Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2219(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0355/2016

Ingediende teksten :

A8-0355/2016

Debatten :

PV 13/12/2016 - 13

Stemmingen :

PV 14/12/2016 - 9.15

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0502

Aangenomen teksten
PDF 380kWORD 101k
Woensdag 14 december 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015
P8_TA(2016)0502A8-0355/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015 (2016/2219(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, van kracht sinds 24 oktober 1945,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten van de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen,

–  gezien de belangrijkste internationale mensenrechtenverdragen, waaronder het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is,

–  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW)(1) ,

–  gezien het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind en de resolutie van het Parlement van 27 november 2014 over het 25‑jarig bestaan van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind(2) ,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990(3) ,

–  gezien de VN‑Verklaring over het recht op ontwikkeling(4) ,

–  gezien de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren en het slotdocument van 22 september 2014 van de plenaire zitting op hoog niveau van de Algemene Vergadering, de zogeheten Wereldconferentie over inheemse volkeren(5) ,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Wenen die op 25 juni 1993 zijn aangenomen(6) ,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking (1995)(7) , het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) (1994)(8) en de resultaten van hun toetsingsconferenties,

–  gezien de beginselen van Parijs van de Verenigde Naties inzake nationale mensenrechteninstellingen (NHRI's)(9) ,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake de rechten van ouderen,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de publicatie van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 28 juni 2016, getiteld "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid"(10) ,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn aangenomen(11) ,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht (IHR)(12) en de geactualiseerde EU‑richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het IHR(13) ,

–  gezien het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen(14) ,

–  gezien de EU‑richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(15) ,

–  gezien de richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's)(16) , die op 24 juni 2013 door de Raad zijn aangenomen,

–  gezien de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over het bevorderen van de mensenrechten en democratie bij hun bezoeken buiten de Europese Unie,

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015, dat op 20 juni 2016 door de Raad is aangenomen(17) ,

–  gezien het actieplan getiteld "Gender Equality and Women's Empowerment: Transforming the Lives of Girls and Women through EU External Relations 2016‑2020" (Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016‑2010), genderactieplan, GAP II), dat op 26 oktober 2015 door de Raad is aangenomen(18) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over de gelijkheid van LHBTI(19) en de lijst van maatregelen van de Commissie ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI (2016‑2019)(20) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling(21) ,

–  gezien de Europese Migratieagenda van 13 mei 2015 (COM(2015)0240) en de conclusies van de Raad over migratie van 20 juli 2015(22) , 14 september 2015(23) en 22 september 2015(24) ,

–  gezien Besluit (GBVB) 2015/260 van de Raad van 17 februari 2015 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(25) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2014 over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(26) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 getiteld "Increasing the Impact of EU Development Policy: an Agenda for Change" (Het EU‑ontwikkelingsbeleid trefzekerder maken: een agenda voor verandering)(27) ,

–  gezien de herziene indicatoren van de EU voor de alomvattende aanpak voor de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de VN‑Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, die op 20 september 2016 door de Raad zijn aangenomen(28) ,

–  gezien het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(29) ,

–  gezien Besluit 2011/168/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het Internationaal Strafhof en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB(30) ,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (JOIN)2015)0050,

–  gezien het actieplan van Valletta van 11 en 12 november 2015(31) ,

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 13 oktober 2015 over de werkmethoden met betrekking tot vrouwen, vrede en veiligheid(32) ,

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 19 juni 2008 over seksueel geweld als oorlogsmisdaad(33) ,

–  gezien de resolutie van de VN‑Veiligheidsraad van 31 oktober 2000 over vrouwen, vrede en veiligheid(34) ,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2014 over de bescherming van migranten(35) ,

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp(36) ,

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(37) ,

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)(38) ,

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU‑aanpak van migratie(39) ,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(40) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(41) ,

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(42) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU‑actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(43) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(44) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(45) ,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement(46) ,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN‑Mensenrechtenraad in 2015(47) ,

–  gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS‑offensief, inclusief de vervolging van minderheden(48) ,

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(49) ,

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(50) en het verslag van 28 januari 2016 over minderheden en discriminatie op grond van kaste van de speciale VN‑rapporteur voor minderhedenkwesties(51) ,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(52) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(53) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(54) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(55) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het EU‑beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(56) ,

–  gezien de richtsnoeren van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten tot uitvoering van het kader "Protect, Respect and Remedy", die door de VN‑Mensenrechtenraad in resolutie 17/4 van 6 juli 2011 zijn bekrachtigd(57) ,

–  gezien het jaarverslag 2015 van het Europees Fonds voor Democratie(58) ,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0355/2016),

A.  overwegende dat de EU zich er op grond van artikel 21 VEU toe verbindt een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) uit te bouwen volgens de beginselen die aan de oprichting van de Unie ten grondslag liggen en gericht op de wereldwijde verspreiding van die beginselen: democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van mensenrechten en fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

B.  overwegende dat de handelspolitiek van de Unie krachtens artikel 207 VWEU moet stoelen op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de EU;

C.  overwegende dat in artikel 3 VEU het volgende wordt bevestigd: "In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties";

D.  overwegende dat de eerbiediging, bevordering en vrijwaring van de ondeelbaarheid en universaliteit van de mensenrechten behoren tot de centrale doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, zoals bepaald in de mensenrechtenclausule van alle overeenkomsten van de EU met derde landen;

E.  overwegende dat de eerbiediging van mensenrechten, vrede, veiligheid en ontwikkeling nauw met elkaar verbonden zijn en elkaar onderling versterken;

F.  overwegende dat het beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie dient te worden geïntegreerd in alle EU‑beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, nabuurschapsbeleid, uitbreiding en handel, in het bijzonder door de randvoorwaarden inzake mensenrechten toe te passen;

G.  overwegende dat interne en externe samenhang op het gebied van mensenrechten van essentieel belang is voor de geloofwaardigheid van het EU‑mensenrechtenbeleid in het buitenland, en overwegende dat een betere samenhang tussen het intern en extern beleid van de EU, alsook tussen de verschillende aspecten van haar extern beleid, een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend EU‑beleid op het gebied van mensenrechten en democratisering; overwegende dat de EU door een betere samenhang in staat moet zijn om al in de beginfase van mensenrechtenschendingen sneller en efficiënter te reageren; overwegende dat samenhang vooral een uitdaging blijkt voor het huidige migratiebeleid;

H.  overwegende dat de waarden van vrijheid, eerbiediging van de mensenrechten en het beginsel van periodieke en eerlijke verkiezingen essentiële elementen zijn van democratie; overwegende dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door het organiseren van eerlijke en vrije verkiezingen, maar ook door transparant bestuur dat ter verantwoording kan worden geroepen, eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten, aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en eerbiediging van het internationaal recht en de internationale overeenkomsten inzake de mensenrechten;

I.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten wereldwijd onder druk staat en dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes; overwegende dat er wereldwijd talloze pogingen worden ondernomen om de ruimte van het maatschappelijk middenveld in te perken, onder meer in multilaterale fora; overwegende dat niet-naleving van de mensenrechten nadelige gevolgen heeft voor het individu, voor zijn of haar verwanten en voor de samenleving;

J.  overwegende dat de EU een essentiële rol heeft gespeeld in de aanneming van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, waarmee wordt gestreefd naar de verwezenlijking van mensenrechten voor eenieder;

K.  overwegende dat de Raad op 20 juli 2015 een nieuw actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) heeft aangenomen om de EU in staat te stellen deze uitdagingen tegemoet te treden aan de hand van een meer gericht, systematisch en gecoördineerd gebruik van haar mensenrechteninstrumenten; overwegende dat dit actieplan dient te worden uitgevoerd in samenhang met het genderactieplan 2016‑2020;

L.  overwegende dat de VV/HV heeft verklaard dat de mensenrechten één van haar overkoepelende prioriteiten zullen zijn en dat zij van plan is de mensenrechten te gebruiken als een leidraad voor al haar betrekkingen met derde landen; overwegende dat zij tevens heeft bevestigd dat de EU zich zal inzetten om de mensenrechten in alle aspecten van de buitenlandse betrekkingen "zonder uitzondering" te bevorderen;

M.  overwegende dat het streven van de EU naar een doeltreffend multilateralisme, met een centrale rol voor de VN, een integraal onderdeel vormt van het extern beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem op basis van universele regels en waarden de beste manier is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden; overwegende dat betrekkingen met derde landen in het kader van alle bilaterale en multilaterale fora tot de meest doeltreffende instrumenten behoren voor het aanpakken van mensenrechtenkwesties in derde landen;

N.  overwegende dat de reguliere zittingen van de VN‑Mensenrechtenraad (UNHRC), de benoeming van speciale rapporteurs, de universele periodieke doorlichting (UPR) en de speciale procedures voor specifieke situaties in landen of thematische kwesties allemaal bijdragen aan de internationale inspanningen ter bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

O.  overwegende dat de EU het voor de bevordering van de mensenrechten en het aanpakken van mensenrechtenschendingen als een van haar hoofdprioriteiten beschouwt om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in derde landen;

P.  overwegende dat het Parlement zich in zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(59) erg bezorgd toont over de moeilijkheden die maatschappelijke organisaties ondervinden, benadrukt hoe belangrijk het is een systeem van toezicht uit te werken voor het evalueren van vooruitgang qua beleid en regelgeving, en aandringt op de bevordering van een gunstig klimaat voor maatschappelijke organisaties; overwegende dat de laatste tijd in vele landen strikte wetgeving met betrekking tot ngo's is aangenomen, waarin buitenlandse organisaties als ongewenst worden bestempeld wanneer zij als een bedreiging voor de grondwettelijke orde, defensie of veiligheid worden gezien, en overwegende dat alleen al in 2015 wereldwijd 185 milieu- en mensenrechtenactivisten werden vermoord, waarvan 66 % in Latijns-Amerika;

Q.  overwegende dat steeds meer landen, vooral in Azië, het Midden-Oosten en Afrika, gebruikmaken van een reisverbod om te verhinderen dat mensenrechtenverdedigers internationale evenementen zouden bijwonen;

R.  overwegende dat in de artikelen 18 en 19 van de UVRM wordt erkend dat eenieder recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en vrijheid van mening en meningsuiting heeft en dat dit recht de vrijheid omvat om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven; overwegende dat er een sterke stijging is van het aantal gevallen van vervolging waarvan de gronden uitsluitend zijn terug te voeren op het vreedzaam uitoefenen van het recht op vrijheid van mening, godsdienstbeleving en meningsuiting;

S.  overwegende dat in artikel 20 van de UVRM wordt erkend dat eenieder recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering heeft; overwegende dat resolutie 21/16 van de VN‑Mensenrechtenraad staten wijst op hun plicht om de rechten van individuen op vreedzame vereniging en vrijheid van vergadering, zowel online als offline, te eerbiedigen en ten volle te beschermen, en overwegende dat de vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging moet worden ondersteund door middel van interreligieuze en interculturele dialogen;

T.  overwegende dat in de Verdragen van Genève en de aanvullende protocollen daarbij wordt voorzien in de basisregels van het IHR en de mensenrechten, en dat deze regels centraal staan in elk humanitair optreden; overwegende dat de bescherming van burgers en ontheemden in conflictgebieden moet worden gewaarborgd in totale neutraliteit en onpartijdigheid, en dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan;

U.  overwegende dat de illegale bezetting van een grondgebied een aanhoudende schending van het internationaal recht vormt, en dat de bezettingsmacht uit hoofde van het IHR de verantwoordelijkheid draagt voor de burgerbevolking van dat grondgebied;

V.  overwegende dat bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid moeilijk intact te houden is – in het bijzonder in tijden van ongekende vluchtelingenstromen, op de vlucht voor geweld; overwegende dat het intact houden van bewijsmateriaal van essentieel belang is om daders voor de rechter te brengen;

W.  overwegende dat pogingen om de VS‑gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten zijn mislukt en er in 2015 amper 20 gedetineerden zijn vrijgelaten of overgeplaatst;

X.  overwegende dat wereldwijd steeds meer mensen op de vlucht zijn voor oorlog, gewapende conflicten en andere mensonterende omstandigheden, en dat deze vluchtelingenstromen en verschillende vormen van migratie zowel voor de EU als in mondiale termen een aanzienlijke uitdaging vormen waarvoor onmiddellijke, doeltreffende en duurzame oplossingen moeten worden gevonden die stroken met onze gedeelde Europese waarden; overwegende dat met de humanitaire hulp van de Commissie, als grootste mondiale donor, bijstand wordt geboden aan vluchtelingen en ontheemden in meer dan 30 landen;

Y.  overwegende dat de strijd tegen mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten reacties vergt op korte, middellange en lange termijn, waaronder maatregelen om criminele netwerken te ontwrichten en criminelen voor de rechter te brengen, het verzamelen en analyseren van gegevens, maatregelen om slachtoffers te beschermen en irreguliere migranten terug te sturen, alsook samenwerking met derde landen, in combinatie met langetermijnstrategieën, om iets te doen aan de vraag naar verhandelde en gesmokkelde personen en aan de onderliggende oorzaken van migratie die ervoor zorgen dat mensen in handen van criminele smokkelaars vallen;

Z.  overwegende dat gerechtigheid van essentieel belang is om de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen en dat de EU en haar lidstaten van bij de oprichting onvoorwaardelijke voorstanders zijn van het Internationaal Strafhof (ICC) door de universaliteit van het Statuut van Rome te bevorderen en de integriteit ervan te verdedigen ter versteviging van de onafhankelijkheid van het ICC;

AA.  overwegende dat er tot nu toe al substantiële vooruitgang is geboekt met betrekking tot de afschaffing van de doodstraf; overwegende dat de doodstraf in vele landen is opgeschort en er in andere landen wetgevingsmaatregelen zijn genomen om dit te verwezenlijken; overwegende dat er in 2015 een drastische stijging heeft plaatsgevonden van het totale aantal executies, waarvan bijna 90 % in slechts drie landen werd uitgevoerd, namelijk Iran, Pakistan en Saudi-Arabië; overwegende dat Belarus het enige land in Europa is dat de doodstraf niet heeft afgeschaft;

AB.  overwegende dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen een Europese kernwaarde vormt die verankerd is in het juridische en politieke kader van de EU en tevens centraal staat in de Agenda 2030 van de VN; overwegende dat geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen en meisjes de afgelopen jaren dramatisch zijn toegenomen, in het bijzonder in oorlogsgebied en onder autoritaire regimes;

AC.  overwegende dat volgens Unicef wereldwijd 250 miljoen kinderen in landen wonen die getroffen zijn door conflicten en bijna 50 miljoen kinderen hetzij ontheemd zijn door geweld, oorlog en de bijbehorende gruwel, terreurdaden en oproer, hetzij hun land hebben verlaten, en dat velen nog steeds te lijden hebben onder alle vormen van discriminatie, geweld, uitbuiting, misbruik, dwangarbeid, armoede en ondervoeding;

AD.  overwegende dat volgens Unicef één op 200 kinderen wereldwijd vluchteling is, dat bijna een derde van de kinderen die buiten hun geboorteland wonen vluchteling is en dat het aantal kindvluchtelingen tussen 2005 en 2015 is verdubbeld;

AE.  overwegende dat in artikel 25 van de UVRM wordt bepaald dat eenieder recht heeft op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, en dat moeder en kind recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, waaronder medische verzorging; overwegende dat toegang tot onderwijs, voeding en gezondheidszorg voor alle kinderen dient te worden gegarandeerd; overwegende dat resolutie 26/28(36) van de UNHRC een oproep bevat om de volgende vergadering van het Sociaal Forum van de UNHRC toe te spitsen op toegang tot geneesmiddelen in het kader van het recht van eenieder op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid; overwegende dat in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt gesteld dat het een van de grondrechten van ieder mens is om het hoogst mogelijke niveau van gezondheid te genieten, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie;

AF.  overwegende dat autoriteiten de rechten van kinderen die van een of beide ouders zijn gescheiden, moeten eerbiedigen, overeenkomstig het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind;

AG.  overwegende dat geweld tegen en illegale vervolging van minderheden, waaronder LGBTI's, op vele plaatsen in de wereld blijven voortduren en dat discriminatie op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en andere domeinen schering en inslag is;

AH.  overwegende dat er van over de hele wereld nog steeds meldingen komen van schendingen van burgerrechten, politieke, economische, sociale en culturele rechten, alsook van milieuschade als gevolg van wanpraktijken van een aantal actoren uit de particuliere sector; overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen corruptie, belastingontduiking, illegale kapitaalstromen en schendingen van de mensenrechten;

AI.  overwegende dat de VN‑richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten betrekking hebben op alle landen en op alle ondernemingen, of deze nu transnationaal zijn of niet, onafhankelijk van hun omvang, sector, locatie, eigenaars en structuur, maar dat doeltreffende controle- en sanctiemechanismen een uitdaging blijven bij de mondiale tenuitvoerlegging van de VN‑richtsnoeren; overwegende dat terdege rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en dat een flexibele aanpak ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden gekozen die is aangepast aan hun mogelijkheden;

AJ.  overwegende dat de Commissie in oktober 2015 haar nieuwe handelsstrategie "Handel voor iedereen" heeft gepubliceerd, waarin zij haar streven te kennen geeft om handel te gebruiken als middel om de mensenrechten in derde landen te bevorderen;

AK.  overwegende dat de EU in 2015 is begonnen met het uitwerken van regelgeving om de handel in mineralen die conflicten in de hand werkt aan te pakken;

AL.  overwegende dat de organisatie van nationale en internationale sportevenementen als de Olympische Spelen en de wereldkampioenschappen voetbal niet mag worden gebruikt voor politieke doeleinden, maar moet verlopen aan de hand van een volledige eerbiediging van alle mensenrechten, zoals verankerd in het Olympisch Handvest, en dat deze evenementen gericht moeten zijn op een harmonieuze ontwikkeling van de mensheid, met het oog op de bevordering van een vreedzame samenleving waarin de bescherming van de mensenrechten en de menselijke waardigheid hoog op de agenda staan, zonder discriminatie op basis van gronden als nationaliteit, ras, godsdienst, politieke voorkeur, geslacht, genderidentiteit, seksuele gerichtheid of geslachtskenmerken;

AM.  overwegende dat de klimaatverandering de toegang tot water, natuurlijke hulpbronnen en voedsel aantast;

Een centrale plaats voor de mensenrechten in het externe beleid van de EU

1.  toont er zich uiterst bezorgd over dat de bevordering en eerbiediging van mensenrechten en democratische waarden wereldwijd onder druk staan en dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken in vele delen van de wereld, waaronder in autoritaire regimes en door terroristische groeperingen als Da'esh;

2.  uit zijn diepe bezorgdheid over de talloze en steeds toenemende pogingen om de ruimte van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in te perken, over de toenemende beperkingen op de vrijheid van vergadering en meningsuiting, en over het stijgende aantal tegen het maatschappelijk middenveld gerichte repressieve wetten dat wereldwijd wordt aangenomen in landen als Rusland, Turkije en China, onder meer onder het mom van terrorismebestrijding (via de invoering van antiterrorismewetgeving en maatregelen met betrekking tot noodsituaties en veiligheid), aangezien zij vaak een negatief effect hebben op de mensenrechten en frequent worden misbruikt om de bevolking te onderdrukken; wijst er nogmaals op dat dergelijke wetgeving op geen enkele wijze mag worden gebruikt om de ruimte waarin organisaties uit het maatschappelijk middenveld hun activiteiten kunnen ontplooien in te perken; vraagt om dit misbruik en deze schendingen expliciet te veroordelen;

3.  benadrukt ten stelligste dat de EU zich ertoe verbindt te streven naar een GBVB en alle andere beleidsdomeinen met een externe dimensie die berusten op de bevordering van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, het internationaal recht inzake mensenrechten en het internationaal humanitair recht; herhaalt dat deze beginselen ook inherent zijn aan het externe optreden buiten het GBVB, bijvoorbeeld binnen het ontwikkelings- en humanitair beleid;

4.  verzoekt alle EU‑instellingen en de EU‑lidstaten zich daadwerkelijk in te zetten voor hun beloften om de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder het recht om zich op vreedzame wijze te ontwikkelen, te beschermen en te verwezenlijken, en de mensenrechten centraal te stellen in de EU‑betrekkingen met alle derde landen – met inbegrip van de strategische partners van de EU – en op alle niveaus;

5.  richt zich nogmaals tot de lidstaten om het goede voorbeeld te geven, door met één stem te spreken ter verdediging van de ondeelbaarheid, onderlinge afhankelijkheid, onderlinge samenhang en universaliteit van de mensenrechten, en vooral door alle internationale door de VN vastgestelde mensenrechteninstrumenten te ratificeren;

6.  benadrukt dat de EU, als ze in externe betrekkingen een geloofwaardige speler wil zijn, moet zorgen voor een betere samenhang tussen haar intern en extern beleid met betrekking tot mensenrechten en democratische waarden (waarbij mensenrechtenstrategieën om de rechten van LGBTI's te bevorderen en te beschermen van cruciaal belang zijn) en moet streven naar een systematisch consistente en coherente tenuitvoerlegging van het EU‑mensenrechtenbeleid;

7.  vestigt de aandacht op zijn verbintenis op lange termijn om de mensenrechten te bevorderen en de democratische waarden uit te dragen, zoals onder meer blijkt uit de jaarlijkse uitreiking van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, het werk van de Subcommissie mensenrechten op het gebied van democratieondersteuning en verkiezingswaarnemingen en van het Europees Fonds voor Democratie, de maandelijkse plenaire debatten en resoluties over gevallen waarin de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat geschonden zijn en de vele parlementaire delegaties;

8.  is diep verontrust door het grote aantal mensenrechtenverdedigers dat tegenwoordig onder vuur ligt; verzoekt de EU, en de VV/HV in het bijzonder, een beleid vast te stellen om moord op mensenrechtenverdedigers stelselmatig en op ondubbelzinnige wijze te veroordelen, net als elke poging om hen te onderwerpen aan allerlei vormen van geweld, vervolging, bedreiging, intimidatie, verdwijning, gevangenneming of willekeurige arrestatie, om zich krachtig uit te spreken tegen al wie dergelijke wreedheden begaat of laat gebeuren, en om intensiever aan publieksdiplomatie te doen, waarbij mensenrechtenverdedigers klaar en duidelijk worden gesteund, ook wanneer deze in multilaterale fora komen getuigen; verzoekt de EU voor dit beleid richtsnoeren aan te reiken, aangezien dit de samenhang bevordert van de huidige EU‑prioriteiten zoals uiteengezet in de verschillende bestaande EU‑richtsnoeren; spoort de EU‑delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen, in het bijzonder door op stelselmatige wijze toe te zien op processen, opgesloten mensenrechtenverdedigers te bezoeken en in voorkomend geval verklaringen af te leggen over individuele zaken; roept op tot het opzetten van een systeem voor effectief toezicht op de ruimte voor het maatschappelijk middenveld met duidelijke benchmarks en indicatoren; wijst nogmaals op het belang van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), dat dringende rechtstreekse financiële en materiële bijstand verleent aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, en van het noodfonds, dat de EU‑delegaties in staat stelt om rechtstreeks ad‑hoctoelagen te verstrekken aan mensenrechtenverdedigers die voor hun leven vrezen;

9.  verzoekt de EU en haar lidstaten om de oprichting van nationale mensenrechteninstellingen (NHRI's) te bevorderen, in overeenstemming met de VN‑beginselen van Parijs, met een toereikend mandaat en afdoende middelen en deskundigheid om de mensenrechten te kunnen vrijwaren en de eerbiediging ervan te kunnen verzekeren;

10.  wijst erop dat de interparlementaire betrekkingen tussen de Unie en haar partnerlanden moeten worden gestimuleerd binnen het kader van een oprechte dialoog op basis van wederzijds begrip en vertrouwen, met als doel de mensenrechten op doeltreffende wijze te bevorderen;

Het strategisch kader en het nieuwe actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie

11.  is verheugd over de aanneming van het tweede EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019) en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om de maatregelen die erin vervat zitten volledig, op consistente en transparante wijze en tijdig uit te voeren en democratieondersteuning verder te versterken; onderstreept dat consensus en coördinatie tussen de EU en haar lidstaten nodig zijn om een samenhangende tenuitvoerlegging van het actieplan te verzekeren en spoort de lidstaten ertoe aan de tenuitvoerlegging en evaluatie van het actieplan meer in handen te nemen; benadrukt dat de lidstaten verslag moeten uitbrengen over de manier waarop ze het actieplan hebben uitgevoerd;

12.  benadrukt dat de EU voor het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen uit het tweede actieplan in voldoende middelen en deskundigheid moet voorzien, zowel wat betreft specifiek personeel voor delegaties, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) als beschikbare middelen voor projecten;

13.  beschouwt een vrije burgermaatschappij als één van de fundamenten voor de bescherming en ondersteuning van mensenrechten en democratische waarden en is daarom verontrust over de inperking van de openbare ruimte voor het maatschappelijk middenveld en over de toenemende aanvallen op mensenrechtenverdedigers en journalisten wereldwijd; is ingenomen met de opname van een doelstelling om de druk op de bewegingsruimte van het maatschappelijk middenveld aan te pakken en dringt er bij de EU op aan om duidelijk afgelijnde maatregelen te treffen; spoort alle partijen die betrokken zijn bij het extern optreden van de EU aan bestaande hiaten op het vlak van de bescherming van de mensenrechten en de democratische vrijheden op te sporen en aan te pakken, en intensiever samen te werken met het maatschappelijk middenveld, parlementen, politieke partijen en plaatselijke overheden en met regionale en internationale organisaties op het terrein; vestigt de aandacht op het feit dat het actieplan geen afzonderlijke doelstelling bevat voor de bevordering van democratische normen in partnerlanden; verzoekt de Commissie EU‑richtsnoeren voor democratieondersteuning uit te werken;

Jaarverslag van de EU

14.  is ingenomen met de pogingen om het thematisch onderdeel van het jaarverslag over mensenrechten en democratie te verbeteren, beknopter en systematischer te maken en het breder beschikbaar te maken voor het grote publiek; herhaalt zijn overtuiging dat het jaarverslag krachtiger moet worden door een objectievere benadering, waarbij in het verslag naast verwezenlijkingen en beste praktijken ook zeer specifieke problemen en beperkingen aan bod komen waarmee men in derde landen is geconfronteerd, en er in het verslag ook aanbevelingen worden gedaan voor corrigerende maatregelen en informatie wordt gegeven over maatregelen van de EDEO om deze problemen te verhelpen; blijft bij zijn standpunt dat de landenverslagen die deel uitmaken van het jaarverslag zo weinig mogelijk beschrijvend moeten zijn, een beeld moeten geven van de uitvoering van de landenstrategieën voor mensenrechten en democratie en een overzicht moeten bieden van de gevolgen die de acties van de EU op het terrein hebben;

15.  herhaalt zijn oproep om stelselmatig en uitgebreid verslag uit te brengen over de getroffen maatregelen, de bereikte resultaten en de politieke conclusies naar aanleiding van acties die voortvloeien uit resoluties van het Parlement over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; dringt erop aan dat inbreuken op de mensenrechten een snelle en passende reactie krijgen, zelfs in de beginfase van dergelijke schendingen; is in dat opzicht ingenomen met de follow‑up door de EDEO, binnen de Subcommissie mensenrechten, van resoluties inzake debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; verzoekt nogmaals om een uitvoerig schriftelijk antwoord van de Commissie en de EDEO op de resolutie van het Parlement betreffende het jaarverslag over mensenrechten en democratie, aangezien dit van belang is voor een systematische en diepgaande follow‑up van alle punten die door het Parlement aan de orde zijn gesteld, alsook voor het parlementaire toezicht; verzoekt de VV/HV nogmaals tijdens twee plenaire zittingen per jaar in debat te gaan met de leden van het Europees Parlement, de eerste maal op het moment dat het EU‑jaarverslag wordt voorgesteld, en de tweede maal in een reactie op de resolutie van het Parlement;

Speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor de mensenrechten

16.  wijst nogmaals op het belang van een krachtiger en flexibeler mandaat voor de SVEU om de doeltreffendheid, samenhang en zichtbaarheid van de EU in het uitdragen van mensenrechten en democratische beginselen over de hele wereld te verbeteren; roept er nogmaals toe op om hier een permanent mandaat van te maken; is bovendien van mening dat de SVEU het recht moet hebben in het openbaar te spreken en dat hij initiatiefrecht, meer zichtbaarheid en passende middelen en deskundigheid dient te krijgen;

17.  benadrukt het belang van systematische steun voor het maatschappelijk middenveld, in combinatie met oprecht en diepgaand overleg, als voorbereiding op de bezoeken van de SVEU aan partnerlanden; is in dat opzicht verheugd dat de SVEU hechte contacten onderhoudt met mensenrechtenverdedigers en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van plaatselijke vertegenwoordigers, jongeren en kinderen, alsook met betrokken internationale organisaties, voorafgaand aan, tijdens en bij de follow-up van een bezoek aan een derde land, en benadrukt hoe belangrijk het is dat deze banden in stand worden gehouden en steeds hechter worden en dat er duidelijke en transparante follow‑upmechanismen nodig zijn; schaart zich volledig achter de keuze van de SVEU om zich tijdens zijn mandaat bij wijze van centrale prioriteit te concentreren op de bevordering en bescherming van een open ruimte voor het maatschappelijk middenveld en voor mensenrechtenverdedigers; verzoekt de SVEU om na zijn bezoeken op regelmatige basis verslag uit te brengen aan het Parlement; betreurt dat de werkzaamheden en de impact van de SVEU slechts gedeeltelijk toegankelijk zijn via een evaluatie van het jaarverslag over mensenrechten, zijn accounts op sociale media en beschikbare toespraken; betreurt tevens dat er geen officiële informatie over zijn activiteiten en plannen, noch voortgangsverslagen of evaluaties beschikbaar zijn;

18.  spoort de SVEU ertoe aan om systematisch te blijven pleiten voor de mensenrechtenprioriteiten van de EU en om het engagement van de EU bij alle relevante regionale en internationale mensenrechtenorganisaties en ‑mechanismen te vergroten; verzoekt de Raad er een algemeen beginsel van te maken om in het mandaat van de toekomstige geografische SVEU's systematisch op te nemen dat moet worden samengewerkt met de SVEU voor de mensenrechten;

Landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en de rol van EUdelegaties

19.  is verheugd dat democratie werd toegevoegd aan de landenstrategieën inzake mensenrechten, als noodzakelijk element van elke uitgebreide analyse van de situatie op het gebied van mensenrechten en democratie in partnerlanden;

20.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is om op alle niveaus van beleidsvorming ten aanzien van derde landen rekening te houden met deze landenstrategieën, onder meer bij de voorbereiding van politieke dialogen op hoog niveau, mensenrechtendialogen, landenstrategiedocumenten en jaarlijkse actieprogramma's;

21.  herhaalt dat er overeenstemming moet zijn tussen de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en EU‑maatregelen die in elk land naargelang van de specifieke situatie zullen worden genomen, en dat de landenstrategieën meetbare voortgangsindicatoren dienen te bevatten die in voorkomend geval kunnen worden aangepast; wijst erop dat de landenstrategieën permanent moeten worden beoordeeld; dringt aan op een verdere verbetering van de samenwerking, communicatie en uitwisseling van gegevens tussen EU‑delegaties, ambassades van de lidstaten en EU‑instellingen bij het opstellen en uitvoeren van de landenstrategieën; herhaalt zijn eis dat de leden van het Europees Parlement toegang moeten krijgen tot de landenstrategieën en informatie moeten krijgen over de manier waarop de EU deze strategieën ten uitvoer legt en dat deze moeten worden aangeboden in een vorm die de leden ertoe in staat stelt hun controletaak naar behoren uit te voeren;

22.  wijst op de noodzaak van een samenhangend en zichtbaar EU‑beleid inzake het maatschappelijk middenveld en van een duidelijker begrip met betrekking tot het gebruik van publieksdiplomatie; pleit ervoor om landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie en stappenplannen te publiceren en werk te maken van effectieve feedback, follow‑up van zaken en informatie-uitwisseling;

23.  is ingenomen met de aanwijzing van contactpunten voor de mensenrechten en/of genderkwesties in alle EU‑delegaties en wijst nogmaals op zijn aanbeveling aan de VV/HV en de EDEO om duidelijke operationele richtsnoeren uit te werken in verband met de rol van contactpunten voor de mensenrechten; dringt erop aan dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten ook wordt ondersteund door het diplomatieke personeel van de lidstaten; verzoekt dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten onafhankelijk en vrij is van politieke inmenging en intimidatie door nationale autoriteiten van derde landen, met name in hun contacten met mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld; staat erop dat al het personeel van EU‑delegaties opleiding krijgt over de inhoud van de EU‑richtsnoeren over mensenrechten;

24.  is verheugd over de toegenomen begroting en de gestroomlijnde procedures van het EIDHR voor de periode 2014‑2020 en dringt erop aan dat de geplande toewijzing voor de tussentijdse evaluatie van het EIDHR blijft behouden voor de rest van het huidig meerjarig financieel kader; wijst nogmaals op de noodzaak van samenhang en complementariteit tussen de verschillende financieringsinstrumenten van de EU, en herhaalt dat alle instrumenten die de mensenrechten dienen op deze wijze moeten worden versterkt;

25.  dringt aan op een jaarlijkse goedkeuring van jaarlijkse actieprogramma's voor het EIDHR in plaats van, zoals onlangs nog, een tweejaarlijks goedkeuring (2016‑2017), om maximale flexibiliteit te waarborgen in reactie op veranderende situaties en optimale complementariteit te garanderen met de andere EU‑financieringsinstrumenten voor het externe optreden;

Mensenrechtendialogen en overleg

26.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor specifieke mensenrechtendialogen en stelt vast dat ze een efficiënt en doeltreffend instrument voor bilaterale betrekkingen en samenwerking kunnen zijn, op voorwaarde dat beide partijen de mogelijkheid krijgen inhoudelijke kwesties aan te snijden en politieke boodschappen van betekenis over te brengen, dat deze dialogen resultaatgericht zijn en een consequente follow‑up krijgen en dat hierin niet louter informatie wordt uitgewisseld over beste praktijken en problemen; verzoekt de EU om in alle mensenrechtendialogen systematisch discussies op te nemen over de situatie van de rechten van vrouwen en kinderen;

27.  is zich ervan bewust dat het belangrijk is ook met landen die gekenmerkt worden door ernstige mensenrechtenproblemen specifieke mensenrechtendialogen aan te gaan; onderstreept echter dat de EU duidelijke politieke conclusies moet trekken wanneer deze mensenrechtendialogen niet de verhoopte resultaten opleveren; waarschuwt ervoor discussies over mensenrechten niet op het tweede plan te schuiven in politieke dialogen op hoog niveau;

28.  benadrukt dat discussies over mensenrechten nooit ondergeschikt mogen zijn aan andere belangen in politieke discussies op hoog niveau; herhaalt zijn oproep aan het adres van de EDEO om een mechanisme te ontwikkelen voor het evalueren van mensenrechtendialogen, met als doel ze te kunnen verbeteren; is van mening dat alternatieve instrumenten ter ondersteuning van de bevordering van mensenrechten moeten worden gebruikt indien deze dialogen in een bepaald land voortdurend mislukken;

29.  spoort de EDEO aan stelselmatig voorbereidende dialogen te voeren met het maatschappelijk middenveld, ook op lokaal niveau, met als doel deze rechtstreeks te laten doorsijpelen in de mensenrechtendialogen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de VV/HV en de EDEO individuele zaken van mensenrechtenverdedigers systematisch aankaarten tijdens mensenrechtendialogen; verzoekt de EDEO stelselmatig na te gaan of de toezeggingen die tijdens mensenrechtendialogen zijn gedaan ook worden nagekomen en om systematisch bijeen te komen met organisaties uit het maatschappelijk middenveld om hen op de hoogte te houden;

EU-richtsnoeren inzake mensenrechten

30.  is verheugd over de EU‑richtsnoeren inzake mensenrechten als een waardevol EU‑instrument van het buitenlands beleid inzake mensenrechten waarin praktische aanwijzingen zijn opgenomen voor EU‑delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten; herhaalt zijn oproep om onverwijld nieuwe EU‑richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind aan te nemen;

31.  wijst er met klem op hoe belangrijk het is de uitvoering van de richtsnoeren voortdurend te evalueren aan de hand van duidelijke benchmarks; dringt er bij de Commissie op aan om een grondige evaluatie van de toepassing van de richtsnoeren door EU‑delegaties en diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten in alle derde landen uit te voeren en te publiceren om mogelijke verschillen en lacunes in de toepassing ervan op te sporen en te verhelpen; is van mening dat het personeel van de EDEO en de EU‑delegaties stelselmatig en op doeltreffende wijze moet worden opgeleid om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren naar behoren worden toegepast;

De strijd tegen alle vormen van discriminatie

32.  veroordeelt alle vormen van discriminatie in de meest krachtige bewoordingen, met inbegrip van discriminatie op grond van ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, genderidentiteit, taal, cultuur, godsdienst of overtuiging, sociale afkomst, kaste, geboorte, leeftijd, handicap of gelijk welke andere status; herhaalt zijn oproep voor een sterker Europees beleid en krachtigere Europese diplomatie die erop gericht zijn alle vormen van discriminatie uit te bannen en elke gelegenheid te baat te nemen om zich ernstig bezorgd te tonen over dergelijke discriminatie; dringt er bij de EU voorts op aan te blijven ijveren voor de ratificatie en volledige tenuitvoerlegging van alle relevante VN‑Verdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; is verheugd over het werk van de EDEO met betrekking tot het opstellen van een antidiscriminatiehandboek;

Missies en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)

33.  brengt de belofte van de EU in herinnering om mensenrechten- en genderaspecten te integreren in missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, overeenkomstig de cruciale resoluties 1325 en 1820 van de VN‑Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid en de recent aangenomen resolutie 2242 van de VN‑Veiligheidsraad waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde problemen; herhaalt in dit verband zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om in het proces van de totstandbrenging van duurzame verzoening de stelselmatige deelname van vrouwen als essentieel onderdeel van een vredesproces te ondersteunen; verzoekt de EU in dit verband om op internationaal niveau te ijveren voor de erkenning van de toegevoegde waarde van de deelname van vrouwen aan de preventie en oplossing van conflicten, alsook aan vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening en wederopbouw na afloop van conflicten;

34.  benadrukt dat het GVDB een instrument is dat niet alleen de Europese veiligheid waarborgt, maar ook deel uitmaakt van de instrumenten voor het buitenlands beleid van de EU en derhalve moet worden gebruikt de mensenrechten en democratie in derde landen nog meer te bevorderen;

35.  dringt aan op een verdere Europese militaire integratie om de paraatheid en flexibiliteit van de Europese strijdkrachten te verbeteren, zodat ze kunnen reageren op dreigingen en in gevallen van ernstige schendingen van de mensenrechten, genocide of etnische zuiveringen; benadrukt in dit verband dat het concept "verantwoordelijkheid om te beschermen" moet worden geconsolideerd in het internationaal recht en dat de EU, als gemeenschap van waarden, de leiding moet nemen bij initiatieven en zinvolle acties om burgers te beschermen, ook wanneer zij worden bedreigd door hun eigen staat;

36.  onderstreept dat migrantensmokkel verband houdt met mensenhandel en een ernstige schending vormt van de rechten van de mens; herinnert eraan dat het opzetten van missies, zoals de militaire operatie van de Europese Unie in het zuidelijke deel van het centrale Middellandse Zeegebied (EUNAVFOR MED operation SOPHIA), een doeltreffende methode is om migrantensmokkel te bestrijden; verzoekt de Unie dit soort operaties voort te zetten en te intensiveren;

37.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de VV/HV de hoofden van EU‑missies en bevoegde EU‑vertegenwoordigers (hoofden van civiele EU‑operaties, bevelhebbers van militaire EU‑operaties en speciale EU‑vertegenwoordigers) te vragen gevallen van ernstige schending van het IHR te melden en te ijveren voor het volgen van de gedragscode met betrekking tot maatregelen van de Veiligheidsraad tegen genocide, misdaden tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden, waarmee de VN‑lidstaten zich ertoe verbinden het optreden van de Veiligheidsraad ter voorkoming of beëindiging van dergelijke misdaden te steunen; dringt erop aan om in alle civiele en militaire operaties van de EU waarbij sprake is van contact met kinderen beleidsmaatregelen voor de bescherming van kinderen te integreren;

38.  vraagt dat de EU intensiever samenwerkt met de VN in de context van het formuleren van een gemeenschappelijke strategische visie op veiligheid op basis van de nieuwe mondiale strategie van de EU voor buitenlands en veiligheidsbeleid enerzijds en de evaluatie van de VN van de eigen vredesoperaties en architectuur voor vredesopbouw anderzijds; staat erop dat er met de VN wordt samengewerkt voor het versterken van de rol en de capaciteit van regionale en subregionale organisaties met betrekking tot vredeshandhaving, conflictpreventie, civiel en militair crisisbeheer en conflictoplossing, en dat procedures om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid in te schakelen ter ondersteuning van VN‑operaties, onder meer door de inzet van EU‑gevechtstroepen of door capaciteitsopbouw en initiatieven in het kader van de hervorming van de veiligheidssector, verder worden uitgewerkt, terwijl mensenrechten en gender worden geïntegreerd in de werkzaamheden van de missie en de operatie;

Multilateraal engagement voor de mensenrechten

39.  stelt nogmaals klaar en duidelijk dat alle door VN‑verdragen beschermde mensenrechten universeel, ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden zijn, zoals overeengekomen in de verklaring en het actieprogramma van Wenen van 1993, en dat de eerbiediging van deze rechten moet worden afgedwongen; wijst nogmaals op de verbintenis van de Unie om in het kader van de VN internationaal recht te bevorderen en uit te werken; benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten alle door de VN vastgestelde internationale mensenrechteninstrumenten ratificeren, met inbegrip van de instrumenten die verankerd zijn in het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met name in het facultatief protocol houdende de vaststelling van klachten- en onderzoeksmechanismen, in overeenstemming met artikel 21 VEU;

40.  onderstreept de noodzaak van EU‑leiderschap om aan te dringen op hervormingen van de VN met het oog op het versterken van de impact en de kracht van het op regels gebaseerde multilaterale stelsel en het zorgen voor een efficiëntere bescherming van de mensenrechten en de bevordering van het internationaal recht; herhaalt voorts hoe belangrijk het is te waarborgen dat de EU actief en consequent deelneemt aan de mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie, de Algemene Vergadering (AVVN) en de UNHRC, teneinde de geloofwaardigheid van de EU te vergroten; steunt de inspanningen van de EDEO, de EU‑delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de samenhang van het EU‑standpunt inzake mensenrechtenkwesties binnen de VN verder te vergroten; spoort de EU aan de praktijk van regio-overschrijdende initiatieven te intensiveren, op te treden als initiatiefnemer en mede-indiener van resoluties en nauw toe te zien op de procedure van de universele periodieke doorlichting (UPR); veroordeelt het feit dat in de UNHRC vaak landen zitting nemen waarvan bewezen is dat zij verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen en verzoekt de EU‑lidstaten hun stemgedrag in de UNHRC openbaar te maken; verzoekt de EU en haar lidstaten in dit verband ervoor te zorgen dat het gelijke belang van rechten zichtbaar is in hun stemgedrag en zich bij de stemming over UNHRC-resoluties te baseren op de inhoud in plaats van op de indieners van deze teksten; onderstreept het belang en de noodzaak van een permanente vertegenwoordiging van de EU in alle multilaterale fora en van een grotere zichtbaarheid voor het optreden van de EU;

41.  verzoekt de EU bijzondere aandacht te besteden aan de omstreden gebieden van haar oostelijk nabuurschap, waar ongeveer vijf miljoen mensen leven zonder daadwerkelijke bescherming van hun mensenrechten en zonder toegang tot de rechter; verzoekt de EU deze kwestie bovenaan de bilaterale agenda te plaatsen om oplossingen te vinden met de betrokken staten, en gebruik te maken van haar volledige arsenaal aan instrumenten om concrete oplossingen te ondersteunen om de mensenrechten in deze entiteiten te bevorderen en er het werk van mensenrechtenverdedigers te steunen;

Bevordering van een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers

42.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit van aanvallen, intimidatie, arrestaties, moord, pesterijen of onderdrukking ten aanzien van aanklagers, rechters, advocaten, academici en journalisten of van leden van andere beroepsgroepen die qua onafhankelijkheid en professionele vrijheid van essentieel belang zijn voor het opbouwen van een democratische samenleving;

43.  betreurt het toenemende aantal aanvallen tegen milieuactivisten en mensenrechtenverdedigers overal ter wereld; verzet zich hevig tegen straffeloosheid met betrekking tot moord op deze mensen en verzoekt de EDEO zich te scharen achter eisen om de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen;

44.  veroordeelt ten stelligste dat er de laatste tijd in vele landen over de hele wereld strikte ngo-wetgeving is ingevoerd die tot een verzwakking van het maatschappelijk middenveld leidt en zich leent tot willekeurige toepassing, met straffen zoals vrijheidsberoving, de bevriezing van activa en een inreisverbod voor ngo-personeel, met name ten aanzien van ngo's die financiering van buitenlandse overheden ontvangen;

45.  veroordeelt ten stelligste dat autoriteiten reisverboden opleggen als middel om de onafhankelijke stemmen van mensenrechtenverdedigers en activisten, advocaten en journalisten het zwijgen op te leggen en benadrukt dat deze maatregelen vaak willekeurig en zonder gerechtelijke motivering worden genomen;

46.  beklemtoont de rol van EU‑delegaties bij het opnieuw bekrachtigen en bevorderen van de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld in een democratie en bij het scheppen van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld en vraagt hen zoveel mogelijk transparantie aan de dag te leggen en naar inclusie te streven in hun samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers; betreurt daarom dat tien jaar na de goedkeuring van de EU‑richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers de contactgegevens van contactpunten voor de mensenrechten / verbindingsfunctionarissen voor mensenrechtenverdedigers nog steeds niet op alle websites van EU‑delegaties terug te vinden zijn;

47.  verzoekt de VV/HV en de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU om in de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken op regelmatige basis plaats te maken voor een debat over de inspanningen van de EU ten aanzien van de vrijlating van mensenrechtenverdedigers, hulpverleners, journalisten, politieke activisten en anderen, en om jaarlijks een openbare vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken te organiseren, waarin de steeds kleiner wordende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers op de agenda staan, alsook om deze zaken bij elke gelegenheid ter sprake te brengen in contacten met de desbetreffende gesprekspartners, met inbegrip van de zaken die aan bod komen in resoluties van het Parlement naar aanleiding van debatten over schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

48.  verzoekt de internationale gemeenschap politieke leiders voor het gerecht te brengen indien zij zich schuldig maken aan machtsmisbruik door het stelselmatig inzetten van het politie- en militaire apparaat om stemmen van verzet tegen (het verlengen van) hun leiderschap het zwijgen op te leggen;

Migranten, vluchtelingen, asielzoekers en intern ontheemden (IDP's)

49.  verklaart zich solidair met de vluchtelingen en migranten die in groten getale te lijden hebben onder ernstige schendingen van de mensenrechten als slachtoffer van conflicten, bestuurlijke tekortkomingen en netwerken voor mensenhandel; spreekt zijn afkeuring uit over het dramatisch aantal personen dat de dood heeft gevonden op de Middellandse Zee; is uiterst bezorgd over het toenemende aantal mensenrechtenschendingen ten aanzien van vluchtelingen, irreguliere migranten en asielzoekers op weg naar Europa; benadrukt dat de vrouwen en kinderen onder de vluchtelingen, asielzoekers en migranten zonder papieren bijzonder kwetsbaar zijn op migratieroutes en in de EU zelf; doet een dringende oproep tot het nemen van maatregelen om de samenhang in het migratiebeleid te verbeteren en benadrukt dat er behoefte is aan een holistische benadering om duurzame en coherente oplossingen voor de lange termijn te vinden die berusten op internationale normen en beginselen inzake mensenrechten en waarmee de onderliggende oorzaken van de vluchtelingencrisis worden aangepakt; onderstreept dat er solidariteit nodig is om migranten en vluchtelingen te beschermen, in overeenstemming met op mensenrechten gebaseerd EU‑beleid; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en migranten;

50.  onderstreept dat conflicten, oorlogen, falend bestuur en het gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten en democratie belangrijke oorzaken zijn van migratie en ontheemding; benadrukt dat gastlanden moeten zorgen voor een volledige toegang tot gratis, openbare en kwaliteitsvolle dienstverlening voor onderwijs en gezondheidszorg, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, toegang tot de arbeidsmarkt en tot huisvesting die voldoet aan de behoeften van vluchtelingen; beklemtoont dat de bereidheid van migranten en vluchtelingen om te integreren, in combinatie met een geschikt welzijnsbeleid, van wezenlijk belang is voor integratie; verzoekt de EU meer inspanningen te leveren om Libanon en Jordanië te ondersteunen, aangezien deze twee landen een ongezien aantal vluchtelingen opvangen die vaak te maken krijgen met meervoudige bedreigingen;

51.  benadrukt dat het noodzakelijk is de samenwerking met landen van herkomst en doorreislanden te versterken ter bevordering van een gestructureerd beheer van migratiestromen en van maatregelen om de onderliggende oorzaken van emigratie aan te pakken; onderstreept dat het cruciaal is de strijd aan te gaan met groepen die zich bezighouden met migrantensmokkel; wijst erop dat de EU de betrokken landen moet aansporen het Protocol van Palermo tegen migrantensmokkel te ondertekenen; herinnert aan de verbintenissen waarover op de top van Valletta overeenstemming is bereikt;

52.  benadrukt dat er dringend behoefte is aan de ontwikkeling en invoering van een uitgebreid, samenhangend en goed gecoördineerd gemeenschappelijk Europees asielstelsel waarin de verantwoordelijkheid wordt verdeeld over de lidstaten;

53.  verzoekt de EU en de lidstaten volledige transparantie aan de dag te leggen met betrekking tot de middelen die aan derde landen worden toegekend voor de samenwerking op het gebied van migratie, en mee te delen welke waarborgen zijn vastgesteld om ervoor te zorgen dat veiligheidsdiensten, politiediensten en rechtsstelsels die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen niet direct of indirect voordeel halen uit een dergelijke samenwerking;

54.  neemt kennis van het recente Commissievoorstel voor een EU‑lijst van veilige landen van herkomst, tot wijziging van de richtlijn asielprocedures;

55.  is van oordeel dat er in plaats van bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen beter nieuwe EU‑overnameovereenkomsten zouden worden gesloten om ervoor te zorgen dat overnames doeltreffender verlopen en de coherentie van het terugkeerbeleid op Europees niveau wordt gewaarborgd;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van de terugkeerrichtlijn gepaard gaat met naleving van de procedures, normen en fundamentele mensenrechten die de EU in staat stellen een humane en waardige behandeling van teruggekeerde migranten te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van non‑refoulement; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan asielaanvragen die verband houden met mogelijke politieke vervolging, om te voorkomen dat personen worden teruggestuurd die mogelijk te maken kunnen krijgen met een schending van de mensenrechten in hun land van herkomst of in een derde land;

57.  herhaalt zijn verzoek aan de EU om ervoor te zorgen dat alle overeenkomsten op het gebied van migratie, samenwerking en overname met landen buiten de EU stroken met de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het internationaal zeerecht, alsook met de beginselen en waarden van de EU; verzoekt de lidstaten het internationale beginsel van non‑refoulement in acht te nemen, in overeenstemming met het internationaal recht; vraagt dat toezichtsmechanismen zodanig worden geïntegreerd dat kan worden beoordeeld wat de gevolgen voor de mensenrechten zijn van samenwerking op het gebied van migratie met landen buiten de EU en van maatregelen inzake grenscontrole; dringt erop aan dat de mensenrechten in alle activiteiten van Frontex worden geïntegreerd en bewaakt; verzoekt de EU actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke juridische definitie ervan in het internationaal recht;

58.  dringt bovendien aan op een clausule waarin wordt aangegeven dat deze overeenkomsten kunnen worden opgeschort totdat de partijen daadwerkelijk voldoende waarborgen bieden ten aanzien van de individuele beoordeling van asielaanvragen en, meer in het algemeen, de eerbiediging van de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen;

59.  wijst er nogmaals op dat het beginsel van non-refoulement in Europese en internationale wateren moet worden nageleefd, zoals is bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in bestaande EU‑wetgeving; herinnert aan het engagement om parallel met een betere bescherming van de buitengrenzen van de EU ook adequate legale en veilige migratiekanalen te ontwikkelen; verzoekt de Unie en de meest ontwikkelde derde landen partnerschapsovereenkomsten met andere landen te sluiten ter bevordering van gezinshereniging en mobiliteit voor alle vaardigheidsniveaus, ook de minst gekwalificeerde;

60.  verzoekt de lidstaten om het aangenomen gemeenschappelijke asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving van de EU na te leven en volledig ten uitvoer te leggen, met name om kwetsbare asielzoekers zoals kinderen, vrouwen, ouderen en LGBTI's te beschermen tegen geweld en discriminatie tijdens de asielprocedure, en om te voorzien in passende opleiding voor de lidstaten om geschikte en redelijke procedures mogelijk te maken; verzoekt de lidstaten deel te nemen aan hervestigingsprogramma's, toegang te geven tot gezinshereniging en humanitaire visa te verlenen; benadrukt dat het belangrijk is iets te doen aan de administratieve en politieke belemmeringen voor een snelle uitvoering van de verbintenissen inzake herplaatsing; begrijpt dat de veilige terugkeer van degenen die na individuele beoordeling van hun asielaanvraag niet voor bescherming in de Unie in aanmerking komen, moet worden uitgevoerd;

61.  is diep verontrust over het groeiende aantal kinderen onder de vluchtelingen en over de situatie van kinderen zonder begeleider en kinderen die vermist of van hun familie gescheiden zijn; dringt er bij de lidstaten op aan de snelle hereniging van minderjarigen zonder begeleider met familieleden tot absolute prioriteit te verheffen; benadrukt dat het belangrijk is kinderen toegang te bieden tot gezondheidszorg en onderwijs als onderdeel van EU‑programma's om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken; verzoekt de lidstaten een einde te maken aan de opsluiting van kinderen, rekening te houden met de belangen van het kind in alle procedures en te zorgen voor de bescherming van kinderen overeenkomstig het internationaal recht; wijst op het belang van het toewijzen van adequate middelen om kinderen onder de vluchtelingen en de migranten te beschermen tegen geweld, uitbuiting en misbruik; verzoekt de Commissie te waarborgen dat minderjarigen zonder begeleider niet verdwijnen en een strategie te ontwikkelen om in de toekomst te voorkomen dat minderjarige migranten zonder begeleider vermist raken op EU‑grondgebied en om vermiste kinderen terug te vinden;

62.  erkent dat LGBTI-asielzoekers tijdens hun reis en bij aankomst in het land waar zij asiel aanvragen vaak worden blootgesteld aan bijkomende gevaren in de vorm van bijvoorbeeld intimidatie, uitsluiting, seksueel geweld of andere vormen van geweld; herinnert eraan dat LGBTI's in een aantal landen die zijn aangemerkt als "veilig" voor asielzoekers worden gediscrimineerd of dat homoseksualiteit er zelfs strafbaar is; benadrukt dat kwetsbare groepen bijkomende waarborgen nodig hebben en verzoekt staten ervoor te zorgen dat LGBTI-vluchtelingen worden beschermd overeenkomstig het IHR;

63.  wijst erop dat het belangrijk is te investeren in preventieve maatregelen, en wel door de ontwikkeling van strategieën voor integratie en sociale inclusie; benadrukt dat het noodzakelijk is om specifieke programma's voor deradicalisering en re‑integratie ten uitvoer te leggen met terugkerende migranten als doelgroep;

64.  vestigt de aandacht op de problematische situatie van vluchtelingen in de buurlanden van Syrië en is van mening dat het belangrijk is dat de EU alles in het werk stelt om ervoor te helpen zorgen dat vluchtelingen in deze landen verzekerd zijn van behoorlijke leefomstandigheden, en met name van de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en werkgelegenheid;

65.  wijst op de dramatische situatie van intern ontheemden (IDP's), met name van het enorme aantal IDP's in Irak en Syrië, alsook het toenemende aantal IDP's in Oekraïne, die in 2015 in totaal met 1,4 miljoen waren; benadrukt dat ook het mogelijke lot van IDP's moet worden erkend en een plaats moet krijgen in programma's met betrekking tot vluchtelingen in een regio; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de internationale gemeenschap maatregelen te nemen om hun situatie op het terrein te verbeteren en ervoor te zorgen dat ontheemden huisvesting, voedsel, gezondheidszorg en onderwijs krijgen;

66.  herinnert eraan dat alleen al in 2015 volgens het Internal Displacement Monitoring Centre (IDMC) 19,3 miljoen mensen ontheemd raakten als gevolg van milieurampen; herinnert eraan dat deze vorm van ontheemding vooral plaatsvindt in zuidelijke regio's; wijst erop dat 85 % van die ontheemdingen plaatsvindt in ontwikkelingslanden, voornamelijk binnen één land of delen van landen;

Mensenhandel

67.  verzoekt de EU de strijd tegen de mensenhandel uit te roepen tot prioriteit van het extern beleid en daarbij zowel de vraag- als de aanbodzijde van het verschijnsel aan te pakken, bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van slachtoffers en te zorgen voor een betere communicatie en samenwerking met de relevante spelers in de strijd tegen mensenhandel; herhaalt nogmaals dat alle lidstaten Richtlijn 2011/36/EU en de EU‑strategie voor de uitroeiing van mensenhandel ten uitvoer moeten leggen;

68.  herinnert eraan dat criminele netwerken profiteren van de toenemende migratiedruk, het gebrek aan veilige migratiekanalen en de kwetsbaarheid van migranten en vluchtelingen, met name vrouwen, meisjes en kinderen, om hen tot slachtoffer te maken van mensensmokkel, mensenhandel, slavernij en seksuele uitbuiting;

69.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan aandacht te besteden aan het identificeren van vluchtelingen en migranten als slachtoffers van mensenhandel of als slachtoffers van schendingen en misbruik in het kader van smokkel; dringt in deze context aan op opleidingen voor grenswachters om een zorgvuldige identificatie te kunnen waarborgen, hetgeen essentieel is voor het verwezenlijken van de rechten waarop slachtoffers wettelijk recht hebben;

70.  is ingenomen met de uitbreiding van de middelen voor de operaties Triton en Poseidon; neemt kennis van de lancering van de EUNAVFOR MED operation SOPHIA tegen mensensmokkelaars en mensenhandelaren in het Middellandse Zeegebied en is voorstander van de versterking van het beheer van de buitengrenzen van de Unie;

71.  verzoekt de EU en de lidstaten het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

Het verband tussen ontwikkeling, democratie en mensenrechten

72.  uit zijn diepe bezorgdheid over de toename van extreme armoede en ongelijkheid in bepaalde delen van de wereld waardoor de volledige uitoefening van alle mensenrechten in het gedrang komt; is van mening dat de eerbiediging van de mensenrechten en het recht op ontwikkeling intrinsiek met elkaar verbonden zijn; benadrukt dat de eerbiediging van mensenrechten, met inbegrip van sociale en economische rechten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, goed bestuur, de eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat, vrede en veiligheid absolute voorwaarden zijn voor de uitroeiing van armoede en ongelijkheid;

73.  toont zich verheugd over de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; beklemtoont dat EU‑ontwikkelingssamenwerking met derde landen gericht moet zijn op de totstandbrenging van een internationaal klimaat dat bevorderlijk is voor de verwezenlijking van sociale en economische rechten, en dringt aan op de tenuitvoerlegging van de VN‑Verklaring over het recht op ontwikkeling van 1986; wijst nogmaals op het cruciale belang van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), zoals verankerd in artikel 208 VWEU, om de eerbiediging van de mensenrechten tot stand te brengen; verzoekt de EU ervoor te zorgen dat PCD door middel van de noodzakelijke richtsnoeren, effectbeoordelingen en toezichts- en verslagleggingsmechanismen daadwerkelijk doorklinkt in het beleid van de EU en van de lidstaten; is van mening dat de tenuitvoerlegging van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), zoals verankerd in artikel 208 VWEU, en duidelijk omschreven kaders in alle EU‑instrumenten en mensenrechtenmechanismen van cruciaal belang zijn om de Agenda 2030 te verwezenlijken, te zorgen voor de inclusie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen en een op mensenrechten gebaseerde benadering te integreren; dringt aan op een betere coherentie en coördinatie van alle externe beleidsmaatregelen en -instrumenten van de EU bij de tenuitvoerlegging van de op rechten gebaseerde benadering; verzoekt de lidstaten om binnen het kader van hun bevoegdheden maatregelen te nemen en zich hierbij te houden aan de toezeggingen op het gebied van ontwikkeling die zij zijn aangegaan en aan het EU‑beleid ter zake; verzoekt de Commissie het gebruik van het instrumentarium voor een op rechten gebaseerde benadering in delegaties te evalueren en een overzicht van deze evaluatie aan het Parlement voor te leggen;

74.  brengt in herinnering dat in het EU‑ontwikkelingsbeleid een op rechten gebaseerde benadering wordt ingevoerd, die tot doel heeft de mensenrechtenbeginselen te integreren in de operationele ontwikkelingsactiviteiten van de EU en van toepassing is op regelingen voor het synchroniseren van de activiteiten op het gebied van mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking, zowel in de hoofdkantoren als op het terrein; pleit voor een bredere verspreiding van het instrumentarium van de op rechten gebaseerde benadering onder onze partners, waaronder lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, en voor een nauwlettend toezicht door de Commissie op de toepassing ervan;

75.  is van oordeel dat mensenrechten voor iedereen de rode draad moeten vormen bij het behalen van alle doelstellingen en streefcijfers van de agenda 2030; pleit voor een inclusief en op rechten gebaseerd kader van indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen waarin rekening wordt gehouden met mensenrechten, dat op nationaal en internationaal niveau moet worden opgezet om een grote mate van transparantie en verantwoordingsplicht in dit opzicht te waarborgen, zodat de voor ontwikkeling bestemde middelen ook daadwerkelijk terechtkomen bij mensen in nood;

76.  bevestigt nogmaals dat het mondiale probleem van armoede en van aan ondervoeding gerelateerde en verwaarloosde ziekten dringend moet worden aangepakt; verzoekt om een ambitieuze politieke strategie voor de lange termijn en een actieplan inzake wereldgezondheid, innovatie en toegang tot geneesmiddelen waarin onder meer aandacht uitgaat naar investeringen in onderzoek en ontwikkeling, zodat het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is om de gezondheid en het welzijn van elk individu te verzekeren, wordt gewaarborgd zonder discriminatie op grond van ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale omstandigheden, genderidentiteit of seksuele geaardheid;

77.  uit zijn bezorgdheid over pogingen om middelen die bestemd zijn voor armoedebestrijding en ontwikkeling – waarmee ook concrete tenuitvoerlegging wordt gegeven aan beleid dat uiteindelijk bedoeld is voor de bescherming van de mensenrechten – voor niet-ontwikkelingsgerelateerde doelen te gebruiken; benadrukt dat ontwikkelingshulp gericht moet zijn op de uitbanning van armoede en niet louter een instrument mag worden voor het controleren van migratie, en herinnert aan het belang van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 inzake vrede, rechtvaardigheid en sterke instellingen voor het nastreven van verbeteringen op het vlak van de mensenrechten en doeltreffend democratisch bestuur; is van mening dat de transparantie van EU‑hulpverlening en de verantwoordingsplicht van de begunstigde landen alleen kunnen worden gewaarborgd als er een anticorruptieclausule wordt opgenomen in alle ontwikkelingsprogramma's, en dat de consolidering van de rechtsstaat, goed bestuur, institutionele capaciteit met behulp van begrotingssteun, democratische participatie en representatieve besluitvorming, stabiliteit, sociale rechtvaardigheid en inclusieve en duurzame groei, waardoor het mogelijk wordt de gegenereerde rijkdom op een billijke manier te herverdelen, hoofddoelstellingen zouden moeten zijn van al het externe beleid van de EU; waarschuwt voor populisme, extremisme en misbruik van de grondwet waarmee mensenrechtenschendingen worden gelegitimeerd;

78.  stelt vast dat er als gevolg van de toenemende humanitaire behoeften een aanhoudend financieringstekort blijft bestaan met betrekking tot humanitaire hulp en dat de tekortkomingen in het Wereldvoedselprogramma tot gevolg hebben dat er wordt gesnoeid in de voedselvoorraden; verzoekt de VN‑lidstaten, alsook de EU en haar lidstaten om ten minste hun financiële toezeggingen na te komen; stelt in dit verband vast dat de meeste EU‑lidstaten niet voldoen aan hun toezegging om 0,7 % van hun bbp aan ontwikkelingshulp te spenderen, maar is niettemin blij met de EU‑toezeggingen in verband met humanitaire hulp en civiele bescherming, waarvan de EU en haar lidstaten de grootste donor zijn;

79.  is verheugd over het nieuw Europees extern investeringsplan (EIP) en het trustfonds voor Afrika die tot doel hebben de onderliggende oorzaken van armoede, ongelijkheid en irreguliere migratie aan te pakken door groei en werkgelegenheid te genereren, alsook aan te sporen tot eerbiediging van de mensenrechten en particuliere investeringen in Afrika en het nabuurschap van de EU te stimuleren; vraagt dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling tijdelijk wordt ingezet in de buurlanden van de EU om bij te dragen aan de stabilisering van deze landen;

80.  is ingenomen met de opname van een hoofdstuk over ontwikkeling in het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015 en dringt erop aan dat dit ook voor de toekomstige jaarverslagen de gangbare praktijk wordt.

Handel, het bedrijfsleven en mensenrechten

81.  dringt aan op de snelle, doeltreffende en brede tenuitvoerlegging van de VN‑richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten; spoort alle VN‑lidstaten, met inbegrip van de EU‑lidstaten, aan nationale actieplannen uit te werken en ten uitvoer te leggen; is van mening dat handel en mensenrechten hand in hand kunnen gaan en dat voor het bedrijfsleven een belangrijke rol is weggelegd wat de bevordering van mensenrechten en democratie betreft;

82.  herhaalt dat met spoed op alle niveaus, zowel nationaal, Europees als internationaal, op aanhoudende, doeltreffende en samenhangende wijze moet worden gehandeld om mensenrechtenschendingen en corrupte praktijken door internationale ondernemingen daadwerkelijk aan te pakken wanneer ze zich voordoen en ervoor te zorgen dat deze ondernemingen ter verantwoording kunnen worden geroepen, onder meer door iets te doen aan de juridische problemen die het gevolg zijn van het extraterritoriale karakter van bedrijven en hun handelingen;

83.  verzoekt de VN, de EU en haar lidstaten het probleem van landroof en de behandeling van landrechtenverdedigers, die vaak het slachtoffer zijn van vergeldingsmaatregelen, onder meer via dreigementen, intimidatie, willekeurige arrestaties, geweld en moord, aan te kaarten bij multinationale en Europese ondernemingen;

84.  is zeer verheugd over de start van de voorbereidende werkzaamheden voor een bindend VN‑verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten; betreurt obstructieve houdingen met betrekking tot dit proces en verzoekt de EU en haar lidstaten op constructieve wijze aan deze onderhandelingen deel te nemen;

85.  wijst nogmaals op de verschillende maar aanvullende rollen van landen en bedrijven met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten; herinnert er met klem aan dat landen, in geval van schendingen van de mensenrechten, de slachtoffers toegang moeten geven tot een doeltreffende voorziening in rechte; brengt in dit verband in herinnering dat de eerbiediging van de mensenrechten door derde landen, waaronder het waarborgen van effectieve voorziening in rechte voor alle slachtoffers van dergelijke schendingen, een essentieel onderdeel vormt van de externe betrekkingen van de EU met deze landen; waardeert dat de EU een leidende rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van een aantal initiatieven voor mondiale verantwoordelijkheid, die gepaard gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen; is verheugd over de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten en over het verzoek van de Raad om toegang tot voorziening in rechte op te nemen in de nationale actieplannen (NAP's) inzake het bedrijfsleven en mensenrechten;

86.  herhaalt dat er aandacht nodig is voor de bijzondere kenmerken van kmo's, die voornamelijk op lokaal en regionaal niveau en binnen specifieke sectoren actief zijn; acht het daarom van fundamenteel belang dat er in het beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van de Unie, met inbegrip van de nationale MVO-actieplannen, naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van kmo's, dat dit beleid strookt met het "denk eerst klein"-principe en dat de informele en intuïtieve benadering van MVO die door kmo's wordt gehanteerd erkenning krijgt; verzet zich andermaal tegen alle maatregelen die tot meer administratieve of financiële lasten voor kmo's kunnen leiden, maar spreekt zijn steun uit voor maatregelen die kmo's in staat stellen gezamenlijk op te treden;

87.  richt zich tot de Commissie en de lidstaten om op alle niveaus beleidscoherentie met betrekking tot het bedrijfsleven en mensenrechten te waarborgen, in het bijzonder wat het handelsbeleid van de EU betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten regelmatig verslag uit te brengen over de maatregelen die zijn genomen om voor een daadwerkelijke bescherming van de mensenrechten te zorgen in de context van bedrijfsactiviteiten;

88.  dringt nogmaals sterk aan op de stelselmatige opname van mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, die zijn gesloten of zullen worden gesloten tussen de EU en derde landen; wijst bovendien op de noodzaak van mechanismen voor voorafgaande controle, die worden ingezet voordat een kaderovereenkomst wordt gesloten en die als fundamenteel onderdeel van de overeenkomst een voorwaarde vormen voor de sluiting ervan, alsook mechanismen voor controle achteraf waarmee concreet gevolg kan worden gegeven aan schendingen van deze clausules, zoals passende sancties als uiteengezet in de mensenrechtenclausules van de overeenkomst, waaronder (tijdelijke) opschorting van de overeenkomst;

89.  dringt erop aan dat er regelingen worden uitgewerkt om de naleving van de mensenrechten door zowel landen als ondernemingen te waarborgen, en dat er klachtenregelingen tot stand worden gebracht voor wie zijn rechten geschonden ziet door handels- en investeringsovereenkomsten;

90.  neemt kennis van het wetgevingsvoorstel van de Commissie van 28 september 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 betreffende de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik (COM(2016)0616), dat erop is gericht deze controle te versterken, aangezien bepaalde goederen en technologieën kunnen worden misbruikt om de mensenrechten ernstig te schenden;

91.  is verheugd dat er eensgezindheid is over een actualisering van de EU‑regeling voor controle op de uitvoer met betrekking tot goederen die gebruikt kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en dringt aan op een daadwerkelijke en volledige tenuitvoerlegging van deze cruciale wetgeving; spoort de EU en haar lidstaten aan om derde landen te stimuleren vergelijkbare wetgeving aan te nemen en om een initiatief te lanceren voor het bevorderen van een internationaal kader inzake folterwerktuigen en de doodstraf; is ingenomen met het initiatief voor een regeling tot oprichting van een systeem van zorgvuldigheidseisen in de toeleveringsketen voor de verantwoorde winning van mineralen uit conflictgebieden; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de EU‑wetgeving inzake de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren; benadrukt dat het voor het Parlement prioritair is mensenrechten te hanteren als criterium voor uitvoervergunningen en verzoekt de lidstaten eindelijk overeenstemming te bereiken over een omschakeling naar een moderner, flexibeler en sterker op mensenrechten gebaseerd uitvoerbeleid; verzoekt de lidstaten striktere en meer op de mensenrechten gebaseerde controles op de wapenuitvoer te verrichten, met name in het geval van landen waarvan is bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan gewelddadige binnenlandse onderdrukking en mensenrechtenschendingen;

92.  is verheugd over de goedkeuring van de nieuwe handelsstrategie van de Commissie, getiteld "Handel voor iedereen", waarin zij ernaar streeft mensenrechten te integreren in het handelsbeleid en de positie van de EU als handelsblok te gebruiken om de mensenrechten in derde landen op te krikken; benadrukt dat dit een volledige consistentie en complementariteit van initiatieven op het gebied van handels- en buitenlands beleid vergt, met inbegrip van een nauwe samenwerking tussen de verschillende directoraten-generaal, de EDEO en de autoriteiten van de lidstaten; neemt kennis van de plannen van de Commissie om de Europese economische diplomatie te versterken en benadrukt dat handelsbeleid ook moet bijdragen aan duurzame groei in derde landen; verzoekt de Commissie alle belanghebbende partijen te betrekken bij de discussie over het regelgevingskader en de zakelijke verplichtingen in landen waar particuliere en openbare investeringen waarschijnlijk zullen toenemen; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat projecten die door de EIB worden ondersteund in overeenstemming zijn met het EU‑beleid en pleit voor betere controles achteraf ter beoordeling van de economische, sociale en milieueffecten van door de EIB ondersteunde projecten;

93.  is verheugd over de nieuwe verordening betreffende een schema van algemene preferenties (SAP), die op 1 januari 2014 in werking is getreden, en beschouwt deze als een zeer belangrijk instrument voor het EU‑handelsbeleid ter bevordering van de mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur in kwetsbare ontwikkelingslanden; waardeert met name dat in het kader van SAP+ verleende handelsvoordelen inherent en wettelijk afhankelijk zijn van de permanente uitvoering van de internationale mensenrechtenverdragen; is ingenomen met de publicatie van het eerste tweejaarlijkse verslag van de Commissie over de stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de SAP+‑regeling en met de dialoog die met het Parlement is gevoerd alvorens het verslag werd gepubliceerd; stelt vast dat er melding is gemaakt van schendingen van fundamentele arbeidsnormen in een aantal landen met SAP+‑status en dringt aan op een echte handhaving van de SAP+‑regeling; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof op te nemen in de lijst van verdragen die vereist zijn voor de SAP+‑status, en richt zich tot SAP+‑aanvragers die geen partij zijn bij dit statuut om het te ratificeren;

94.  is verheugd dat bijzonder voordelige handelspreferenties zijn toegekend aan 14 landen in het kader van de nieuwe SAP+‑regeling, die sinds 1 januari 2014 in werking is getreden, en is evenzeer verheugd over de naleving van 27 internationale verdragen (waaronder verdragen over fundamentele mensenrechten en arbeidsrechten), waarop sterk werd aangedrongen;

95.  dringt nogmaals sterk aan op uitgebreide, voorafgaande mensenrechteneffectbeoordelingen, waarin op inhoudelijke wijze rekening wordt gehouden met de standpunten van het maatschappelijk middenveld, voor alle handels- en investeringsovereenkomsten;

96.  is weliswaar ingenomen met de aanneming van nieuwe richtsnoeren inzake de analyse van de invloed van mensenrechten op de effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven(60) , maar is erg verontrust door de kwaliteit van de mensenrechtenoverwegingen in de duurzaamheidseffectbeoordeling van de investeringsbeschermingsovereenkomst EU‑Myanmar en door het feit dat de Commissie geen mensenrechteneffectbeoordeling heeft verricht voor de vrijhandelsovereenkomst EU‑Vietnam; spreekt nogmaals zijn steun uit voor een uitgebreide beoordeling die wordt verricht als onderdeel van de evaluatie achteraf van deze overeenkomsten;

Sport en mensenrechten

97.  maakt zich zorgen over de toekenning van de organisatie van megasportevenementen aan landen met een erg povere staat van dienst wat mensenrechten betreft, bijvoorbeeld de FIFA-Wereldbeker van 2018 in Rusland en die van 2022 in Qatar en de Olympische Spelen van 2022 in Peking, alsook over mensenrechtenschendingen als gevolg van megasportevenementen, waaronder gedwongen uitzettingen zonder raadpleging of vergoeding van de betrokken bewoners, de uitbuiting van kwetsbare groepen als kinderen en arbeidsmigranten, die als slavernij kan worden aangemerkt, en het monddood maken van organisaties uit het maatschappelijk middenveld die dergelijke mensenrechtenschendingen aan de kaak stellen; verzoekt het Internationaal Olympisch Comité en de Wereldvoetbalbond (FIFA) hun praktijken in overeenstemming te brengen met de idealen van de sport door waarborgen in te stellen om alle mensenrechtenschendingen in verband met megasportevenementen te voorkomen, om toezicht te houden op dergelijke schendingen en te voorzien in rechtsmiddelen; dringt aan op de ontwikkeling van een EU‑beleidskader inzake sport en mensenrechten; verzoekt de EU en haar lidstaten te overleggen met nationale sportfederaties, actoren uit het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld over de voorwaarden voor hun deelname aan dergelijke evenementen;

Personen met een handicap

98.  is verheugd over de nieuwe doelstellingen 12 en 16, en met name doelstelling 16, letter f, in de conclusies van de Raad over het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015‑2019) en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap systematisch ter sprake wordt gebracht in mensenrechtendialogen met derde landen; merkt op dat rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de behoeften van personen met een handicap in het kader van inspanningen ter bestrijding van discriminatie; dringt erop aan dat de doeltreffendheid van projecten op het gebied van handicaps grondig wordt beoordeeld en dat op passende wijze wordt overlegd met gehandicaptenorganisaties bij de planning en uitvoering van deze projecten;

99.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat personen met een handicap daadwerkelijk kunnen genieten van het recht op vrij verkeer in openbare ruimten en dus gelijke kansen hebben om deel te nemen aan het openbare leven;

100.  vraagt nadrukkelijk om de mensenrechten van personen met een handicap te integreren in het gehele externe beleid en alle externe maatregelen van de EU, met name in het migratie- en vluchtelingenbeleid van de EU, zodat een passend antwoord wordt geboden op hun specifieke behoeften, aangezien zij meervoudige discriminatie ondervinden; brengt in herinnering dat vrouwen en kinderen met een handicap te kampen hebben met meervoudige discriminatie en vaak een groter risico lopen om het slachtoffer te worden van geweld, misbruik, mishandeling of uitbuiting; is een sterke voorstander van de aanbeveling een genderperspectief te integreren in alle EU‑strategieën inzake handicaps, ook in het externe beleid en optreden;

101.  spoort de VV/HV aan steun te blijven verlenen aan het ratificerings- en uitvoeringsproces van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in landen die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd of ten uitvoer hebben gelegd; merkt op dat de EU het goede voorbeeld moet geven door zelf het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap daadwerkelijk toe te passen; verzoekt de EU een leidende rol te vervullen bij de uitvoering van een inclusieve Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die ervoor zou zorgen dat niemand wordt uitgesloten, zoals aanbevolen door het Comité voor het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in de afsluitende opmerkingen van zijn verslag over de uitvoering van het verdrag in de EU;

Rechten van vrouwen en kinderen

102.  is ingenomen met de goedkeuring van het genderactieplan (2016‑2020), dat een uitgebreide lijst bevat van acties ter verbetering van de situatie van vrouwen op het gebied van gelijke rechten en empowerment; benadrukt dat het genderactieplan samen met het actieplan inzake mensenrechten en democratie moet worden uitgevoerd, om ervoor te zorgen dat vrouwenrechten als zodanig worden erkend; is ook blij met de goedkeuring van het strategisch engagement voor gendergelijkheid (2016‑2019), ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en van de rechten van vrouwen overal ter wereld; bevestigt nogmaals dat er met betrekking tot de rechten van vrouwen geen toegevingen mogen worden gedaan uit achting voor specifieke voorschriften van een godsdienst of overtuiging; vraagt dat de EU vaart zet achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en toezeggingen op het vlak van vrouwenrechten in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het actieprogramma van Peking, de verklaring van Caïro inzake bevolking en ontwikkeling en de respectieve beoordelingen van hun resultaten, en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het acquis van de actieprogramma's van Peking en Caïro betreffende de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als een fundamenteel mensenrecht en de bescherming van seksuele en reproductieve rechten, en dat wordt gewaarborgd dat vrouwelijke slachtoffers van verkrachting in functie van oorlog alle noodzakelijke, veilige medische en psychologische zorgen krijgen toegediend, met inbegrip van veilige abortus, overeenkomstig het IHR; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders, een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus en toegang tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden en om kinder- en moedersterfte terug te dringen; beklemtoont dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen; beklemtoont dat de verdediging van de rechten van vrouwen, de vrijwaring van de eerbiediging van hun menselijke waardigheid en de uitbanning van geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen van essentieel belang zijn om hun mensenrechten te verwezenlijken; benadrukt het recht van alle personen om vrij te beslissen over zaken die verband houden met hun seksualiteit en hun seksuele en reproductieve gezondheid; erkent in dit opzicht de onvervreemdbare rechten van vrouwen om autonoom besluiten te nemen, onder meer over de toegang tot gezinsplanning;

103.  herhaalt zijn veroordeling van alle vormen van misbruik en geweld ten aanzien van vrouwen en kinderen en van geweld op basis van gender, waaronder de schadelijke praktijken van huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, vrouwelijke genitale verminking, uitbuiting en slavernij, huiselijk geweld en het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen; is van mening dat geweld jegens vrouwen ook een psychologische weerslag heeft en benadrukt dat het noodzakelijk is genderoverwegingen te integreren die onder meer de actieve participatie van vrouwen bij humanitaire hulp bevorderen en die beschermingsstrategieën omvatten tegen seksueel en gendergebaseerd geweld, alsook basisgezondheidsmaatregelen bestaande uit seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten; benadrukt dat de Commissie en de lidstaten niet alleen de strijd moeten aangaan met alle vormen van geweld ten aanzien van vrouwen, maar in de eerste plaats ook de toegang tot onderwijs moeten bevorderen en genderstereotypering moeten bestrijden, zowel voor meisjes als voor jongens en vanaf jonge leeftijd; verzoekt de EU en haar lidstaten het Verdrag van Istanbul met spoed te ratificeren om samenhang te garanderen tussen het interne en externe optreden van de EU inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergebaseerd geweld; is verheugd over het voorstel dat de Commissie op 4 maart 2016 naar voren heeft geschoven om de EU te laten toetreden tot het Verdrag van Istanbul, het eerste juridisch bindende internationale instrument dat erop is gericht geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden; is van mening dat dit het interne en externe beleid van de EU doeltreffender en samenhangender zal maken en op internationaal niveau zal zorgen voor een grotere verantwoordelijkheid en rol voor de EU met betrekking tot het bestrijden van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan hun uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat de EU het Verdrag van Istanbul kan ondertekenen en sluiten, en tegelijkertijd de 14 lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan te sporen dit verdrag te ondertekenen en te ratificeren en ervoor te zorgen dat dit verdrag naar behoren ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat zorgverleners, de politie, openbare aanklagers, rechters, diplomaten en vredeshandhavers, zowel binnen de EU als in derde landen, naar behoren worden opgeleid om slachtoffers van geweld, met name vrouwen en kinderen, te helpen en te ondersteunen in conflictsituaties en bij operaties op het terrein;

104.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over mensenrechtenschendingen ten aanzien van vrouwen en kinderen in vluchtelingenkampen en opvangcentra, waar onder meer gevallen van seksueel geweld en ongelijke behandeling van vrouwen en kinderen worden gemeld; verzoekt de EDEO met klem aan te dringen op strengere regels en goede praktijken in derde landen; benadrukt dat vrouwen en kinderen die zijn misbruikt in conflictsituaties toegang moeten krijgen tot gezondheidszorg en psychologische bijstand, overeenkomstig het internationaal recht, en dat kinderen in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en extreme milieuomstandigheden onderwijs, gezondheidszorg en voedsel moeten blijven krijgen;

105.  merkt op dat in maatregelen om gendergerelateerd geweld aan te pakken ook aandacht moet worden besteed aan onlinegeweld, waaronder dreigementen, pesterijen en intimidatie, en dat hierbij ook moet worden gewerkt aan de totstandbrenging van een onlineomgeving die veilig is voor vrouwen en meisjes;

106.  is ingenomen met de goedkeuring en steunt de tenuitvoerlegging van de recente resolutie 2242 van de VN‑Veiligheidsraad, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, en waarin wordt aangedrongen op bijkomende inspanningen om de agenda's inzake vrouwen, vrede en veiligheid in alle verschillende dimensies van vredeshandhaving te integreren; benadrukt hoe belangrijk een evenwaardige, volledige en actieve participatie van vrouwen is bij het voorkomen en oplossen van conflicten, alsook in het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw; pleit voor de invoering van een quotaregeling ter bevordering van de participatie van vrouwen op alle politieke niveaus;

107.  betreurt ten zeerste dat Roma, en met name Romavrouwen, nog steeds te lijden hebben onder wijdverspreide discriminatie en zigeunerhaat, waardoor de cyclus van benadeling, uitsluiting, segregatie en marginalisering draaiende wordt gehouden; verzoekt de EU en de lidstaten om de mensenrechten van Roma volledig te eerbiedigen door het recht op onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, huisvesting en sociale bescherming te waarborgen;

108.  is erg teleurgesteld over het gebrek aan gendergelijkheid in politieke kringen en de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politieke, sociale en economische besluitvorming, waardoor mensenrechten en democratie worden ondermijnd; is van mening dat regeringen moeten streven naar gendergelijkheid in processen voor het opbouwen en in stand houden van democratie en dat ze elke vorm van genderdiscriminatie in de samenleving moeten bestrijden; benadrukt dat de verslagen van verkiezingswaarnemingsmissies nauwkeurige richtsnoeren bevatten die de EU van dienst kunnen zijn in politieke dialogen met derde landen ter verbetering van de deelname van vrouwen aan verkiezingsprocessen en het democratische leven van dat land;

109.  betreurt dat in sommige landen nog steeds beperkingen worden opgelegd aan de deelname van vrouwen aan verkiezingen;

110.  betreurt dat vrouwen wereldwijd enorme moeilijkheden blijven ondervinden om een fatsoenlijke baan te vinden en te behouden, zoals blijkt uit het verslag "Women at work 2016" van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

111.  betreurt dat het glazen plafond voor vrouwen in de bedrijfswereld, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en het gebrek aan steun vanuit de samenleving voor vrouwelijke ondernemers, nog steeds wereldwijd voorkomen; dringt aan op initiatieven om de positie van vrouwen verder te versterken, in het bijzonder op het gebied van zelfstandig ondernemerschap en kmo's;

112.  herinnert eraan dat toegang tot onderwijs, beroepsopleiding en microkredieten essentieel is voor de versterking van de positie van vrouwen en het voorkomen van de schending van hun mensenrechten;

113.  spoort vrouwen aan actief te worden in vakbonden en andere organisaties, omdat dit ertoe zal bijdragen dat genderaspecten hun intrede zullen doen in arbeidsvoorwaarden;

114.  spoort de lidstaten, de Commissie en de EDEO aan zich toe te spitsen op de economische en politieke emancipatie van vrouwen in ontwikkelingslanden door hun betrokkenheid bij het bedrijfsleven en bij de uitvoering van regionale en plaatselijke ontwikkelingsprojecten te bevorderen;

115.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering toe te passen in alle relevante EU‑financiering;

116.  roept op om in vrouwen en jongeren te investeren, aangezien dit een doeltreffende manier is om armoede, en met name armoede onder vrouwen, te bestrijden;

117.  is diep verontrust dat de snel toenemende dreiging van antimicrobiële resistentie (AMR) naar verwachting de belangrijkste doodsoorzaak ter wereld zal worden en dat met name kwetsbare en zwakke personen in ontwikkelingslanden hiervan het slachtoffer zullen worden; verzoekt de Commissie onverwijld een echt doeltreffende strategie voor volksgezondheid te ontwikkelen;

Rechten van het kind

118.  herhaalt dat er dringend behoefte is aan een universele ratificatie en doeltreffende tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van het kind en de bijbehorende facultatieve protocollen, vraagt dat de EU systematisch overleg pleegt met bevoegde lokale en internationale kinderrechtenorganisaties en in haar politieke en mensenrechtendialogen met derde landen wijst op de verplichting van landen die partij zijn bij het verdrag om het ten uitvoer te leggen; is blij met de ratificatie van het verdrag door Zuid-Sudan en Somalië; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de VV/HV om op zoek te gaan naar manieren en methoden waardoor de EU kan toetreden tot het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind;

119.  vraagt dat de EU de EU‑UNICEF-toolkit "kinderrechten integreren in ontwikkelingssamenwerking" blijft bevorderen via haar externe delegaties en het personeel van EU‑delegaties degelijk blijft opleiden op dit gebied; vestigt de aandacht op de ernstige kwestie van niet-geregistreerde kinderen die in een ander land dan het thuisland van hun ouders zijn geboren, een kwestie die bijzonder prangend is met betrekking tot vluchtelingen, en verzoekt de EU deze kwestie in voorkomend geval aan de orde stellen in haar politieke dialogen met derde landen; verzoekt de Commissie beleid te ontwikkelen inzake de bescherming van kinderen van gedetineerde ouders en hier in internationale fora voor te ijveren, zodat een einde wordt gemaakt aan de discriminatie en stigmatisering van deze kinderen; benadrukt dat er nog steeds miljoenen kinderen aan ondervoeding lijden en dat dit voor velen onder hen onomkeerbare gevolgen op lange termijn inhoudt en zelfs de dood tot gevolg kan hebben; verzoekt de Commissie en de internationale gemeenschap innovatieve methoden in te voeren om ondervoeding op doeltreffende wijze aan te pakken, met name bij kinderen, door op maximale wijze gebruik te maken van de volledige voedselketen, dus onder meer via samenwerkingsverbanden tussen overheden, bedrijven en individuen, en met alle andere beschikbare middelen, met name de sociale media;

120.  wijst erop dat er internationale bijstand nodig is om te proberen vrouwen en kinderen die nog steeds gevangen worden gehouden door Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties op te sporen en te bevrijden, alsook om binnen de Europese Unie en wereldwijd specifieke programma's te bevorderen voor de behandeling van wie gevangen heeft gezeten; uit zijn bezorgdheid over het ronselen van kinderen en de deelname van kinderen aan terroristische en militaire activiteiten; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen vast te stellen als leidraad voor de zoektocht naar en de bevrijding, rehabilitatie en re-integratie van deze kinderen; benadrukt dat het noodzakelijk is beleidsmaatregelen te bevorderen voor de ontwapening, rehabilitatie en re-integratie van kindsoldaten; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor een uitgebreide strategie en een actieplan voor de rechten van het kind voor de komende vijf jaar, zodat kinderrechten in zowel het extern als het intern EU-beleid tot prioriteit worden verheven en de rechten van kinderen worden bevorderd, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, ook in conflictgebieden en vluchtelingenkampen;

De rechten van ouderen

121.  is verheugd over doelstelling 16, onder g), van het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), die gericht is op bewustmaking met betrekking tot de mensenrechten en specifieke behoeften van ouderen; is bezorgd over de negatieve gevolgen van discriminatie op grond van leeftijd; benadrukt de bijzondere uitdagingen waarmee ouderen te maken krijgen bij de uitoefening van hun mensenrechten, bijvoorbeeld wanneer ze toegang willen krijgen tot sociale bescherming en gezondheidszorg; verzoekt de lidstaten de huidige herziening van het Internationaal actieplan van Madrid inzake vergrijzing aan te grijpen om de toepassing van bestaande instrumenten in kaart te brengen en mogelijke lacunes aan te wijzen; roept de EU en haar lidstaten op actief betrokken te zijn bij de open werkgroep van de VN inzake ouderdom en zich meer in te spannen om de rechten van ouderen te beschermen en te bevorderen, onder meer door te overwegen een nieuw rechtsinstrument te ontwikkelen;

Rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's)

122.  is diep verontrust door de toename van geweld en discriminatie ten aanzien van LGBTI's; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de recente toename van discriminerende wetten en daden van geweld ten aanzien van personen op basis van hun seksuele gerichtheid, genderidentiteit en geslachtskenmerken, en over het feit dat 73 landen homoseksualiteit nog steeds strafbaar stellen (onder meer door LGBTI's aan te klagen wegens "losbandig gedrag"), waarvan 13 landen(61) waar de doodstraf is toegestaan, en dat transgenderidentiteiten nog steeds strafbaar zijn in 20 landen; is ernstig bezorgd over de zogenaamde "propagandawetten" die gericht zijn op de beperking van de vrijheid van meningsuiting en vereniging van LGBTI's en diegenen die hun rechten ondersteunen; verzoekt alle landen die dergelijke wetten hebben deze bepalingen in te trekken; veroordeelt krachtig dat de vrijheid van vergadering en vereniging van LGBTI-groepen en verdedigers van hun rechten in toenemende mate aan banden wordt gelegd en dat zij voorwaarden krijgen opgelegd die hun werking bemoeilijken, hetgeen ook geldt voor evenementen en protesten zoals pride-optochten, waarbij in sommige gevallen sprake is van gewelddadig optreden van de autoriteiten tegen de demonstranten; bevestigt opnieuw dat deze fundamentele vrijheden een cruciale rol spelen in de werking van democratische samenlevingen en dat staten verantwoordelijk zijn om te waarborgen dat deze rechten worden geëerbiedigd en dat al wie deze rechten uitoefent op bescherming kan rekenen; vraagt de EDEO voorrang te geven aan maatregelen in landen waar LGBTI's te maken krijgen met geweld, moord, misbruik en discriminatie en deze maatregelen te versterken door dergelijke praktijken te veroordelen overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf en de EU‑richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en door op dit gebied te blijven samenwerken met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens; benadrukt hoe belangrijk het is het werk van verdedigers van de mensenrechten van LGBTI's te ondersteunen, via een verhoging van de steun en middelen voor doeltreffende programmering, door campagnes te organiseren, ook met financiering uit hoofde van het EIDHR, om het publiek bewust te maken van discriminatie en geweld ten aanzien van LGBTI's, en door ervoor te zorgen dat noodhulp wordt geboden aan al wie dergelijke steun nodig heeft; verzoekt de EU‑delegaties en de betreffende instellingen deze rechten en fundamentele vrijheden actief te bevorderen;

123.  is ingenomen met de richtsnoeren van de Raad Buitenlandse Zaken voor de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door LGBTI's, die op 24 juni 2013 zijn aangenomen; verzoekt de EDEO en de Commissie aan te dringen op een meer strategische en systematische toepassing van de richtsnoeren, onder meer door bewustmaking en opleiding van EU‑personeel in derde landen, zodat de kwestie van LGBTI-rechten op doeltreffende wijze ter sprake wordt gebracht in politieke en mensenrechtendialogen met derde landen en in multilaterale fora; benadrukt hoe belangrijk het is de EU-richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten ruim te verspreiden onder LGBTI's; dringt aan op concrete maatregelen om de samenhang tussen het interne en externe beleid van de EU inzake LGBTI-rechten te vergroten;

124.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan te blijven bijdragen aan het debat over de erkenning van het huwelijk of geregistreerd partnerschap van personen van hetzelfde geslacht door dit naar voren te schuiven als een kwestie van politieke, sociale, mensen- en burgerrechten; is verheugd dat een toenemend aantal landen het recht een gezin te stichten door middel van een huwelijk, geregistreerd partnerschap en adoptie eerbiedigen zonder discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, en verzoekt de Commissie en de lidstaten voorstellen uit te werken voor de wederzijdse erkenning van deze samenlevingsvormen en van gezinnen met partners van hetzelfde geslacht in de gehele EU, zodat gelijke behandeling met betrekking tot werkgelegenheid, vrij verkeer, belasting en sociale zekerheid wordt gewaarborgd en de inkomens van gezinnen en kinderen worden beschermd;

Rechten van inheemse volkeren en van personen die tot minderheden behoren

125.  stelt met grote bezorgdheid vast dat inheemse volkeren nog steeds een bijzonder risico op discriminatie lopen en vooral kwetsbaar zijn voor politieke, economische, milieugerelateerde en arbeidsgerelateerde verandering en ontwrichting; wijst erop dat de meesten van deze mensen onder de armoededrempel leven en nauwelijks of geen toegang hebben tot politieke vertegenwoordiging en besluitvorming, hetgeen in strijd is met hun recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming als gewaarborgd in de VN‑Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren en erkend in de Europese consensus inzake ontwikkeling van 2005; maakt zich in het bijzonder zorgen over meldingen van wijdverspreide en toenemende mensenrechtenschendingen ten aanzien van inheemse volkeren, waaronder de vervolging, de willekeurige arrestatie en het vermoorden van mensenrechtenverdedigers, alsook gedwongen ontheemding, landroof en mensenrechtenschendingen door bedrijven;

126.  stelt tot zijn grote verontrusting vast dat inheemse volkeren in het bijzonder te lijden hebben onder schendingen van de mensenrechten die verband houden met de winning van hulpbronnen; verzoekt de Commissie en de EDEO strenge rechtskaders en wetgevingsinitiatieven te ondersteunen die gericht zijn op het waarborgen van transparantie en goed bestuur in de mijnbouw en in andere sectoren die natuurlijke hulpbronnen aanboren, en daardoor ook van de eerbiediging van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de plaatselijke bevolking en de VN‑Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren; verzoekt de EU‑delegaties de dialoog met inheemse volkeren op het terrein verder te intensiveren om mensenrechtenschendingen te signaleren en te voorkomen;

127.  benadrukt dat minderheidsgroepen specifieke behoeften hebben en dat daarom in alle facetten van het economische, sociale, politieke en culturele leven moet worden gestreefd naar een volledige en daadwerkelijke gelijkheid tussen personen die tot een minderheid behoren en personen die tot de meerderheid behoren; dringt er bij de Commissie op aan tijdens het volledige verloop van het uitbreidingsproces nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van bepalingen ter bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren;

De rechten van personen die op grond van kaste worden gediscrimineerd

128.  veroordeelt de aanhoudende mensenrechtenschendingen ten aanzien van personen die het slachtoffer zijn van hiërarchische kastenstelsels en van discriminatie op grond van kaste, zoals de ontzegging van gelijkheid en van toegang tot het rechtssysteem en werk, alsook de permanente segregatie en op kaste gebaseerde belemmeringen wat de verwezenlijking van fundamentele mensenrechten en ontwikkeling betreft; is erg verontrust door het alarmerend aantal gewelddadige aanvallen op Dalits op grond van kaste en door geïnstitutionaliseerde discriminatie die ongestraft blijft; herhaalt zijn oproep voor de ontwikkeling van EU‑beleid inzake discriminatie op grond van kaste en verzoekt de EU elke gelegenheid te baat te nemen om zich ernstig verontrust te tonen over discriminatie op grond van kaste;

Internationaal Strafhof (ICC) / overgangsjustitie

129.  wijst nogmaals op de universaliteit van het ICC en spreekt opnieuw zijn volledige steun uit voor de werkzaamheden van het hof; benadrukt de belangrijke rol die voor het ICC is weggelegd om een einde te maken aan de straffeloosheid ten aanzien van plegers van de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aanbelangen, en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; blijft alert met betrekking tot pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen;

130.  herinnert aan zijn resolutie van 4 februari 2016 waarin de leden van de VN‑Veiligheidsraad worden opgeroepen hun steun uit te spreken voor verwijzing door de Veiligheidsraad naar het Internationaal Strafhof om een onderzoek in te stellen naar schendingen die in Irak en Syrië door de zogenoemde IS/Da'esh zijn gepleegd jegens christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs), jezidi's en andere religieuze en etnische minderheden;

131.  is verheugd over de door Oekraïne afgelegde verklaring waarin de jurisdictie van het ICC wordt aanvaard voor sinds 20 februari 2014 in het land gepleegde misdaden, aangezien met deze verklaring voor de aanklager van het ICC het pad wordt geëffend om af te wegen of het hof een onderzoek kan instellen naar wanpraktijken die tijdens het gewapend conflict zijn begaan, ook al is Oekraïne nog geen ICC-lidstaat;

132.  is ingenomen met de conclusies van de Raad inzake de steun van de EU aan overgangsjustitie, en waardeert het EU-beleidskader inzake steun aan overgangsjustitie, waarbij de EU de eerste regionale organisatie is die een dergelijk beleid vaststelt; verzoekt de EU, haar lidstaten en haar speciale vertegenwoordigers het ICC, de handhaving van zijn beslissingen en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot misdrijven die onder het Statuut van Rome vallen actief te bevorderen, en spreekt er zijn ernstige bezorgdheid over uit dat tal van aanhoudingsbevelen nog steeds niet zijn uitgevoerd; spoort de EU en haar lidstaten aan met het ICC samen te werken en krachtige diplomatieke en politieke steun te blijven geven aan inspanningen om de betrekkingen tussen het ICC en de VN te versterken en uit te breiden, met name in de context van de VN‑Veiligheidsraad, alsook maatregelen te nemen om niet-medewerking met het ICC te voorkomen en anders doeltreffend in te grijpen; herhaalt zijn oproep aan de EU om een gemeenschappelijk standpunt aan te nemen inzake het misdrijf agressie en de Kampala-amendementen, en verzoekt de lidstaten hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de definities als uiteengezet in de Kampala-amendementen en de samenwerking met het ICC te verbeteren; betreurt de minachting ten aanzien van het ICC waarvan verscheidene landen blijk geven door zich te onttrekken of door te dreigen zich te zullen onttrekken aan de jurisdictie van het ICC;

133.  herhaalt zijn oproep voor de invoering van de functie van speciale vertegenwoordiger van de EU voor internationale rechtspraak en internationaal humanitair recht om deze onderwerpen de aandacht en zichtbaarheid te geven die ze verdienen, om de EU‑agenda daadwerkelijk vooruit te helpen en de toezeggingen van de EU inzake de strijd tegen straffeloosheid en vóór het ICC te integreren in het hele buitenlands beleid van de EU;

134.  verzoekt de EU en haar lidstaten om het ICC van voldoende financiering te voorzien en om hun steun aan het internationaal strafrechtelijk systeem, met inbegrip van overgangsjustitie, te versterken;

Internationaal humanitair recht (IHR)

135.  veroordeelt het gebrek aan eerbiediging van het IHR en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de alarmerende toename van nevenschade in gewapende conflicten overal ter wereld en van dodelijke aanvallen op ziekenhuizen, scholen, humanitaire konvooien en andere burgerdoelwitten; toont zich erg verontrust door de groeiende invloed van acties van niet-overheidsactoren in conflicten overal ter wereld en dringt er bij de EU op aan alle beschikbare instrumenten aan te wenden om naleving van het IHR door overheids- en niet‑overheidsactoren te verbeteren; is verheugd over de belofte van de EU en de lidstaten aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) om de oprichting van een effectief mechanisme voor het bevorderen van de naleving van het IHR volop te steunen en verzoekt de VV/HV verslag uit te brengen aan het Parlement inzake haar doelstellingen en strategie om deze belofte gestand te doen; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie bijeen te roepen ter voorbereiding van een nieuw internationaal mechanisme voor het opsporen, verzamelen en openbaar maken van gegevens over schendingen van het IHR, met inbegrip van aanvallen op ziekenhuizen, medisch personeel en ziekenwagens; is van mening dat een dergelijk mechanisme kan voortbouwen op het bestaande mechanisme voor kinderen en gewapende conflicten (CAAC); verzoekt de VV/HV ieder jaar een openbare lijst van vermeende daders van aanvallen op scholen en ziekenhuizen te presenteren, zodat passende EU‑maatregelen kunnen worden geformuleerd om dergelijke aanvallen een halt toe te roepen;

136.  betreurt dat zeven lidstaten het Verdrag inzake clustermunitie nog niet hebben geratificeerd; verzoekt de EU en haar lidstaten een wereldwijd verbod op het gebruik van witte fosfor te steunen, met name door de sluiting van een nieuw protocol bij het Conventionelewapensverdrag waarin het gebruik van dergelijke wapens wordt verboden;

137.  verzoekt de lidstaten de belangrijkste instrumenten van het IHR en andere rechtsinstrumenten die van invloed zijn op het IHR te ratificeren; is zich bewust van het belang van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het IHR en herhaalt zijn verzoek aan de VV/HV en de EDEO om de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren te herzien in het licht van de tragische gebeurtenissen in het Midden-Oosten, met name in het kader van de wijdverbreide en systematische straffeloosheid voor grove schendingen van het IHR en het recht inzake de mensenrechten; verzoekt de EU steun te bieden aan initiatieven voor het verspreiden van kennis over het IHR en van goede praktijken wat de toepassing ervan betreft, en roept de EU op alle beschikbare bilaterale instrumenten op doeltreffende wijze in te zetten om de naleving van het IHR door haar partners te bevorderen, onder meer door politieke dialoog; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om zich aan te sluiten bij internationale initiatieven om te voorkomen dat scholen door gewapende groeperingen worden aangevallen en voor militaire doeleinden worden gebruikt door de Verklaring inzake veilige scholen te onderschrijven, die als doel heeft een einde te maken aan de talrijke militaire aanvallen op scholen tijdens gewapende conflicten;

138.  dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie te beleggen, zodat de doeltreffendheid van internationale humanitaire regels wordt vergroot;

139.  verzoekt de VV/HV nogmaals een initiatief op te starten om een EU‑wapenembargo op te leggen aan landen die beschuldigd worden van ernstige aantijgingen inzake schendingen van het IHR, met name in verband met het bewust tot doelwit maken van civiele infrastructuur; benadrukt dat het blijven verlenen van vergunningen voor de verkoop van wapens aan dergelijke landen in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008; vraagt de lidstaten te overwegen gevangenen uit Guantánamo in de EU op te nemen; benadrukt dat de gevangenis van Guantánamo Bay zo snel mogelijk moet wordt gesloten;

Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging

140.  veroordeelt, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alle daden van geweld en vervolging, onverdraagzaamheid en discriminatie op basis van ideologie, godsdienst of overtuiging; uit zijn ernstige bezorgdheid over de aanhoudende meldingen van geweld en vervolging, onverdraagzaamheid en discriminatie ten aanzien van religieuze of levensbeschouwelijke minderheden overal ter wereld; benadrukt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging een fundamenteel mensenrecht is dat nauw samenhangt met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden en het recht om te geloven of niet te geloven omvat, evenals het recht om al dan niet uiting te geven aan een godsdienst of overtuiging en het recht om een overtuiging naar keuze aan te nemen, te wijzigen en ervan afstand te doen of het opnieuw aan te nemen, zoals verankerd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; verzoekt de EU en haar lidstaten politieke gesprekken aan te gaan opdat wetgeving inzake godslastering wordt ingetrokken; verzoekt de EU en haar lidstaten te waarborgen dat minderheden overal ter wereld worden geëerbiedigd en beschermd, ook in het Midden-Oosten, waar atheïsten en minderheden van jezidi's, christenen en moslims worden vervolgd door Da'esh en andere terroristische groeperingen; betreurt het misbruiken van een godsdienst of overtuiging voor terroristische doeleinden;

141.  steunt de verbintenis van de EU om het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging te bevorderen in internationale en regionale fora, waaronder de VN, de OVSE, de Raad van Europa en andere regionale mechanismen, en spoort de EU aan haar jaarlijkse resolutie over vrijheid van godsdienst of overtuiging te blijven indienen bij de VN en steun te blijven geven aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; spoort de VV/HV en de EDEO aan om een permanente dialoog aan te gaan met ngo's, groepen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging en religieuze leiders;

142.  geeft zijn volledige steun aan de werkwijze van de EU om in de UNHRC en op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) het initiatief te nemen voor thematische resoluties over de vrijheid van godsdienst en overtuiging, spoort de EU aan het mandaat van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te steunen en dringt er bij landen die momenteel niet ingaan op een verzoek voor een bezoek van de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op aan dit vooralsnog te doen;

143.  verzoekt de EU haar bestaande instrumenten aan te scherpen en eventuele andere instrumenten binnen haar mandaat vast te stellen om te waarborgen dat religieuze minderheden wereldwijd effectief worden beschermd;

144.  dringt aan op concrete maatregelen om te waarborgen dat de EU‑richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, onder meer door: te zorgen voor een stelselmatige en consequente opleiding van EU‑personeel in hoofdkantoren en delegaties; verslag uit te brengen over situaties per land en lokale situaties; en nauw samen te werken met lokale actoren, in het bijzonder met leiders van groepen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging;

145.  stelt met ernstige bezorgdheid vast dat de positie van gemeenschappen met een bepaalde godsdienst of overtuiging in sommige delen van de wereld wordt bedreigd, waarbij volledige geloofsgemeenschappen verdwijnen of op de vlucht slaan;

146.  wijst erop dat de christenen momenteel overal ter wereld het meest van alle religieuze groepen worden lastiggevallen en geïntimideerd, ook in Europa, waar christelijke vluchtelingen regelmatig worden vervolgd op religieuze gronden, en dat enkele van de oudste christelijke gemeenschappen gevaar lopen te verdwijnen, met name in Noord-Afrika en het Midden-Oosten;

147.  spoort de internationale gemeenschap en de EU aan minderheden bescherming te bieden en veilige zones tot stand te brengen; dringt aan op erkenning, zelfbestuur en bescherming voor etnische en religieuze minderheden die in gebieden wonen waar ze historisch altijd sterk aanwezig zijn geweest en vreedzaam met elkaar hebben samengeleefd – bijvoorbeeld in het Sinjargebergte (jezidi's) en de vlakte van Nineve (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs); dringt aan op speciale bijstand om te proberen (massa)graven te beschermen in gebieden waar conflicten aan de gang zijn of waren, teneinde de stoffelijke overschotten op te graven en forensisch te onderzoeken, zodat de stoffelijke overschotten van de slachtoffers op een fatsoenlijke manier kunnen worden begraven of kunnen worden vrijgegeven aan de familie; dringt aan op de totstandbrenging van een speciaal fonds om initiatieven voor het veiligstellen van bewijsmateriaal te helpen financieren, zodat vermoedelijke misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden onderzocht en vervolgd; dringt aan op maatregelen van de EU en haar lidstaten om met spoed een groep deskundigen aan te stellen voor het verzamelen van al het bewijsmateriaal met betrekking tot internationale misdaden, met inbegrip van genocide, die momenteel waar dan ook ter wereld worden gepleegd tegen religieuze en etnische minderheden, onder meer ook voor het beschermen van massagraven in gebieden waar conflicten aan de gang zijn of waren, ter voorbereiding van internationale vervolging van de verantwoordelijken;

Vrijheid van meningsuiting online en offline en via audiovisuele en andere mediabronnen

148.  benadrukt dat mensenrechten en fundamentele vrijheden universeel zijn en in alle uitingsvormen wereldwijd moeten worden verdedigd;

149.  benadrukt het belang van vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media als fundamentele elementen op de weg naar democratie, en beklemtoont dat de positie van burgers en het maatschappelijk middenveld moet worden versterkt om transparantie en verantwoordingsplicht in de overheidssector te waarborgen;

150.  maakt zich zorgen over de toename van het aantal arrestaties en intimidatiepogingen ten aanzien van journalisten in tal van landen en benadrukt dat deze praktijken een zware belemmering vormen voor de persvrijheid; dringt er bij de EU en de internationale gemeenschap op aan onafhankelijke journalisten en bloggers te beschermen, de digitale kloof te dichten en de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, evenals de ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid), te bevorderen;

151.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de proliferatie en verspreiding van monitoring-, bewakings-, censuur- en filtertechnologieën, hetgeen een toenemend gevaar vormt voor democratie- en mensenrechtenactivisten in autocratische landen;

152.  veroordeelt ten stelligste dat een toenemend aantal mensenrechtenverdedigers te maken krijgt met digitale bedreigingen, waaronder gecompromitteerde gegevens door inbeslagname van apparatuur, bewaking op afstand en data leakage; veroordeelt de praktijk van online bewaking en hacking voor het vergaren van informatie die kan worden gebruikt in rechtszaken of lastercampagnes, alsook in rechtszaken wegens laster;

153.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over autoriteiten die controle uitoefenen op het internet, de media en de academische wereld, alsook over de toegenomen intimidatie, pesterijen en willekeurige arrestaties waarmee mensenrechtenverdedigers, advocaten en journalisten worden geconfronteerd;

154.  verwerpt beperkende maatregelen met betrekking tot digitale communicatie, waaronder het opdoeken van websites en het blokkeren van persoonlijke accounts door autoritaire regimes met de bedoeling de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen en als een manier om oppositiestemmen het zwijgen op te leggen en het maatschappelijk middenveld te onderdrukken; verzoekt de EU en haar lidstaten om regimes die de digitale communicatie van hun critici en tegenstanders beperken publiekelijk te veroordelen;

155.  beklemtoont hoe belangrijk het is om in alle mogelijke betrekkingen met derde landen, waaronder toetredingsonderhandelingen, handelsbesprekingen, mensenrechtendialogen en diplomatieke betrekkingen, op te komen voor onbeperkte toegang tot het internet, en om informatie over mensenrechten en democratie zo toegankelijk mogelijk te maken voor mensen over de hele wereld;

156.  is bezorgd over de toename van haatzaaiende uitlatingen, met name op socialemediaplatforms; verzoekt de Commissie vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te betrekken bij deze kwestie, om te waarborgen dat er in onderhandelingen over gedragscodes rekening wordt gehouden met hun standpunten; spreekt ten stelligste zijn afkeuring uit over het verspreiden van haatzaaiende uitlatingen die aanzetten tot geweld en terreur;

157.  dringt erop aan meer steun te bieden op het gebied van de bevordering van de vrijheid van de media, de bescherming van onafhankelijke journalisten, bloggers en klokkenluiders, het dichten van de digitale kloof en het vergemakkelijken van de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, alsook het vrijwaren van een ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid);

158.  dringt aan op een actieve ontwikkeling en verspreiding van technologieën die bijdragen tot de bescherming van de mensenrechten en die bevorderend zijn voor de digitale vrijheden en rechten, alsook de veiligheid en privacy van mensen;

159.  verzoekt de EU gratis software en opensourcesoftware in gebruik te nemen en andere actoren aan te sporen hetzelfde te doen, daar zulke software zorgt voor verbeterde veiligheid en een betere eerbiediging van de mensenrechten;

160.  roept de Commissie en de lidstaten op in alle internationale fora, waaronder het Forum voor internetbeheer van de VN, de G8, de G20, de OVSE en de Raad van Europa, aandacht te vragen voor de vrijheid van meningsuiting online, de digitale vrijheden en het belang van een vrij en open internet;

Terrorismebestrijding

161.  spreekt nogmaals zijn ondubbelzinnige veroordeling van terrorisme uit, alsook zijn volledige steun ten aanzien van maatregelen die gericht zijn op de uitroeiing van terroristische organisaties, met name Da'esh, een groepering die een onmiskenbare bedreiging voor de regionale en internationale veiligheid vormt, maar wijst er tegelijkertijd op dat in deze maatregelen het internationaal recht inzake de mensenrechten altijd volledig moet worden geëerbiedigd; steunt de tenuitvoerlegging van resolutie 2178 (2014) van de VN‑Veiligheidsraad over de bestrijding van dreigingen die uitgaan van buitenlandse terroristische strijders, en van de leidende beginselen van Madrid inzake het tegengaan van de toestroom van buitenlandse terroristische strijders;

162.  wijst er nogmaals op dat in het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie wordt beklemtoond dat de eerbiediging van de vrijheid van mening en meningsuiting moet worden geïntegreerd in ontwikkelingsbeleid en programma's die verband houden met terrorisme, waaronder het gebruik van digitale bewakingstechnologieën; onderstreept dat de lidstaten volop gebruik moeten maken van de bestaande instrumenten voor het aanpakken van de radicalisering van Europese burgers en effectieve programma's moeten ontwikkelen waarmee terroristische en extremistische propaganda en rekruteringsmethoden kunnen worden tegengegaan, met name online, en waarmee wordt gewerkt aan de preventie van radicalisering; benadrukt dat er zo snel mogelijk een gecoördineerd EU‑beleid moet komen en dringt erop aan dat de lidstaten samenwerken op gevoelige gebieden, met name de uitwisseling van informatie en inlichtingen;

163.  vraagt dat de EU met de VN blijft samenwerken inzake de bestrijding van terrorismefinanciering, onder meer door gebruik te maken van bestaande mechanismen voor het aanwijzen van terroristische personen en organisaties, en dat ze mechanismen voor de bevriezing van tegoeden op wereldschaal blijft versterken, zonder afbreuk te doen aan de internationale normen voor eerlijke rechtsbedeling en de rechtsstaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten met spoed een effectieve dialoog aan te gaan over dit onderwerp met staten die terroristische organisaties financieren of ondersteunen, of die hun burgers hierbij geen strobreed in de weg leggen;

De doodstraf

164.  wijst nogmaals op het EU‑standpunt van nultolerantie ten aanzien van de doodstraf en herhaalt dat de EU zich sinds lang verzet tegen de doodstraf, foltering en wrede, onmenselijke en onterende behandeling en bestraffing, in alle gevallen en onder alle omstandigheden;

165.  is ingenomen met de afschaffing van de doodstraf in Fiji, Suriname, Mongolië en de Amerikaanse staat Nebraska;

166.  stelt met grote bezorgdheid vast dat een aantal landen de afgelopen jaren opnieuw is begonnen met het uitvoeren van terechtstellingen; betreurt dat politieke leiders in andere landen overwegen de doodstraf opnieuw in te voeren; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de gemelde toename van het aantal doodvonnissen in 2015 wereldwijd, met name in China, Egypte, Iran, Nigeria, Pakistan en Saudi-Arabië; herinnert de autoriteiten in deze landen eraan dat ze partij zijn bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, uit hoofde waarvan de doodstraf voor misdaden begaan door iemand die nog geen 18 jaar oud is strikt wordt verboden;

167.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het toenemende aantal doodvonnissen dat wordt uitgesproken in massaprocessen, zonder enige waarborging van minimumnormen voor een eerlijke rechtsgang zoals vereist op grond van het internationaal recht;

168.  veroordeelt de toename van het aantal doodvonnissen voor drugsdelicten ten stelligste en dringt erop aan dat de doodstraf en standrechtelijke executies voor dergelijke delicten niet worden toegepast;

169.  verzoekt de landen die de doodstraf hebben afgeschaft of sinds lang een moratorium hebben ingesteld op de uitvoering van doodvonnissen, standvastig te blijven in hun verbintenissen en de doodstraf niet opnieuw in te voeren; verzoekt de EU om samenwerking en diplomatie te blijven inzetten in alle mogelijke fora wereldwijd om een pleidooi te houden tegen de doodstraf en er tegelijkertijd voor te zorgen dat het recht op een onpartijdig gerecht volledig wordt geëerbiedigd voor al wie een terechtstelling te wachten staat; benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU toezicht blijft houden op de omstandigheden waaronder mensen worden terechtgesteld in landen waar de doodstraf bestaat, om erop toe te zien dat de lijst van terdoodveroordeelden openbaar wordt gemaakt en de lichamen aan de families worden teruggegeven;

170.  beklemtoont dat het belangrijk is dat de EU haar beleid voor de mondiale afschaffing van de doodstraf in de schijnwerpers blijft plaatsen, in overeenstemming met de in 2013 herziene EU‑richtsnoeren over de doodstraf, en dat ze argumenten blijft aanvoeren tegen de doodstraf; verzoekt de EU om verder te blijven werken aan de wereldwijde afschaffing ervan, op zoek te gaan naar nieuwe manieren om hiervoor te ijveren en in het kader van het EIDHR steun te verlenen aan maatregelen ter preventie van doodvonnissen of terechtstellingen; vraagt dat de EU‑delegaties activiteiten blijven organiseren om het bewustzijn hierover aan te wakkeren;

Strijd tegen foltering en mishandeling

171.  toont zich diep bezorgd over de aanhoudende praktijk van foltering en mishandeling ten aanzien van personen in hechtenis, onder meer om bekentenissen af te dwingen die vervolgens worden gebruikt in strafprocessen die manifest tekortschieten op het vlak van internationale normen inzake rechtvaardige behandeling;

172.  betreurt de wijdverbreide praktijk van foltering en mishandeling jegens andersdenkenden in de samenleving om hen het zwijgen op te leggen, alsook jegens kwetsbare groepen als etnische, taalkundige en religieuze minderheden, LGBTI's, vrouwen, kinderen, asielzoekers en migranten;

173.  veroordeelt de foltering en mishandeling die door Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties worden veroorzaakt in de sterkst mogelijke bewoordingen; drukt zijn solidariteit uit met de families en gemeenschappen van alle slachtoffers die getroffen zijn door dit geweld; veroordeelt de praktijken van Da'esh en andere terroristische of paramilitaire organisaties waarbij minderheden worden gediscrimineerd of in het vizier worden genomen; verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap een grotere inspanning te leveren ten aanzien van de dringende noodzaak om elk verder lijden op doeltreffende wijze te voorkomen;

174.  vindt de detentieomstandigheden en de staat van de gevangenissen in een aantal landen zeer zorgwekkend; acht het van essentieel belang dat alle vormen van foltering en mishandeling, waaronder psychische foltering, ten aanzien van gevangenen worden bestreden en dat meer wordt gedaan voor de naleving van het internationaal recht ter zake, met name wat betreft de toegang tot gezondheidszorg en geneesmiddelen; veroordeelt resoluut alle schendingen van dit recht en is van oordeel dat het niet behandelen van gevangenen voor ziekten als hepatitis of hiv neerkomt op het niet verlenen van hulp aan personen in nood;

175.  dringt er gezien de niet aflatende stroom meldingen van algemeen gangbare standrechtelijke executies, folterpraktijken en mishandeling over de hele wereld bij de EDEO op aan om in dialogen op alle niveaus en in alle fora een grotere inspanning te leveren met betrekking tot de strijd van de EU tegen standrechtelijke executies, foltering en andere mishandeling, in overeenstemming met de richtsnoeren voor een EU‑beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

176.  dringt er bij de EDEO op aan op systematische wijze zijn bezorgdheid te laten blijken over foltering en mishandeling in politieke en mensenrechtendialogen met de betrokken landen en in publieke verklaringen, en verzoekt de EU‑delegaties en de ambassades van de lidstaten op het terrein toezicht te houden op gevallen van foltering en mishandeling en concrete maatregelen te nemen om deze compleet uit te bannen, de strafprocessen die hiermee verband houden te observeren en alle beschikbare instrumenten in te zetten om de betrokken personen bij te staan;

Drones

177.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de inzet van gewapende drones buiten het internationale rechtskader; dringt er bij de lidstaten op aan inzake gewapende drones duidelijke beleidslijnen en rechtsposities te formuleren en herhaalt zijn oproep voor een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake het gebruik van gewapende drones, waarin de mensenrechten en het IHR worden geëerbiedigd en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoordingsplicht, de bescherming van burgers en transparantie aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van buitengerechtelijk en doelgericht doden en zich ertoe te verbinden passende maatregelen te treffen, overeenkomstig de binnenlandse en internationale wettelijke verplichtingen, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een individu of entiteit binnen haar rechtsgebied in verband zou kunnen worden gebracht met onwettig doelgericht doden in het buitenland; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Raad gewapende drones en volledig autonome wapens op te nemen in relevante Europese en internationale regelingen voor ontwapening en wapenbeheersing, en dringt er bij de lidstaten op aan deze regelingen te hanteren en te versterken; verzoekt de EU om bij het inzetten van gewapende drones meer transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen vanwege haar lidstaten, boven alles ten aanzien van derde landen, wat de rechtsgrondslag voor hun gebruik en de operationele verantwoordelijkheid betreft, teneinde rechterlijke toetsing van droneaanvallen mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat slachtoffers van onrechtmatige droneaanvallen toegang hebben tot doeltreffende voorzieningen in rechte;

178.  benadrukt dat er een EU‑verbod is op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; roept de EU op zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van onwettig doelgericht doden;

179.  verzoekt de Commissie het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van het gebruik van EU‑middelen voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die verband houden met de constructie van drones, zowel voor civiele als militaire doeleinden; dringt aan op mensenrechteneffectbeoordelingen van toekomstige projecten voor de ontwikkeling van drones;

180.  benadrukt dat de invloed die technologieën hebben op de verbetering van de mensenrechten moet worden geïntegreerd in EU‑beleid en ‑programma's met het oog op een betere bescherming van de mensenrechten en een sterkere bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en vreedzame conflictoplossing;

Ondersteuning van democratie en verkiezingen en verkiezingswaarnemingsmissies

181.  herinnert eraan dat een vrije ruimte voor het maatschappelijk middenveld, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging en de eerbiediging van de rechtsstaat centrale elementen zijn voor eerlijke en democratische verkiezingen; verzoekt de EU erop toe te zien dat lokale ngo's over de ruimte beschikken om het verloop van verkiezingen op gerechtvaardigde wijze waar te nemen en erop toe te zien; onderstreept dat corruptie een bedreiging vormt voor de gelijkwaardige uitoefening van mensenrechten en de democratische processen ondermijnt; is van mening dat de EU het belang van integriteit, verantwoordingsplicht en een degelijk beheer van overheidszaken moet beklemtonen in alle dialogen met derde landen, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC); herinnert eraan dat de EU zich aan de toezegging moet houden die ze heeft gemaakt ten aanzien van haar partners, met name in de buurlanden, om economische, sociale en politieke hervormingen te steunen, de mensenrechten te beschermen en te helpen bij de invoering van de rechtsstaat, aangezien dit de beste manier is om de internationale orde te versterken en de stabiliteit in haar buurlanden te waarborgen; beklemtoont in dit verband dat de herziening van het nabuurschapsbeleid de gelegenheid bij uitstek was om opnieuw te verklaren dat de verdediging van universele waarden en de bevordering van mensenrechten centrale doelstellingen van de Unie zijn; herinnert eraan dat de ervaringen die zijn opgedaan door de EU, politici, academici, de media, ngo's en het maatschappelijk middenveld en de lessen die zijn getrokken uit de overgang naar democratie in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid op een positieve manier kunnen bijdragen aan de vaststelling van beproefde methoden die kunnen worden gebruikt voor de ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld; is in dit verband ingenomen met het werk van het Europees Fonds voor Democratie en EU‑programma's ter ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met name het EIDHR;

182.  pleit ervoor dat de EU een bredere benadering van democratiseringsprocessen ontwikkelt, aangezien verkiezingswaarnemingen slechts één dimensie vormen van een langere en bredere cyclus; herhaalt dat politieke transitie en democratisering enkel duurzaam en succesvol kunnen zijn wanneer ze samengaan met de eerbiediging van mensenrechten en gelijke toegang tot het democratisch proces voor vrouwen, personen met een handicap en andere gemarginaliseerde groepen, de bevordering van gerechtigheid, transparantie, verantwoordingsplicht, verzoening, de rechtsstaat, economische en sociale ontwikkeling, maatregelen om extreme armoede tegen te gaan en de totstandbrenging van democratische instellingen; benadrukt dat de EU het bestrijden van corruptie in landen die democratiseringsprocessen doormaken tot prioriteit moet verheffen, aangezien dit verschijnsel de bescherming en bevordering van goed bestuur in de weg staat, georganiseerde misdaad stimuleert en in verband staat met verkiezingsfraude;

183.  is verheugd over de gezamenlijke mededeling over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid, en herinnert eraan dat, zoals bepaald in het VEU, de betrekkingen tussen de EU en haar buurlanden gebaseerd moeten zijn op de waarden van de Unie, waaronder mensenrechten en democratie; benadrukt dat een bijdrage aan de stabilisering van het nabuurschap hand in hand gaat met de bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten;

184.  benadrukt dat de EU democratische en doeltreffende mensenrechteninstellingen en het maatschappelijk middenveld in buurlanden moet blijven ondersteunen; wijst in dit verband in positieve zin op de niet‑aflatende inzet van het Europees Fonds voor Democratie in het oostelijke en zuidelijke nabuurschap van de EU om de eerbiediging van grondrechten, fundamentele vrijheden en democratische beginselen te bevorderen;

185.  benadrukt dat het uitbreidingsbeleid een van de krachtigste instrumenten is om de eerbiediging van democratische beginselen en mensenrechten te versterken; verzoekt de Commissie steun te blijven verlenen aan de versterking van een democratische politieke cultuur, de eerbiediging van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de media en de rechterlijke macht, en de bestrijding van corruptie in kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

186.  verzoekt de Commissie en de EDEO hun volledige steun te blijven verlenen aan democratische processen in uitvoering in derde landen, alsook aan politieke dialoog tussen partijen uit regering en oppositie, en het maatschappelijk middenveld; dringt aan op het belang van een consequente follow-up van aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies als onderdeel van het engagement van de EU ter ondersteuning van democratie en als onderdeel van de landenstrategieën inzake mensenrechten voor de betrokken landen; vraagt om nauwere coördinatie en samenwerking tussen het Parlement en de Commissie/de EDEO om een follow-up van de tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen te waarborgen en ervoor te zorgen dat gebruik wordt gemaakt van de gerichte financiële en technische bijstand die de EU zou kunnen bieden; verzoekt de Commissie een algemene beoordeling te geven van de procedures voor toezicht op verkiezingen;

187.  verzoekt de Raad en de EDEO in het geografische onderdeel van het EU‑jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld een specifiek hoofdstuk op te nemen – voor de betreffende landen – over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen die zijn vastgesteld in het kader van de verkiezingswaarnemingsmissies; herinnert aan de toezegging die in het actieplan is geformuleerd door de EDEO, de Commissie en de lidstaten om op een meer vastberaden en consequente manier in derde landen overleg te plegen met verkiezingsinstanties, parlementaire instellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om zo een bijdrage te leveren aan de versterking van hun positie en daardoor ook het democratisch proces te helpen versterken;

188.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat haar verkiezingsactiviteiten – bestaande uit waarneming en bijstand – worden gecombineerd met vergelijkbare ondersteuning voor andere belangrijke actoren binnen een democratisch stelsel, zoals politieke partijen, parlementen, plaatselijke overheden, onafhankelijke media en het maatschappelijk middenveld;

189.  verzoekt de EU te blijven werken aan de vaststelling van beste praktijken op dit gebied, onder meer in de context van conflictpreventiemaatregelen, bemiddeling en de bevordering van dialoog, teneinde een samenhangende, flexibele en geloofwaardige EU‑benadering te ontwikkelen;

190.  erkent het succesvolle werk van de EDEO en EU‑delegaties bij het voltooien van de tweede generatie democratie-analyses en de vorderingen op het gebied van actieplannen inzake democratie, en verzoekt de VV/HV erop toe te zien dat de actieplannen worden omgezet in concrete ondersteuning van democratie op het terrein;

191.  verzoekt de EDEO voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan in het kader van de democratie-analyses om voorbereidingen te treffen opdat deze analyses in haar buitenlands optreden worden geïntegreerd, en merkt op dat het toevoegen van de component democratie aan de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie weliswaar wordt toegejuicht, maar dat dit niet voldoende is om een echt volledig beeld te krijgen van de democratie in een partnerland;

o
o   o

192.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten.

(1)http://www.un.org/womenwatch/daw/cedaw/cedaw.htm.
(2)PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(3)http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/CMW.aspx.
(4)A/RES/41/128.
(5)http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/2
(6)http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/Vienna.aspx
(7)http://www.un.org/womenwatch/daw/beijing/pdf/BDPfA%20E.pdf
(8)http://www.unfpa.org/sites/default/files/pub-pdf/programme_of_action_Web%20ENGLISH.pdf
(9)http://www.ohchr.org/Documents/Publications/PTS-4Rev1-NHRI_en.pdf
(10)https://europa.eu/globalstrategy/en/global-strategy-foreign-and-security-policy-european-union
(11)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11855-2012-INIT/nl/pdf
(12)https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cmsUpload/111817.pdf
(13)http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52009XG1215(01)&from=EN
(14)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10897-2015-INIT/nl/pdf
(15)PB C 65 van 19.2.2016, blz. 174
(16)http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/foraff/137584.pdf
(17)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10255-2016-INIT/nl/pdf
(18)http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/fac/2015/10/st13201-en15_pdf/
(19)http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/06/16-epsco-conclusions-lgbti-equality/
(20)http://ec.europa.eu/justice/discrimination/files/lgbti_actionlist_en.pdf
(21)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9242-2015-INIT/nl/pdf
(22)http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2015/07/20-fac-migration-conclusions/
(23)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12002-2015-REV-1/nl/pdf
(24)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12098-2015-INIT/nl/pdf
(25)PB L 43 van 18.2.2015, blz. 29
(26)http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=nl&f=ST%2015559%202014%20INIT
(27)http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/130243.pdf
(28)http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12525-2016-INIT/nl/pdf
(29)https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=090000168008482e
(30)PB L 76 van 22.3.2011, blz. 56
(31)http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/international-summit/2015/11/action_plan_en_pdf/
(32)http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/s_res_2242.pdf
(33)http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/CAC%20S%20RES%201820.pdf
(34)http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1325(2000)
(35)http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/167
(36)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(37)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0300.
(38)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0201.
(39)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0102.
(40)Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.
(41)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(42)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.
(43)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.
(44)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.
(45)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.
(46)PB C 316 van 30.8.2016, blz. 130.
(47)PB C 316 van 30.8.2016, blz. 178.
(48)PB C 234 van 28.6.2016, blz. 25.
(49)Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0172.
(50)PB C 181 van 19.5.2016, blz. 69.
(51)http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session31/Documents/A_HRC_31_56_en.doc
(52)PB C 65 van 19.2.2016, blz. 105.
(53)PB C 434 van 23.12.2015, blz. 24.
(54)PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 115.
(55)PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.
(56)PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 69.
(57)A/HRC/RES/17/4.
(58)https://www.democracyendowment.eu/annual-report/
(59)PB C 208 van 10.6.2016, blz. 25.
(60)http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/july/tradoc_153591.pdf.
(61) Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Nigeria, Somalië, Mauritanië, Sudan, Sierra Leone, Jemen, Afghanistan, Pakistan, Qatar, Iran en de Maldiven.

Laatst bijgewerkt op: 29 januari 2018Juridische mededeling