een aantal derde landen eindelijk een overeenkomst voor de uitwisseling van belastinggegevens met de EU hebben gesloten, waardoor de samenwerking met deze landen zou moeten verbeteren; wijst erop dat in mei 2015 een overeenkomst met Zwitserland is gesloten, na een lange "overgangsperiode" waarin deze belangrijke handelspartner van de EU geprofiteerd heeft van preferentiële toegang tot de interne markt, maar tegelijkertijd op andere gebieden niet meewerkte, met name op het gebied van belasting;

83.  neemt ter kennis dat hierover weliswaar onderhandelingen plaatsvinden, maar dat die nog niet geleid hebben tot een snelle ondertekening van vergelijkbare samenwerkingsovereenkomsten met San Marino, Monaco, Liechtenstein en Andorra; betreurt het dat de Commissie niet over een vergelijkbaar Europees mandaat beschikt om met de overzeese gebieden die op dit moment onder de EU-richtlijn spaarbelasting vallen, te onderhandelen over overeenkomsten betreffende de automatische uitwisseling van gegevens;

84.  stelt bezorgd vast dat vele ontwikkelingslanden zeer kwetsbaar zijn voor belastingontwijking door multinationals, en dat de verrekenprijspraktijken van multinationals de belangrijkste reden zijn voor gemiste inkomsten voor de nationale begrotingen van ontwikkelingslanden(40) ; benadrukt voorts dat deze landen zich in een zeer zwakke onderhandelingspositie bevinden ten opzichte van bepaalde multinationals en buitenlandse directe investeerders die over de hele wereld "rondshoppen" op zoek naar belastingsubsidies en ‑vrijstellingen; hekelt het feit dat het jaarlijkse verlies aan belastinginkomsten voor de nationale begrotingen naar schatting 91(41) à 125(42) miljard EUR bedraagt;

85.  herinnert de lidstaten eraan dat zij aan het in het Verdrag van Lissabon vastgelegde beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling gehouden zijn en ervoor moeten zorgen dat hun belastingbeleid de EU-doelstellingen op het gebied van ontwikkeling niet ondermijnt; spoort de lidstaten ertoe aan de overloopeffecten van hun belastingbeleid en de gevolgen van dat beleid voor ontwikkelingslanden in kaart te brengen, zoals aanbevolen door het IMF;

Conclusies en aanbevelingen

86.  concludeert, terugkijkend op het mandaat dat het zijn bijzondere commissie heeft gegeven, en ondanks de diverse ondervonden beperkingen en belemmeringen tijdens de uitvoering van haar informatieopdrachten en de geringe medewerking van de lidstaten en de overige Europese instellingen, dat:

   onverminderd de uitkomst van de lopende onderzoeken naar staatssteun van de Commissie, uit de verzamelde informatie blijkt dat lidstaten zich in diverse gevallen niet hebben gehouden aan artikel 107, lid 1, VWEU, omdat zij fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect hebben ingevoerd die, door begunstiging van bepaalde ondernemingen, de concurrentie op de interne markt hebben verstoord,
   sommige lidstaten artikel 108 VWEU niet volledig hebben gehandhaafd, omdat zij de Commissie niet formeel in kennis hebben gesteld van al hun plannen om belastinggerelateerde steun te verlenen, waardoor zij ook inbreuk hebben gemaakt op de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad; benadrukt dat de Commissie daardoor niet alle steunregelingen aan een voortdurend onderzoek heeft kunnen onderwerpen, zoals bedoeld in artikel 108 VWEU, aangezien zij in ieder geval vóór 2010 geen toegang had tot alle relevante informatie, d.w.z. de periode waarop haar lopende onderzoeken geen betrekking hebben,
   lidstaten niet hebben voldaan aan de verplichtingen van de Richtlijnen 77/799/EEG en 2011/16/EU van de Raad, aangezien zij niet spontaan fiscale informatie hebben uitgewisseld – en dat nog steeds niet doen – zelfs toen er, ondanks de beoordelingsmarge waarin die richtlijnen voorzien, duidelijke redenen waren om aan te nemen dat er in andere lidstaten belastingen werden gederfd of dat er belastingbesparingen ontstonden door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep,
   sommige lidstaten het in artikel 4, lid 3, VEU vastgelegde beginsel van loyale samenwerking niet in acht hebben genomen, aangezien zij niet alle algemene of bijzondere maatregelen hebben getroffen die geschikt zijn om de nakoming van hun verplichtingen te verzekeren,
   een analyse van afzonderlijke gevallen van inbreuken op de communautaire wetgeving, in het bijzonder de hierboven vermelde leden, niet mogelijk was als gevolg van het ontbreken van gedetailleerde informatie van de lidstaten, de Raad en de Commissie,
   de Commissie haar rol van hoedster van de Verdragen, als vastgelegd on artikel 17, lid 1, VEU, niet heeft vervuld aangezien zij in deze zaak niet is opgetreden en niet al het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen, met name de verplichtingen uit hoogde van de Verordeningen 77/799/EEG en 2011/16/EU, nakomen, ondanks de aanwijzingen van niet-nakoming; door in het verleden geen staatssteunonderzoeken te initiëren, heeft de Commissie niet voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 108 van het Verdrag van Lissabon betreffende de werking van de interne markt;

87.  veroordeelt het feit dat meerdere opgevraagde fiscale documenten van de vergaderingen van de Groep gedragscode in het geheel niet of slechts gedeeltelijk aan de commissie beschikbaar zijn gesteld, hoewel sommige daarvan reeds zijn verstrekt aan individuele burgers die ze hadden opgevraagd via de procedure voor toegang tot documenten, wat betekent dat het Europees Parlement over het standpunt van de lidstaten inzake fiscale aangelegenheden minder informatie heeft dan Europese burgers; betreurt daarnaast het feit dat de Commissie van het totale aantal opgevraagde documenten, naar schatting ongeveer 5 500, slechts minder dan 5% heeft vrijgegeven; betreurt het gebrek aan samenwerking met de commissie door de Commissie en de Raad, waardoor de commissie in de uitoefening van haar mandaat werd belemmerd;

88.  vraagt de Raad en de Commissie, gezien het huidige gebrek aan bevoegdheden van het Parlement om een parlementaire enquête te houden, dringend hun goedkeuring te geven aan het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(43) , teneinde het Parlement echte onderzoeksbevoegdheden te geven die nodig zijn voor de uitoefening van zijn parlementaire enquêterecht;

89.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het nog mogelijk is de bovengenoemde inbreuken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie;

90.  verzoekt de lidstaten zich te voegen naar het beginsel dat winsten worden belast op de plaats waar ze worden gegenereerd;

91.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, die de politieke verantwoordelijkheid voor de huidige situatie delen, een einde te maken aan schadelijke belastingconcurrentie en ten volle samen te werken om een einde te maken aan de incongruenties – en geen nieuwe incongruenties te creëren – tussen belastingstelsels die leiden tot massale belastingontwijking door multinationals en grondslaguitholling op de interne markt; verzoekt de lidstaten in dit verband de Commissie en de andere lidstaten in kennis te stellen van alle relevante wijzigingen in hun vennootschapsbelastingwetgeving die van invloed zouden kunnen zijn op hun effectieve belastingtarieven of op de belastinginkomsten van andere lidstaten; benadrukt dat de lidstaten die een centrale rol spelen bij het faciliteren van belastingontduiking, hun verantwoordelijkheid op zich moeten nemen en een leidende rol moeten vervullen bij de inspanningen om de samenwerking op belastinggebied in de EU te verbeteren;

92.  verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders van de EU duidelijke nieuwe politieke toezeggingen te doen om dringend iets te doen aan deze situatie, die niet langer kan worden getolereerd, niet in de laatste plaats vanwege de impact ervan op de nationale begrotingen, die ook al aan consolidatiemaatregelen onderworpen zijn, en op de belastingbijdrage van andere belastingbetalers, zoals kmo's en burgers; benadrukt in deze context dat het van plan is zijn rol ten volle te vervullen en bereid is doeltreffender politiek toezicht te houden, in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

93.  verzoekt de Commissie haar verplichting als hoedster van de Verdragen na te komen door te waarborgen dat de EU-wetgeving en het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten volledig in acht worden genomen; dringt er bij de Commissie op aan ambtshalve verdere juridische stappen te zetten in overeenstemming met haar bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag; verzoekt de Commissie derhalve haar interne capaciteit te vergroten, eventueel door de oprichting van een specifieke belastingeenheid binnen haar diensten, die zich bezighoudt met zowel het toenemende aantal aanmeldingen van staatssteun op het gebied van het mededingsbeleid, als haar toegenomen verantwoordelijkheid voor het coördineren van de nieuwe maatregelen inzake belastingtransparantie;

94.  verzoekt de lidstaten de Commissie alle nodige informatie te verstrekken, zodat zij ongehinderd haar rol als hoedster van de Verdragen kan vervullen;

95.  verzoekt de Commissie good practices inzake verrekenprijzen en vergoedingen voor leningen en financiering bij transacties binnen een groep te bevorderen, zodat die in overeenstemming worden gebracht met de gangbare marktprijzen;

96.  onderstreept dat de lidstaten volledig bevoegd blijven voor het vaststellen van hun eigen vennootschapsbelastingtarieven; benadrukt niettemin dat de belastingconcurrentie in de EU en met derde landen moet worden gevoerd binnen een duidelijk regelgevingskader, teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie tussen ondernemingen op de interne markt, verzoekt de lidstaten in de eerste plaats te zorgen voor een gunstig ondernemingsklimaat, dat onder meer wordt gekenmerkt door economische, financiële en politieke stabiliteit, alsook juridische zekerheid en eenvoudige belastingregels; verzoekt de Commissie kwesties in verband met vennootschapsbelasting, met inbegrip van schadelijke belastingpraktijken en de gevolgen daarvan, grondiger aan te pakken in het kader van het Europees semester, omdat zij een cruciale rol spelen bij het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, en desbetreffende indicatoren, waaronder ramingen van de belastingkloof ten gevolge van belastingontwijking en ‑ontduiking, op te nemen in het scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden;

97.  verzoekt de lidstaten, met name de lidstaten die financiële steun ontvangen, om structurele hervormingen door te voeren, belastingfraude te bestrijden en actie te ondernemen tegen agressieve fiscale planning;

98.  verzoekt de Commissie in dit verband een juist evenwicht te vinden tussen budgettaire en economische convergentie, en ervoor te zorgen dat het optreden bijdraagt tot groei, investeringen en werkgelegenheid;

99.  is van mening dat onder andere een omvattende, transparante en doeltreffende automatische uitwisseling van belastinginformatie en een verplichte gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting essentiële voorwaarden zijn voor de verwezenlijking van een belastingstelsel op EU-niveau dat de basisbeginselen van de interne markt in acht neemt en handhaaft;

100.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, gezien de complexiteit van de kwestie, verscheidene complementaire maatregelen te nemen om de huidige situatie te verbeteren, rekening houdend met de noodzaak om de complexiteit voor alle belanghebbenden te verminderen en de nalevingskosten voor ondernemingen en belastingdiensten tot een minimum te beperken; benadrukt derhalve dat een vereenvoudiging van de belastingregelingen de eerste stap moet zijn in de richting van het verschaffen van meer duidelijkheid, niet alleen voor de lidstaten maar ook voor de burgers, die thans zijn uitgesloten van de uitwisseling van informatie;

101.  vraagt de Commissie verder empirisch onderzoek te doen naar een eventuele beperking van de mogelijkheid om royaltybetalingen aan verwante ondernemingen af te trekken van de vennootschapsbelasting, teneinde het verschuiven van winsten binnen concerns tegen te gaan;

102.  benadrukt het ten zeerste dat, ondanks herhaalde verzoeken, aanvankelijk slechts vier(44) van de in totaal 17 multinationals ermee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen om kwesties in verband met internationale belastingplanning te bespreken; vindt het onaanvaardbaar dat 13 multinationals – waaronder een aantal met grote publieke zichtbaarheid – aanvankelijk hebben geweigerd met een parlementaire commissie mee te werken, en vindt dit een aanfluiting van de waardigheid van het Europees Parlement en de burgers die het vertegenwoordigt; neemt er evenwel nota van dat 11 multinationals(45) er uiteindelijk, pas nadat de TAXE-commissie het verslag had aangenomen en kort voor de stemming in de plenaire vergadering, mee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen, terwijl twee multinationals(46) in hun weigering bleven volharden; beveelt derhalve zijn bevoegde autoriteiten aan te overwegen om deze ondernemingen de toegang tot de gebouwen van het Parlement te ontzeggen, en serieus te overwegen een duidelijk kader vast te stellen en de verplichtingen in de gedragscode voor organisaties die zijn opgenomen in het transparantieregister(47) aan te scherpen wat medewerking met de commissies en andere politieke organen van het Parlement betreft;

103.  vraagt om een onderzoek naar de rol van de financiële instellingen bij het ondersteunen van schadelijke belastingpraktijken;

Samenwerking en coördinatie op het gebied van voorafgaande fiscale rulings

104.  is teleurgesteld over de inhoud van het politieke akkoord van 6 oktober 2015 met de Raad, dat minder ver gaat dan het wetgevingsvoorstel van de Commissie van maart 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied; benadrukt dat het Commissievoorstel, naast een gemeenschappelijk kader voor de registratie en automatische uitwisseling van informatie inzake rulings, ook voorzag in bepalingen op grond waarvan de Commissie doeltreffend toezicht zou kunnen houden op de tenuitvoerlegging ervan door de lidstaten, en zou kunnen waarborgen dat rulings geen negatieve effecten hebben op de interne markt; benadrukt dat de goedkeuring van het standpunt van de Raad het onmogelijk zou maken ten volle profijt te trekken van de automatische uitwisseling van gegevens, met name wat de effectieve tenuitvoerlegging betreft, en vraag de Raad daarom bij het Commissievoorstel te blijven en terdege rekening te houden met het advies van het Parlement hierover, met name wat betreft het toepassingsgebied van de richtlijn (alle fiscale rulings, niet alleen grensoverschrijdende rulings), de retroactiviteitstermijn (alle nog geldige fiscale rulings moeten worden uitgewisseld) en de informatie die wordt verstrekt aan de Commissie, die inzage moet krijgen in de fiscale rulings;

105.  verzoekt de lidstaten op alle internationale fora de automatische uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten te steunen als de nieuwe wereldwijde standaard; verzoekt met name de Commissie, de OESO en de G20 dit te bevorderen door middel van de meest geschikte en doeltreffende instrumenten in het kader van een inclusief wereldwijd proces; dringt aan op concrete maatregelen om te waarborgen dat automatische uitwisseling van informatie echt wereldwijd en daarmee doeltreffend wordt, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten, door ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om hun capaciteit voor volledige deelname aan automatische uitwisseling van informatie op te bouwen; benadrukt dat automatische uitwisseling van informatie binnen de EU kan plaatsvinden in de vorm van een centraal register voor de hele EU, waartoe de Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten toegang hebben;

106.  verzoekt de lidstaten in overweging te nemen dat alle fiscale rulings, in het bijzonder wanneer er sprake is van verrekenprijzen, moeten worden vastgesteld in samenwerking met alle betrokken landen, dat de betreffende informatie automatisch, volledig en onverwijld tussen hen moet worden uitgewisseld en dat nationale maatregelen gericht op het beperken van belastingontwijking en de uitholling van de belastinggrondslag binnen de EU, met inbegrip van audits, gezamenlijk moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met de ervaring die met het Fiscalis 2020-programma is opgedaan; herhaalt zijn standpunt dat de basiselementen van alle rulings die gevolgen voor andere lidstaten hebben, niet alleen moeten worden uitgewisseld tussen de belastingdiensten en de Commissie, maar ook moeten worden opgenomen in de verslaglegging per land door multinationals;

107.  benadrukt in dit verband dat niet alleen grensoverschrijdende, maar ook nationale rulings gevolgen voor andere lidstaten kunnen hebben, en verzoekt derhalve om een uitbreiding van de automatische uitwisseling van informatie tot alle rulings die zijn uitgevaardigd door of namens de regering of de belastingautoriteit van een lidstaat of een territoriale of administratieve onderafdeling daarvan, en die nog van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn; benadrukt met klem de centrale rol die de Commissie moet spelen bij het proces van vergaring en analyse van gegevens over rulings;

108.  vraagt voorts dat er een kader wordt vastgesteld om effectief toezicht te houden op de automatische uitwisseling van informatie, dat er statistieken over de uitgewisselde informatie worden verzameld en gepubliceerd, en met name dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2016 een beveiligd centraal repertorium opzet waarmee de informatie-uitwisseling tussen de betrokken belastinginstanties wordt vergemakkelijkt; herinnert eraan dat de instelling van een systeem voor de automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings ertoe zal leiden dat er een enorme hoeveelheid gegevens zal worden vergaard, waardoor het moeilijk zou kunnen worden om de echte probleemgevallen op te sporen; benadrukt dat deze situatie, bovenop het feit dat het gaat om 28 lidstaten met verschillende talen en administratieve praktijken, het voor de Commissie en de lidstaten noodzakelijk maakt na te denken over slimme manieren, onder andere door middel van informatietechnologie, om met de hoeveelheid en verscheidenheid van de verkregen gegevens om te gaan, zodat de automatische uitwisseling van informatie binnen de Unie ook echt doeltreffend en nuttig is;

109.  verzoekt de Commissie te onderzoeken onder welke voorwaarden op langere termijn een EU-breed clearingsysteem kan worden opgezet, aan de hand waarvan de Commissie fiscale rulingpraktijken stelselmatig zou screenen teneinde de zekerheid, consistentie, eenvormigheid en transparantie van het systeem te vergroten en te controleren of deze rulings schadelijke gevolgen voor andere lidstaten hebben;

110.  benadrukt dat de Commissie, teneinde de transparantie voor burgers te vergroten, een jaarverslag moet publiceren met een samenvatting van de belangrijkste gevallen in het beveiligd centraal repertorium, en dat zij daarbij de vertrouwelijkheidsbepalingen van de richtlijn betreffende wederzijdse bijstand in acht moet nemen;

111.  verzoekt de Commissie te overwegen een gemeenschappelijk kader op EU-niveau voor fiscale rulings vast te stellen, met gemeenschappelijke criteria, in het bijzonder:

   de vereiste om fiscale rulings vast te stellen op basis van een alomvattende analyse van de overloopeffecten, onder meer van de gevolgen van de fiscale rulings voor de belastinggrondslagen van andere landen, waarbij alle relevante partijen en landen zijn betrokken,
   de openbaarmaking ervan, volledig dan wel in vereenvoudigde vorm, maar waarbij de vertrouwelijkheidsvereisten volledig in acht worden genomen,
   de verplichting om de criteria voor het verlenen, weigeren en intrekken van fiscale rulings openbaar te maken,
   gelijke behandeling van en beschikbaarheid voor alle belastingbetalers,
   geen beoordelingsmarge en volledige naleving van de onderliggende belastingbepalingen;

112.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke Europese richtsnoeren vast te stellen voor de toepassing van het arm's lengthbeginsel van de OESO, met het oog op een harmonisering van de praktijken van de lidstaten voor de bepaling van verrekenprijzen, op zodanige wijze dat de nationale administraties bij het vaststellen van verrekenprijsregelingen beschikken over instrumenten om soortgelijke ondernemingen te vergelijken, en niet alleen soortgelijke transacties;

113.  is van mening dat een eerlijk en doeltreffend belastingstelsel een passende mate van transparantie en vertrouwelijkheid vereist; is er daarom van overtuigd dat de belastingdiensten van de lidstaten en, indien van toepassing, de Commissie, toegang moeten hebben tot informatie over de uiteindelijke begunstigden van een rechtsinstrument en/of fiscale rulings;

114.  verzoekt de Commissie onder meer Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, waarin "fiscale misdrijven" onder de brede definitie van "criminele activiteit" vallen, te gebruiken om te achterhalen wie de uiteindelijke begunstigde van bepaalde rechtsinstrumenten is;

115.  verzoekt de Commissie om intern een centraal en openbaar register op te zetten met alle legale vrijstellingen, ontheffingen, aftrekkingen en belastingkredieten die van invloed zijn op de vennootschapsbelasting, met een kwantitatieve evaluatie van de weerslag op de begroting van elke lidstaat;

Gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

116.  neemt kennis van het actieplan dat de Commissie op 17 juni 2015 heeft voorgesteld om belastingontwijking aan te pakken en eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de EU te bevorderen; verzoekt de Commissie de indiening van wetswijzigingen te bespoedigen met het oog op de snelle oprichting van een verplichte EU-brede gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), waarmee niet alleen het probleem van preferentiële regelingen en incongruenties tussen nationale belastingstelsels wordt aangepakt, maar ook de meeste oorzaken van uitholling van de belastinggrondslag op Europees niveau (met name met betrekking tot verrekenprijzen); verzoekt de Commissie de in 2011 beëindigde werkzaamheden met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van de CCCTB onverwijld te hervatten, rekening houdend met het standpunt van het Parlement ter zake en de nieuwe aspecten die sindsdien aan het licht zijn gekomen, en hierin de recentste conclusies van de werkzaamheden van de OESO mee te nemen, met name de normen die zijn voorgekomen uit het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), zodat in 2016 een geconsolideerde tekst kan worden voorgelegd;

117.  verzoekt de Commissie in haar voorstellen bepalingen op te nemen om de definitie van investeringen in onderzoek en ontwikkeling en van permanente vestiging te verduidelijken in overeenstemming met economische substantie, ook met betrekking tot de digitale economie; wijst op het belang van investeringen in onderzoek en ontwikkeling en de noodzaak om investeringen en groei in de digitale economie niet te belemmeren, maar te bevorderen, zodat de opkomende economie van de EU in deze sector een concurrentievoordeel krijgt ten opzichte van andere actoren in de Verenigde Staten en elders; benadrukt dat uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat octrooiboxen niet bijdragen aan het stimuleren van innovatie en kunnen leiden tot vergaande grondslaguitholling door winstverschuiving; benadrukt tegelijk dat misbruik of uitbuiting van dergelijke systemen zoveel mogelijk moeten worden beperkt door een gecoördineerd optreden van de lidstaten en gemeenschappelijke normen en definities inzake wat wel en niet bevorderlijk is voor onderzoek en ontwikkeling; benadrukt dat de zogeheten gewijzigde nexusbenadering van octrooiboxen, zoals aanbevolen door het BEPS-initiatief, ontoereikend zal zijn om de problemen met octrooiboxen voldoende te beperken;

118.  benadrukt dat, om de link tussen belastingheffing en economische substantie te herstellen, ervoor te zorgen dat dat belastingen worden betaald in de landen waar de reële economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gecreëerd, alsook om bestaande incongruenties te corrigeren, bij "formula apportionment" een onderscheid moet worden gemaakt tussen sectoren, zodat rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken, met name wat digitale ondernemingen betreft, aangezien de digitale economie het voor de autoriteiten nog moeilijker maakt om te bepalen waar de waarde wordt gecreëerd; vraagt de Commissie het standpunt van het Parlement over de CCCBT zorgvuldig in overweging te nemen en een "formula apportionment" vast te stellen die aansluit bij de reële economische activiteiten van ondernemingen; verzoekt de Commissie te blijven werken aan concrete opties voor het ontwerp van deze verdeelsleutel, met name om voor elke sector te anticiperen op de gevolgen voor de belastinginkomsten van elke lidstaat naar gelang van de structuur van zijn economie; benadrukt voorts dat de CCCTB een nuttig middel is om BEPS te bestrijden en Europese meerwaarde te creëren, ongeacht of de belastinginkomsten gedeeltelijk kunnen worden gebruikt als een nieuw eigen middel voor de EU-begroting of niet;

119.  is er voorstander van om zo spoedig mogelijk een volledige en verplichte CCCTB in te voeren; neemt kennis van de aanpak van de Commissie om een eenvoudige CCTB (zonder consolidatie) voor te stellen als eerste stap van haar actieplan van juni 2015, maar wijst erop dat dit een groot aantal kwesties open zal laten, met name voor ondernemingen op de interne markt, aangezien een CCTB niet voorziet in compensatie van verliezen door consolidatie, noch in de aanpak van de administratieve lasten en onzekerheid in verband met verrekenprijzen, die tevens een van de belangrijkste instrumenten zijn die multinationals gebruiken om belastingen te ontwijken, noch effectief een einde zou maken aan verschuiving van heffingsgrondslag binnen de Unie; dringt er daarom bij de Commissie op aan een concrete en korte deadline vast te stellen om het "consolidatie-element" op te nemen in het CCCTB-initiatief; verzoekt de Commissie af te zien van aanvullende effectbeoordelingen van deze maatregel, die sinds tientallen jaren op de EU-agenda staat, al onderwerp is geweest van uitgebreide voorbereidende werkzaamheden en nu door de Raad wordt tegengehouden sinds de formele indiening ervan in 2011;

120.  verzoekt de Commissie, in afwachting van de goedkeuring van een volledige CCCTB en de volledige tenuitvoerlegging daarvan op EU-niveau, onmiddellijk maatregelen te nemen om voor doeltreffende belastingheffing te zorgen, winstverschuiving (met name door verrekenprijzen) te beperken, een tussentijdse regeling – in afwachting van consolidatie – voor de compensatie van grensoverschrijdende winsten en verliezen te treffen, die tijdelijk moet zijn en voldoende garanties moet inhouden dat er geen nieuwe mogelijkheden voor agressieve belastingplanning door ontstaan, en in alle betreffende richtlijnen passende en doeltreffende antimisbruikregels op te nemen; verzoekt de Commissie de bestaande richtlijnen en ontwerprichtlijnen op het gebied van belasting- en vennootschapsrecht te controleren op de geschiktheid ervan om doeltreffende belastingheffing af te dwingen; verzoekt de Raad voorbereidselen te treffen voor de spoedige goedkeuring van deze bepalingen; benadrukt dat een van de doelstellingen van een CCCTB, namelijk minder administratieve rompslomp, slechts kan worden verwezenlijkt als de toepassing ervan gepaard gaat met de toepassing van gemeenschappelijke boekhoudregels en een harmonisatie van de administratieve praktijk op belastinggebied;

121.  verzoekt de Commissie duidelijke wetgeving vast te stellen inzake de definitie van economische substantie, het creëren van waarde en permanente vestiging, met name om het probleem van brievenbusfirma's aan te pakken, en EU-criteria en ‑richtsnoeren voor de behandeling van onderzoek en ontwikkeling op te stellen die verenigbaar zijn met, maar niet beperkt blijven tot, de werkzaamheden van de OESO op dit gebied, aangezien de lidstaten momenteel werken aan een hervorming van hun strategie ter zake, vaak in combinatie met subsidies; benadrukt dat in die wetgeving duidelijk moet worden vermeld dat er een direct verband moet bestaan tussen de door de belastingdiensten toegekende voorkeursregelingen en de onderliggende O&O-activiteiten; verzoekt de Commissie de EU-wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en de toepassing ervan te herzien in overeenstemming met het arrest-Cadbury Schweppes van het Europees Hof van Justitie (C-196/04), om volledig gebruik van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen buiten situaties van volstrekt kunstmatige constructies te waarborgen en gevallen van dubbele niet-belastingheffing te voorkomen; verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor het harmoniseren van de regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen in de EU;

122.  verzoekt de Commissie tevens om, bij gebrek aan een algemeen aanvaarde definitie, verdere analyses en studies uit te voeren om een definitie van agressieve belastingplanning en schadelijke belastingpraktijken vast te stellen, en met name te kijken naar misbruik van verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing en "hybrid mismatch"-constructies, rekening houdend met de diverse negatieve effecten die deze kunnen hebben op de samenleving, te zorgen voor toezicht op deze praktijken en na te gaan wat precies de gevolgen zijn van belastingontwijking in de EU en in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie ook een methode vast te stellen voor het meten van de belastingkloof ten gevolge van belastingontwijking en ‑ontduiking – zoals zij in haar voorstel van maart 2015 heeft aangekondigd – en ervoor te zorgen dat deze meting regelmatig plaatsvindt teneinde de vooruitgang te volgen en passende beleidsreacties te formuleren; verzoekt de Commissie de nodige actie te ondernemen om duidelijkheid te scheppen over de exacte status van alle "afhankelijke rechtsgebieden" van de lidstaten en over welke hefbomen kunnen worden gebruikt om hun praktijken bij te sturen teneinde grondslaguitholling in de EU te voorkomen;

123.  herinnert eraan dat er naast fraude met de vennootschapsbelasting ook op grote schaal fraude wordt gepleegd met grensoverschrijdende btw, een belasting die van wezenlijk belang is voor alle nationale begrotingen; roept de Commissie op maatregelen te ontwikkelen om dit probleem aan te pakken, waaronder betere coördinatie op dit gebied tussen nationale belastingdiensten;

Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen

124.  dringt aan op een dringende herziening van de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen en van de Groep die is belast met de naleving ervan, aangezien het nut daarvan tot op heden twijfelachtig is, teneinde de huidige belemmeringen voor een doeltreffende aanpak van schadelijke belastingpraktijken weg te nemen en een bijdrage te leveren aan de EU-brede coördinatie en samenwerking op het gebied van belastingbeleid;

125.  vraagt de lidstaten in een geest van goede samenwerking de voorstellen te steunen die zijn opgenomen in het actieplan van de Commissie van 17 juni 2015 voor eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de EU; meent dat meer transparantie en verantwoording de legitimiteit van de Groep ten goede zouden komen; pleit er daarom voor om het bestuur en mandaat van de Groep te hervormen, onder meer door de benoeming van een permanent voorzitterschap dat politieke verantwoording moet afleggen, de verbetering van de werkmethoden, eventueel met een nalevingsmechanisme, de regelmatige deelname van ministers van Financiën of hoge ambtenaren aan de Groep om zijn zichtbaarheid te vergroten, en meer informatie-uitwisseling binnen de Groep om BEPS-kwesties doeltreffend aan te pakken; vraagt ook dat de criteria in de Gedragscode worden geactualiseerd en uitgebreid om nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken te dekken, ook in derde landen; verzoekt de voorzitter van de Groep en de Raad regelmatig over de activiteiten van de Groep verslag uit te brengen aan en te overleggen met zijn bevoegde commissie, met name wat de indiening van zijn halfjaarlijkse verslagen aan Ecofin betreft;

126.  verzoekt de Raad meer in het algemeen de bevordering van een daadwerkelijk democratisch toezicht op grensoverschrijdende belastingaangelegenheden op EU-niveau te ondersteunen, naar analogie met wat reeds gebeurt op andere gebieden waarover lidstaten of andere onafhankelijke instellingen, zoals de Europese Centrale Bank en de raad van toezicht van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, de exclusieve bevoegdheid hebben; verzoekt de Raad en de lidstaten om de mogelijkheid te overwegen een groep op hoog niveau inzake belastingbeleid in het leven te roepen, zoals de voorzitter van de Commissie heeft voorgesteld; onderstreept dat zo'n "belastingcommissie", die verantwoording dient af te leggen aan het Parlement, zou worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie, naar het model van het Economisch en Financieel Comité, alsmede onafhankelijke deskundigen, en een algemener toezicht op het wetgevend en niet-wetgevend belastingbeleid zou uitoefenen en aan Ecofin verslag zou uitbrengen; vraagt dat aan het Parlement een recht van initiatief krijgt om elke nationale maatregel waarvan het denkt dat die beantwoordt aan de criteria voor schadelijke belastingconcurrentie die zijn opgenomen in de Gedragscode, te melden bij de Groep gedragscode;

127.  verzoekt de Commissie om een tweede actualisering van het verslag inzake administratieve praktijken van Simmons & Simmons van 1999, als genoemd in punt 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999, het verslag-Primarolo (SN 4901/99);

128.  vraagt de Raad en de lidstaten om, met inachtneming van de Verdragen en de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, de transparantie, de verantwoordingsplicht en de monitoring van de Groep te verbeteren, en vraagt de Commissie om volgens de communautaire methode het initiatief te nemen tot kaderwetgeving; acht het van essentieel belang dat het brede publiek meer informatie krijgt over de werkzaamheden van de Groep;

129.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Europese Ombudsman met betrekking tot de samenstelling van deskundigengroepen volledig uit te voeren en een routekaart op te stellen die ervoor moet zorgen dat deskundigengroepen op evenwichtige wijze worden samengesteld; benadrukt dat terwijl naar dit doel wordt toegewerkt, onmiddellijk moet worden begonnen met het hervormen van de huidige structuur en samenstelling; onderstreept dat dergelijke hervormingen niet zullen resulteren in een gebrek aan technische deskundigheid voor wetgeving, aangezien die kan worden verschaft via openbare raadplegingen of openbare hoorzittingen met deskundigen die openstaan voor vertegenwoordigers van alle belangen; vraagt de Commissie een duidelijke definitie van belangenconflicten vast te stellen en een strikt beleid te voeren om te voorkomen dat actoren die risico lopen op dergelijke belangenconflicten, alsook vertegenwoordigers van organisaties die zijn veroordeeld voor belastingontduiking of een ander misdrijf, actief lid zijn van een deskundigengroep of adviserend orgaan;

Staatssteun

130.  is zeer ingenomen met en steunt de centrale rol van de Commissie als bevoegde mededingingsautoriteit in het kader van het lopende onderzoek naar staatssteun in verband met fiscale rulings; vindt het onterecht dat verschillende lidstaten herhaaldelijk geheimhouding hebben betracht bij projecten die staatssteun hebben ontvangen; moedigt de Commissie aan om haar bevoegdheden uit hoofde van de mededingingsregels van de EU ten volle te benutten om schadelijke belastingpraktijken aan te pakken en sancties op te leggen aan lidstaten en bedrijven waarvan is gebleken dat zij bij dergelijke praktijken betrokken waren; benadrukt de Commissie meer financiële en personele middelen moet inzetten om beter in staat te zijn alle noodzakelijke onderzoeken naar fiscale staatssteun meteen uit te voeren; benadrukt dat de lidstaten volledig moeten meewerken aan de onderzoeken en gehoor moeten geven aan verzoeken om informatie van de Commissie;

131.  vraagt de Commissie uiterlijk medio 2017 in het kader van haar initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid nieuwe richtsnoeren vast te stellen om te verduidelijken wat belastinggerelateerde staatssteun en "passende" verrekenprijzen inhouden, teneinde de rechtsonzekerheid weg te nemen voor zowel de belastingbetalers die zich aan de regels houden als de belastingdiensten, in een kader voor de belastingpraktijken van de lidstaten te voorzien en het gebruik van rechtmatige fiscale rulings niet te ontmoedigen; betwist het nut van het arbitrageverdrag, dat niet doelmatig is om geschillen te beslechten, met name over verrekenprijzen; is van oordeel dat dit instrument moet worden herzien en doelmatiger moet worden, of moet worden vervangen door een geschillenmechanisme van de EU met doeltreffendere procedures voor onderlinge afspraken;

132.  vraagt de Commissie haar onderzoeken uit te breiden tot andere in het LuxLeaks-schandaal genoemde multinationals en tot maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect als verrekenprijzen;

133.  verzoekt de Commissie om, overeenkomstig de ruimere verantwoordelijkheid die door de modernisering van het EU-staatssteunbeleid aan de lidstaten wordt toegekend, te overwegen een netwerk van nationale belastingdiensten op te zetten om best practices uit te wisselen en een meer samenhangende bijdrage te leveren aan de preventie van de invoering van belastingmaatregelen die op illegale staatssteun kunnen neerkomen; verzoekt de Commissie om de strategische synergieën te versterken tussen de activiteiten van de (hervormde) Groep gedragscode en de handhaving door de Commissie van de mededingingsregels op het gebied van belastinggerelateerde steun;

134.  neemt er nota van dat de huidige regels inzake toezicht op staatssteun beogen concurrentieverstorende praktijken tegen te gaan door onterecht aan bedrijven toegekende voordelen terug te vorderen; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is de bestaande regels te veranderen, opdat de na een inbreuk op de EU-staatsteunregels teruggevorderde bedragen kunnen worden uitgekeerd aan de lidstaten die het slachtoffer zijn geweest van een uitholling van hun belastinggrondslag of naar de EU-begroting kunnen gaan, en niet naar de lidstaat die de illegale belastinggerelateerde steun heeft toegekend, zoals thans het geval is; verzoekt de Commissie de bestaande regels te veranderen om ervoor te zorgen dat er bij een inbreuk op de staatssteunregels sancties kunnen worden opgelegd aan de betrokken landen en bedrijven;

Transparantie

135.  is van mening dat de Unie het potentieel heeft om een model en een wereldleider op het gebied van fiscale transparantie te worden;

136.  onderstreept het cruciale belang van transparantie met het oog op het vergroten van de openbare verantwoordingsplicht van multinationals en het ondersteunen van belastingdiensten bij hun onderzoeken; onderstreept dat dit een sterk afschrikwekkend effect kan hebben en gedragingen kan veranderen, zowel door het risico voor de reputatie van bedrijven die zich niet aan de regels houden als door informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten, die vervolgens passende corrigerende maatregelen en sancties kunnen vaststellen; benadrukt dat de behoefte aan transparantie moet worden afgewogen tegen de noodzaak om gevoelige commerciële belangen te beschermen en de regels inzake gegevensbescherming in acht te nemen;

137.  is van oordeel dat meer transparantie met betrekking tot de activiteiten van multinationals essentieel is om ervoor te zorgen dat belastingdiensten BEPS doeltreffend kunnen bestrijden; herhaalt dienovereenkomstig zijn standpunt dat multinationals in alle sectoren in hun financiële overzichten, uitgesplitst per lidstaat en per derde land waar zij gevestigd zijn, een reeks geaggregeerde gegevens op duidelijke en bevattelijke wijze openbaar moeten maken, met inbegrip van winst of verlies vóór belasting, aantal werknemers, activa en basisinformatie over fiscale rulings (verslaglegging per land); onderstreept het belang van het beschikbaar maken van deze informatie aan het publiek, mogelijk in de vorm van een centraal EU-register; benadrukt voorts dat kmo's en mid-caps die geen multinationals zijn, van deze verplichting moeten worden vrijgesteld; verzoekt de Raad om vóór eind 2015 zijn goedkeuring te hechten aan het standpunt dat het Parlement in juli 2015 heeft aangenomen over de richtlijn aandeelhoudersrechten; benadrukt dat de transparantievereisten op dusdanige wijze moeten worden opgesteld en toegepast dat ze voor Europese bedrijven geen concurrentienadeel vormen;

138.  verzoekt de lidstaten om een uitgebreider verslagleggingssysteem per land in te voeren dat beschikbaar is voor hun belastingautoriteiten, op basis van de OESO-norm en met inbegrip van gedetailleerdere informatie, zoals belastingaangiften en intragroeptransacties; benadrukt dat de verstrekking van belastinginformatie door bedrijven aan andere belastingdiensten gepaard moet gaan met een verbetering van het kader voor geschillenbeslechting, teneinde de respectievelijke rechten van elke partij te verduidelijken en negatieve neveneffecten te voorkomen; benadrukt dat, ten aanzien van belastingdiensten van derde landen, informatie alleen dient te worden doorgegeven aan de autoriteiten van landen die regelingen hebben getroffen die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgelegd in het Arbitrageverdrag van de EU; dringt tevens aan op de ontwikkeling van geharmoniseerde standaarden voor jaarrekeningen, die een meer gedetailleerde openbaarmaking van royalty's mogelijk maken;

139.  verzoekt de Commissie dit standpunt te ondersteunen overeenkomstig haar eerdere evaluaties en standpunten, en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de toepassing ervan tot alle multinationals op de interne markt wordt uitgebreid, en verzoekt de OESO de wereldwijde verbreiding ervan te ondersteunen om ervoor te zorgen dat soortgelijke verplichtingen van toepassing zijn op alle bedrijven die grensoverschrijdende transacties verrichten; onderstreept dat maatregelen ter verbetering van de transparantie weliswaar noodzakelijk zijn, maar niet volstaan om de kwestie op allesomvattende wijze aan te pakken, en dat ook de nationale, EU- en internationale belastingstelsels ingrijpend moeten worden hervormd;

140.  benadrukt dat de huidige ondoorzichtigheid van het internationale belastingstelsel multinationals in staat stelt belastingen te ontwijken, nationale belastingwetten te omzeilen en hun winsten naar belastingparadijzen te versluizen; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten volledige toegang hebben tot centrale registers van uiteindelijke begunstigden van zowel bedrijven als trusts, overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn; verzoekt de lidstaten om de vierde antiwitwasrichtlijn snel om te zetten en zo te zorgen voor brede en vereenvoudigde toegang tot informatie in centrale registers van uiteindelijke begunstigden; herhaalt zijn standpunt dat deze registers openbaar moeten zijn;

141.  waardeert het werk dat de Commissie heeft verricht om een Europees fiscaal identificatienummer (FIN) te ontwikkelen; verzoekt de Commissie om een voorstel in te dienen voor een Europees fiscaal identificatienummer (FIN), gebaseerd op het ontwerp voor een Europees FIN in het actieplan van de Commissie inzake de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking van 2012 (actie 22); herinnert eraan dat het FIN beschouwd wordt als de beste manier om belastingbetalers te identificeren en dringt er dus op aan dit project sneller te implementeren; dringt er in dit verband ook bij de Commissie op aan om op mondiaal niveau een vergelijkbaar identificatienummer te ontwikkelen, zoals de mondiale identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI) van het Regulatory Oversight Committee;

142.  benadrukt bovendien dat transparantie ook van groot belang is bij de lopende onderzoeken naar staatssteun in verband met fiscale rulings;

143.  verzoekt de Commissie om na te gaan of het mogelijk is om in de EU bepalingen toe te passen die vergelijkbaar zijn met de regel van de Amerikaanse Governmental Accounting Standards Board (GASB)(48) die vereist dat nationale en plaatselijke overheden verslag uitbrengen over hoeveel inkomsten zij verliezen aan belastingvoordelen voor bedrijven met het oog op economische ontwikkeling;

Bescherming van klokkenluiders

144.  vraagt de Commissie om uiterlijk in juni 2016 een EU-wetgevingskader voor te stellen om klokkenluiders e.d. effectief te beschermen; benadrukt dat het onaanvaardbaar is dat burgers en journalisten veeleer vervolging riskeren dan rechtsbescherming krijgen wanneer zij, in het openbaar belang, informatie onthullen over of melding maken van vermoedelijke vergrijpen, strafbare feiten, fraude of illegale activiteiten, met name in gevallen van belastingontwijking, belastingontduiking en witwassen, of andere gedragingen die inbreuk maken op de fundamentele beginselen van de EU, zoals het beginsel van loyale samenwerking;

145.  vraagt de Commissie een reeks instrumenten te overwegen om deze bescherming tegen ongerechtvaardigde rechtsvervolging, economische sancties en discriminatie te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor de bescherming van de vertrouwelijkheid en bedrijfsgeheimen; vestigt in dit verband de aandacht op het voorbeeld van de Amerikaanse Dodd-Frank Act, die klokkenluiders beloont voor het leveren van originele informatie aan de autoriteiten en hen beschermt tegen rechtsvervolging en ontslag, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat zo'n beloning geen stimulans mag zijn om gevoelige bedrijfsinformatie openbaar te maken; stelt voor om een onafhankelijk Europees orgaan op te richten dat deze informatie verzamelt en onderzoeken voert, alsook een gemeenschappelijk pan-Europees klokkenluidersfonds, dat klokkenluiders passende financiële steun biedt, die beide worden gefinancierd met een heffing op een deel van het teruggevorderde geld of van de opgelegde boetes; is van mening dat er ook bescherming moet worden geboden aan klokkenluiders die het publiek op de hoogte brengen nadat zij eerst de bevoegde autoriteiten op nationaal of EU-niveau op de hoogte hebben gebracht en die na een maand niet hebben gereageerd;

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

146.  is van mening dat het toepassen van een verantwoorde belastingstrategie moet worden beschouwd als een pijler van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met name volgens de bijgewerkte definitie van MVO als "de verantwoordelijkheid van bedrijven voor het effect dat ze op de samenleving hebben"(49) ; betreurt dat de meeste bedrijven dit niet in hun MVO-verslag vermelden; onderstreept dat agressieve belastingplanning niet verenigbaar is met MVO; verzoekt de Commissie om dit element op te nemen in een bijgewerkte EU-strategie ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de inhoud ervan naar behoren te definiëren;

Derdelanddimensie

OESO

147.  ondersteunt het BEPS-actieplan van de OESO, maar erkent dat dit het resultaat van een compromis is, dat niet ver genoeg gaat om de omvang van het belastingontwijkingsprobleem aan te pakken, en dat deze voorstellen het uitgangspunt moeten vormen voor verdere maatregelen op EU-niveau; vraagt dat de OESO, haar lidstaten en alle andere betrokken landen een sterk toezichtsinstrument opzetten om de voortgang van de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren te evalueren, te controleren of ze wel doeltreffend zijn en eventueel corrigerende maatregelen te treffen;

148.  beveelt aan om de institutionele banden en de samenwerking tussen de OESO en de Commissie te versterken om de verenigbaarheid van beide processen in stand te houden en dubbele maatstaven te voorkomen; vraagt de lidstaten alle op de OESO-richtsnoeren gebaseerde EU-wetgeving onverwijld in nationaal recht om te zetten, zodat de EU een voortrekker wordt bij de uitvoering van de aanbevelingen van de OESO; onderstreept evenwel dat de aanpak van de OESO nog steeds is gebaseerd op "soft law" en dat haar optreden moet worden aangevuld met een gedegen wetgevingskader op EU-niveau dat beantwoordt aan de behoeften van de interne markt, bv. in de vorm van een anti-BEPS-richtlijn die verder gaat dan het BEPS-initiatief van de OESO op gebieden die daarin onvoldoende aan bod komen;

Belastingparadijzen

149.  dringt aan op een gemeenschappelijke EU-aanpak van belastingparadijzen; verzoekt de Commissie met name om verder te werken aan de ontwikkeling en vaststelling van een Europese definitie, een gemeenschappelijke reeks criteria om te bepalen wat belastingparadijzen zijn, ongeacht waar zij zich bevinden, en passende sancties voor landen die met belastingparadijzen samenwerken – op basis van haar aanbeveling van december 2012 inzake maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen (d.w.z. maatregelen die naast informatie-uitwisseling en transparantie ook eerlijke belastingconcurrentie en doeltreffende belastingheffing inhouden) – en voor bedrijven die belastingparadijzen gebruiken voor agressieve belastingplanning, en aan de vaststelling van passende gemeenschappelijke maatregelen die op deze rechtsgebieden van toepassing zijn; verwijst naar zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen voor een niet-limitatieve lijst van mogelijke maatregelen(50) ; herhaalt dat daadwerkelijk Europese lijsten, die regelmatig worden geactualiseerd en zijn gebaseerd op uitgebreide, transparante, betrouwbare, objectief verifieerbare en algemeen aanvaarde indicatoren, doeltreffender zouden zijn als middel om goed fiscaal bestuur te bevorderen en de fiscale gedragingen ten opzichte van en binnen deze rechtsgebieden te veranderen;

150.  verzoekt de Commissie om in de Europese zwarte lijst de gebieden op te nemen die belastingvoordelen toekennen aan entiteiten zonder substantiële economische activiteiten in het land te vereisen, beduidend lage effectieve belastingen bieden en geen automatische uitwisseling van fiscale informatie met andere rechtsgebieden garanderen;

151.  onderstreept met name dat ervoor moet worden gezorgd dat uitgaande financiële stromen ten minste één keer worden belast, bv. door een bronbelasting of gelijkwaardige maatregelen, om te voorkomen dat winsten de EU onbelast verlaten, en vraagt de Commissie daartoe een wetgevingsvoorstel in te dienen, bv. door een herziening van de moeder-dochterrichtlijn en de richtlijn interest en royalty's; dringt erop aan een systeem in te voeren om ervoor te zorgen dat ter bevestiging een document bij de nationale belastingautoriteiten moet worden ingediend en aan de Commissie moet worden meegedeeld waarmee deze operatie wordt aangetoond, zodat de interne markt wordt beschermd en de band wordt gehandhaafd tussen de plaats waar de winsten worden gemaakt en de economische waarde wordt gegenereerd en de plaats waar deze worden belast; benadrukt dat een dergelijk systeem zorgvuldig moet worden ontworpen teneinde dubbele belastingheffing en geschillen te voorkomen; vraagt de Commissie steun te betuigen voor de door de OESO gepromote multilaterale aanpak van belastingkwesties – die beoogt internationale belastingafspraken te stroomlijnen en ervoor te zorgen dat winsten daar worden belast waar zij gegenereerd worden – en tegelijk de rol van de EU op het internationale toneel te versterken door met één stem te spreken en te werken aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-kader voor bilaterale belastingverdragen en een geleidelijke vervanging van het enorme aantal afzonderlijke bilaterale belastingverdragen door verdragen tussen de EU en derde rechtsgebieden; onderstreept dat dit de meest directe manier zou zijn om "verdragshoppen" tegen te gaan; vraagt de lidstaten in afwachting daarvan onmiddellijk antimisbruikbepalingen op te nemen in hun belastingverdragen, in overeenstemming met de BEPS-voorstellen;

152.  is van oordeel dat het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten vergezeld moet gaan van meer samenwerking op belastinggebied om belastingontwijking door bedrijven die op dezelfde markten concurreren te voorkomen en voor een gelijk speelveld te zorgen; verzoekt de Commissie daarom in alle vrijhandelsovereenkomsten van de EU belastingbepalingen op te nemen die partnerlanden ertoe verplichten voor goed fiscaal bestuur en wederkerigheid in belastingzaken te zorgen; onderstreept dat de werkzaamheden van het EU-platform voor goed fiscaal bestuur een goede basis vormen om dit concept toe te passen; onderstreept dat hetzelfde van toepassing zou kunnen zijn op de samenwerkingsovereenkomsten van de EU;

153.  verzoekt EU-organen om niet samen te werken met rechtsgebieden die niet bereid zijn tot samenwerking inzake belastingkwesties, noch met bedrijven die zijn veroordeeld wegens belastingfraude, belastingontduiking of agressieve belastingplanning; vraagt dat instellingen zoals de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) niet langer via hun financiële tussenpersonen samenwerken met fiscale rechtsgebieden die niet bereid zijn tot samenwerking; vraagt EU-organen bovendien om zich ertoe te verbinden geen EU-financiering toe te kennen aan bedrijven die zijn veroordeeld wegens belastingfraude, belastingontduiking of agressieve belastingplanning;

154.  verzoekt de Commissie om alle instrumenten waarover zij beschikt, te gebruiken om een meer gecoördineerde benadering ten aanzien van industrielanden te bevorderen teneinde een grotere wederkerigheid in belastingkwesties te stimuleren, met name wat betreft informatie-uitwisseling met de Verenigde Staten na de inwerkingtreding van de Foreign Account Tax Compliance Act (wet op de naleving van de belastingplicht voor buitenlandse rekeningen); vraagt de Commissie ook om, in het licht van de overeenkomst van 27 mei 2015 tussen de EU en Zwitserland over de automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen, ter bescherming van de interne markt nauwgezet toe te zien op de overeengekomen geleidelijke afschaffing van een aantal schadelijke belastingpraktijken in Zwitserland, overeenkomstig de BEPS-richtsnoeren, en erop te letten dat er in de toekomst geen nieuwe schadelijke belastingmaatregelen worden ingevoerd; verzoekt de Commissie bij de lopende onderhandelingen met Zwitserland voor te stellen om regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen op te nemen in het Zwitsers recht; benadrukt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat Zwitserland de EU-aanpak op belastinggebied volgt en verslag moet uitbrengen aan het Parlement;

155.  herinnert eraan dat alle lidstaten hebben gekozen voor een multilaterale aanpak van de automatische uitwisseling van informatie, door middel van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en de herziening van de EU-richtlijnen(51) in 2014; benadrukt dat deze twee initiatieven essentieel zijn om belastingontduiking en het bankgeheim aan te pakken, aangezien zij financiële instellingen ertoe verplichten de belastingdiensten allerlei informatie te verstrekken over ingezetenen met inkomsten die worden gegenereerd door in het buitenland aangehouden activa;

Ontwikkelingslanden

156.  onderstreept dat bij het concipiëren van maatregelen en beleid ter voorkoming van belastingontwijking op nationaal, EU- en internationaal niveau speciale aandacht moet worden besteed aan de situatie van de ontwikkelingslanden, en met name van de minst ontwikkelde landen, die doorgaans het hardst worden getroffen door ontwijking van vennootschapsbelasting en over zeer smalle belastinggrondslagen en een lage verhouding tussen de belastingopbrengsten en het bbp beschikken; onderstreept dat deze maatregelen en dit beleid moeten bijdragen tot het genereren van overheidsinkomsten die in verhouding staan tot de toegevoegde waarde die op hun grondgebied wordt gegenereerd, zodat hun ontwikkelingsstrategieën, de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 naar behoren kunnen worden gefinancierd; is in dit verband ingenomen met het werk van de deskundigencommissie inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden van de VN; verzoekt de Commissie om de belangen van de ontwikkelingslanden in het kader van bestaande internationale initiatieven te steunen en vertegenwoordigers uit ontwikkelingslanden op te nemen in haar platform voor goed fiscaal bestuur;

157.  roept de EU en de deelnemers aan het BEPS-project van de OESO op ervoor te zorgen dat de nieuwe door de OESO ontwikkelde "mondiale norm voor de automatische uitwisseling van informatie" voorziet in een overgangsperiode voor ontwikkelingslanden die door een gebrek aan administratieve capaciteit nog niet kunnen voldoen aan de vereisten van wederzijdse automatische uitwisseling van informatie;

158.  vraagt de Commissie verdere maatregelen voor te stellen om de administratieve capaciteit in de ontwikkelingslanden te helpen vergroten, met name in belastingaangelegenheden, om een doeltreffende uitwisseling van belastinggegevens met hun administraties mogelijk te maken; dringt aan op het instellen van een platform voor ontwikkelingslanden door het uitvoeren van proefprojecten inzake de automatische uitwisseling van informatie; vraagt de ontwikkelingslanden om regionale overeenkomsten of andere vormen van samenwerking in belastingzaken te stimuleren teneinde hun onderhandelingspositie ten opzichte van buitenlandse directe investeerders en multinationals te versterken en kwesties van gemeenschappelijk belang aan te pakken;

159.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun instanties voor ontwikkelingshulp kunnen beschikken over voldoende technische deskundigheid, met name van het ministerie van Financiën en de belastingdiensten, om belastingkwesties in het ontwikkelingsbeleid aan te pakken;

160.  verwijst naar het actieplan zoals uiteengezet in zijn resolutie van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden; moedigt alle landen en internationale organisaties, zoals de VN, aan om deel te nemen aan een inclusief proces en bij te dragen tot de belastingagenda van de G20/OESO, waarbij BEPS worden aangepakt, de internationale fiscale transparantie en de wereldwijde uitwisseling van belastinggegevens worden bevorderd, bv. door de ontwikkeling van één gezamenlijke verslaglegginsnorm voor de automatische uitwisseling van informatie of de openbaarmaking van de uiteindelijke begunstigden; vraagt de Commissie en de lidstaten een grotere rol voor de VN in toekomstige internationale belastingbesprekingen te steunen, bv. door de oprichting van een mondiaal belastingorgaan onder auspiciën van de Verenigde Naties te steunen;

Belastingadviseurs

161.  wijst erop dat het problematisch en aanvechtbaar is dat binnen dezelfde kantoren diensten op het gebied van belastingadvies, accountantscontrole en consulting worden aangeboden, enerzijds ten behoeve van de belastingdiensten, bv. voor de opzet van belastingstelsels en de verbetering van de belastinginning, en anderzijds ten behoeve van belastingplanning voor multinationals, waarbij de zwakke punten van de nationale belastingwetgeving mogelijk worden uitgebuit;

162.  wijst op het bestaan van een Europees rechtskader, dat met name bestaat uit het laatste pakket betreffende de hervorming van de auditmarkt, waaraan het Parlement in zijn resolutie van 3 april 2014(52) zijn goedkeuring heeft gehecht; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de toepasselijke wettelijke bepalingen daadwerkelijk binnen de vastgestelde termijnen en in overeenstemming met de beoogde doelstellingen worden toegepast in de lidstaten;

163.  verzoekt de Commissie om met voorstellen te komen voor richtsnoeren voor de belastingadviessector en voor het opzetten van een EU-wijde onverenigbaarheidsregeling voor belastingadviseurs en eventueel voor banken, om ervoor te zorgen dat belangenconflicten tussen dienstverlening aan de publieke en particuliere sectoren worden voorkomen;

164.  verzoekt de Commissie een onderzoek te starten naar de mate van concentratie in de sector en de mogelijke concurrentieverstoring die daaruit voortvloeit; beveelt aan om bij dit onderzoek ook specifiek na te gaan of het combineren van belastingadvies en accountantscontrolefuncties bij dezelfde kantoren tot belangenconflicten kan leiden, en dienovereenkomstig maatregelen voor te stellen, onder meer door mechanismen in te voeren om afdelingen binnen de advieskantoren van elkaar te scheiden;

165.  vraagt dat de Commissie dringend de mogelijkheid onderzoekt om een wetgevingskader in te voeren dat voorziet in afdoende sancties voor firma's, banken, accountantskantoren en financiële adviseurs waarvan bewezen is dat zij betrokken zijn bij het uitvoeren of bevorderen van onwettige belastingontwijking en agressieve belastingplanning; benadrukt dat deze sancties een afschrikkend effect moeten hebben en onder meer kunnen bestaan in boetes, het ontzeggen van toegang tot middelen uit de EU-begroting, verbod op een adviserende rol binnen de EU-instellingen en, in extreme en herhaalde gevallen, intrekking van bedrijfsvergunningen;

Verdere maatregelen op nationaal niveau

166.  moedigt verdere maatregelen op nationaal niveau aan om belastingontwijking aan te pakken in het kader van de EU en de OESO, aangezien ongecoördineerde reacties kunnen leiden tot nog meer incongruenties en mogelijkheden voor belastingontwijking; onderstreept dat samenwerking het beste instrument voor de bestrijding van grondslaguitholling is en de voorkeur verdient boven de unilaterale invoering van preferentiële regelingen om investeringen aan te trekken;

167.  vraagt de Commissie richtsnoeren voor belastingamnestie door de lidstaten vast te stellen om te omschrijven onder welke omstandigheden een dergelijke amnestie zou voldoen aan de bepalingen van de EU-verdragen betreffende het vrij verkeer van kapitaal, het vrij verrichten van diensten, de regels inzake staatssteun en witwassen van geld en de gemeenschappelijke EU-aanpak van belastingparadijzen; herinnert eraan dat deze praktijk met de grootste omzichtigheid moet worden toegepast teneinde belastingontduikers niet aan te moedigen om te wachten op de volgende amnestie;

168.  vraagt de lidstaten een regeling voor bronbelasting op royalty's in te voeren opdat ook belasting wordt geheven over royalty's die worden afgedragen aan derde landen die niet onder bilaterale belastingverdragen vallen;

169.  vraagt elke lidstaat alvorens belastingmaatregelen in te voeren die in het buitenland van invloed kunnen zijn, effectbeoordelingen van overloopeffecten in andere landen te verrichten, zo nodig met technische ondersteuning van de Commissie; vraagt dat de nationale parlementen nauw bij de kwestie van belastingontwijking worden betrokken, aangezien geen enkel belastingstelsel en geen enkele fiscale behandeling aan een gedegen evaluatie en democratische controle door de wetgever mag ontsnappen;

170.  vraagt de lidstaten met klem de bezuinigingen op hun belastingdiensten stop te zetten en opnieuw te overwegen, meer in hun belastingdiensten te investeren, hun belastingdiensten efficiënter te maken, het personeel beter te verdelen en de technologie en deskundigheid te verbeteren, teneinde de ontwikkeling en weerslag van schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, die steeds geperfectioneerder worden; verzoekt de Commissie aan dergelijke inspanningen technische ondersteuning te bieden, met name in het kader van het Fiscalis 2020-programma; verzoekt de lidstaten werk te maken van eenvoudige, doeltreffende en transparante belastingregelingen in het belang van de lidstaten, de burgers en het bedrijfsleven;

171.  herinnert eraan dat overheidsopdrachten 16 % van het bbp in de EU vertegenwoordigen; vraagt dat de mogelijkheid wordt onderzocht om tijdens de volgende ronde van herzieningen van de richtlijn inzake overheidsopdrachten criteria inzake belastingen, transparantie of samenwerking in aanbestedingen te introduceren; verzoekt de lidstaten te overwegen om bedrijven waarvan is aangetoond dat zij bij agressieve belastingplanning en belastingontwijkingsconstructies betrokken waren, uit te sluiten van deelname aan overheidsopdrachten;

172.  onderstreept ten slotte dat de regel van eenparigheid van stemmen in de Raad waardoor elk land een vetorecht heeft, de stimulans vermindert om van de status quo naar meer samenwerking te gaan; verzoekt de Commissie niet te aarzelen om zo nodig gebruik te maken van artikel 116 VWEU, waarin het volgende is vastgelegd: "Ingeval de Commissie vaststelt dat een dispariteit tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt vervalst en zodoende een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten. Indien deze raadpleging niet leidt tot overeenstemming waardoor de betrokken distorsie wordt opgeheven, stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de voor dat doel noodzakelijke richtlijnen vast.";

173.  verbindt zich ertoe de werkzaamheden die zijn bijzondere commissie heeft aangevat, voort te zetten, iets te doen aan de belemmeringen waardoor zijn bijzondere commissie haar mandaat niet volledig heeft kunnen uitvoeren, en ervoor te zorgen dat een passend gevolg wordt gegeven aan haar aanbevelingen; draagt zijn bevoegde autoriteiten op na te gaan wat de beste institutionele constructie is om dit te bewerkstelligen;

174.  herhaalt zijn eis om toegang tot alle relevante EU-documenten; verzoekt zijn Voorzitter dit verzoek te doen toekomen aan de Commissie en de Raad en benadrukt dat het Parlement vastbesloten is om alle mogelijke beschikbare middelen te gebruiken om dit doel te bereiken;

175.  verzoekt zijn bevoegde commissie in haar komende initiatiefverslag van wetgevende aard over hetzelfde onderwerp een passend gevolg te geven aan deze aanbevelingen;

176.  verzoekt zijn voor constitutionele zaken bevoegde commissie aan deze aanbevelingen een passend gevolg te geven, met name wat betreft de opname van bindende samenwerkingsbepalingen in de gedragscode voor organisaties die zijn opgenomen in het Transparantieregister en de aanpassingen van de regels voor toegang tot documenten tussen EU-instellingen, teneinde ze beter af te stemmen op het in het Verdrag vastgelegde beginsel van loyale samenwerking;

o
o   o

177.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de lidstaten, de nationale parlementen, de G20 en de OESO.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0039.
(2) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1), betreffende wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van directe belastingen.
(3) Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 49).
(4) PB L 225 van 20.8.1990, blz. 6.
(5) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 196.
(6) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(7) PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15.
(8) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(9) PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3.
(10) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 134.
(11) PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0257.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0265.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0089.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0062.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0205.
(18) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 53.
(19) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 37.
(20) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 29.
(21) "Taxation trends in the European Union", editie 2014, Eurostat.
(22) "Taxation trends in the European Union", Eurostat statistical books, editie 2014.
(23) Europese Commissie (2015), "SME taxation in Europe – an empirical study of applied corporate income taxation for SMEs compared to large enterprises".
(24) Beleidsnota's van het IMF, "Spillovers in international corporate taxation", 9 mei 2014, en "Base Erosion, Profit Shifting and Developing Countries", 29 mei 2015.
(25) Verslag van Richard Murphy, FCA, "Closing the European Tax Gap", 10 februari 2012.
(26) "European added value of legislative report on bringing Transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union", Dr. Benjamin Ferrett, Daniel Gravino en Silvia Merler, Europees Parlement.
(27) "Unhappy meal – €1 Billion in Tax Avoidance on the Menu at McDonald's", EPSU et al., februari 2015.
(28) Werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 juni 2015 over vennootschapsbelasting in de Europese Unie (SWD(2015)0121).
(29) "A study on R&D Tax incentives", Taxation Paper nr. 52-2014, Europese Commissie.
(30) "Transfer pricing: Keeping it at arm's length", OECD Observer 230, januari 2002 (herzien in 2008).
(31) Lagerhuis van het VK, mondelinge getuigenis voor de Begrotingscommissie, 31 januari 2013.
(32) Persbericht OESO, "OECD urges stronger international co-operation on corporate tax", 12.2.2013.
(33) "SME taxation in Europe – An empirical study of applied corporate income taxation for SMEs compared to large enterprises", Europese Commissie, mei 2015, en P. Egger, W. Eggert & H. Winner (2010), "Saving taxes through foreign plant ownership", Journal of International Economics 81, blz. 99-108.
(34) C-106/09 P en C-107/09 P, Commissie tegen Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, arrest van 15 november 2011.
(35) Als de door de lidstaten vastgestelde maatregelen betrekking hebben op het gehele belastingstelsel, zijn het wijzigingen van het algemene belastingbeleid en geen staatssteun.
(36) Nota van commissaris Vestager aan de Commissie TAXE van 29 april 2015.
(37) Zoals bepaald bij Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU, wat betreft de verplichting om samen te werken en alle noodzakelijke stukken te verstrekken.
(38) Beleidsnota IMF, "Spillovers in international corporate taxation", 9 mei 2014.
(39) Beleidsnota IMF, "Base erosion, profit shifting and developing countries", mei 2015.
(40) Studie "Tax revenue mobilisation in developing countries: issues and challenges", Europees Parlement, april 2014.
(41) World Investment Report 2015, Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD).
(42) Verslag van Christian Aid, 2008.
(43) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 41.
(44) Airbus, BNP Paribas, SSE plc, Total S.A.
(45) Amazon, Anheuser-Busch InBev, Barclays Bank Group, Coca-Cola Company, Facebook, Google, HSBC Bank plc, IKEA, McDonald’s Corporation, Philip Morris, Walt Disney Company.
(46) Fiat Chrysler Automobiles, Walmart.
(47) Gedragscode als vermeld in bijlage III bij het Interinstitutioneel Akkoord over het transparantieregister.
(48) "Tracking corporate tax breaks: a welcome new form of transparency emerges in the US", Tax Justice Network.
(49) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen", (COM(2011)0681), blz. 6.
(50) Hiertoe behoren, om er maar enkele te noemen: bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting met rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, opschorten of stopzetten; ondernemingen die zijn gevestigd in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, verbieden deel te nemen aan EU-overheidsopdrachten voor de levering van goederen en diensten en deze ondernemingen staatssteun weigeren; financiële instellingen en financiële adviseurs in de EU verbieden om in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, filialen en dochterbedrijven op te richten of te behouden, en overwegen om de bankvergunning in te trekken van Europese financiële instellingen en financiële adviseurs die in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, dochterbedrijven behouden en actief blijven; een speciale heffing invoeren op alle transacties naar of uit rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan; een reeks opties onderzoeken om de juridische status van bedrijven die zijn opgericht in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, niet te erkennen in de EU; tarifaire belemmeringen toepassen bij handel met derde landen die op de zwarte lijst staan;
(51) De EU-spaarrenterichtlijn en de richtlijn betreffende administratieve samenwerking.
(52) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0283 en P7_TA(2014)0284.


BIJLAGE 1

LIJST MET PERSONEN DIE DE COMMISSIE HEEFT ONTMOET

(COMMISSIEVERGADERINGEN EN DELEGATIEBEZOEKEN)

Datum

Sprekers:

30.3.2015

—  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

16.4.2015

—  Serge Colin, voorzitter UFE (Union of Finance Personnel)

—  Fernand Müller, voorzitter belastingcomité van UFE

—  Paulo Ralha, voorzitter Portugese vakbond voor medewerkers van de belastingdienst

—  François Goris, voorzitter UNSP-NUOD van CESI (Europese Confederatie van onafhankelijke vakbonden)

—  Nadja Salson, Europese Federatie van ambtenarenvakbonden

—  Henk Koller, voorzitter Europese Federatie van belastingadviseurs (CFE)

—  Olivier Boutellis-Taft, directeur Federatie van Europese accountants (FEE)

—  Ravi Bhatiani, directeur juridische zaken Independent Retail Europe

05.5.2015

—  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

—  Wolfgang Nolz, voorzitter van de Groep gedragscode

—  Jane McCormick, Senior Tax Partner, Head of EMA Tax, KPMG

—  Chris Sanger, Partner, Global Head of Tax Policy, Ernst&Young

—  Stef van Weeghel, partner bij PwC, Global Tax Policy Leader

—  Bill Dodwell, Head of Tax Policy, Deloitte VK

11.5.2015

Openbare hoorzitting over fiscale rulings en schadelijke fiscale praktijken

—  Stephanie Gibaud, klokkenluider en voormalig werknemer van UBS

—  Lutz Otte, klokkenluider en voormalig iT-contractant bij Julius Baer

—  Kristof Clerix, Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ)

—  Edouard Perrin, lid ICIJ

—  Richard Brooks, lid ICIJ

—  Lars Bové, lid ICIJ

—  Xavier Counasse, journalist bij Le Soir

—  Dominique Berlin, Collège européen de Paris, Université Panthéon-Assas (Paris 2)

—  Gabriel Zucman, assistent, London School of Economics and Political Sciences

—  Achim Doerfer, fiscaal jurist, auteur en rechtsfilosoof

12.5.2015

Delegatie naar België

—  Jacques Malherbe, Universiteit van Louvain (UCL)

—  Axel Haelterman, Universiteit van Leuven (KUL)

—  Werner Heyvaert, belastingdeskundige, Jones Day

—  Wim Wuyts, Head of Tax – voorzitter fiscale commissie VBO en Hilde Wampers, Vice President Tax - Group Finance VBO

—  Christophe Quintard, expert bij de FGTB, voormalig belastingcontroleur

—  Eric van Rompuy (voorzitter) en andere leden van de Commissie financiën en begroting van het federale parlement

—  Steven Vanden Berghe, hoofd van de dienst fiscale rulings

—  Johan Van Overtveld – minister van Financiën (bijeenkomst op 17 juni)

18.5.2015

Delegatiebezoek aan Luxemburg

—  Wim Piot, Tax Leader PWC Luxemburg

—  Nicolas Mackel, ceo Luxembourg for Finance

—  Christine Dahm, directeur, en Mike Mathias, lid van de Cercle de Coopération des ONG du développement

—  Eugène Berger (voorzitter) en andere leden van de parlementaire Commissie financiën

—  Pierre Gramegna, minister van Financiën

—  Pascale Toussing, directeur belastingen, Ministerie van Financiën en leden van de belastingdienst

22.5.2015

Delegatiebezoek aan Bern, Zwitserland

—  Markus R. Neuhaus, voorzitter van de raad van bestuur van PwC Zwitserland, lid van het kabinet van de Global Chairman van PwC

—  Frank Marty, lid van de raad van bestuur, hoofd financiële diensten en belastingen, Economie Suisse

—  François Baur, permanent afgevaardigde in Brussel, hoofd Europese zaken Economie Suisse

—  Martin Zogg, lid uitvoerend comité, hoofd binnenlandse en internationale belastingen, Swiss Holdings

—  Urs Kapalle, directeur financieel beleid en belastingen, Swiss Bankers Association

—  Mark Herkenrath, Alliance Sud, lid van de Global Alliance for Tax Justice

—  Olivier Longchamp, Declaration of Berne (DoB)

—  Jacques de Watteville, staatssecretaris internationale financiële aangelegenheden (SIF)

—  ambassadeur Christoph Schelling, hoofd van de dienst belastingbeleid

—  Adrian Hug, directeur van de Zwitserse federale belastingdienst

—  Ruedi Noser, lid Nationale Raad, voorzitter Commissie voor economische zaken en belastingen

—  Urs Schwaller, lid van de Kantonsraad

—  Ulrich Trautmann, hoofd van de sector handel en economische zaken, delegatie van de Europese Unie in Zwitserland en Liechtenstein

—  Marco Salvi, senior onderzoeker, Avenir Suisse

27.5.2015

Bijeenkomst met HM Government of Gibraltar (met coördinatoren van TAXE)

—  Fabian Picardo, premier

—  Joseph Garcia, vice-premier

28.5.2015

Delegatiebezoek aan Dublin, Ierland

—  Martin Lambe, directeur, Irish Tax Institute

 Michael Noonan, minister van Financiën

—  Niall Cody, voorzitter van de Revenue Commission

—  Liam Twomy (voorzitter) en andere leden van de Commissie financiële zaken van het Parlement (Oireachtas) + de Gezamenlijke Commissie Europese zaken van kamer en senaat

—  Frank Barry, Trinity College Dublin (TCD)

—  Seamus Coffey, University College Cork (UCC)

—  Feargal O'Rourke, Head of Tax, PWC

—  Conor O'Brien, Head of Tax, KPMG

—  Jim Clarken, ceo, Oxfam Ierland

—  Micheál Collins, Nevin Economic Research Institute (NERI)

29.5.2015

Delegatiebezoek aan Den Haag (Nederland)

—  Sjoera Dikkers, parlementslid, en andere leden van de Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

—  Bartjan Zoetmulder, Nederlandse Orde van belastingadviseurs

—  Hans van den Hurk, Universiteit van Maastricht

—  Indra Römgens, SOMO, onafhankelijke not-for-profit onderzoeks- en netwerkorganisatie

—  Francis Weyzig, Oxfam

—  Pieterbas Plasman, hoofd van de dienst fiscale rulings

—  Eric Wiebes, Nederlands staatssecretaris van Financiën

1.6.2015

Openbare hoorzitting over de internationale dimensie van fiscale rulings en andere maatregelen

—  Senator Mario Monti, voormalig commissaris voor Mededinging en Douane, Belastingen en Interne Markt

—  Tove Maria Ryding, manager beleid en belangenbehartiging van het European Network on Debt and Development (EURODAD)

—  Antoine Deltour, klokkenluider, voormalig accountant, PwC Luxemburg

17.6.2015

Interparlementaire bijeenkomst over "Agressieve fiscale planning en democratische controle: de rol van de parlementen"

Zevenendertig leden van achttien nationale parlementen:

AT, BE, CY, CZ, FR, DE, GR, HU, IE, IT, LT, LU, MT, PL, PT, RO, ES, SV

Heinz Zourek, directeur-generaal van DG TAXUD

—  Pascal Saint-Amans, directeur van het Centre for Tax Policy and Administration van de OESO

18.6.2015

Delegatiebezoek aan Londen, VK

David Gauke, staatssecretaris van Financiën

Jim Harra, directeur-generaal, bedrijfsbelasting, nationale belasting- en douanedienst

Fergus Harradence, adjunct-directeur vennootschapsbelastingteam, afdeling bedrijfs- en internationale belastingen, Ministerie van Financiën

Andrew Dawson, hoofd belastingverdragenteam, hoofdonderhandelaar voor belastingverdragen van het VK

Maura Parsons, adjunct-directeur, hoofd verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst en voorzitter van de raad voor verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst

—  Meg Hillier (voorzitter), Margaret Hodge (voormalig voorzitter) en Guto Bebb, lid van de Commissie Overheidsfinanciën van het Lagerhuis

—  Prem Sikka, professor boekhouding, Essex Business School, Universiteit van Essex

—  Frank Haskew, hoofd faculteit belastingen, ICAEW (Institute of Chartered Accountants in England and Wales) en Ian Young, International Tax Manager

—  Will Morris, voorzitter belastingcommissie en BIAC‑belastingcommissie, Confederation of British industry (CBI)

—  Richard Collier, senior partner belastingen bij PwC

Joseph Stead, Christian Aid

—  Meesha Nehru, programmadirecteur, Fair Tax Mark

23.6.2015

Gedachtewisseling met vertegenwoordigers van multinationale ondernemingen

—  Nathalie Mognetti, Chief Tax Officer, Total S.A.

—  Martin McEwen, Head of Tax, SSE plc

—  Christian Comolet-Tirman, directeur belastingen, BNP Paribas Groep

25.6.2015

Bijeenkomst met regeringsvertegenwoordiger van Bermuda (met coördinatoren van TAXE)

—  Everard Bob Richards, vicepremier en minister van Financiën

—  Alastair Sutton, juridisch adviseur over de EU voor de regering van Bermuda

2.7.2015

—  Richard Murphy, Tax Research LLP en oprichter van het Tax Justice Network

—  Guillaume de la Villeguérin, vicevoorzitter, Tax and Customs, Airbus

17.9.2015

—  Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie

—  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

—  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

22.9.2015

—  Pierre Gramegna, voorzitter Raad ECOFIN, minister van Financiën, Luxemburg

—  dr. Wolfgang Schäuble, minister van Financiën, Duitsland

—  Luis de Guindos, minister van Economische Zaken en Mededinging, Spanje

—  Michel Sapin, minister van Financiën en Overheidsrekeningen, Frankrijk

—  Pier Carlo Padoan, minister van Economie en Financiën, Italië

16.11.2015

Gedachtewisseling met multinationale ondernemingen

—  Monique Meche, Vice President, Global Public Policy, Amazon

—  Malte Lohan, Global Corporate Affairs Director, Anheuser-Busch InBev SA

—  Mark Hubbard, Global Head of Tax, Barclays Bank Group

—  Delphine Reyre, Director of Public Policy Southern Europe, Facebook

—  Iain McKinnon, Head of Group Tax, HSBC

—  Krister Mattsson, Head of Corporate Finance, Insurance, Tax & Treasury, IKEA Group

—  Irene Yates, Vice President, Corporate Tax, McDonald’s Europe

—  Werner Schuster, Vice President Tax, Philip Morris International

—  Nicklas Lundblad, Senior Director, Public Policy and Government Relations, Google

—  John Stowell, Senior Vice President, Corporate Taxes, The Walt Disney Company

—  Robert Jordan, Vice President, General Tax Counsel, Coca-Cola Company


BIJLAGE 2

LIJST VAN ANTWOORDEN PER LAND/INSTELLING

(situatie op 16 november 2015)

Land

Antwoord

1e verzoek op 23.4.2015 – deadline 31.5.2015

Zweden

29.5.2015

Jersey

29.5.2015

Guernsey

31.5.2015

Luxemburg

1.6.2015

Finland

2.6.2015

Slowakije

3.6.2015

Ierland

5.6.2015

Nederland

8.6.2015

Verenigd Koninkrijk

8.6.2015

Frankrijk

10.6.2015

Tsjechië

11.6.2015

Letland

16.6.2015

België

16.6.2015

Malta

18.6.2015

1e herinnering op 29.6.2015 – deadline 9.7.2015

Portugal

30.6.2015

Polen

2.7.2015

Litouwen

3.7.2015

Hongarije

7.7.2015

Kroatië

8.7.2015

Estland

10.7.2015

Griekenland

10.7.2015

Spanje

10.7.2015

Gibraltar

13.8.2015

Denemarken

26.8.2015

Duitsland

2.9.2015

Roemenië

3.9.2015

Italië

17.9.2015

Laatste herinnering op 21.9.2015

Oostenrijk

21.9.2015

Cyprus

22.9.2015

Bulgarije

28.9.2015

Slovenië

28.9.2015

INSTELLINGEN

Antwoord

Commissie

29.4.2015

3.6.2015

31.8.2015

23.10.2015

9.11.2015

Raad

29.5.2015

15.6.2015

27.7.2015


BIJLAGE 3

MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN DIE WERDEN UITGENODIGD VOOR

COMMISSIEVERGADERINGEN

Naam

Genodigden/vertegenwoordigers

Situatie op 16 november 2015

Airbus

Guillaume de la Villeguerin,

Vice President Tax & Customs

Nam deel op 2.7.2015

BNP Paribas

Christian Comolet-Tirman,

Director, Fiscal Affairs

Nam deel op 23.6.2015

SSE plc

Martin McEwen, Head of Tax

Nam deel op 23.6.2015

Total S.A.

Nathalie Mognetti,

Chief Tax Officer

Nam deel op 23.6.2015

Amazon

Monique Meche, Vice President, Global Public Policy

Nam deel op 16.11.2015

Anheuser-Busch InBev

Malte Lohan, Global Corporate Affairs Director

Nam deel op 16.11.2015

Barclays Bank Group

Mark Hubbard, Global Head of Tax

Nam deel op 16.11.2015

Coca-Cola Company

Robert Jordan, Vice President, General Tax Counsel

Nam deel op 16.11.2015

Facebook

Delphine Reyre, Director of Public Policy Southern Europe

Nam deel op 16.11.2015

Google

Nicklas Lundblad, Senior Director, Public Policy and Government Relations

Nam deel op 16.11.2015

HSBC Bank plc

Iain McKinnon, Head of Group Tax

Nam deel op 16.11.2015

IKEA Group

Krister Mattsson, Head of Corporate Finance, Insurance, Tax & Treasury

Nam deel op 16.11.2015

McDonald's Europe

Irene Yates, Vice President, Corporate Tax

Nam deel op 16.11.2015

Philip Morris

International

Werner Schuster, Vice President Tax

Nam deel op 16.11.2015

Laatst bijgewerkt op: 11 juli 2017Juridische mededeling