Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2248(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0390/2016

Ingediende teksten :

A8-0390/2016

Debatten :

PV 14/02/2017 - 3

Stemmingen :

PV 16/02/2017 - 6.6

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0048

Aangenomen teksten
PDF 396kWORD 68k
Donderdag 16 februari 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen met betrekking tot het huidige institutionele bestel van de Europese Unie
P8_TA(2017)0048A8-0390/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie (2014/2248(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien met name de artikelen 1, 2, 3, 6, 9, 10, 14, 15, 16, 17, 48 en 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en de artikelen 119, 120‑126, 127‑133, 136‑138, 139‑144, 194 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en de protocollen hierbij,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het verslag van 22 juni 2015 van de voorzitter van de Europese Commissie in nauwe samenwerking met de voorzitters van de Europese Raad, het Europees Parlement, de Europese Centrale Bank en de eurogroep, getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie" (het "verslag van de vijf voorzitters")(1) ,

–  gezien zijn resolutie van 19 november 2013 over het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2014‑2020(2) en gezien zijn besluit van 19 november 2013 inzake de sluiting van een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) ,

–  gezien het MFK(4) en het Interinstitutioneel Akkoord(5) zoals goedgekeurd op 2 december 2013,

–  gezien het definitieve verslag en de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen van december 2016(6) ,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18‑19 februari 2016 betreffende een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie, die nietig is geworden door het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de Unie te verlaten,

–  gezien het feit dat het VK er in het referendum over het lidmaatschap van de EU voor gestemd heeft de EU te verlaten,

–  gezien de gewone Eurobarometer 84 van najaar 2015 getiteld "De publieke opinie in de Europese Unie" en de speciale Eurobarometer van het Europees Parlement van juni 2016 getiteld "Europeans in 2016: Perceptions and expectations, fight against terrorism and radicalisation",

–  gezien Advies 2/13 van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het ontwerpakkoord inzake de toetreding van de EU tot het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Europees Verdrag voor de rechten van de mens – EVRM)(7) ,

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 28 juni 2013 tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement(8) ,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 inzake onderhandelingen over "Het MFK 2014‑2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?"(10) ,

–  gezien zijn resoluties van 22 november 2012 inzake de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014(11) , en van 4 juli 2013 over verbetering van de organisatie van de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie(13) ,

–   gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het Europees burgerinitiatief(14) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over de herziening van de kieswet van de Europese Unie(15) en gezien zijn voorstel tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien zijn resolutie van 28 juni 2016 over het besluit van het VK om als gevolg van het referendum in het VK de EU te verlaten(16)

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(17) ,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(18) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(19) ,

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht(20) ,

–  gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015(21) en van het Comité van de Regio's van 8 juli 2015(22) ,

–  gezien de verklaring "Greater European Integration: The Way Forward" van de voorzitters van de Italiaanse Camera dei Deputati, de Franse Assemblée nationale, de Duitse Bundestag en de Luxemburgse Chambre des Députés, ondertekend op 14 september 2015 en momenteel gesteund door meerdere nationale parlementaire kamers in de EU,

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 januari 2013 over de bevordering van het kiesrecht van EU‑burgers(23) ,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8‑0390/2016),

A.  overwegende dat onderhavige resolutie tot doel heeft oplossingen te bieden die niet kunnen worden verkregen met behulp van de instrumenten waarin de Verdragen momenteel voorzien en die daarom alleen haalbaar zijn via een toekomstige wijziging van de Verdragen wanneer aan de voorwaarden is voldaan;

B.  overwegende dat het onvermogen van de EU-instellingen om het hoofd te bieden aan de ernstige en talrijke crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd – de zogeheten "polycrisis" – met alle gevolgen van dien op financieel, economisch, sociaal en migratiegebied alsmede de groei van populistische partijen en nationalistische bewegingen hebben geleid tot toenemende onvrede onder een steeds groter deel van de bevolking over de werking van de huidige Europese Unie;

C.  overwegende dat deze significante Europese uitdagingen niet kunnen worden afgehandeld door de afzonderlijke lidstaten, maar dat hiervoor een gezamenlijk antwoord nodig is van de Europese Unie;

D.  overwegende dat het streven naar een Unie die haar doelstellingen ook werkelijk bereikt en verwezenlijkt belemmerd wordt door een gebrek aan governance als gevolg van het voortdurend en systematisch zoeken naar unanimiteit in de Raad (hetgeen nog steeds gebaseerd is op het zogeheten compromis van Luxemburg) en het ontbreken van een één enkele geloofwaardige uitvoerende macht die volledige democratische legitimiteit geniet alsmede de bevoegdheid om doeltreffende maatregelen te kunnen nemen op een brede waaier van beleidsterreinen; overwegende dat recente voorbeelden zoals het inadequate beheer van de migratiestromen, de trage sanering van onze banken na het uitbreken van de financiële crisis en het uitblijven van een onmiddellijke gezamenlijke reactie op de interne en externe terrorismedreiging overduidelijk hebben aangetoond dat de Unie niet snel en doeltreffend kan reageren;

E.  overwegende dat de EU niet kan voldoen aan de verwachtingen van de Europese burgers, omdat de huidige Verdragen niet ten volle worden benut en niet voorzien in alle noodzakelijke instrumenten, bevoegdheden en besluitvormingsprocedures om deze gemeenschappelijke doelstellingen doeltreffend na te streven;

F.  overwegende dat dit probleem, in combinatie met het ontbreken van een gemeenschappelijke visie van de lidstaten op de toekomst van ons continent, geleid heeft tot een ongekende mate van euroscepticisme, die leidt tot een terugkeer naar nationalisme en de Unie dreigt te ondermijnen en mogelijk zelfs ineen te laten storten;

G.  overwegende dat het systeem waarin de lidstaten hun toevlucht nemen tot oplossingen "à la carte", een systeem dat in het Verdrag van Lissabon verder is versterkt, de Unie niet heeft bevorderd maar de complexiteit ervan juist heeft vergroot en de verscheidenheid nog eens heeft benadrukt; overwegende dat er ondanks de door de Verdragen geboden flexibiliteit vele "opt‑outs" met betrekking tot het primaire recht zijn verleend aan meerdere lidstaten, en dat hierdoor een ondoorzichtig systeem is ontstaan van met elkaar kruisende samenwerkingsclusters, dat de democratische controle en verantwoordingsplicht belemmert;

H.  overwegende dat de Verdragen voorzien in vormen van flexibele en gedifferentieerde integratie op het niveau van het secundaire recht door middel van de instrumenten voor nauwere en gestructureerde samenwerking, die slechts op een beperkt aantal beleidsgebieden zou moeten worden toegepast, maar tegelijkertijd inclusief moet zijn, zodat alle lidstaten van de EU kunnen deelnemen; overwegende dat de impact van nauwere samenwerking twintig jaar na de invoering ervan nog steeds beperkt is; overwegende dat er in drie gevallen sprake is geweest van nauwere samenwerking, namelijk bij gemeenschappelijke regels voor de van toepassing zijnde wetgeving inzake echtscheidingen van internationale paren, het Europees octrooi met eenheidswerking en de invoering van een belasting op financiële transacties (BFT); overwegende dat nauwere samenwerking moet worden ingezet als eerste step in de richting van verdere integratie van beleid zoals het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en niet als manier om "a la carte"-oplossingen te faciliteren;

I.  overwegende dat de Gemeenschapsmethode moet worden behouden en niet mag worden gedwarsboomd door intergouvernementele oplossingen, zelfs op terreinen waar niet alle lidstaten aan de voorwaarden voor deelname voldoen;

J.  overwegende dat de euro evenwel de valuta van de Unie is (art. 3, lid 4, VEU) en dat voor het monetair beleid voor het Verenigd Koninkrijk een uitzondering betreffende toetreding geldt (Protocol nr. 15) en voor Denemarken een constitutionele uitzondering (Protocol nr. 16), dat Zweden zich niet langer aan de convergentiecriteria voor de euro houdt en dat de mogelijkheid dat Griekenland de euro loslaat openlijk in de Europese Raad is besproken; overwegende dat alle lidstaten verplicht zijn toe te treden tot deze valuta zodra zij aan alle voorgeschreven criteria voldoen, terwijl er geen tijdschema is opgesteld voor de lidstaten die zich aansluiten na de invoering van de euro;

K.  overwegende dat er wat betreft Schengen, het vrije verkeer van personen en de daaruit voortvloeiende afschaffing van de controles aan de binnengrenzen, onderwerpen die officieel in de Verdragen zijn opgenomen, aan het VK en Ierland "opt‑outs" zijn toegekend; overwegende dat vier andere lidstaten evenmin deelnemen, maar wel verplicht zijn om zulks te doen, terwijl aan drie landen buiten de Europese Unie "opt‑ins" zijn toegekend; overwegende dat deze fragmentering niet alleen verhindert dat de laatste bestaande binnengrenzen verdwijnen, maar ook de totstandbrenging van een echte interne markt en van een volledig geïntegreerde ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid bemoeilijkt; herinnert eraan dat integratie in het Schengengebied de doelstelling moet blijven voor alle lidstaten van de EU;

L.  overwegende dat "opt‑outs" voor afzonderlijke lidstaten de uniforme toepassing van het EU-recht in het gedrang brengen, tot excessieve complexiteit in bestuurlijk opzicht leiden, de samenhang van de Unie bedreigen en de solidariteit tussen haar burgers ondermijnen;

M.  overwegende dat de Europese Raad sinds het Verdrag van Lissabon en bespoedigd door de economische, financiële, migratie- en veiligheidscrisis zijn rol heeft uitgebreid tot dagelijks bestuur via de vaststelling van intergouvernementele instrumenten buiten het kader van de EU om, ondanks het feit dat het niet zijn rol is om wetgevende taken uit te oefenen maar om de Unie de noodzakelijke stimulansen te bieden voor haar ontwikkeling en om algemene politieke richting en prioriteiten vast te stellen (artikel 15, lid 1, VEU);

N.  overwegende dat het streven naar op eenparigheid van stemmen in de Europese Raad en zijn onvermogen om een dergelijke eenparigheid te bereiken, hebben geleid tot de vaststelling van intergouvernementele overeenkomsten buiten het Europese rechtskader om, zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie (TSCG ofwel het "begrotingspact"); overwegende dat hetzelfde geldt voor de afspraak met Turkije inzake de Syrische vluchtelingencrisis;

O.  overwegende dat artikel 16 van het TSCG bepaalt dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding (vóór 1 januari 2018) de nodige maatregelen moeten zijn genomen om het begrotingspact op te nemen in het juridisch kader van de Unie maar dat het, ondanks het feit dat er soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de intergouvernementele overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, wel duidelijk is dat er geen grotere veerkracht van de eurozone bewerkstelligd kan worden, met inbegrip van de voltooiing van de bankenunie, zonder verdere stappen richting begrotingsverdieping in combinatie met een meer betrouwbare, doeltreffende en democratische vorm van governance;

P.  overwegende dat dit nieuwe systeem van governance impliceert dat de Commissie een werkelijke regering zou worden die verantwoording aan het Parlement moet afleggen, is toegerust om het gemeenschappelijke begrotingsbeleid en het macro-economisch beleid te formuleren en uit te voeren dat de eurozone nodig heeft, en moet kunnen beschikken over een schatkist en begroting welke evenredig zijn met de omvang van haar taken; overwegende dat hiertoe behalve maatregelen op het vlak van het bestaande primaire recht ook een hervorming van het Verdrag van Lissabon vereist is;

Q.  overwegende dat dit ook geldt voor de noodzakelijke hervorming en modernisering van de financiële middelen van de hele Europese Unie; overwegende dat het akkoord over het huidige meerjarig financieel kader (MFK) slechts na lange en moeizame onderhandelingen werd bereikt en gepaard ging met het besluit om een Groep op hoog niveau in te stellen die het systeem van "eigen middelen" voor inkomsten van de Unie moest evalueren en in 2016 verslag moest uitbrengen; overwegende dat het huidige MFK de financiële en politieke autonomie ernstig beperkt, daar de meeste inkomsten afkomstig zijn van de nationale bijdragen van de lidstaten en een groot deel van de uitgaven reeds vastligt in de zin van betalingen aan dezelfde lidstaten; overwegende dat de op bnp/bni gebaseerde nationale bijdragen veruit de grootste inkomstenbron zijn geworden;

R.  overwegende dat het MFK in nominale termen kleiner is in vergelijking met het vorige, terwijl de omstandigheden vragen om grote begrotingsinspanningen om vluchtelingen bij te staan en economische groei, sociale samenhang en financiële stabiliteit te stimuleren;

S.  overwegende dat het vereiste van unanimiteit voor het belastingbeleid verhindert dat de aanwezigheid van belastingparadijzen binnen de Europese Unie en schadelijke belastingmaatregelen van lidstaten worden aangepakt; overwegende dat veel van deze praktijken de werking van de interne markt verstoren, de inkomsten van de lidstaten in gevaar brengen en uiteindelijk de lasten verplaatsen naar burgers en kmo's;

T.  overwegende dat de Europese Unie een constitutioneel bestel is dat gebaseerd is op de rechtsstaat; overwegende dat de Verdragen gewijzigd moeten worden om het Hof van Justitie van de Europese Unie (EHvJ) jurisdictie over alle aspecten van de EU‑wetgeving te verlenen, in overeenstemming met het beginsel van de scheiding der machten;

U.  overwegende dat de EU tevens berust op waarden als eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat de bestaande instrumenten van de EU voor beoordeling en bestraffing van schendingen van deze beginselen door de lidstaten ontoereikend zijn gebleken; overwegende dat inbreukprocedures die zijn ingeleid tegen specifieke rechtshandelingen of maatregelen van een lidstaat welke in strijd zijn met de EU‑wetgeving, ontoereikend zijn om systematische schendingen van de fundamentele waarden van de EU aan te pakken; overwegende dat de Raad op grond van artikel 7, lid 1, VEU handelt met een meerderheid van vier vijfde van zijn leden bij de vaststelling van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de fundamentele waarden en dat de Europese Raad op grond van artikel 7, lid 2, VEU unaniem moet handelen bij het vaststellen van het bestaan van een ernstige en voortdurende schending; overwegende dat als gevolg hiervan noch een beroep gedaan is op de preventieve maatregel op grond van artikel 7, lid 1, VEU, noch op de strafmechanismen van artikel 7, leden 2 en 3;

V.  overwegende dat de EU beter in staat lijkt om beleid inzake grondrechten, de rechtsstaat en corruptie te beïnvloeden wanneer landen nog kandidaat zijn voor toetreding tot de Unie; overwegende dat het rechtsstaatmechanisme met evenveel kracht moet worden toegepast op alle lidstaten;

W.  overwegende dat zo'n evaluatie ook nodig is om de werking van de Unie opnieuw in balans te brengen en grondig te renoveren, met het doel de bureaucratie terug te dringen en de beleidsvorming doeltreffender te maken en beter op de behoeften van de burger af te stemmen; overwegende dat de Unie over de noodzakelijke bevoegdheden moet beschikken om te kunnen streven naar vooruitgang bij een aantal van haar doelstellingen, zoals de voltooiing van de interne markt, de energie-unie, sociale samenhang en het streven naar volledige werkgelegenheid, rechtvaardig en gemeenschappelijk migratie- en asielbeheer, alsmede beleid voor interne en externe veiligheid;

X.  overwegende dat de opbouw van een systematische dialoog met maatschappelijke organisaties en het versterken van de sociale dialoog, op alle niveaus en in overeenstemming met het in artikel 11 VWEU vastgelegde beginsel, van essentieel belang zijn om euroscepticisme weg te nemen en het belang van de op solidariteit gebaseerde dimensie van Europa, sociale cohesie en de opbouw van een participatieve en inclusieve democratie opnieuw te bevestigen, als aanvulling op de representatieve democratie;

Y.  overwegende dat de veiligheidssituatie in Europa de afgelopen tien jaar duidelijk is verslechterd, met name in de ons omringende landen: lidstaten kunnen niet langer zonder hulp van anderen voor hun eigen interne en externe veiligheid zorgen;

Z.  overwegende dat de teruggang van de Europees defensiecapaciteit het vermogen heeft beknot om tot buiten onze onmiddellijke grenzen voor stabiliteit te zorgen; overwegende dat dit hand in hand gaat met de aarzeling van onze Amerikaanse bondgenoten om te interveniëren als Europa niet bereid is om zijn deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen; overwegende dat het EU‑defensiebeleid moet worden versterkt en dat er een uitgebreid partnerschap tussen de EU en de NAVO moet worden opgericht, terwijl de Unie in staat moet worden gesteld om autonoom te handelen in buitenlandse activiteiten, voornamelijk om haar eigen omgeving te stabiliseren; overwegende dat dit betekent dat er intensievere samenwerking tussen de lidstaten nodig is alsmede integratie van een deel van hun defensiecapaciteit in een Europese defensiegemeenschap, aansluitend bij een nieuwe Europese veiligheidsstrategie;

AA.  overwegende dat geen van de "passerelle"-clausules in het Verdrag van Lissabon, bedoeld om de Unie-governance te stroomlijnen, is toegepast en dat dit onder de huidige omstandigheden ook niet zal gebeuren; overwegende dat in plaats daarvan, als gevolg van het besluit van de Europese Raad van 18‑19 juni 2009 betreffende de inkrimping van het aantal Eurocommissarissen zoals beoogd in het Verdrag van Lissabon, onmiddellijk de "let out"-clausule werd toegepast;

AB.  overwegende dat de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014 voor het eerst rechtstreeks hebben geleid tot de benoeming van de kandidaat voor het ambt van Commissievoorzitter; overwegende dat de burgers helaas niet rechtstreeks voor de kandidaten konden stemmen; overwegende dat het supranationale karakter van de Europese verkiezingen verder dient te worden versterkt door een duidelijke rechtsgrondslag in te voeren, om te waarborgen dat dit nieuwe systeem wordt beschermd en verder ontwikkeld; overwegende dat voor burgers de onderlinge verhoudingen tussen de voorzitter van de Commissie en de voorzitter van de Europese Raad moeilijk te begrijpen zijn;

AC.  overwegende dat de noodzaak van een hervorming van de Unie dramatisch is toegenomen nu het Verenigd Koninkrijk er in het referendum voor heeft gestemd om de Europese Unie te verlaten; overwegende dat bij de onderhandelingen over de regelingen voor de uittreding van het VK ook rekening moet worden gehouden met de randvoorwaarden voor de toekomstige relatie van het land met de Unie; overwegende dat deze overeenkomst tot stand moet komen overeenkomstig artikel 218, lid 3, VWEU en namens de Unie moet worden gesloten door de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na instemming van het Europees Parlement; overwegende dat het Europees Parlement daarom gedurende de gehele onderhandelingsprocedure volledig bij een en ander betrokken moet worden;

AD.  overwegende dat het vertrek van het VK een kans zou bieden om de complexiteit van de Unie te verminderen en duidelijker te bepalen wat het lidmaatschap van de Unie werkelijk betekent; overwegende dat er in de toekomst een duidelijke structuur nodig is voor de betrekkingen van de EU met niet‑leden in haar omgeving (het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Turkije, Oekraïne, enz.); overwegende dat de oprichters van de Unie reeds een soort "geassocieerde status" voor ogen hadden;

AE.  overwegende dat de Verdragen bij deze belangrijke exercitie zes specifieke prerogatieven voor het Europees Parlement noemen, namelijk: het recht om wijzigingen op de Verdragen voor te stellen (art. 48, lid 2, VEU), het recht om door de Europese Raad te worden geraadpleegd over wijzigingen op de Verdragen (art. 48, lid 3, eerste alinea, VEU), het recht om te eisen dat er tegen de wil van de Europese Raad een Conventie bijeen wordt geroepen (art. 48, lid 3, tweede alinea, VEU), het recht om te worden geraadpleegd over een besluit van de Europese Raad tot gehele of gedeeltelijke herziening van het derde deel van het VWEU (art. 48, lid 6, tweede alinea, VEU), het recht om vóór de volgende verkiezingen een herverdeling van het aantal zetels in het Parlement voor te stellen (art. 14, lid 2, VEU) en het recht om een uniforme verkiezingsprocedure voor te stellen (art. 223, lid 1, VWEU);

AF.  overwegende dat de rol van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en van het Comité van de Regio's (CvdR) als institutionele vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en regionale en lokale actoren moet worden beschermd, gezien het feit dat hun adviezen bijdragen aan het vergroten van de democratische legitimiteit van beleidsvormings- en wetgevingsprocessen;

AG.  overwegende dat een duidelijke meerderheid van de regionale en lokale overheden in de Unie, via het Comité van de Regio's, op consistente wijze hun standpunt bekend hebben gemaakt ten gunste van een meer geïntegreerde EU met doeltreffende governance;

1.  is van mening dat de tijd van crisismanagement door middel van ad‑hocbeslissingen voorbij is, daar dit slechts leidt tot maatregelen die dikwijls te weinig resultaat boeken en te laat komen; is ervan overtuigd dat het nu tijd is voor een grondige overdenking over de manier waarop de tekortkomingen van de governance van de Europese Unie moeten worden aangepakt, en wel door een uitgebreide en diepgaande herziening van het Verdrag van Lissabon uit te voeren; is van mening dat intussen korte- en middellangetermijnoplossingen kunnen worden verkregen door ten volle gebruik te maken van het potentieel van de bestaande Verdragen;

2.  stelt vast dat de koers van de hervorming van de Unie gericht moet zijn op de modernisering ervan door middel van nieuwe doeltreffende Europese bevoegdheden en instrumenten en verdere democratisering van de besluitvormingsprocessen in plaats van renationalisering via meer intergouvernementele maatregelen;

3.  onderstreept dat recente Eurobarometer-enquêtes laten zien dat, in tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, de EU‑burgers zich nog steeds volledig bewust zijn van het belang van echte Europese oplossingen en deze ook steunen(24) , onder andere op het gebied van veiligheid, defensie en van migratie;

4.  neemt met grote bezorgdheid waar hoe steeds meer subgroepen van lidstaten de eenheid van de Unie ondermijnen door verwarring te zaaien en het vertrouwen van de bevolking aan te tasten; is van mening dat de passende samenstelling voor het voeren van de discussie over de toekomst van de Unie de EU-27 is; benadrukt dat opsplitsing van de discussie in verschillende samenstellingen of groepen van lidstaten contraproductief zou zijn;

5.  benadrukt dat een uitvoerige democratische hervorming van de Verdragen moet worden bewerkstelligd via beraad over de toekomst van de EU en een akkoord over een visie voor de huidige en toekomstige generaties Europese burgers, welke uitmonden in een Conventie die inclusiviteit garandeert doordat zij is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale parlementen, de regeringen van alle lidstaten, de Commissie, het Europees Parlement, de adviesorganen van de EU zoals het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, en die tevens het juiste platform biedt voor een dergelijk beraad en een debat met de Europese burger en het maatschappelijk middenveld;

Een einde aan "Europa à la carte"

6.  betreurt het dat telkens wanneer de Europese Raad besluit intergouvernementele methodes toe te passen en de "Gemeenschaps- of Unie-methode" zoals gedefinieerd in de Verdragen te omzeilen, dit niet alleen leidt tot minder doeltreffende beleidsvorming maar ook bijdraagt tot een toenemend gebrek aan transparantie, democratische verantwoording en controle; is van mening dat een gedifferentieerde aanpak alleen als tijdelijke stap in de richting van een doeltreffendere en beter geïntegreerde EU‑beleidsvorming denkbaar is;

7.  is van mening dat de "Unie-methode" de enige democratische wetgevingsmethode is die waarborgt dat alle belangen, met name de gemeenschappelijke Europese belangen, in aanmerking worden genomen; verstaat onder "Unie-methode" de wetgevingsprocedure waarbij de Commissie als onderdeel van haar bevoegdheid als uitvoerende macht wetgeving initieert, het Parlement en de Raad als vertegenwoordiging van resp. de burgers en de staten met meerderheid van stemmen via medebeslissing een besluit nemen, waarbij unanimiteitsverplichtingen in de Raad absolute uitzonderingen worden, en waarbij het Hof van Justitie toezicht uitoefent en de uiteindelijke rechterlijke toetsing uitvoert; dringt erop aan dat zelfs in spoed vereisende gevallen de "Unie-methode" gerespecteerd wordt;

8.  acht het onder deze omstandigheden essentieel het streven naar een "steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa" (art. 1 VEU) andermaal te bekrachtigen, teneinde de tendens in de richting van desintegratie tegen te gaan en eens te meer de morele, politieke en historische redenen voor de EU alsmede de constitutionele aard ervan te belichten;

9.  stelt voor de vereisten voor het invoeren van nauwere en gestructureerde samenwerking minder restrictief te maken, onder meer door het verlagen van het minimumaantal deelnemende lidstaten;

10.  stelt voor bij de volgende herziening van de Verdragen de huidige ongeordende differentiatie te rationaliseren door een einde te maken aan de praktijk van opt‑outs, opt‑ins en uitzonderingen voor individuele lidstaten op het niveau van het primaire EU‑recht, of deze in elk geval drastisch in te perken;

11.  beveelt aan een partnerschap te definiëren en te ontwikkelen om een kring van partners op te zetten rondom de EU voor staten die niet tot de Unie kunnen of willen toetreden, maar wel nauwe banden met de EU willen hebben; is van mening dat deze banden gepaard moeten gaan met verplichtingen die overeenkomen met de respectieve rechten, zoals een financiële bijdrage en – nog belangrijker – eerbiediging van de fundamentele waarden van de Unie en de rechtsstaat;

12.  is van mening dat het enkelvoudige institutionele kader moet worden behouden teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie te bereiken en het beginsel van gelijkheid van alle burgers en lidstaten te garanderen;

Uittreding van het VK uit de Europese Unie

13.  stelt vast dat deze nieuwe vorm van partnerschap een van de mogelijke oplossingen zou kunnen vormen om tegemoet te komen aan de wens van de meerderheid van de burgers van het Verenigd Koninkrijk om de EU te verlaten; benadrukt dat de uittreding van het VK, als een van de grotere lidstaten en als grootste niet tot de eurozone behorend lid, van invloed is op de kracht en het institutionele evenwicht van de Unie;

14.  bekrachtigt andermaal dat constitutionele elementen van de Unie, in het bijzonder de integriteit van de interne markt en het feit dat deze niet gescheiden kan worden van de vier fundamentele vrijheden van de Unie (vrij verkeer van kapitaal, personen, goederen en diensten) essentiële, ondeelbare pijlers van de Unie zijn, evenals het bestaan van een rechtsstaat, gewaarborgd door het Europees Hof van Justitie; bekrachtigt andermaal dat deze constitutionele eenheid niet ongedaan kan worden gemaakt tijdens de onderhandelingen rond de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie;

15.  dringt erop aan dat de zetel van de Europese Bankautoriteit en die van het Europees Geneesmiddelenbureau, beide momenteel in Londen, worden verplaatst naar een andere lidstaat, gezien de keuze van de burgers van het Verenigd Koninkrijk om de EU te verlaten;

Nieuwe economische governance voor economische groei, sociale samenhang en financiële stabiliteit

16.  is ernstig verontrust over de toenemende economische en sociale divergentie en het gebrek aan economische hervormingen en financiële stabiliteit in de Economische en Monetaire Unie (EMU) alsmede het verlies aan concurrentiekracht van de economieën in veel lidstaten; dat met name te wijten is aan het ontbreken van een gemeenschappelijk economisch en begrotingsbeleid; is dan ook van mening dat het gemeenschappelijk begrotingsbeleid en economisch beleid een gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten moet worden;

17.  is van oordeel dat in hun huidige vorm noch het stabiliteits- en groeipact, noch de "no bail-out"-clausule (art. 125 VWEU) het gewenste doel bereiken; is van mening dat de EU de pogingen moet afhouden om terug te gaan naar een nationale politiek van protectionisme en in de toekomst een open economie moet blijven; waarschuwt dat dit niet bereikt kan worden door het sociale model te ontmantelen;

18.  merkt daarnaast op dat het huidige systeem de nationale eigendom van landenspecifieke aanbevelingen niet voldoende waarborgt; is wat dit betreft geïnteresseerd in het potentieel dat geboden wordt door het adviserend Europees Begrotingscomité en zijn toekomstige taak om de Commissie te adviseren over een begrotingskoers die geschikt zou zijn voor de eurozone als geheel;

19.  is zich bewust van de noodzaak om de doeltreffendheid van de vele recente maatregelen voor crisisbeheersing die de EU genomen heeft, tegen het licht te houden en bepaalde besluitvormingsprocedures in primair recht om te zetten, alsmede van de noodzaak om de rechtsgrondslagen van het nieuwe regelgevingskader voor de financiële sector te verankeren; is het eens met het verslag van de vijf voorzitters dat de "open coördinatiemethode" als basis voor de economische strategie voor Europa niet werkt;

20.  stelt daarom voor om in aanvulling op het stabiliteits- en groeipact als wetgevingshandeling volgens de gewone wetgevingsprocedure een "convergentiecode" aan te nemen, waarmee convergentiedoelen worden vastgesteld (belasting, arbeidsmarkt, investeringen, productiviteit, sociale samenhang, administratieve overheidscapaciteit alsmede capaciteit voor goed bestuur); benadrukt dat, binnen het kader voor economische governance, naleving van de convergentiecode een voorwaarde moet zijn voor volledige deelname aan de begrotingscapaciteit van de eurozone en verplicht iedere lidstaat ertoe voorstellen te doen met betrekking tot de manier waarop aan de criteria van de convergentiecode kan worden voldaan; onderstreept dat de normen en de begrotingsstimulansen worden neergelegd in de resolutie over begrotingscapaciteit voor de eurozone;

21.  meent dat een sterke sociale dimensie cruciaal is voor een alomvattende EMU en dat artikel 9 van het VWEU in zijn huidige vorm niet toereikend is om een adequaat evenwicht tussen sociale rechten en economische vrijheden te waarborgen; dringt daarom aan op het gelijkstellen van deze rechten en op het waarborgen van de dialoog tussen de sociale partners;

22.  dringt erop aan dat het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (het “begrotingspact”) in het juridisch kader van de EU, en het ESM en het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in de EU‑wetgeving worden opgenomen, op basis van een uitvoering evaluatie van hun tenuitvoerlegging en met dienovereenkomstige democratische controle door het Parlement, om te waarborgen dat de controle en verantwoording tot de verantwoordelijkheid behoren van hen die hieraan bijdragen; dringt tevens aan op verdere ontwikkeling van de interparlementaire conferentie voorzien in artikel 13 van het begrotingspact, om substantiële en tijdige discussie tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen waar nodig mogelijk te maken;

23.  is van mening dat de eurozone, om de financiële stabiliteit te vergroten, grensoverschrijdende asymmetrische en symmetrische schokken op te vangen en de gevolgen van de recessie af te zwakken, en een juist investeringsniveau te waarborgen, een begrotingscapaciteit nodig heeft die gebaseerd is op echte eigen middelen, alsmede een Europese schatkist die is toegerust met een leningscapaciteit; merkt op dat deze schatkist bij de Commissie zou moeten worden ondergebracht en worden onderworpen aan democratische toetsing en verantwoording via het Parlement en de Raad;

24.  wijst erop dat er, gezien het feit dat naleving van essentieel belang is voor het functioneren van de Economische en Monetaire Unie, krachtigere gouvernementele functies nodig zijn dan die welke nu door de Commissie en/of de eurogroep worden geboden, alsook volledig democratische checks-and-balances via de betrokkenheid van het Europees Parlement bij alle aspecten van de EMU; meent dat daarnaast, om de eigen verantwoordelijkheid te verbeteren, een verantwoordingsplicht gewaarborgd moet worden op het niveau waar de besluiten worden genomen of worden uitgevoerd, d.w.z. dat de nationale parlementen de nationale regeringen moeten controleren en dat het Europees Parlement de Europese uitvoerende macht moet controleren;

25.  dringt er dan ook op aan dat de uitvoerende macht in handen van de Commissie komt te liggen, in de rol van een EU-minister van Financiën, door de Commissie de bevoegdheid te verlenen een gemeenschappelijk economisch beleid van de EU te formuleren, bestaande uit macro-economische, monetaire en begrotingsinstrumenten, gesteund door een begrotingscapaciteit voor de eurozone, en dit beleid uit te voeren; de minister van Financiën zou verantwoordelijk moeten zijn voor het functioneren van het ESM en andere onderlinge instrumenten, waaronder de begrotingscapaciteit, en zou de enige externe vertegenwoordiger van de eurozone in internationale organisaties moeten zijn, met name in de financiële sector;

26.  vindt dat de minister van Financiën moet worden toegerust met voldoende bevoegdheden om te kunnen interveniëren om de convergentiecode te kunnen monitoren, alsmede met de bevoegdheid om de hierboven beschreven begrotingsstimulansen in te zetten;

27.  acht het noodzakelijk, onverminderd de taken van het Europees systeem van centrale banken, dat het Europees Stabiliteitsmechanisme in staat wordt gesteld op te treden als eerste kredietverstrekker in laatste instantie voor financiële instellingen die direct onder supervisie of toezicht van de Europese Centrale Bank vallen; acht het verder noodzakelijk dat de Europese Centrale Bank alle bevoegdheden van een "federal reserve" krijgt, met behoud van haar onafhankelijkheid;

28.  dringt er tot slot op aan dat de bankenunie en de kapitaalmarktunie stap voor stap, maar zo snel mogelijk, worden voltooid, aan de hand van een kort tijdschema;

29.  acht het noodzakelijk de eenparigheidsvereiste voor de harmonisatie van bepaalde belastingpraktijken op te heffen zodat de EU de eerlijke en soepele werking van de interne markt kan vrijwaren en schadelijk belastingbeleid van de lidstaten wordt vermeden; dringt erop aan de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking en belastingparadijzen tot een fundamentele doelstelling van de Europese Unie te maken;

Nieuwe uitdagingen

30.  erkent dat er in geopolitiek, economisch en milieuopzicht behoefte is aan de oprichting van een echte Europese energie-unie; onderstreept dat klimaatverandering een van de belangrijkste mondiale uitdagingen is waaraan de EU het hoofd moet bieden; benadrukt in dit verband dat, naast de noodzaak van volledige ratificatie en tenuitvoerlegging van het akkoord van Parijs en de aanpassing van bindende EU‑klimaatdoelstellingen en ‑maatregelen, de beperking die stelt dat EU‑beleid het recht van een staat om de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen, de keuze tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening te bepalen, niet mag beïnvloeden (artikel 194, lid 2, VWEU), moet worden gewijzigd om de succesvolle uitvoering van een gemeenschappelijk beleid inzake schone en hernieuwbare energie mogelijk te maken;

31.  benadrukt dat de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare energiebronnen als primair doel voor zowel de Unie als de lidstaten in de Verdragen moet worden opgenomen;

32.  merkt op dat de Verdragen ruime mogelijkheden bieden om een humaan en goed functionerend systeem voor migratie- en asielbeheer op te zetten, met inbegrip van een Europese grens- en kustwacht, en is ingenomen met de gemaakte vorderingen in dit opzicht; is evenwel van oordeel dat de Verdragen, met name artikel 79, lid 5, VWEU, te restrictief zijn wat andere aspecten van migratie betreft, met name als het gaat om het invoeren van een werkelijk Europees systeem voor legale migratie; onderstreept dat het toekomstige migratiesysteem van de EU in synergie moet zijn met haar buitenlandse hulp en haar buitenlands beleid, en nationale criteria voor het verlenen van asiel en toegang tot de arbeidsmarkt moet harmoniseren; onderstreept dat er democratische controle door het Parlement nodig is bij de uitvoering van grenscontroles, overeenkomsten met derde landen die samenwerking op het gebied van overname en terugkeer behelzen, en asiel- en migratiebeleid, en dat het waarborgen van de nationale veiligheid niet als voorwendsel gebruikt mag worden om Europese maatregelen te omzeilen;

33.  acht het met het oog op de omvang van de terreurdreiging nodig om de EU‑capaciteit in de strijd tegen terrorisme en de internationale georganiseerde misdaad op te voeren; benadrukt dat er niet alleen nauwere coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten en instanties in de lidstaten nodig is, maar dat er ook echte onderzoeks- en vervolgingsbevoegdheden en -middelen moeten worden toegekend aan Europol en Eurojust, naar aanleiding van hun transformatie tot een echt Europees Bureau voor onderzoek en terrorismebestrijding, met navenante parlementaire toetsing;

34.  concludeert dat de verschillende terroristische aanslagen die op Europees grondgebied zijn uitgevoerd, hebben aangetoond dat de veiligheid beter zou zijn gewaarborgd als dit geen exclusieve bevoegdheid van de lidstaten was; stelt daarom voor dit tot gedeelde bevoegdheid te maken teneinde de oprichting van een Europese onderzoeks- en inlichtingendienst binnen Europol, onder toezicht van de rechterlijke macht, mogelijk te maken; benadrukt dat er overeenkomstig artikel 73 VWEU niets is dat de lidstaten er ondertussen van weerhoudt om deze vormen van samenwerking tussen hun diensten tot stand te brengen;

Een krachtiger buitenlands beleid

35.  betreurt het, zoals verklaard in zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon, dat de EU niet meer vooruitgang heeft geboekt bij het ontwikkelen van haar vermogen om tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en dit uit te voeren; stelt vast dat de inspanningen om een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid tot stand te brengen niet bijzonder succesvol zijn geweest, met name ten aanzien van het delen van kosten en verantwoordelijkheden;

36.  merkt op dat de EU alleen door het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te verbeteren met geloofwaardige oplossingen kan komen voor de nieuwe bedreigingen en uitdagingen voor de veiligheid, en aldus terrorisme kan bestrijden en vrede, stabiliteit en orde in de haar omringende landen tot stand kan brengen;

37.  herhaalt dat er meer vooruitgang kan en moet worden bereikt binnen de randvoorwaarden van het Verdrag van Lissabon, waaronder door gebruik van de bepalingen inzake het stemmen met gekwalificeerde meerderheid, en is van mening dat de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger moet worden omgedoopt in EU‑minister van Buitenlandse Zaken en steun moet krijgen bij haar inspanningen om de belangrijkste externe vertegenwoordiger van de Europese Unie in internationale fora te worden, niet in de laatste plaats op het niveau van de VN; is van oordeel dat de minister van Buitenlandse Zaken politieke plaatsvervangers moet kunnen benoemen; stelt voor het functioneren van de huidige Europese Dienst voor extern optreden tegen het licht te houden, inclusief de behoefte aan passende begrotingsmiddelen;

38.  benadrukt de behoefte aan de snelle oprichting van een Europese defensie-unie om de defensie van het EU‑grondgebied te versterken, waardoor de Unie in een strategisch partnerschap met de NAVO autonoom zou kunnen optreden in het buitenland, voornamelijk om de ons omringende landen te stabiliseren en daarmee de rol van de EU als garant van haar eigen defensie en veiligheid zou kunnen verbeteren, overeenkomstig de beginselen van het handvest van de Verenigde Naties; vestigt de aandacht op het Frans-Duitse initiatief van september 2016 en het Italiaanse initiatief van augustus 2016, die nuttige bijdragen aan deze kwestie leveren; benadrukt dat het Europees Parlement volledig betrokken moet worden bij alle stappen van de oprichting van de Europese defensie-unie en het goedkeuringsrecht moet hebben in geval van buitenlandse operaties; gezien de relevantie ervan dienen de Verdragen uitdrukkelijk te voorzien in de mogelijkheid om een Europese defensie-unie op te richten; verder dient er naast de Europese Dienst voor extern optreden een directoraat-generaal voor defensie (DG Defence) te worden opgericht dat verantwoordelijk is voor de interne aspecten van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

39.  benadrukt dat de voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bedoelde middelen moeten worden uitgebreid om ervoor te zorgen dat de kosten voor militaire operaties die in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid of de Europese defensie-unie worden uitgevoerd, eerlijker worden verdeeld;

40.  stelt voor een Europese inlichtingendienst op te richten ter ondersteuning van het GBVB;

Bescherming van de grondrechten

41.  brengt in herinnering dat de Commissie de hoedster is van de Verdragen en van de waarden van de Unie, zoals vermeld in artikel 2 VEU; concludeert, naar aanleiding van verschillende mogelijke schendingen van de waarden van de Unie in een aantal lidstaten, dat de huidige procedure van artikel 7 VEU gebrekkig en omslachtig is;

42.  onderstreept dat de eerbiediging en bescherming van de fundamentele waarden van de EU de hoeksteen vormen van de Europese Unie als een op waarden gebaseerde gemeenschap en dat zij de lidstaten bijeenhouden;

43.  stelt voor artikel 258 VWEU te wijzigen om de Commissie uitdrukkelijk toe te staan een "systemische inbreukprocedure" in te stellen tegen lidstaten die fundamentele waarden schenden; verstaat onder "systemische inbreukprocedure" de bundeling van een reeks verwante individuele inbreukprocedures die op een ernstige en voortdurende schending van artikel 2 VEU door een lidstaat duiden;

44.  stelt voor om, middels een wijziging van de artikelen 258 en 259 VWEU, het recht uit te breiden van alle natuurlijke en rechtspersonen die rechtstreeks en individueel worden geraakt door een handeling om een procedure aanhangig te maken bij het EHvJ wegens vermoedelijke schendingen van het Handvest van de grondrechten door EU‑instellingen of door een lidstaat;

45.  beveelt aan artikel 51 van het Handvest van de grondrechten te schrappen en het Handvest om te zetten in een "Bill of Rights" van de Unie;

46.  is bovendien van mening dat burgers meer instrumenten voor participerende democratie op het niveau van de Unie aangereikt moeten krijgen; stelt daarom voor de invoering, in de Verdragen, van een bepaling inzake een EU‑referendum over kwesties betreffende het optreden en beleid van de Unie te overwegen;

Meer democratie, transparantie en verantwoording

47.  stelt voor de Commissie om te vormen tot belangrijkste uitvoerende macht of regering van de Unie, met het doel de "Unie-methode" doeltreffender te maken, de transparantie te vergroten en de efficiëntie en effectiviteit van maatregelen die op het niveau van de Europese Unie worden genomen, te verbeteren;

48.  herhaalt zijn oproep om de omvang van de nieuwe Commissie aanzienlijk te verkleinen en het aantal ondervoorzitters tot twee te beperken, nl. de minister van Financiën en de minister van Buitenlandse Zaken; stelt voor dezelfde reductie toe te passen bij de Rekenkamer;

49.  is ingenomen met de succesvolle nieuwe procedure waarbij Europese politieke partijen hun lijsttrekkers promoten voor het ambt van voorzitter van de Europese uitvoerende macht, gekozen door het Europees Parlement op voorstel van de Europese Raad, maar is van mening dat zij zich bij de volgende verkiezingen in alle lidstaten officieel kandidaat zouden moeten kunnen stellen;

50.  benadrukt dat het betrekken van burgers bij het politieke proces van hun woonland helpt bij de versterking van de Europese democratie en verzoekt het kiesrecht van burgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, zoals bepaald in artikel 22 VWEU, uit te breiden naar alle andere verkiezingen;

51.  steunt het besluit van de Europese Raad van 28 juni 2013 om een systeem op te zetten om de zetels in het Europees Parlement telkens vóór de verkiezingen opnieuw tussen de lidstaten te verdelen, en wel op objectieve, eerlijke, duurzame en transparante wijze, onder naleving van het beginsel van degressieve evenredigheid en rekening houdend met alle wijzigingen wat betreft het aantal lidstaten en demografische trends;

52.  herinnert aan de talloze verklaringen over het vaststellen van één enkele zetel voor het Europees Parlement, vanwege de symbolische waarde en de feitelijke besparing van middelen die deze keuze zou inhouden;

53.  herhaalt zijn oproep om één enkele zetel voor het Europees Parlement aan te wijzen en zijn toezegging om een gewone verdragsherzieningsprocedure op grond van artikel 48 VEU in gang te zetten met het oog op een wijziging van artikel 341 VWEU en van Protocol nr. 6, opdat het Parlement zelf kan beslissen over de locatie van zijn zetel en zijn interne organisatie;

54.  stelt voor alle configuraties van de Raad en de Europese Raad om te zetten in een raad van staten waarbij het de belangrijkste taak van de Europese Raad zou zijn om richting en coherentie aan de overige configuraties te geven;

55.  is van mening dat de Raad en de gespecialiseerde configuraties ervan, als tweede tak van de wetgevende EU-macht, ten behoeve van meer specialisme, professionalisme en continuïteit de praktijk van het roulerend halfjaarlijkse voorzitterschap zouden moeten vervangen door een systeem van vaste, uit hun midden gekozen voorzitters; stelt voor dat de beslissingen van de Raad door één enkele wetgevende Raad genomen worden en dat de bestaande gespecialiseerde Raadsconfiguraties tot voorbereidende organen omgevormd worden, vergelijkbaar met de commissies in het Parlement;

56.  vindt dat lidstaten de samenstelling van hun nationale vertegenwoordiging in de gespecialiseerde Raadsconfiguraties zelf moeten kunnen bepalen, namelijk of deze uit vertegenwoordigers van hun respectieve nationale parlementen, regeringen of een combinatie van beide bestaan;

57.  benadrukt dat de eurogroep na de invoering van het ambt van EU-minister van Financiën dient te worden beschouwd als een gespecialiseerde configuratie van de Raad, met wetgevende en controlefuncties;

58.  dringt aan op een verdere vermindering van het aantal stemmingsprocedures in de Raad waarvoor nog steeds eenparigheid van stemmen is vereist, bijvoorbeeld op het gebied van buitenlandse zaken en defensie, begrotingskwesties en sociaal beleid, ten gunste van stemmingsprocedures waarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist, alsmede op omzetting van de bestaande bijzondere wetgevingsprocedures in gewone wetgevingsprocedures en op de volledige vervanging van de raadplegingsprocedure door medebeslissing tussen Parlement en Raad;

59.  is van mening dat er bij het verbeteren van de governance in de eurozone voldoende rekening moet worden gehouden met de belangen van de lidstaten die nog niet deelnemen aan de euro (de "pre‑ins");

60.  erkent de belangrijke rol die nationale parlementen in het huidige institutionele bestel van de Europese Unie vervullen, met name hun rol bij de omzetting van EU‑wetgeving in nationale wetgeving alsmede de rol die zij zouden spelen bij zowel ex‑ante- als ex‑postcontrole van de wetgevingsbesluiten en beleidskeuzes die hun leden van de Raad, met inbegrip van de gespecialiseerde configuraties daarvan, hebben genomen; stelt dan ook voor de bevoegdheden van de nationale parlementen aan te vullen en uit te breiden door een "groene kaart" in te voeren waarmee nationale parlementen wetgevingsvoorstellen aan de Raad kunnen voorleggen;

61.  erkent, met eerbiediging van de rol van nationale parlementen en het subsidiariteitsbeginsel, de exclusieve bevoegdheden van de EU op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid; verzoekt om een duidelijke afbakening van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten in dit opzicht; merkt op dat deze afbakening een positieve invloed zou hebben op de werkgelegenheid en groei in de EU en bij haar handelspartners;

62.  stelt daarnaast voor om – naar het voorbeeld van hetgeen gebruikelijk is in een aantal lidstaten – de twee takken van de wetgevende EU‑macht, namelijk de Raad en met name het Parlement, als enige instelling die rechtstreeks wordt gekozen door de burgers, het recht van wetgevingsinitiatief toe te kennen, onverminderd het fundamentele wetgevingsrecht van de Commissie;

63.  is van mening dat krachtens de artikelen 245 en 247 VWEU niet alleen de Raad en de Commissie, maar ook het Europees Parlement het recht moet hebben zich tot het Europees Hof van Justitie te wenden indien een lid of voormalig lid van de Europese Commissie zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragen niet nakomt, op ernstige wijze tekort is geschoten of niet langer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet;

64.  benadrukt dat het enquêterecht van het Parlement dient te worden uitgebreid en voorzien van specifieke, werkelijke en duidelijk omlijnde bevoegdheden die beter aansluiten bij zijn politieke status en bevoegdheden, met inbegrip van het recht om getuigen op te roepen, volledige toegang tot documenten te krijgen, onderzoek ter plaatse te doen en sancties op te leggen bij niet-naleving;

65.  is ervan overtuigd dat de EU‑begroting moet worden gefinancierd met een systeem van echte eigen middelen, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie; onderschrijft de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen met betrekking tot de diversifiëring van de inkomsten van de EU-begroting, met inbegrip van eigen nieuwe middelen, teneinde het aandeel van de bni‑bijdragen in de EU‑begroting te verlagen, om een einde te maken aan de zogenaamde "juste retour"-benadering van lidstaten; dringt in dit verband aan op de geleidelijke afschaffing van alle soorten kortingen;

66.  stelt in dit verband voor dat bij de besluitvorming voor zowel de eigen middelen als het MFK zou moeten worden overgaan van unanimiteit naar gekwalificeerde meerderheid, zodat er in alle begrotingsaangelegenheden sprake is van echte medebeslissing tussen Raad en Parlement; herhaalt tevens zijn oproep om het MFK qua termijnen gelijk te laten lopen met het mandaat van het Parlement en de Europese uitvoerende macht, en benadrukt dat de financiën van alle EU‑agentschappen een integrerend bestanddeel van de EU‑begroting moeten worden;

67.  beklemtoont dat de gewone wetgevingsprocedure moet worden gebruikt voor de goedkeuring van de MFK‑verordening, om deze af te stemmen op de besluitvormingsprocedure van bijna alle meerjarenprogramma's van de EU, met inbegrip van hun respectieve financiële toewijzingen, evenals de EU‑begroting; meent dat de goedkeuringsprocedure het Parlement de beslissingsbevoegdheid ontneemt die het uitoefent over de goedkeuring van de jaarlijkse begrotingen, terwijl de eenparigheidsregel in de Raad betekent dat de overeenkomst een weerspiegeling is van de kleinste gemene deler, aangezien men wil voorkomen dat één lidstaat een veto uitspreekt;

68.  merkt op dat de in artikel 13 van het VEU opgenomen lijst van instellingen niet overeenkomt met de instellingen die worden genoemd in artikel 2 van het Financieel Reglement; is van mening dat het Financieel Reglement de huidige praktijk al weergeeft;

69.  stelt vast dat er een aantal gevallen zijn waarbij de letterlijke inhoud van het VWEU afwijkt van de praktische uitlegging en de geest van het Verdrag; is van mening dat deze onsamenhangendheid in het belang van democratie en transparantie gecorrigeerd moet worden;

70.  herinnert eraan dat elk van de instellingen, zoals omschreven in artikel 2, onder b), van het Financieel Reglement, bevoegd is voor de uitvoering van haar afdeling van de begroting, overeenkomstig artikel 55 van het Financieel Reglement; wijst erop dat deze bevoegdheid ook een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt met betrekking tot het gebruik van de toegewezen middelen;

71.  wijst erop dat voor een effectief toezicht op de tenuitvoerlegging van de EU‑begroting door de instellingen en organen bona fide en effectievere samenwerking met het Parlement vereist is, alsmede volledige transparantie met betrekking tot het gebruik van de middelen en een jaarlijks document waarin alle instellingen vermelden welk gevolg zij hebben gegeven aan de kwijtingsaanbevelingen van het Parlement; betreurt het dat de Raad van deze procedure is afgeweken en is van mening dat deze al geruime tijd onveranderde stand van zaken niet te rechtvaardigen is en de reputatie van de hele Unie ondermijnt;

72.  wijst erop dat de procedure van het afzonderlijk verlenen van kwijting aan elke EU‑instelling en elk EU‑orgaan een gevestigde handelwijze vormt, die het Parlement heeft ontwikkeld om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen en die een middel is voor het verifiëren van de relevantie en transparantie van het gebruik van EU‑financiering; benadrukt dat deze handelwijze daadwerkelijk een garantie vormt voor het recht en de taak van het Parlement om toezicht te houden op de volledige EU‑begroting; herinnert aan het in januari 2014 geformuleerde standpunt van de Commissie, dat alle instellingen zonder uitzondering volledig deel uitmaken van het follow up-proces ten aanzien van de opmerkingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure formuleert en dat zij steeds nauw moeten samenwerken teneinde het soepele verloop van de kwijtingsprocedure te waarborgen;

73.  verzoekt de instellingen hun jaarverslagen rechtstreeks aan het Parlement te doen toekomen zodat het Parlement goed geïnformeerd kan besluiten over het al dan niet verlenen van kwijting, alsmede volledige informatie te verstrekken in antwoord op de vragen van het Parlement gedurende het kwijtingsproces;

74.  is van mening dat het VWEU het Parlement het recht moet toekennen om de volledige EU‑begroting te toetsen, en niet alleen het door de Commissie beheerde gedeelte; dringt er daarom op aan om hoofdstuk 4 van Titel II – Financiële bepalingen – in die zin bij te werken, zodat alle instellingen en organen komen te vallen onder de in dat hoofdstuk voorziene rechten en plichten, en het hoofdstuk in overeenstemming te brengen met het Financieel Reglement;

75.  benadrukt dat alle lidstaten verplicht zouden moeten zijn jaarlijks een verklaring te verstrekken om zo verantwoording af te leggen over hun gebruik van EU‑middelen;

76.  onderkent de cruciale rol van de Rekenkamer waar het gaat om betere en verstandigere besteding van de EU‑begroting, het opsporen van gevallen van fraude, corruptie en onrechtmatig gebruik van EU‑financiering, en het geven van professioneel advies ten aanzien van een beter beheer van EU‑financiering; herinnert eraan dat de Rekenkamer een belangrijke rol speelt als een Europese openbare auditautoriteit;

77.  is van mening dat het gezien de belangrijke rol die de Europese Rekenkamer speelt bij de controle op het innen en gebruiken van EU‑middelen, absoluut noodzakelijk is dat de instellingen terdege rekening houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer;

78.  wijst erop dat de samenstelling van de Rekenkamer en de benoemingsprocedure voor de leden zijn geregeld in de artikelen 285 en 286 VWEU; is van mening dat het Parlement en de Raad bij de benoeming van leden van de Rekenkamer evenveel zeggenschap moeten hebben, met het oog op de democratische legitimering, transparantie en de absolute onafhankelijkheid van die leden; vraagt de Raad om de besluiten die het Parlement na het horen van kandidaat-leden voor de Rekenkamer neemt, volledig te aanvaarden;

79.  betreurt het dat bepaalde benoemingsprocedures hebben geleid tot conflicten tussen het Parlement en de Raad over kandidaten; onderstreept dat het, zoals bepaald in het Verdrag, de taak van het Parlement is om de kandidaten te beoordelen; benadrukt dat deze conflicten de goede werkrelaties van de Rekenkamer met voornoemde instellingen kunnen schaden en mogelijk ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de geloofwaardigheid en dus de effectiviteit van de Rekenkamer; is van mening dat de Raad in de geest van goede samenwerking tussen de EU‑instellingen de beslissingen die het Parlement na de hoorzittingen heeft genomen, moet accepteren;

80.  verzoekt om de invoering van een rechtsgrondslag om EU‑agentschappen op te richten die specifieke uitvoerende taken kunnen uitvoeren die hun overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedures door het Europees Parlement en de Raad worden opgelegd;

81.  wijst erop dat het Parlement, overeenkomstig de Verdragen, de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de begroting; meent, gezien het feit dat alle EU‑instellingen en ‑organen hun begroting zelf beheren, dat het Parlement de expliciete bevoegdheid zou moeten krijgen om alle EU‑instellingen en ‑organen kwijting te verlenen, en dat deze laatste verplicht zouden moeten zijn in alle opzichten met het Parlement samen te werken;

82.  is tot slot van mening dat de huidige procedure voor ratificatie van de Verdragen te rigide is voor een supranationale rechtspersoon als de Europese Unie; stelt voor om amendementen op de Verdragen in werking te laten treden door middel van een EU‑breed referendum dan wel na ratificatie door een gekwalificeerde meerderheid van vier vijfde van de lidstaten, na instemming van het Parlement;

83.  dringt erop aan dat het EHvJ de volledige jurisdictie over alle EU‑beleid met betrekking tot vraagstukken van juridische aard krijgt, zoals passend is in een democratisch systeem gebaseerd op de rechtsstaat en de scheiding der machten;

Grondwettelijk proces

84.  verplicht zich ertoe een leidende rol op zich te nemen in deze belangrijke constitutionele ontwikkelingen, en is vastbesloten tijdig met eigen voorstellen voor verdragswijzigingen te komen;

85.  is van oordeel dat het 60‑jarig bestaan van het Verdrag van Rome een geschikt moment zou zijn om een reflectie te starten over de toekomst van de Europese Unie en tot een visie te komen voor de huidige en toekomstige generaties van Europese burgers die leidt tot een Conventie welke tot taak heeft de Europese Unie gereed te maken voor de komende decennia;

o
o   o

86.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank, de Rekenkamer, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/5-presidents-report_nl.pd f
(2) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 49.
(3) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 47.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) http://ec.europa.eu/budget/mff/hlgor/library/reports-communication/hlgor-report_20170104.pdf
(7) Advies 2/13 van het EHJ van 18 december 2014 .
(8) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 57.
(9) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 176.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.
(11) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 185.
(12) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 109.
(13) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 2.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0382.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0294.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(20) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(21) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 183.
(22) PB C 313 van 22.9.2015, blz. 9.
(23) PB C 62 van 2.3.2013, blz. 26.
(24) Gewone Eurobarometer 84 – herfst 2015, en speciale Eurobarometer EP – juni 2016.

Laatst bijgewerkt op: 21 september 2017Juridische mededeling