Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2249(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0386/2016

Ingediende teksten :

A8-0386/2016

Debatten :

PV 14/02/2017 - 3

Stemmingen :

PV 16/02/2017 - 6.7

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0049

Aangenomen teksten
PDF 348kWORD 70k
Donderdag 16 februari 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon
P8_TA(2017)0049A8-0386/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon (2014/2249(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend op 13 december 2007,

–  gezien de verklaring van 9 mei 1950, waarbij de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal werd omschreven als "de eerste fase van een Europese volkerengemeenschap",

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 20 februari 2008 over het Verdrag van Lissabon(1) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutioneel evenwicht van de Europese Unie(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Lissabon voor wat betreft het Europees Parlement(3) ,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015(4) ,

–  gezien de resolutie van het Comité van de Regio's van 8 juli 2015(5) ,

–  gezien het rapport aan de Europese Raad van de Reflectiegroep over de toekomst van de EU in 2030,

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters (Commissie, Raad, Eurogroep, Parlement en de Europese Centrale Bank (ECB)) over de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie,

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid(6) , en het desbetreffende advies van de Commissie constitutionele zaken,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(7) ,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0386/2016),

A.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten voor grote uitdagingen staan die de lidstaten niet alleen kunnen aanpakken;

B.   overwegende dat de EU onder meer vanwege de economische, financiële en sociale crisis kampt met ontgoocheling van haar burgers over het Europese project, hetgeen ook blijkt uit de aanhoudend lage opkomst bij Europese verkiezingen en de groei van eurosceptische of uitgesproken anti-Europese partijen;

C.  overwegende dat bepaalde voorstellen, die tot doel hebben deze uitdagingen voor de Unie aan te pakken en haar integratie te versterken met het oog op een verbeterde werking in het voordeel van de burgers, slechts volledig kunnen worden gerealiseerd na een herziening van het Verdrag; overwegende dat moet worden voorzien in een uit twee stappen bestaande benadering met betrekking tot de hervorming van de Unie (binnen en buiten het kader van de Verdragen); overwegende dat de bepalingen van het Verdrag van Lissabon en haar protocollen nog niet tot hun volle potentie zijn gebruikt en dat deze resolutie er slechts toe strekt een beoordeling te geven van de juridische mogelijkheden die de Verdragen bieden om de werking van de EU te verbeteren;

D.  overwegende dat de dominante rol van de Europese Raad ertoe leidt dat de communautaire methode, die gekenmerkt wordt door een dubbele legitimiteit, voortdurend wordt genegeerd;

E.  overwegende dat de communautaire methode moet worden behouden en niet in het gedrang mag worden gebracht door terug te vallen op intergouvernementele besluiten, onder meer op gebieden waar niet alle lidstaten aan de voorwaarden voor deelname voldoen; overwegende dat de Commissie een grotere rol moet krijgen, zodat zij haar rol als drijvende kracht achter de communautaire methode zo volledig en doeltreffend mogelijk kan vervullen;

F.  overwegende dat de interne markt, die het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal mogelijk maakt, een hoeksteen van de EU is;

G.  overwegende dat het Europees Parlement, dat democratisch verkozen wordt door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen en dat dus op Unieniveau de kern van de democratie vormt, het parlement is van de hele Unie, en een essentiële rol speelt bij het waarborgen van de legitimiteit en controleerbaarheid van EU-besluiten, met inbegrip van de democratische controleerbaarheid van acties en besluiten met betrekking tot de eurozone;

H.  overwegende dat het Europees Parlement overeenkomstig artikel 10, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de burgers van de Unie vertegenwoordigt, ongeacht hun nationaliteit, en dat de Raad de onderdanen van de lidstaten vertegenwoordigt via de nationale regeringen;

I.  overwegende dat de politieke dialoog tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement moet worden versterkt en de praktische mogelijkheden voor het gebruik van de "gele kaart" en de "oranje kaart" moeten worden verbeterd;

J.  overwegende dat de werkmethoden van de Europese Raad transparanter moeten worden gemaakt ten opzichte van het Parlement, en dat de taken van de Europese Raad binnen de grenzen van de bepalingen van het Verdrag uitgeoefend moeten worden;

K.  overwegende dat, om een daadwerkelijk wetgevingssysteem met twee kamers te creëren waarvan de besluitvorming democratisch en transparant verloopt, de beslissingen van de Raad door één enkele wetgevende Raad genomen moeten worden en de bestaande gespecialiseerde Raadsformaties tot voorbereidende organen omgevormd moeten worden, analoog aan de commissies in het Parlement;

L.  overwegende dat het samengaan van aansprakelijkheid en controle een noodzakelijke voorwaarde is voor de stabiliteit van elke institutionele structuur, met name als het gaat om economische, begrotings- en monetaire aangelegenheden; overwegende dat het economisch beleid van de EU gebaseerd is op een krachtige nationale verantwoordelijkheid van de lidstaten, zoals onder meer het no-bail-out-beginsel als bedoeld in artikel 125 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); overwegende dat de overdracht van meer bevoegdheden naar Europees niveau overeenstemming veronderstelt inzake afname van nationale soevereiniteit;

M.  overwegende dat de EU het hoogste niveau van bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden moet aanmoedigen en dat de EU, haar instellingen en de lidstaten de eerbiediging en bevordering van deze rechten en vrijheden moeten verzekeren;

N.  overwegende dat de uitvoerende rol van de Europese Commissie op het gebied van economisch en begrotingsbeleid moet worden versterkt;

O.  overwegende dat in artikel 2 van protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep niet is bepaald of de voorzitter van de Eurogroep uit de samenstellende leden moet worden verkozen;

P.  overwegende dat het van fundamenteel belang is dat de voorzitter van de Commissie gekozen wordt door middel van een duidelijke en genoegzaam bekende procedure tijdens de Europese verkiezingen teneinde de politieke legitimiteit van de Commissie met betrekking tot de uitvoering van regels op het gebied van economische governance en begrotingsregels te versterken;

Q.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon het wettelijk kader herformuleert waarbinnen de Rekenkamer de openbare verantwoordingsplicht bevordert en het Parlement en de Raad bijstaat bij het toezicht op de uitvoering van de EU-begroting, waarmee zij aan de bescherming van de financiële belangen van de burgers bijdraagt; overwegende dat artikel 318 VWEU voorziet in een aanvullende dialoog tussen Parlement en Commissie, waarmee een cultuur van prestatiegerichtheid moet worden gestimuleerd bij de uitvoering van de EU-begroting;

R.  overwegende dat de Europese instellingen en organen, met name het Comité van de Regio's (CvdR), het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), en in het bijzonder het Europees Parlement, tijdens het dagelijks werk moeten toezien op de eerbiediging van het beginsel van horizontale en verticale subsidiariteit in de Europese Unie; overwegende dat de Europese instellingen de rol van het CvdR en het EESC in het wetgevingskader moeten eerbiedigen en hun adviezen steeds in aanmerking moeten nemen;

S.  overwegende dat de Eurogroep bij artikel 137 VWEU en protocol nr. 14 is opgericht als informeel orgaan;

T.  overwegende dat de Eurogroep, dankzij de nieuwe taken die haar bij de sixpack- en de twopack-verordening zijn toegekend en die betrekking hebben op de identiteit van de leden van de Eurogroep en van de Raad van gouverneurs van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) en de identiteit van de voorzitter van de Eurogroep en de voorzitter van de Raad van gouverneurs van het ESM, feitelijk een zeer belangrijke rol heeft gekregen binnen de economische governance van de eurozone;

U.  overwegende dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden momenteel niet voldoende wordt toegepast; overwegende dat deze procedure, mits ten volle toegepast, ertoe kan bijdragen economische onevenwichtigheden in een vroeg stadium te corrigeren, een nauwkeurig beeld kan geven van de situatie in de afzonderlijke lidstaten en in de Unie in haar geheel, crises kan voorkomen en kan bijdragen aan versterking van het concurrentievermogen; overwegende dat er behoefte is aan meer structurele convergentie tussen de leden, omdat dat zal bijdragen aan duurzame groei en sociale cohesie; overwegende dat derhalve de voltooiing van de Europese en Monetaire Unie (EMU) dringend noodzakelijk is, evenals inspanningen om haar institutionele structuur legitiemer en meer democratisch verantwoord te maken;

V.  overwegende dat de institutionele structuur van de EMU doeltreffender en democratischer gemaakt moet worden, waarbij het Parlement en de Raad als gelijkwaardige medewetgevers optreden, de Commissie als uitvoerende macht optreedt, de nationale parlementen de maatregelen van de nationale regeringen op Europees niveau beter controleren, het Europees Parlement de besluitvorming op EU-niveau nauwlettend in het oog houdt, en het Hof van Justitie een grotere rol krijgt;

W.  overwegende dat de Unie behoefte heeft aan een behoorlijke toepassing en handhaving van het bestaande kader inzake economisch beleid, alsook aan nieuwe juridische bepalingen inzake economisch beleid en belangrijke structurele hervormingen op het gebied van concurrentievermogen, groei en sociale cohesie;

X.  overwegende dat het Europees semester moet worden vereenvoudigd, en meer gefocust en democratischer gemaakt door de rol van toezichthouder van het Parlement over het Europees semester te vergroten en door het Parlement een grotere rol te geven in de diverse cycli van de onderhandelingen;

Y.  overwegende dat het VWEU het Europees Parlement op gelijke voet met de Raad heeft geplaatst wat de jaarlijkse begrotingsprocedure betreft; overwegende dat het Verdrag van Lissabon op budgettair gebied slechts gedeeltelijk in werking is getreden, wat voornamelijk te wijten is aan het ontbreken van echte eigen middelen;

Z.  overwegende dat het gebruik van de begroting van de Unie meer gestroomlijnd moet verlopen, dat de inkomsten afkomstig moeten zijn van echte eigen middelen en niet voornamelijk van bijdragen die gebaseerd zijn op het bruto nationaal inkomen (bni), en dat het meerjarig financieel kader (MFK) op grond van de Verdragen in het vervolg kan worden vastgesteld door middel van stemming met gekwalificeerde meerderheid in plaats van stemming met eenparigheid van stemmen;

AA.  overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het "Financieel Reglement") het beginsel van universaliteit van de begroting er niet aan in de weg staat dat een groep lidstaten een financiële bijdrage bestemt voor de EU-begroting of specifieke ontvangsten voor een specifieke uitgave, zoals bijvoorbeeld reeds gebeurt in het geval van de hogefluxreactor op grond van Besluit 2012/709/Euratom;

AB.  overwegende dat bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21 van het Financieel Reglement overeenkomstig overweging 8 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader geen deel uitmaken van het MFK, zodat de plafonds die gelden voor het MFK hierop niet van toepassing zijn;

AC.  overwegende dat het systeem van eigen middelen niet in de weg staat aan eigen middelen die worden gefinancierd door slechts een deel van de lidstaten;

AD.  overwegende dat de investeringscapaciteit van de Unie vergroot moet worden door te zorgen voor een optimaal gebruik van de bestaande structuurfondsen, door gebruik te maken van het Europees Fonds voor strategische investeringen, en door de capaciteit van de Europese Investeringsbank (EIB), het Europees Investeringsfonds (EIF) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te vergroten;

AE.  overwegende dat eraan gedacht wordt binnen de eurozone een begrotingscapaciteit te creëren, en de omvang, de financiering, de wijze van steunverlening en de voorwaarden voor integratie in de begroting van de Unie vast te stellen;

AF.  overwegende dat het groeipotentieel van de interne markt verder moet worden benut op het gebied van diensten, de digitale eengemaakte markt, de energie-unie, de bankenunie en de kapitaalmarktenunie;

AG.  overwegende dat de Unie overeenkomstig de Verdragen sociale uitsluiting en discriminatie bestrijdt en sociale rechtvaardigheid en bescherming bevordert, alsmede de gelijkheid van vrouwen en mannen en de solidariteit tussen generaties;

AH.  overwegende dat de versterking van de interne markt gepaard moet gaan met een betere coördinatie van het belastingbeleid;

AI.  overwegende dat het recht op vrij verkeer en de rechten van werknemers moeten worden gegarandeerd en behouden door het potentieel van het Verdrag van Lissabon volledig te benutten;

AJ.  overwegende dat de Uniewetgever op grond van artikel 48 VWEU maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid kan vaststellen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat werknemers hun recht op vrij verkeer kunnen uitoefenen; overwegende dat de Uniewetgever op grond van artikel 153 VWEU maatregelen kan vaststellen ter bescherming van de sociale rechten van werknemers in andere situaties dan wanneer deze gebruik willen maken van hun recht op vrij verkeer;

AK.  overwegende dat de Uniewetgever krachtens artikel 153, lid 1, onder a) t/m i) minimumharmonisatiemaatregelen kan vaststellen op het gebied van sociaal beleid; overwegende dat dergelijke maatregelen het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen onverlet laten; overwegende dat dergelijke maatregelen geen aanmerkelijke gevolgen mogen hebben voor het financiële evenwicht van nationale socialezekerheidsstelsels; overwegende dat er voor de Uniewetgever binnen deze voor harmonisatie van sociaal beleid geldende grenzen nog altijd speelruimte is om maatregelen vast te stellen op het gebied van sociaal beleid;

AL.  overwegende dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, zoals bepaald in artikel 157 van het VWEU, nog altijd niet wordt geëerbiedigd;

AM.  overwegende dat er tekortkomingen bestaan in verband met de werking en uitvoering van het Europees burgerinitiatief en dat er derhalve behoefte is aan verbetering, opdat dit instrument op doeltreffende wijze kan functioneren en daadwerkelijk de participatieve democratie en actief burgerschap kan stimuleren;

AN.  overwegende dat het vrije verkeer, vooral van werknemers, een in de Verdragen verankerd recht is (artikel 45 VWEU) dat een belangrijke drijvende kracht vormt voor de voltooiing van de eengemaakte markt;

AO.  overwegende dat de Unie de effectiviteit, cohesie en verantwoording van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) moet doen stijgen, wat kan worden gedaan door de bestaande bepalingen van het Verdrag te gebruiken om op het gebied van extern beleid meer en meer over te gaan van unanimiteit op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid (BGM), en door de bepalingen voor flexibiliteit en vergrote samenwerking waar nodig uit te voeren;

AP.  overwegende dat recente veiligheidsuitdagingen, sommige in de directe nabijheid van de grenzen van de EU, hebben uitgewezen dat er behoefte is aan een progressieve ontwikkeling in de richting van een gemeenschappelijk defensiebeleid en uiteindelijk van een gemeenschappelijke defensie; overwegende dat het Verdrag reeds duidelijke bepalingen bevat over hoe dat kan worden gerealiseerd, met name in artikelen 41, 42, 44 en 46 VEU;

AQ.  overwegende dat op gebieden waar de Unie een exclusieve bevoegdheid heeft en op gebieden waar de Unie een gedeelde bevoegdheid heeft en zij deze bevoegdheid reeds uitoefent, een externe vertegenwoordiging gewaarborgd moet worden, in het belang van de Unie; overwegende dat op gebieden waar de Unie haar gedeelde bevoegdheid nog niet uitoefent, de lidstaten gehouden zijn nauw met de Unie samen te werken en geen maatregelen te nemen die indruisen tegen de belangen van de Unie;

AR.  overwegende dat het belangrijk is dat de Unie en de lidstaten binnen internationale organisaties en op internationale fora een gecoördineerd en gestructureerd standpunt innemen om de invloed van de Unie en haar lidstaten binnen dergelijke organisaties en op dergelijke fora te vergroten;

AS.  overwegende dat het aangaan van internationale verplichtingen door de Unie of de lidstaten er niet toe mag leiden dat de nationale parlementen en het Europees Parlement worden veroordeeld tot een rol in de marge;

AT.  overwegende dat de vluchtelingencrisis heeft aangetoond dat er nood is aan een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid, dat voor een eerlijke verdeling van asielzoekers binnen de EU moet zorgen;

AU.  overwegende dat discriminatie op grond van bijvoorbeeld geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging (politieke of andere), het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, genderidentiteit of seksuele gerichtheid in alle lidstaten een probleem blijft;

AV.  overwegende dat de recente crises hebben aangetoond dat onderlinge aanpassing van wettelijke bepalingen niet voldoende is om de goede werking van de interne markt of de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te waarborgen, omdat de geharmoniseerde bepalingen op verschillende manieren ten uitvoer worden gelegd;

AW.  overwegende dat de Uniewetgever geen discretionaire bevoegdheden mag toekennen aan agentschappen van de Unie als bij de uitoefening van die bevoegdheden politieke keuzes gemaakt moeten worden;

AX.  overwegende dat de Uniewetgever moet waarborgen dat er voldoende politieke controle wordt uitgeoefend op de besluiten en activiteiten van de agentschappen van de Unie;

AY.  overwegende dat de schending van op een Europese top of in de Europese Raad gesloten akkoorden door de lidstaten de geloofwaardigheid van de Europese instellingen ernstig ondermijnt en dat dus doeltreffender op de tenuitvoerlegging van deze akkoorden moet worden toegezien;

1.  stelt vast dat de Europese Unie en haar lidstaten voor ongekende uitdagingen staan, die adequater moeten worden aangepakt, zoals de vluchtelingencrisis, de moeilijkheden van het buitenlands beleid in de directe omgeving van de Unie en de strijd tegen het terrorisme, evenals mondialisering, klimaatverandering, demografische ontwikkelingen, werkloosheid, de oorzaken en de gevolgen van de financiële en schuldencrisis, het gebrek aan concurrentievermogen en de sociale gevolgen daarvan in meerdere lidstaten, en de noodzaak de interne markt van de EU te versterken;

2.  benadrukt dat de individuele lidstaten niet op een behoorlijke manier het hoofd kunnen bieden aan deze uitdagingen, maar dat er nood is aan een collectief antwoord van de Unie dat het principe van meerlagig bestuur eerbiedigt;

3.  herinnert eraan dat de interne markt, die het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal mogelijk maakt, een hoeksteen van de EU is; herinnert er tevens aan dat uitzonderingen op de interne markt leiden tot concurrentieverstoringen binnen de Unie en vernietiging van het gelijke speelveld;

4.  wijst er andermaal op dat de Unie het verloren vertrouwen van haar burgers moet terugwinnen door de transparantie van besluitvorming en de verantwoordingsplicht van haar instellingen, instanties en informele organen (zoals de Eurogroep) te vergroten en haar handelingsbevoegdheid te verbeteren;

5.  herinnert eraan dat nog niet alle bepalingen van het Verdrag van Lissabon tot hun volle potentie zijn gebruikt, terwijl zij enkele noodzakelijke instrumenten bevatten die konden worden toegepast om een aantal van de crises waarmee de Unie te maken kreeg te voorkomen, of konden worden gebruikt om de huidige uitdagingen het hoofd te bieden zonder daarvoor op de korte termijn een herziening van het Verdrag te moeten initiëren;

6.  wijst er andermaal op dat de communautaire methode het best past bij de werking van de Unie en een aantal pluspunten heeft in vergelijking met de intergouvernementele methode omdat het de enige is die meer transparantie, efficiëntie, BGM in de Raad en het gelijke recht op gezamenlijke wetgeving door het Europees Parlement en de Raad mogelijk maakt en bovendien de fragmentatie van institutionele verantwoordelijkheden en de ontwikkeling van met elkaar concurrerende instellingen voorkomt;

7.  is van oordeel dat intergouvernementele oplossingen alleen een uiterste noodoplossing mogen zijn, onder strikte voorwaarden, met name eerbiediging van de Uniewetgeving, de doelstelling van het verdiepen van de Europese integratie en het openstaan voor toetreding door niet-deelnemende lidstaten, en meent dat deze zo snel mogelijk vervangen moeten worden door Unieprocedures, zelfs op gebieden waar niet alle lidstaten aan de voorwaarden voor deelname voldoen, teneinde de Unie in staat te stellen haar taken uit te voeren binnen één enkel institutioneel kader; verzet zich in dit verband tegen de oprichting van nieuwe instellingen buiten het kader van de Unie, en blijft streven naar de opname van het ESM in de Uniewetgeving, mits er voor passende democratische verantwoording gezorgd wordt, alsook naar opname van de relevante bepalingen van het begrotingspact, zoals bedoeld in het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (VSCB) zelf, op basis van een beoordeling van de ervaringen bij de tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat de huidige besluitvorming en begrotingsverplichtingen niet van elkaar gescheiden mogen worden;

8.  benadrukt dat het rechtstreeks verkozen Europees Parlement een essentiële rol speelt bij de legitimering van de Unie en ervoor zorgt dat de controle van het besluitvormingssysteem van de Unie bij de burgers komt te liggen door de uitoefening van correct parlementair toezicht op de uitvoerende macht op het niveau van de Unie en door de medebeslissingsprocedure, waarvan het toepassingsgebied moet worden uitgebreid;

9.  wijst erop dat het Europees Parlement het parlement is van de hele Unie, en is van oordeel dat correcte democratische verantwoording verzekerd moet worden, ook op de gebieden waar niet alle lidstaten meedoen, met inbegrip van maatregelen en beslissingen die specifiek de eurozone betreffen;

10.  is van mening dat politieke dialoog tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement moet worden versterkt, en krachtiger en zinvoller moet worden gemaakt, zonder daarbij de grenzen van hun respectieve constitutionele bevoegdheden te overschrijden; herinnert eraan dat in dit verband de nationale parlementen het beste zijn geplaatst om op nationaal niveau het optreden van hun respectieve overheden in Europese aangelegenheden nauwlettend in het oog te houden, terwijl het Europees Parlement moet zorgen voor de democratische verantwoording en de legitimering van de Europese uitvoerende macht;

11.  meent dat het van essentieel belang is om de transparantie en de openheid van de EU–instellingen te versterken en om de communicatie over EU-besluitvorming te verbeteren; dringt aan op verdere inspanningen gelet op de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en gelet op Richtlijn 93/109/EG, waarin de modaliteiten zijn vastgelegd voor de uitoefening van actief en passief stemrecht bij de Europese parlementsverkiezingen voor EU-burgers die wonen in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn;

12.  brengt in herinnering dat het mogelijk is het parlementaire enquêterecht en het Europees Burgerinitiatief (EBI) via afgeleid Unierecht te versterken, en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een herziening van de EBI-verordening voor te stellen;

13.  acht het noodzakelijk dat de Commissie het EBI hervormt tot een functionerend instrument voor democratisch engagement, rekening houdend met zijn resolutie van 28 oktober 2015(8) en vraagt de Commissie, onder meer, om het publiek beter voor te lichten over dit initiatief en het sterker in de kijker te zetten, om de software voor de inzameling van handtekeningen op het internet gebruiksvriendelijker te maken zodat die ook toegankelijk is voor personen met een handicap; om passende en volledige juridische en praktische begeleiding te verschaffen, om te overwegen om bij haar vertegenwoordigingen in elke lidstaat een speciaal bureau voor het EBI in te richten, om uitvoerig de redenen toe te lichten waarom het EBI verworpen is en te onderzoeken hoe voorstellen voor initiatieven die buiten de bevoegdheid van de Commissie vallen, kunnen worden doorverwezen naar passender autoriteiten;

14.  merkt op dat vrijwilligerswerk in Europa een integraal onderdeel vormt van de Europese burgervorming en raadt daarom aan dat de Commissie onderzoekt hoe jongeren hiertoe gestimuleerd kunnen worden;

Institutionele structuur, democratie en verantwoording

De parlementen

15.  dringt erop aan dat de wetgevende macht en de controlerechten van het Parlement worden gegarandeerd, geconsolideerd en versterkt, onder meer door interinstitutionele akkoorden en door het gebruik van de overeenkomstige rechtsgrondslag door de Commissie;

16.  is van mening dat het Europees Parlement zijn werkmethoden moet hervormen om de toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, door de aan het Parlement toegewezen politieke controle over de Commissie te vergroten, ook in verband met de tenuitvoerlegging en toepassing van het acquis in de lidstaten, door akkoorden in eerste lezing te beperken tot uitzonderlijke en urgente noodgevallen en enkel nadat een weloverwogen en duidelijk besluit werd genomen, en door in deze gevallen te zorgen voor meer transparantie van de procedure die leidt tot de goedkeuring van dergelijke akkoorden; wijst in dit verband op de voorstellen van het Parlement om de eigen kiesprocedure verder te harmoniseren in zijn resolutie van 11 november 2015 over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie(9) ;

17.  spreekt zijn voornemen uit om meer gebruik te maken van initiatiefverslagen van wetgevende aard uit hoofde van artikel 225 VWEU;

18.  is van mening dat het Parlement in zijn hoofdzetel en in alle delegaties in de lidstaten een invoerregister moet oprichten waar burgers terechtkunnen om documenten in te voeren en de inhoud ervan officieel te laten vastleggen;

19.  meent dat een digitaal officieel publicatieblad van het Europees Parlement moet worden opgericht, waarin alle resoluties en verslagen die het Parlement goedkeurt, officieel vastgesteld kunnen worden;

20.  ijvert voor politieke dialoog met de nationale parlementen over de inhoud van wetgevende voorstellen, waar deze dialoog relevant is; benadrukt evenwel dat beslissingen moeten worden genomen op het niveau van constitutionele bevoegdheden en dat er een duidelijke afbakening is van de respectieve besluitvormingsbevoegdheden van de nationale parlementen en het Europees Parlement, waarbij de nationale parlementen hun Europese taak moeten uitoefenen op basis van hun nationale grondwetten, in het bijzonder door middel van de controle van hun nationale overheden als leden van de Europese Raad en de Raad, omdat dit het niveau is waarop zij het best geplaatst zijn om rechtstreeks invloed uit te oefenen op de inhoud van en toezicht te houden op het Europese wetgevingsproces; is daarom tegen de oprichting van nieuwe gezamenlijke parlementaire organen met besluitvormingsbevoegdheden;

21.  wijst op het belang van de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen binnen het kader van de gezamenlijke organen zoals de Conferentie van in communautaire aangelegenheden gespecialiseerde organen (COSAC) en de Interparlementaire Conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB-IPC), en in het kader van artikel 13 van het VSCB in de Economische en Monetaire Unie op basis van de beginselen van consensus en van het delen en raadplegen van informatie om controle te kunnen uitoefenen over hun respectieve autoriteiten; roept de Commissie en de Raad op om op een hoog politiek niveau deel te nemen aan de interparlementaire bijeenkomsten; benadrukt de nood aan een nauwere samenwerking tussen de commissies van het Europees Parlement en hun nationale equivalenten binnen deze gezamenlijke organen door het versterken van de coherentie, transparantie en wederzijdse uitwisseling van informatie;

22.  ijvert voor de uitwisseling van beste praktijken bij parlementair toezicht tussen nationale parlementen, zoals het houden van regelmatige debatten tussen de respectieve ministers en de gespecialiseerde commissies in de nationale parlementen voor en na de vergaderingen van de Raad, en met leden van de Europese Commissie binnen een passend tijdskader, evenals vergaderingen met nationale parlementen voor uitwisselingen met Europarlementsleden; dringt aan op de uitwisseling van ambtenaren van de instellingen en medewerkers van de fracties tussen de administraties van het Europees Parlement en de nationale parlementen;

23.  is van mening dat moet worden vermeden dat de lidstaten te ver gaan bij de omzetting van Europese normen, en dat de nationale parlementen hierbij een cruciale rol vervullen;

Europese Raad

24.  betreurt dat de Raad, door geen gebruik te maken van BGM, te vaak wetgevingsaangelegenheden naar de Europese Raad heeft doorverwezen; is van oordeel dat de werkwijze van de Europese Raad om de Raad opdrachten te geven, verder gaat dan de strategisch adviserende taak die in de Verdragen is vastgelegd, en dus indruist tegen de letter en de geest van de Verdragen, zoals beschreven in artikel 15, lid 1 VEU, waarin bepaald is dat de Europese Raad de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten van de Unie bepaalt maar geen wetgevingstaak uitoefent; acht het noodzakelijk de werkrelaties tussen de Europese Raad en het Parlement te verbeteren;

25.  brengt in herinnering dat de voorzitter van de Commissie gekozen wordt door het Europees Parlement op voorstel van de Europese Raad, rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen, en dat de Europese politieke partijen daarom topkandidaten moeten nomineren, zoals in 2014 het geval was, zodat de burgers kunnen kiezen wie zij als voorzitter van de Commissie willen; verwelkomt het voorstel van de voorzitter van de Commissie om het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie te wijzigen met betrekking tot de opkomst van commissarissen als kandidaat bij de verkiezingen voor het Europees Parlement;

26.  wijst er bovendien op dat, hoewel dit niet in het belang van het Europees Parlement is, het binnen de Verdragen mogelijk is de functie van voorzitter van de Europese Raad samen te voegen met die van voorzitter van de Europese Commissie;

27.  verzoekt de Europese Raad gebruik te maken van de overbruggingsclausule (artikel 48, lid 7, VEU), waardoor de Raad toestemming krijgt om in toepasselijke gevallen waar de Verdragen momenteel eenparigheid van stemmen eisen over te gaan van unanimiteit op BGM;

28.  vraagt de Voorzitter van het Europees Parlement dat hij de Conferentie van Voorzitters op voorhand informeert over het standpunt dat hij zal innemen in zijn toespraak voor de Europese Raad;

Raad

29.  stelt voor dat de Raad in een echte wetgevende kamer wordt veranderd door het aantal configuraties van de Raad met een beslissing van de Europese Raad terug te brengen, en dus een echt wetgevingssysteem met twee kamers te creëren waarbij de Raad en het Parlement worden betrokken en waarbij de Commissie als de uitvoerende macht optreedt; stelt voor om de huidige actieve gespecialiseerde wetgevende configuraties van de Raad te betrekken als voorbereidende lichamen voor één wetgevende Raad waarvan de zittingen openbaar zijn, analoog aan hoe de commissies in het Europees Parlement functioneren;

30.  dringt erop aan dat de transparantie van de juridische besluitvorming van de Raad in het algemeen gewaarborgd wordt, dat daarnaast de uitwisseling van documenten en informatie tussen het Parlement en de Raad verbeterd wordt en dat de toegang van vertegenwoordigers van het Parlement in de rol van waarnemers tot de vergaderingen van de Raad en zijn organen toegestaan wordt, met name bij wetgevende handelingen;

31.  is van oordeel dat het mogelijk is de functies van de voorzitter van de Eurogroep en de commissaris voor Economische en Financiële Zaken samen te voegen, en stelt in dit geval voor dat de voorzitter van de Commissie deze commissaris benoemt tot vicevoorzitter van de Commissie; is van oordeel dat deze commissaris, zodra de begrotingscapaciteit en een Europees Monetair Fonds opgericht zijn, alle nodige middelen en bevoegdheden kan krijgen voor de toepassing en handhaving van het huidige kader voor economische governance en voor de optimalisering van de ontwikkeling van de eurozone in samenwerking met de ministers van financiën van de lidstaten van de eurozone, zoals is uiteengezet in zijn resolutie van 16 februari 2017 over een begrotingscapaciteit voor de eurozone(10) ;

32.  verlangt dat, in het kader van het huidige Verdrag, de voorzitter en de leden van de Eurogroep, die een democratische verantwoordingsplicht hebben ten aanzien van het Europees Parlement, hier via passende mechanismen aan voldoen, en vooral dat de voorzitter antwoordt op parlementaire vragen; roept daarnaast op tot de invoering van een intern reglement en tot de publicatie van resultaten;

33.  verlangt dat de Raad volledig overschakelt naar BGM wanneer dat op grond van de Verdragen mogelijk is, en geen contentieuze wetgevende gebieden meer overdraagt aan de Europese Raad omdat dit indruist tegen de letter en de geest van het Verdrag, dat stelt dat de Europese Raad uitsluitend unaniem kan besluiten en dat alleen mag doen over brede politieke doelen, niet over wetgeving;

34.  is vastbesloten de bepalingen van het Verdrag betreffende vergrote samenwerking volledig uit te voeren door zich ertoe te verplichten geen nieuwe vergrote samenwerkingsvoorstellen goed te keuren, behalve als de deelnemende lidstaten er zich op hun beurt toe verplichten de speciale overbruggingsclausule van artikel 333 VWEU in werking te laten treden om van unanimiteit over te gaan op BGM, en van een bijzondere op de gewone wetgevende procedure;

35.  benadrukt dat het belangrijk is ten volle gebruik te maken van de procedure voor nauwere samenwerking waarin artikel 20 VEU voorziet, met name tussen lidstaten van de eurozone, opdat de lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie via dit mechanisme de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie kunnen bevorderen en hun integratieproces kunnen versterken, binnen de grenzen en volgens de voorwaarden van de artikelen 326 t/m 334 VWEU;

Commissie

36.  is vastbesloten de rol van het Parlement bij de verkiezing van de voorzitter van de Commissie te versterken door de formele raadplegingen van de politieke partijen en de voorzitter van de Europese Raad te versterken, zoals bepaald werd in Verklaring 11 bij de slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, teneinde te verzekeren dat de Europese Raad ten volle rekening houdt met de verkiezingsuitslagen bij het voordragen van een kandidaat voor het Parlement, zoals het geval was bij de Europese verkiezingen in 2014;

37.  benadrukt nogmaals dat alle voorstellen van de Commissie volledig gerechtvaardigd moeten zijn en vergezeld moeten gaan van een gedetailleerde effectbeoordeling, die ook het effect op de mensenrechten omvat;

38.  is van oordeel dat de onafhankelijkheid van de voorzitter van de Commissie versterkt kan worden als iedere lidstaat ten minste drie kandidaten zou voordragen van beide seksen, die dan bij de benoeming van de Eurocommissarissen door de voorzitter van de Commissie in aanmerking genomen kunnen worden;

39.  dringt aan op het verzekeren van betere coördinatie en, waar mogelijk, vertegenwoordiging van de EU/de eurozone in internationale financiële instellingen, en wijst erop dat artikel 138, lid 2, VWEU een juridische basis verschaft voor de goedkeuring van maatregelen om een gezamenlijke vertegenwoordiging van de EU/de eurozone in de internationale instellingen en conferenties te waarborgen;

40.  vraagt een geformaliseerde, regelmatige en door het Europees Parlement georganiseerde "dialoog" op te zetten over de externe vertegenwoordiging van de Unie;

41.  herinnert eraan dat de Commissie, de lidstaten, het Parlement en de Raad, elk binnen de grenzen van hun bevoegdheden, moeten helpen om een betere toepassing en uitvoering van de wetgeving van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten te verzekeren;

Rekenkamer

42.  onderkent de cruciale rol van de Europese Rekenkamer waar het gaat om een betere en verstandigere besteding van Europese gelden; herinnert eraan dat de Rekenkamer afgezien van haar belangrijke taak om te informeren over de betrouwbaarheid van de boeken en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties, bij uitstek in de positie verkeert om het Parlement te voorzien van de informatie die het nodig heeft om zijn taak en mandaat van democratisch toezicht op de Europese begroting te vervullen, alsook om informatie te verstrekken omtrent de resultaten van door de Unie gefinancierde activiteiten en beleidsmaatregelen, met het oog op grotere doelmatigheid daarvan; acht het daarom raadzaam de Rekenkamer te versterken; rekent erop dat de Rekenkamer onafhankelijkheid, integriteit, onpartijdigheid en professionalisme blijft betrachten, en nauwe werkrelaties met belanghebbende partijen zal opbouwen;

43.  meent dat het hardnekkige gebrek aan samenwerking door de Raad het Parlement belet om met kennis van zaken een kwijtingsbesluit te nemen, hetgeen bij de burgers een blijvende slechte indruk nalaat omtrent de geloofwaardigheid van de EU-instellingen en de transparantie rond de aanwending van EU-gelden; meent dat dit gebrek aan samenwerking ook een nadelige invloed heeft op de werking van de instellingen en de door de Verdragen voorgeschreven procedure voor politieke toetsing van het begrotingsbeheer in diskrediet brengt;

44.  benadrukt dat de samenstelling van de Rekenkamer en de benoemingsprocedure voor de leden zijn geregeld in de artikelen 285 en 286 VWEU; is van mening dat het Parlement en de Raad bij de benoeming van leden van de Rekenkamer evenveel zeggenschap moeten hebben, met het oog op de democratische legitimering, transparantie en de absolute onafhankelijkheid van die leden; vraagt de Raad om besluiten die het Parlement na het horen van de leden van de Rekenkamer neemt, te respecteren;

Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité

45.  roept het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op betere modaliteiten te creëren voor de samenwerking met het CvdR en het EESC, ook tijdens de voorbereiding van de wetgeving bij het verrichten van effectbeoordelingen, om te waarborgen dat gedurende de volledige wetgevingsprocedure rekening gehouden wordt met hun adviezen en beoordelingen;

Agentschappen

46.  benadrukt dat toekenning van uitvoeringsbevoegdheden aan agentschappen van de Unie gepaard moet gaan met voldoende toezicht door de Uniewetgever op besluiten en acties van deze agentschappen; herinnert eraan dat doeltreffend toezicht onder meer de benoeming en het ontslag van leidinggevend personeel van de agentschappen van de Unie omvat, alsmede deelname aan de Raad van toezicht van de agentschappen van de Unie, vetorechten ter zake van bepaalde besluiten van de agentschappen van de Unie, verplichtingen op het gebied van informatieverstrekking, transparantievoorschriften en begrotingsbevoegdheden met betrekking tot de begroting van de agentschappen van de Unie;

47.  overweegt een kaderverordening vast te stellen voor agentschappen van de Unie die uitvoeringsbevoegdheden hebben, die het mechanisme voor het verplichte politieke toezicht door de Uniewetgever omvat, alsook het recht van het Europees Parlement om het leidinggevend personeel van de agentschappen van de Unie te benoemen en te ontslaan, het recht om deel uit te maken van de Raad van toezicht van de agentschappen van de Unie, vetorechten van het Europees Parlement ter zake van bepaalde besluiten van de agentschappen van de Unie, informatieverplichtingen, transparantievoorschriften, en begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement met betrekking tot de begroting van de agentschappen van de Unie;

Eerbiediging van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid

48.  benadrukt het belang van het subsidiariteitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 5 VEU, dat bindend is voor alle instellingen en organen van de Unie, en het belang van de instrumenten die zijn opgenomen in protocol nr. 2 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; herinnert in dit verband aan de respectieve rollen die zijn toebedeeld aan de nationale parlementen en het CvdR; is voorstander van soepelheid met betrekking tot de in het protocol vastgelegde termijnen voor toezending van het ontwerp van wetgevingshandelingen en roept de Commissie op de kwaliteit van haar reacties op met redenen omklede adviezen te verbeteren;

49.  herinnert de nationale parlementen aan hun belangrijke rol bij het toezicht op de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel; wijst erop dat er in dit verband tal van formele mogelijkheden zijn voor nationale parlementen om de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te waarborgen, maar dat de praktische samenwerking tussen de nationale parlementen moet worden versterkt, onder meer opdat zij in nauwe onderlinge samenwerking het vereiste quorum onder artikel 7, lid 3, van het protocol nr. 2 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kunnen halen in het geval van een vermeende inbreuk op die beginselen;

50.  beklemtoont het belang van artikel 9 VWEU, dat garandeert dat de sociale gevolgen van de rechtshandelingen en beleidsmaatregelen van de EU in aanmerking worden genomen;

Het uitbreiden en verdiepen van de Economische en Monetaire Unie

51.  herinnert eraan dat de verdere ontwikkeling van de EMU moet worden gebaseerd op de bestaande wetgeving en de uitvoering daarvan, en moet worden gekoppeld aan een versterking van de sociale dimensie;

52.  pleit voor verdere institutionele hervormingen om de EMU doeltreffender en democratischer te maken, met verbeterde kwaliteiten om geïntegreerd te worden binnen het institutionele kader van de Unie, waarbij de Commissie optreedt als de uitvoerende macht en het Parlement en de Raad als gezamenlijke wetgevers;

Nieuwe rechtshandeling inzake economisch beleid

53.  wijst nogmaals op zijn resolutie van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie(11) , waarin het idee van een "convergentiecode" aan bod kwam, aangenomen volgens de gewone wetgevingsprocedure, teneinde een meer doeltreffend kader voor de coördinatie van economisch beleid te creëren (met een aantal nog te bepalen convergentiecriteria), dat openstaat voor alle lidstaten en dat door een op stimuli gebaseerd mechanisme wordt ondersteund;

54.  is van mening dat een beperkt aantal cruciale gebieden moet worden vastgelegd voor structurele hervormingen die het concurrentievermogen, het groeipotentieel, echte economische convergentie en sociale cohesie binnen een termijn van vijf jaar doen stijgen om de Europese sociale markteconomie, zoals uiteengezet in artikel 3, lid 3, VEU te versterken;

55.  benadrukt het belang van een duidelijke scheiding van bevoegdheden tussen de EU–instellingen en de lidstaten, waardoor de lidstaten meer zeggenschap krijgen over uitvoeringsprogramma's en de rol van de nationale parlementen hierin toeneemt;

56.  pleit voor een beter gebruik van de beschikbare middelen in samenhang met artikel 136 VWEU om het aannemen en het uitvoeren van nieuwe maatregelen in de eurozone te vergemakkelijken;

Een vereenvoudigd, meer gefocust en democratischer Europees semester

57.  herinnert aan de noodzaak van een kleiner aantal, meer toegespitste landspecifieke aanbevelingen, op basis van het beleidskader uit de convergentiecode, de jaarlijkse groeianalyse en de concrete voorstellen die door iedere lidstaat worden gepresenteerd, in overeenstemming met hun respectieve belangrijkste hervormingsdoelen op basis van een breed spectrum aan structurele hervormingen, die het concurrentievermogen, echte economische convergentie en sociale cohesie aansporen;

58.  benadrukt het belang van de demografische ontwikkeling voor het Europees semester en vraagt dat er meer rekening wordt gehouden met deze indicator;

59.  brengt in herinnering dat er reeds mechanismen voor economische dialoog bestaan, met name via de totstandkoming van de "economische dialoog" in het kader van de sixpack- en twopack-wetgeving; is van mening dat dit een effectief instrument is waarmee het Parlement een grotere rol in het kader van het Europees semester toebedeeld kan krijgen, waardoor de dialoog tussen het Parlement, de Raad, de Commissie en de Eurogroep versterkt kan worden, en stelt voor de rol van toezichthouder van het Parlement te formaliseren door middel van een Interinstitutioneel Akkoord (IIA), zoals het Parlement reeds meerdere malen heeft verzocht; verwelkomt en stimuleert bovendien de betrokkenheid van nationale parlementen op nationaal niveau en samenwerking tussen nationale parlementen en het Europees Parlement in het kader van het Europees semester en voor economische governance meer in het algemeen, bijvoorbeeld via de "Europese Parlementaire Week" en de "Conferentie over artikel 13"; is daarnaast van mening dat de betrokkenheid van de sociale partners in het Europees semester verbeterd kan worden;

60.  pleit voor de integratie van de relevante bepalingen van het begrotingspact in het juridisch kader van de EU op basis van een brede beoordeling van zijn uitvoering en in de mate dat dit nog niet onder bestaand afgeleid recht valt;

De rol van de EU-begroting in de EMU

61.  herinnert aan de mogelijkheid om aan de hand van de bepalingen van artikel 312, lid 2, VWEU, van unanimiteit over te gaan op BGM voor het aannemen van de volgende verordening van het MFK; onderstreept het belang van het leggen van een verband tussen de duur van de zittingsperiode van het Parlement, het mandaat van de Commissie en de duur van het meerjarig financieel kader, die onder de bepalingen van artikel 312, lid 1, VWEU kan worden teruggebracht tot vijf jaar; roept op de MFK's voortaan te laten overeenstemmen met het volgende mandaat; vraagt de Raad zich achter deze democratische vereiste te scharen;

62.  is ingenomen met het verslag van de groep op hoog niveau inzake eigen middelen; wenst terug te komen tot de letter en de geest van de Verdragen en het huidige systeem van eigen middelen, dat werkt aan de hand van contributies die gebaseerd zijn op het bni, te veranderen in een systeem op basis van echte eigen middelen voor de EU en uiteindelijk een begroting voor de eurozone, waarvoor verschillende ideeën bestaan;

63.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 24 van de Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 de algemene begroting van de Unie alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom omvat, overeenkomstig artikel 7 van het Financieel Reglement;

Een vergrote investeringscapaciteit in de EU

64.  pleit voor een optimaal gebruik van de bestaande structuurfondsen teneinde het concurrentievermogen en de cohesie in de EU aan te sporen, en voor een toename van de investeringscapaciteit in de EU aan de hand van innovatieve werkwijzen, bijvoorbeeld het EFSI, dat specifieke faciliteiten omvat om infrastructuurprojecten die interessant zijn voor de Unie te financieren en te garanderen;

65.  dringt aan op de volledige implementatie van het bestaande sixpack en twopack en het Europees semester en wijst op de behoefte om, in het bijzonder, macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken, en om controle op de lange termijn over tekorten en de nog steeds extreem hoge schuldenniveaus te garanderen aan de hand van groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, een verbeterde efficiëntie van de uitgaven, voorrang voor productieve investeringen, bevordering van eerlijke en duurzame structurele hervormingen en inachtneming van de conjunctuur;

Totstandbrenging van een begrotingscapaciteit binnen de eurozone met gebruikmaking van een deel van de EU-begroting

66.  brengt in herinnering dat de euro de munt van de Unie is en dat de EU-begroting tot doel heeft de in artikel 3 VEU vastgestelde doelstellingen van de Unie te behalen en gemeenschappelijk beleid te financieren, zwakke regio's te helpen door het solidariteitsbeginsel toe te passen, de interne markt te voltooien, Europese synergieën te bevorderen, te reageren op bestaande en opduikende uitdagingen die een pan-Europese aanpak vereisen, en aldus minder ontwikkelde lidstaten mee te helpen hun achterstand in te lopen opdat deze zich bij de eurozone kunnen aansluiten;

67.  neemt kennis van de verschillende voorstellen voor de oprichting van een begrotingscapaciteit in de eurozone; merkt op dat in deze voorstellen verschillende functies toebedeeld worden aan deze capaciteit en dat hun ontwerp uiteenloopt; brengt in herinnering dat het Parlement erop aandringt deze capaciteit te ontwikkelen binnen het kader van de EU;

68.  wijst erop dat het ontwerp, de functie en de grootte van de nieuwe begrotingscapaciteit zullen bepalen of deze capaciteit in het kader van het huidige Verdrag opgericht kan worden, maar dat het mogelijk is overeenkomstig de Verdragen de maximumbedragen van de eigen middelen te verhogen, nieuwe categorieën eigen middelen vast te stellen (zelfs als deze eigen middelen slechts van een beperkt aantal lidstaten komen) en bepaalde begrotingsontvangsten aan specifieke uitgaven toe te wijzen; wijst er daarnaast op dat de EU-begroting reeds waarborgen biedt voor specifieke leningsoperaties en dat verscheidene flexibiliteitsinstrumenten bestaan waarvoor financiering kan worden gemobiliseerd die de uitgavenplafonds van het MFK overschrijdt;

69.  pleit wederom voor de opname van het Europees stabiliteitsmechanisme in het juridisch kader van de Unie, mits er sprake is van een passende democratische verantwoordingsplicht;

70.  is van mening dat de oprichting van een Europese begrotingscapaciteit en het Europees Monetair Fonds onderdelen kunnen zijn van het proces om een Europese Schatkist te creëren, die verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement;

71.  vraagt met het oog op de oprichting van een schuldaflossingsfonds aandacht voor de hoofdbevindingen van de groep van deskundigen die door de Commissie in het leven werd geroepen;

De eengemaakte markt en financiële integratie

72.  is van mening dat de eengemaakte markt een van de hoekstenen vormt van de EU en fundamenteel is voor welvaart, groei en werkgelegenheid in de Unie; wijst erop dat de eengemaakte markt zowel ondernemingen als consumenten tastbare voordelen biedt en een groeipotentieel heeft dat nog niet volledig werd benut, met name de digitale eengemaakte markt, financiële diensten, energie, de bankenunie en de kapitaalmarktenunie; pleit daarom voor een strengere controle van de correcte toepassing en een betere handhaving van het bestaande acquis op deze gebieden;

73.  pleit voor de snelle maar stapsgewijze voltooiing van een bankenunie, gebaseerd op een gemeenschappelijk toezichtmechanisme (GTM), een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) en een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS), en gestaafd door een adequaat en begrotingsneutraal achtervangmechanisme; waardeert de overeenkomst inzake een financieel overbruggingsmechanisme tot het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in werking treedt en pleit voor een Europees insolventiesysteem;

74.  herinnert eraan dat de Europese toezichthoudende autoriteiten dienen te handelen met het oog op het verbeteren van de werking van de interne markt, in het bijzonder door een kwalitatief hoog, effectief en consistent niveau van regulering en toezicht te verzekeren, rekening houdend met de uiteenlopende belangen van alle lidstaten en de diverse aard van financiëlemarktdeelnemers; is van mening dat kwesties die alle lidstaten treffen aan de orde moeten worden gesteld en moeten worden besproken door alle lidstaten en dat alle lidstaten hier beslissingen over moeten nemen en dat het, om het gelijke speelveld binnen de eengemaakte markt te versterken, essentieel is om één pakket van regels te creëren dat geldt voor alle financiëlemarktdeelnemers in de EU, teneinde fragmentering van de eengemaakte markt voor financiële diensten en oneerlijke concurrentie door gebrek aan een gelijk speelveld te voorkomen;

75.  pleit voor de oprichting van een echte kapitaalmarktenunie;

76.  steunt de opmaak van een systeem van mededingingsautoriteiten die belast zijn met het samenbrengen van de nationale organen die verantwoordelijk zijn voor de controle van de vooruitgang op het gebied van het concurrentievermogen in elke lidstaat, en stelt voor dat de Commissie toezicht houdt op de vooruitgang van een dergelijk systeem;

77.  is van mening dat het nodig is de automatische informatie-uitwisseling tussen nationale belastingsautoriteiten te verbeteren om belastingontduiking en -fraude, fiscale planning, grondslaguitholling en winstverschuiving te vermijden, en dat gecoördineerde acties gepromoot moeten worden om belastingparadijzen tegen te gaan; pleit voor het aannemen van een richtlijn inzake de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting die een minimumtarief instelt en gemeenschappelijke doelstellingen voor progressieve convergentie uitwerkt; acht het noodzakelijk te beginnen aan een brede herziening van de bestaande btw-wetgeving, waarbij onder meer het beginsel van het land van herkomst wordt geïntroduceerd;

Een democratischere institutionele structuur voor de EMU

78.  herinnert aan de nood aan correcte democratische legitimiteit en verantwoording die op de niveaus van besluitvorming moeten worden gegarandeerd, waarbij de nationale parlementen de nationale regeringen nauwlettend in het oog houden, en met een grotere rol als toezichthouder voor het Europees Parlement op EU-niveau, met inbegrip van een centrale rol, samen met de Raad, bij het aannemen van de convergentiecode volgens de gewone wetgevingsprocedure;

79.  pleit voor het algemeen gebruik van de in artikel 48, lid 7, VEU vastgestelde "overbruggingsclausule"; brengt in herinnering dat de Commissie in haar blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie(12) voorgesteld heeft een instrument voor convergentie en concurrentievermogen op te richten op basis van artikel 136 VWEU of artikel 352 VWEU, indien nodig met versterkte samenwerking; merkt op dat in geval van versterkte samenwerking het gebruik van artikel 333, lid 2, VWEU, dat voorziet in het gebruik van de gewone wetgevingsprocedure, zou zorgen voor meer democratische legitimiteit en doeltreffendheid van EU-governance en de rol van het Parlement hierbij;

80.  herhaalt dat de interparlementaire samenwerking niet mag leiden tot het vaststellen van een nieuw parlementair orgaan of een andere instelling omdat de euro de munt van de EU is en het Europees Parlement het parlement van de EU is; herinnert eraan dat de EMU door de Unie is opgericht, wier burgers op het niveau van de Unie direct worden vertegenwoordigd door het Parlement, dat ervoor moet zorgen dat de parlementaire democratische verantwoording van besluiten met betrekking tot de eurozone kan worden gegarandeerd en uitgevoerd;

81.  dringt erop aan dat de Commissie bevoegdheden krijgt om ieder toekomstig en bestaand instrument dat wordt aangenomen op het gebied van de EMU uit te voeren en te handhaven;

82.  is van mening dat het nodig is de zwakke punten in de bestaande institutionele structuur van de EMU aan te pakken, met name het democratisch deficit ervan, aangezien bepaalde delen van het Verdrag door het Hof van Justitie over het hoofd kunnen worden gezien, terwijl andere delen van dergelijk toezicht zijn uitgesloten; is van mening dat het nodig is de rol van het Parlement bij de gedetailleerde uitvoering van artikel 121, leden 3 en 4, VWEU te versterken, voor een betere afstemming van het economisch beleid;

83.  is van oordeel dat gedifferentieerde integratie open moet blijven voor alle lidstaten;

84.  herinnert eraan dat de normale wetgevings- en begrotingsprocedures op EU-niveau voorrang moeten krijgen, indien nodig door gebruikmaking van afwijkende regelingen en specifieke begrotingslijnen; herinnert eraan dat andere bepalingen, zoals de bepalingen van de eurozone of van vergrote samenwerking, alleen mogen worden gebruikt als de bovenstaande procedures juridisch of politiek niet mogelijk zijn;

Voltooiing van de interne markt als de belangrijkste motor van groei

85.  is ervan overtuigd dat de verdieping van de EMU hand in hand moet gaan met de voltooiing van de interne markt door alle interne barrières op te heffen, in het bijzonder wat betreft de energie-unie, de gemeenschappelijke digitale markt en de dienstenmarkt;

86.  pleit voor volledige handhaving van de bestaande interne-energiemarktwetgeving op grond van artikel 194 VWEU om een energie-unie te bewerkstelligen;

87.  pleit ervoor de taken en bevoegdheden van het Europees Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) te versterken, met als uiteindelijk doel de oprichting van een Europees Energieagentschap op grond van artikel 54 van het Euratom-verdrag, evenals de integratie van de energiemarkten, de oprichting van een Europese strategische reserve door het combineren van nationale reserves en de oprichting van een gemeenschappelijk centrum voor onderhandelingen met leveranciers, teneinde de institutionele structuur van de energie-unie te voltooien;

88.  ijvert voor de financiering van infrastructuur- en energieprojecten voor het gebruik van "projectobligaties", waarbij nauw wordt samengewerkt met de EIB;

89.  roept de Commissie op om artikel 116 VWEU te benutten, waarin de juridische beginselen te vinden zijn op basis waarvan het Parlement en de Raad de gebruikelijke wetgevende procedure kunnen toepassen om nadelige fiscale beleidsmaatregelen die mededinging op de interne markt verhinderen een halt toe te roepen;

De sociale dimensie

90.  benadrukt dat de rechten van werknemers gewaarborgd moeten worden, met name het recht op vrij verkeer alsook sociale rechten, en dat de relevante rechtsinstrumenten zoals vastgesteld in titels IV, IX en X van deel drie van het VWEU en in het EU-Handvest van de grondrechten ten volle benut moeten worden, teneinde een stabiele sociale basis voor de Unie te verzekeren; verwijst in dit verband met name naar de rechten die voortvloeien uit Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en Verordening (EU) nr. 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;

91.  wijst op het belang van een sociaal Europa, zodat het Europese integratieproject op de steun van de werknemers kan blijven rekenen;

92.  benadrukt dat het idee van een minimumloon, dat door iedere lidstaat wordt bepaald, moet worden gepromoot en is van oordeel dat het onderzoeken van mogelijkheden voor een stelsel voor minimumwerkloosheidsuitkeringen, het bestaan van gemeenschappelijke regels en voorwaarden voor een EU-arbeidsmarkt noodzakelijk zou maken, en stelt voor om onder de huidige bepalingen van het Verdrag een wetgevingsvoorstel inzake werknemersmobiliteit vast te stellen om nog steeds bestaande barrières voor werknemers te verminderen;

93.  wijst op de voorzieningen die door de Unie in het leven worden geroepen en de noodzaak om jeugdige werknemers actief te betrekken op de arbeidsmarkt en de uitwisseling van jeugdige werknemers verder te bevorderen in overeenstemming met artikel 47 VWEU;

94.  roept de Commissie op werkgelegenheidscriteria op te nemen in de beoordeling van de macro-economische prestatie van de lidstaten, en structurele hervormingen aan te bevelen en te ondersteunen om onder meer een beter gebruik van sociale en regionale fondsen te garanderen;

95.  roept de Commissie op de behoefte aan EU-optreden en de potentiële economische, sociale en milieu-impact van alternatieve beleidsmogelijkheden grondig te beoordelen, voordat zij een nieuw initiatief voorstelt (zoals wetgevende voorstellen, niet-wetgevende voorstellen en uitvoerende en gedelegeerde handelingen), in overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven;

96.  pleit voor het sluiten van een nieuw sociaal pact (dat de vorm van een sociaal protocol kan krijgen) dat erop gericht is de sociale markteconomie van Europa te stimuleren en ongelijkheden te verminderen, waarbij gegarandeerd wordt dat de grondrechten van alle burgers gerespecteerd worden, waaronder het recht op collectief onderhandelen en het recht op vrij verkeer; herinnert eraan dat een dergelijk pact de coördinatie van het sociale beleid van de lidstaten zou kunnen vergroten;

97.  roept de Commissie op de sociale dialoog van de EU nieuw leven in te blazen door middel van bindende overeenkomsten tussen de sociale partners in overeenstemming met artikelen 151 tot en met 161 VWEU;

Extern optreden

De effectiviteit, cohesie en verantwoording van het Gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB) doen stijgen

98.  is van oordeel dat de veelomvattende benadering van de Europese Unie met betrekking tot externe conflicten en crises versterkt moet worden door de verschillende actoren en instrumenten in alle fases van de conflictcyclus dichter bij elkaar te brengen;

99.  dringt aan op het gebruik van de bepalingen van artikel 22 VEU om een algeheel strategisch kader te ontwikkelen en besluiten te nemen over strategische belangen en doelstellingen overeenkomstig artikel 21 VEU, die zich verder dan het GBVB uitstrekken, tot andere gebieden van extern optreden, waarvoor samenhang met andere beleidsterreinen, zoals handel, landbouw en ontwikkelingshulp, vereist is; herinnert eraan dat besluiten die op basis van een dergelijke strategie worden genomen door BGM kunnen worden uitgevoerd; merkt op dat de democratische legitimiteit van deze besluiten vergroot kan worden als de Raad en het Parlement gezamenlijke strategische documenten goedkeuren op basis van de voorstellen van de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV);

100.  pleit voor het versterken van de parlementaire supervisie van het externe optreden van de EU, met inbegrip van het voortzetten van de reguliere consultaties met de VV/HV, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie, en voor het voltooien van de onderhandelingen over de vervanging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2002 over toegang tot gevoelige informatie van de Raad op het gebied van het GBVB;

101.  is van mening dat het nodig is dat de speciale vertegenwoordigers van de EU worden geïntegreerd in de EDEO, ook door hun budget over te dragen van de GBVB-lijnen naar de EDEO-lijnen, aangezien dit de cohesie van de EU-inspanningen zou vergroten;

102.  pleit voor het gebruik van artikel 31, lid 2, VEU, dat de Raad toestaat bepaalde beslissingen te nemen inzake het GBVB door middel van BGM, en de overbruggingsclausule die is opgenomen in artikel 31, lid 3, VEU om progressief over te schakelen naar BGM voor beslissingen op het gebied van het GBVB die geen militaire of verdedigingsgevolgen hebben; herinnert eraan dat artikel 20, lid 2, VEU, waarin de bepalingen voor vergrote samenwerking zijn vastgelegd, aanvullende mogelijkheden voor de lidstaten voorziet om vooruitgang te boeken met het GBVB en daarom moet worden gebruikt;

103.  is van mening dat er nood is om de flexibiliteit van de financiële regels voor extern optreden te vergroten om vertraging bij de uitbetaling van EU-middelen te voorkomen en daardoor het vermogen van de EU om op een snelle en effectieve manier op een crisis te reageren te verhogen; is van mening dat het in dit verband nodig is een versnelde procedure voor humanitaire bijstand vast te leggen om ervoor te zorgen dat hulp zo efficiënt en effectief mogelijk kan worden uitbetaald;

104.  spoort de Raad, de EDEO en de Commissie aan tot de handhaving van hun respectieve verplichtingen om het Parlement in alle fasen van de onderhandeling en sluiting van internationale akkoorden onmiddellijk en volledig te informeren, zoals is vastgelegd in artikel 218, lid 10, VWEU en zoals is uiteengezet in de interinstitutionele akkoorden met de Commissie en de Raad;

105.  merkt op dat het Europees Hof van Justitie (HvJ) bevestigd heeft dat het Parlement op grond van artikel 218, lid 10, VWEU het recht heeft volledig en onmiddellijk geïnformeerd te worden in iedere fase van de procedure voor het onderhandelen en sluiten van internationale overeenkomsten – ook wanneer het gaat om het GBVB – teneinde het Parlement in staat te stellen zijn bevoegdheden uit te oefenen met volledige kennis van het optreden van de Europese Unie in haar geheel; verwacht bijgevolg dat terdege rekening gehouden zal worden met de jurisprudentie van het HvJ bij de toekomstige interinstitutionele onderhandelingen over verbeterde praktische regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling in het kader van de onderhandeling en sluiting van internationale akkoorden;

Naar een gemeenschappelijk defensiebeleid

106.  roept op om verdere stappen te zetten naar een gemeenschappelijk defensiebeleid (artikel 42, lid 2, VEU) en, uiteindelijk, een gemeenschappelijke defensie, die kan worden ingesteld door een unanieme beslissing van de Europese Raad, waarbij ook het maatschappelijk middenveld en de burgermaatschappij worden versterkt aan de hand van geweldloze conflictpreventie en conflictoplossing, met name door het toekennen van meer financiële, administratieve en personeelsmiddelen voor bemiddeling, dialoog, verzoening en op het maatschappelijk middenveld gebaseerde onmiddellijke crisisrespons;

107.  stelt voor om, in een eerste stap in deze richting, de bepalingen van artikel 46 VEU met betrekking tot de oprichting van een permanente gestructureerde samenwerking door middel van een BGM-stemming in de Raad uit te voeren, aangezien dit instrument de meer ambitieuze lidstaten in staat zou stellen op gecoördineerde wijze nauwer samen te werken op het gebied van defensie onder de bescherming van de EU, en ze de bevoegdheid zou geven om de EU-instellingen, -instrumenten en -begroting te gebruiken;

108.  raadt aan een permanente Raad van ministers van Defensie op te zetten, met de HV/VV als voorzitter, teneinde het gemeenschappelijke defensiebeleid van de lidstaten te coördineren, met name wat betreft cyberveiligheid en antiterrorisme, en gezamenlijk de defensiestrategie en -prioriteiten van de EU te ontwikkelen;

109.  dringt erop aan een EU-witboek over veiligheid en defensie op te stellen op basis van de door de HV/VV voorgestelde globale EU-strategie voor buitenlands- en veiligheidsbeleid en van de agenda van Bratislava, aangezien een dergelijk document de strategische doelen van de EU op het gebied van veiligheid en defensie nader zou beschrijven, en de bestaande en vereiste vermogens zou vastleggen; roept de Commissie op haar huidige voorbereidende werk voor een Europees defensieplan te baseren op de resultaten van het toekomstige EU-witboek over veiligheid en defensie, dat ook moet ingaan op het vraagstuk hoe en onder welke omstandigheden het gebruik van militair geweld passend en legitiem is;

110.  benadrukt de noodzaak om een gemeenschappelijk Europees beleid voor capaciteit en bewapening (artikel 42, lid 3, VEU) te bepalen, dat betrekking zou hebben op de gezamenlijke planning, ontwikkeling en verwerving van militaire capaciteit, en dat ook voorstellen moet bevatten om te reageren op virtuele, hybride en asymmetrische dreigingen; moedigt de Commissie aan te werken aan een ambitieus Europees defensieactieplan, zoals is aangekondigd in het werkprogramma van 2016;

111.  benadrukt het grote potentieel van het Europees Defensieagentschap (EDA) om te helpen bij de ontwikkeling van een eengemaakte defensiemarkt die competitief, efficiënt, onderbouwd door intensief onderzoek, ontwikkeling en innovatie en gericht op het creëren van gespecialiseerde banen is, en pleit er daarom voor eventuele publiek-private partnerschappen te onderzoeken; herhaalt dat het dringend nodig is om het EDA te versterken door het te voorzien van de benodigde middelen en politieke steun, en het daardoor een leidende en coördinerende rol te geven bij capaciteitsontwikkeling, –onderzoek en de aankopen; herhaalt zijn standpunt dat dit het beste kan gebeuren door de personeels- en exploitatiekosten van het agentschap uit hoofde van de EU-begroting te financieren;

112.  herinnert aan het bestaan van artikel 44 VEU, dat aanvullende bepalingen voor flexibiliteit voorziet en dat de mogelijkheid introduceert om de uitvoering van crisismanagementtaken toe te vertrouwen aan een groep lidstaten die dergelijke taken in naam van de EU en onder de politieke controle en het strategisch advies van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en de EDEO zou uitvoeren;

113.  stelt voor dat artikel 41, lid 3, VEU wordt gebruikt om een startfonds in te stellen dat zou bestaan uit contributies van de lidstaten, voor de financiering van voorbereidende activiteiten die betrekking hebben op activiteiten van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) die niet ten laste van de begroting van de Unie komen;

114.  benadrukt het belang van het verlengen van de gemeenschappelijke financiering op het gebied van het militaire GVDB, inclusief door middel van het Athenamechanisme, aangezien dit de financiële belemmeringen aan de kant van de lidstaten om aan militaire GVDB-missies en operaties bij te dragen zou verminderen en het vermogen van de EU om op crises te reageren zou vergroten;

115.  pleit voor de oprichting van een permanent civiel en militair hoofdkwartier, met militair plannings- en uitvoeringsvermogen (MPCC) en civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC); pleit voor de institutionalisering van de verschillende Europese militaire structuren (onder andere de verschillende gevechtsgroepen, Euroforces, verdedigingssamenwerking tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en luchtverdedigingssamenwerking in de Benelux) binnen het Europees kader, en voor een toename van de bruikbaarheid van de EU-gevechtsgroepen door onder andere de gemeenschappelijke financiering te verlengen en hun inzet standaard te beschouwen als een eenheid voor de eerste fase in toekomstige crisismanagementscenario's;

116.  stelt vast dat dit permanent hoofdkwartier zich kan bezighouden met permanente noodplanning en een belangrijke coördinerende rol kan spelen in toekomstige toepassingen van artikel 42, lid 7, VEU; is van mening dat de "clausule betreffende wederzijdse defensie", zoals die in dit artikel is vastgelegd en door Frankrijk is ingeroepen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2015, kan fungeren als een katalysator voor verdere ontwikkeling van het veiligheids- en defensiebeleid van de EU, hetgeen naar een sterker engagement van alle lidstaten zal leiden;

117.  is van mening dat het nodig is om de samenwerking tussen de EU en de NAVO op alle niveaus, bijvoorbeeld op het gebied van capaciteitsontwikkeling en noodplanning voor hybride bedreigingen, te vergroten en de inspanningen om de resterende politieke hindernissen weg te nemen, te versterken; spoort aan tot een breed politiek en militair partnerschap tussen de EU en de NAVO;

118.  roept op tot doortastende maatregelen om beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) te verzekeren, krachtens artikel 208 VWEU, en eist dat het effectbeoordelingssysteem voor PCD verbeterd wordt en dat een arbitratiemechanisme wordt ingesteld om eventuele discrepanties in de verschillende EU-beleidsmaatregelen op te lossen, waardoor de voorzitter van de Commissie de politieke verantwoordelijkheid krijgt voor de globale richtsnoeren en probleemafwikkeling in overeenstemming met de beloften van de EU inzake PCD;

Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)

119.  benadrukt dat in het licht van de recente aanslagen en de vergrote terroristische dreiging een systematische, verplichte en gestructureerde uitwisseling van informatie en gegevens tussen de nationale rechtshandhavingsautoriteiten en inlichtingendiensten en met Europol, Frontex en Eurojust absoluut essentieel is en zo snel mogelijk moet worden ingevoerd, maar dat hierbij de grondrechten en -vrijheden geëerbiedigd moeten worden en democratisch en justitieel toezicht moet worden uitgeoefend op de terorrismebestrijdingsmaatregelen;

120.  wijst erop dat, zoals bij eerdere aanslagen, de daders van de aanslagen in Parijs reeds bekend waren bij de veiligheidsautoriteiten en het voorwerp hadden uitgemaakt van onderzoeken en toezichtsmaatregelen; vreest dat de bestaande gegevens over deze individuen niet zijn uitgewisseld tussen de lidstaten, ondanks de vereisten van artikel 88 VWEU; verzoekt de Raad op basis van artikel 352 VWEU een verplichte uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten voor te schrijven; is van mening dat de mogelijkheid van nauwere samenwerking moet worden benut indien geen unanimiteit kan worden bereikt;

121.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan de EU-maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding en daaraan gerelateerde gebieden aan een gedegen beoordeling te onderwerpen, en daarbij met name te bekijken hoe ze in de lidstaten in nationale wetgeving zijn omgezet en in de praktijk ten uitvoer worden gelegd, en in welke mate de lidstaten samenwerken met de relevante EU-agentschappen, zoals Europol en Eurojust, en – middels de procedure zoals bedoeld in artikel 70 VWEU – na te gaan hoe het gesteld is met de conformiteit van deze maatregelen met de EU-verplichtingen inzake de grondrechten;

122.  herinnert er in deze context aan dat artikel 222 VWEU een solidariteitsclausule voorziet die kan en moet worden geactiveerd wanneer een lidstaat wordt getroffen door een terroristische aanslag, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp;

123.  betreurt dat de richtlijn tijdelijke bescherming niet is toegepast bij de vluchtelingencrisis, ondanks het feit dat deze richtlijn is vastgesteld om met een massale toestroom van onderdanen van derde landen te kunnen omgaan;

124.  onderstreept de noodzaak om een eerlijk en doeltreffend asiel- en immigratiebeleid in te stellen binnen de EU, op basis van de beginselen van solidariteit, non-discriminatie, non-refoulement en loyale samenwerking tussen alle lidstaten, waardoor een eerlijke herverdeling van asielzoekers binnen de Europese Unie verzekerd wordt; meent dat alle lidstaten bij dergelijk beleid moeten worden betrokken; herinnert de lidstaten aan hun in dit verband reeds bestaande verplichtingen en benadrukt dat een nieuw asiel- en migratiekader gebaseerd moet zijn op de grondrechten van migranten;

125.  wijst erop dat er nog verdere stappen nodig zijn om te bereiken dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel een werkelijk uniform systeem wordt; verzoekt de lidstaten hun wetgeving en praktijken te harmoniseren met betrekking tot de criteria om te bepalen wie in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, de waarborgen in het kader van internationale beschermingsprocedures en de opvangvoorzieningen op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het HvJ alsook de beproefde praktijken van andere lidstaten;

126.  verneemt met instemming dat Verordening (EU) 2016/1624 is aangenomen, waardoor Frontex uitgebreidere taken en bevoegdheden en een andere naam krijgt, namelijk het Europees Grens- en kustwachtagentschap; is van mening dat het agentschap, waar nodig, met militaire instrumenten, zoals de Euromarfor-zeestrijdkrachten en een verbeterd Eurokorps, kan worden ondersteund, en worden gefinancierd met de middelen van de permanente gestructureerde samenwerking; benadrukt dat in de verordening is bepaald dat lidstaten, in hun eigen belang en in het belang van andere lidstaten, gegevens in de Europese databanken moeten invoeren; raadt aan interoperabiliteit van de databanken van grensagentschappen zoals Eurodac en interoperabiliteit met de databanken van Europol na te streven;

127.  dringt erop aan de Dublinverordening op korte termijn te herzien door een EU-breed, wettelijk bindend systeem in te voeren om asielzoekers over de lidstaten te verdelen, op basis van een eerlijke, bindende toewijzing;

128.  wijst erop dat gezien de ongekende toestroom van migranten die bij de buitengrenzen van de Unie blijven aankomen, en de gestaag toenemende aantallen verzoekers om internationale bescherming, de Unie een bindende en dwingende wetgevende aanpak voor hervestiging moet kiezen, zoals de Commissie in haar agenda voor migratie ook aangeeft;

129.  pleit voor overeenkomsten met veilige derde landen om de migratiestroom te controleren en te reduceren vóórdat migranten bij de grenzen van de EU aankomen; dringt tegelijkertijd aan op strikte procedures om aanvragers met een ongegrond asielverzoek terug te sturen;

130.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitgaven voor het opleiden van deskundigen op asielgebied te verhogen en de doeltreffendheid van asielprocedures te vergroten;

131.  is van oordeel dat de externe dimensie gericht moet zijn op samenwerking met derde landen om de onderliggende oorzaken van de irreguliere migratiestromen naar Europa aan te pakken en die stromen in goede banen te leiden; is van oordeel dat de aandacht moet blijven uitgaan naar partnerschappen en samenwerkingsverbanden met de belangrijkste landen van herkomst, doorvoer en bestemming; acht het raadzaam dat de samenwerking met derde landen een beoordeling omvat van de asielstelsels van die landen, de mate waarin zij steun verlenen aan vluchtelingen, en hun vermogen en bereidheid om mensenhandel en mensensmokkel naar en via hun landen aan te pakken; onderkent dat de doeltreffendheid van het terugkeerstelsel van de Unie voor verbetering vatbaar is, maar is van mening dat de terugkeer van migranten uitsluitend uitgevoerd mag worden in veilige omstandigheden en in volledige overeenstemming met de fundamentele en procedurele rechten van de betreffende vluchteling;

132.   verneemt met instemming dat in de nieuwe Verordening (EU) 2016/1624 betreffende de Europese grens- en kustwacht is bepaald dat indien de controle van een buitengrens dermate ineffectief is geworden dat de werking van het Schengengebied erdoor in gedrang komt, doordat een lidstaat niet de nodige maatregelen heeft getroffen, onvoldoende steun van Frontex heeft gevraagd of deze steun niet implementeert, de Commissie aan de Raad een besluit kan voorstellen waarin de door het Agentschap uit te voeren maatregelen worden geïdentificeerd en waardoor de betrokken lidstaat met het Agentschap moet samenwerken om deze maatregelen uit te voeren; merkt bovendien op dat de verordening ook bepalingen omvat met betrekking tot de burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van teamleden en een klachtenmechanisme voor toezicht op en waarborging van de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap;

133.  is van mening dat een verbeterde personele en financiële capaciteit van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) noodzakelijk is indien het bureau gevraagd wordt alle EU-asielaanvragen te coördineren en lidstaten die problemen ondervinden bij het verwerken van grote aantallen asielaanvragen te ondersteunen, en er gebruik wordt gemaakt van zijn mandaat tot gemeenschappelijke operaties, proefprojecten en snelle interventies, die vergelijkbaar zijn met diegenen die onder Verordening (EU) nr. 1168/2011 aan het mandaat van Frontex zijn toegevoegd;

134.  onderstreept het belang van een verbeterde coördinatie tussen het EASO, Frontex en het bureau van de Europese Ombudsman om in het geval van specifieke migratiedruk, waarvan aan te nemen is dat deze het respecteren van de fundamentele vrijheden van asielzoekers in gevaar brengt, "Early Alert Reports" soepeler te kunnen aannemen; is van mening dat het mogelijk is voor de Commissie om deze "Early Alert Reports" te gebruiken als de reden om de bijzondere maatregelen waarin artikel 78, lid 3, VWEU voorziet, te starten;

135.  vindt het noodzakelijk om de rol van het Parlement als medewetgever op gelijke voet met de Raad te versterken door middel van artikel 81, lid 3, VWEU, dat het mogelijk maakt de besluitvorming op het gebied van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen te veranderen naar de gewone wetgevingsprocedure als de Raad, na raadpleging van het Parlement, hiertoe unaniem besluit; pleit voor een omschakeling wat betreft de besluitvorming inzake al het andere beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ) naar de gebruikelijke wetgevende procedure door de overbruggingsclausule in artikel 48, lid 7, VEU te gebruiken;

136.  verzoekt de Commissie, op basis van artikel 83 VWEU, minimumvoorschriften voor te stellen betreffende de definities en sancties in verband met de strijd tegen terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit;

137.  dringt erop aan de beginselen die in het Verdrag van Lissabon zijn vastgelegd, met name solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, het beginsel van wederzijdse erkenning bij de uitvoering van JBZ-beleid (artikel 70 VWEU), en de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de praktijk te brengen;

138.  is van oordeel dat de EU de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en blijvende eerbiediging van de criteria van Kopenhagen moet waarborgen en ervoor moet zorgen dat alle lidstaten de in artikel 2 VEU vervatte gemeenschappelijke waarden respecteren;

139.  benadrukt het belang van het voltooien van het "pakket van procedurele waarborgen", met name door wetgeving te ontwerpen inzake administratieve detentie en detentie van minderjarigen, gebieden waarop de regelgeving in vele lidstaten niet volledig overeenstemt met de mensenrechten en andere internationale normen;

140.  benadrukt dat verdere vooruitgang geboekt moet worden bij de ontwikkeling van het Europese strafrecht, met name inzake de wederzijdse erkenning en handhaving van strafrechtelijke uitspraken;

141.  benadrukt het belang van de ontwikkeling van een Europese rechtsplegingscultuur als een eerste vereiste om de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burger tot werkelijkheid te laten worden en om te zorgen voor een betere toepassing van het EU-recht;

142.  is van oordeel dat een Europese openbare aanklager aangeduid moet worden om georganiseerde misdaad, fraude en corruptie te bestrijden, de financiële belangen van de Unie te beschermen en de fragmentering van de Europese strafrechtelijke ruimte tegen te gaan;

143.  benadrukt dat op grond van artikel 86 VWEU een Europees Openbaar Ministerie (EPPO) opgericht kan worden om misdaden tegen de financiële belangen van de EU (PIF-misdrijven) te bestrijden, op voorwaarde dat het Parlement hiermee instemt; herhaalt daarom de aanbevelingen uit zijn resoluties van 12 maart 2014(13) en 29 april 2015(14) over de exacte organisatie van het EPPO, en benadrukt dat de EPPO-verordening onverwijld goedgekeurd moet worden zodat het EPPO de bevoegdheid krijgt om alle PIF-misdrijven, met inbegrip van btw-fraude, te onderzoeken en verdachten te vervolgen;

144.  herinnert aan de plicht van de Unie om het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te aanvaarden, overeenkomstig artikel 6, lid 2, VEU, en dringt erop aan de onderhandelingen hierover met de Raad van Europa zonder vertraging opnieuw te starten, met inachtneming van het advies van het HvJ van 18 december 2014; herinnert de Commissie er in haar rol als hoofdonderhandelaar aan dat deze toetreding tot een betere bescherming van de mensenrechten van alle EU-burgers zal leiden;

145.  herhaalt dat deze resolutie er slechts toe strekt een beoordeling te geven van de juridische mogelijkheden die de Verdragen bieden en de basis moet vormen voor verbeteringen met betrekking tot de werking van de Europese Unie op korte termijn; wijst er nogmaals op dat voor verdere ingrijpende hervormingen in de toekomst een herziening van de Verdragen vereist is;

o
o   o

146.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, de ECB, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 25.
(2) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 82.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0249.
(4) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 183.
(5) PB C 313 van 22.9.2015, blz. 9.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0103.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0382.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.
(11) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 176.
(12) COM(2012)0777 van 28 november 2012.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0234.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0173.

Laatst bijgewerkt op: 21 september 2017Juridische mededeling