EUROPESE RAAD LISSABON
23 EN 24 MAART 2000

CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

De Europese Raad heeft op 23 en 24 maart 2000 in Lissabon een bijzondere bijeenkomst gehouden om een nieuw strategisch doel voor de Unie vast te stellen ter bevordering van werkgelegenheid, economische hervorming en sociale samenhang, als onderdeel van een kenniseconomie. Bij het begin van de besprekingen is met de voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw Nicole Fontaine, van gedachten gewisseld over de belangrijkste agendapunten.

[Top] [Next]

I. WERKGELEGENHEID, ECONOMISCHE HERVORMINGEN EN SOCIALE SAMENHANG

EEN STRATEGISCH DOEL VOOR HET KOMENDE DECENNIUM

De nieuwe uitdaging

1. Door de mondialisering en de uitdagingen van een nieuwe kenniseconomie ziet de Europese Unie zich voor ingrijpende veranderingen geplaatst. Die veranderingen beïnvloeden elk facet van het leven van de burgers en vereisen een radicale transformatie van de Europese economie. De Unie moet deze veranderingen vorm geven op een wijze die in overeenstemming is met haar waarden en maatschappelijke concepten, mede met het oog op de komende uitbreiding.

2. Het snelle en steeds snellere tempo van de veranderingen maakt dat de Unie nu moet handelen om de voordelen van de geboden kansen ten volle te benutten. Daarom is het nodig dat de Unie een duidelijk strategisch doel vaststelt en een ambitieus programma overeenkomt voor het opbouwen van kennisinfrastructuur, het bevorderen van innovatie en economische hervorming en het moderniseren van de stelsels van sociale bescherming en onderwijs.

Sterke en zwakke kanten van de Unie

3. Een generatie lang zijn de macro-economische vooruitzichten voor de Unie niet zo goed geweest als nu. Het op stabiliteit gerichte monetair beleid, dat geschraagd wordt door een gezond begrotingsbeleid in een context van loonmatiging, heeft geresulteerd in lage inflatiecijfers en rentevoeten, een aanzienlijke vermindering van de overheidstekorten en een gezonde betalingsbalans van de EU. De invoering van de euro is geslaagd en de euro levert de voor de Europese economie verwachte voordelen op. De interne markt is goeddeels voltooid en levert zowel voor de consument als voor het bedrijfsleven tastbare voordelen op. De komende uitbreiding zal nieuwe mogelijkheden scheppen voor groei en werkgelegenheid. De Unie beschikt over in het algemeen goed opgeleide arbeidskrachten en over sociale beschermingsstelsels die in staat zijn, naast hun intrinsieke waarde, het stabiele kader te bieden dat nodig is om in te kunnen spelen op de structurele veranderingen op de weg naar een kennismaatschappij. De groei trekt verder aan en er ontstaan nieuwe banen.

4. Deze sterke kanten mogen ons niet de ogen doen sluiten voor een aantal zwakke kanten. Nog steeds hebben meer dan 15 miljoen Europeanen geen werk. De arbeidsparticipatie is te laag en wordt gekenmerkt door een ontoereikende deelname van vrouwen en oudere werknemers. Langdurige structurele werkloosheid en duidelijke regionale onevenwichtigheden qua werkloosheid blijven hardnekkige problemen in delen van de Unie. De dienstensector is onvoldoende ontwikkeld, in het bijzonder in de sectoren telecommunicatie en Internet. De scholingsachterstand wordt groter, met name in de informatietechnologie, waar steeds meer banen niet worden ingevuld. Nu de economische situatie is verbeterd, is de tijd rijp voor zowel economische als sociale hervormingen, als onderdeel van een positieve strategie waarin concurrentievermogen en sociale samenhang worden gecombineerd.

De weg vooruit

5. Vandaag heeft de Unie zichzelf voor het komende decennium een nieuw strategisch doel gesteld: de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Om dit doel te verwezenlijken is er een integrale strategie nodig die gericht is op:

  • de voorbereiding van de overgang naar een kenniseconomie en kennismaatschappij door een beter beleid op het gebied van de informatiemaatschappij en O&O, alsmede door versnelling van het structurele hervormingsproces met het oog op concurrentievermogen en innovatie, en door voltooiing van de interne markt;
  • de modernisering van het Europees sociaal model door te investeren in mensen en sociale uitsluiting te bestrijden;
  • het behoud van gezonde economische vooruitzichten en gunstige groeiperspectieven door een passende macro-economische beleidsmix toe te passen.

6. Deze strategie is erop gericht de Unie in staat te stellen opnieuw de voorwaarden te creëren voor volledige werkgelegenheid en de regionale samenhang in de Europese Unie te versterken. De Europese Raad moet kiezen voor een doelstelling van volledige werkgelegenheid in Europa in een opkomende nieuwe samenleving die meer weet in te spelen op de persoonlijke keuzes van vrouwen en mannen. Indien de hieronder omschreven maatregelen tegen een gezonde macro-economische achtergrond worden uitgevoerd, is een gemiddelde economische groei van ongeveer 3% voor de komende jaren een realistisch perspectief.

7. Deze strategie zal kunnen worden toegepast door de bestaande processen te verbeteren en een nieuwe open coördinatiemethode op alle niveaus in te voeren, gekoppeld aan een sterkere richtinggevende en coördinerende rol voor de Europese Raad, om te komen tot een coherentere strategische sturing en een doeltreffender monitoring van de vooruitgang. Elk voorjaar zal er een bijeenkomst van de Europese Raad plaatsvinden om de desbetreffende mandaten vast te stellen en ervoor te zorgen dat die worden uitgevoerd.

[Top] [Previous] [Next]

VOORBEREIDING VAN DE OVERGANG NAAR EEN CONCURRERENDE, DYNAMISCHE EN OP KENNIS GEBASEERDE ECONOMIE

Een informatiemaatschappij voor iedereen

8. De overgang naar een digitale kenniseconomie die wordt aangedreven door nieuwe goederen en diensten zal een sterke motor zijn voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid. Bovendien zal hiermee de kwaliteit van het leven van de burgers en van het milieu kunnen worden verbeterd. Om deze kans optimaal te benutten, wordt de Raad en de Commissie verzocht een alomvattend Actieplan e-Europa op te stellen en in juni van dit jaar aan de Europese Raad voor te leggen, met gebruikmaking van een open coördinatiemethode op basis van benchmarking van nationale initiatieven in combinatie met het recente e-Europa-initiatief van de Commissie en haar mededeling "Strategieën voor banen in de informatiemaatschappij".

9. Het bedrijfsleven en de burgers moeten toegang krijgen tot een goedkope communicatie-infrastructuur van wereldklasse en tot een breed dienstengamma. Iedere burger moet over de vaardigheden beschikken die nodig zijn om in deze nieuwe informatiemaatschappij te leven en te werken. Verschillende toegangswegen moeten uitsluiting van informatie verhinderen. De bestrijding van analfabetisme moet worden geïntensiveerd. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan gehandicapten. De informatietechnologieën kunnen worden gebruikt om de stedelijke en regionale ontwikkeling te vernieuwen en milieuvriendelijke technologieën te bevorderen. De inhoudsindustrie schept een meerwaarde door de Europese culturele diversiteit te exploiteren en via netwerken te verspreiden. De overheidsdiensten moeten op alle niveaus reële inspanningen leveren om de nieuwe technologieën te gebruiken teneinde de informatie zo toegankelijk mogelijk te maken.

10. Het verwezenlijken van het volledige e-potentieel van Europa hangt af van het scheppen van een klimaat waarin de elektronische handel en Internet tot bloei kunnen komen, zodat de Unie haar concurrenten kan inhalen door veel meer bedrijven en gezinnen via snelle verbindingen op Internet aan te sluiten. De regels voor de elektronische handel moeten voorspelbaar zijn en bedrijfsleven en consument vertrouwen inboezemen. Er moeten maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat Europa voorop blijft lopen op het gebied van sleuteltechnologieën, zoals de mobiele communicatie. De snelheid van de technologische verandering zou in de toekomst een nieuwe en meer flexibele benadering op het gebied van regelgeving kunnen vereisen.

11. De Europese Raad doet in het bijzonder een oproep:

  • aan de Raad, in voorkomend geval samen met het Europees Parlement, om zo spoedig mogelijk in 2000 de voorgestelde wetgeving aan te nemen inzake het juridisch kader voor de elektronische handel, inzake auteursrecht en naburige rechten, e-geld, de verkoop van financiële diensten op afstand, rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen alsmede inzake de controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik; aan de Commissie en de Raad om na te gaan hoe het vertrouwen van de consument in de elektronische handel kan worden versterkt, met name via alternatieve systemen voor geschillenbeslechting;
  • aan de Raad en het Europees Parlement om zo spoedig mogelijk in 2001 de werkzaamheden af te ronden in verband met de wetgevingsvoorstellen die de Commissie heeft aangekondigd naar aanleiding van haar herziening in 1999 van het regelgevend kader inzake telecommunicatie; aan de lidstaten en, in voorkomend geval, de Gemeenschap om ervoor te zorgen dat tijdig en op doeltreffende wijze wordt voldaan aan de frequentievereisten voor toekomstige mobiele communicatiesystemen. Eind 2001 moeten de telecommunicatiemarkten volledig geïntegreerd en geliberaliseerd zijn;
  • aan de lidstaten om zich samen met de Commissie te beijveren voor meer concurrentie op het gebied van lokale toegangsnetten vóór eind 2000 en voor het opsplitsen van het aansluitnet, om de kosten in verband met het gebruik van Internet aanzienlijk te verminderen;
  • aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat alle scholen in de Unie eind 2001 toegang hebben tot Internet en multimedia en dat alle hiervoor vereiste docenten eind 2002 geschoold zijn in het gebruik van Internet en multimedia;
  • aan de lidstaten om tegen 2003 te zorgen voor algemene elektronische toegang tot belangrijke basisoverheidsdiensten;
  • aan de Gemeenschap en de lidstaten om met steun van de EIB in alle Europese landen goedkope, onderling verbonden hogesnelheidsnetwerken voor Internettoegang beschikbaar te maken en de ontwikkeling van de meest geavanceerde informatietechnologie- en andere telecommunicatienetwerken, alsmede de inhoud van deze netwerken te bevorderen. In het Actieplan e-Europa zouden specifieke doelen moeten worden vastgesteld.

Totstandbrenging van een Europese ruimte van onderzoek en innovatie

12. Gelet op de belangrijke rol van onderzoek en ontwikkeling bij het genereren van economische groei, werkgelegenheid en sociale samenhang moet de Unie werken in de richting van de doelstellingen die zijn opgenomen in de mededeling van de Commissie: "Naar een Europese onderzoeksruimte". Onderzoeksactiviteiten op nationaal en Unieniveau moeten beter geïntegreerd en gecoördineerd worden om ze zo efficiënt en innovatief mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat Europa zijn knapste koppen aantrekkelijke vooruitzichten biedt. De instrumenten van het Verdrag en alle andere passende middelen, met inbegrip van vrijwillige regelingen, moeten ten volle worden benut om deze doelstellingen op een flexibele, gedecentraliseerde en niet-bureaucratische wijze te bereiken. Tegelijkertijd moeten binnen de nieuwe kenniseconomie innovatie en ideeën op adequate wijze worden beloond, met name door octrooibescherming.

13. De Europese Raad heeft de Raad en de Commissie verzocht om, in voorkomend geval tezamen met de lidstaten, als onderdeel van de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte, de nodige maatregelen te treffen om:

  • passende mechanismen te ontwikkelen om, op vrijwillige basis, nationale en gezamenlijke onderzoeksprogramma's rond vrij gekozen doelstellingen via netwerken aan elkaar te koppelen en zodoende meer voordeel te halen uit de gezamenlijke middelen die in de lidstaten aan O&O worden besteed, en om te zorgen voor een regelmatige rapportage aan de Raad over de geboekte voortgang; tegen 2001 de expertise inzake O&O in alle lidstaten in kaart te brengen om verspreiding van die expertise te bevorderen;
  • het klimaat te verbeteren voor private onderzoeksinvesteringen, O&O-partnerschappen en hoogtechnologische startende ondernemingen door middel van fiscaal beleid, risicokapitaal en steun van de EIB;
  • de ontwikkeling aan te moedigen van een open methode voor benchmarking van het nationale beleid inzake O&O en uiterlijk juni 2000 indicatoren voor te leggen voor prestatiebeoordeling op verschillende gebieden, in het bijzonder met betrekking tot de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen; uiterlijk juni 2001 een Europees innovatie-scorebord in te voeren;
  • het opzetten te bevorderen, tegen eind 2001, van een zeer snel trans-Europees netwerk voor elektronische wetenschappelijke communicatie, met steun van de EIB, waarbij onderzoeksinstellingen en universiteiten, wetenschappelijke bibliotheken, wetenschappelijke centra en, geleidelijk, ook scholen onderling aan elkaar worden gekoppeld;
  • maatregelen te nemen om tegen 2002 de hinderpalen voor de mobiliteit van onderzoekers in Europa te verwijderen en om onderzoekstalent van hoge kwaliteit in Europa aan te trekken en te behouden;
  • ervoor te zorgen dat het Gemeenschapsoctrooi, met inbegrip van het gebruiksmodel, tegen eind 2001 beschikbaar is zodat octrooibescherming in de gehele Unie even eenvoudig verkrijgbaar, goedkoop en breed is als de bescherming die door de belangrijkste concurrenten wordt geboden.

Het scheppen van een gunstig klimaat voor het starten en ontwikkelen van innovatieve bedrijven, met name KMO's

14. Het concurrentievermogen en de dynamiek van bedrijven is rechtstreeks afhankelijk van een regelgevend klimaat dat bevorderlijk is voor investering, innovatie en ondernemerschap. Er moeten meer inspanningen worden geleverd om de kosten van het zakendoen te verminderen en onnodige bureaucratie uit te bannen; beide zijn voor de KMO's een bijzonder zware belasting. De Europese instellingen, de nationale regeringen en de regionale en lokale autoriteiten moeten bijzondere aandacht blijven besteden aan de gevolgen van de voorgestelde regelingen en aan de kosten die met de naleving ervan gepaard gaan; zij dienen dit in de dialoog met het bedrijfsleven en de burger voor ogen te houden. Voorts zijn specifieke maatregelen vereist om cruciale interfaces in de innovatieve netwerken aan te moedigen, d.w.z. interfaces tussen bedrijven en financiële markten, O&O- en opleidingsinstellingen, adviescentra en technologische markten.

15. De Europese Raad is van oordeel dat op dit gebied een open coördinatiemethode gehanteerd moet worden en verzoekt derhalve:

  • de Raad en de Commissie uiterlijk juni 2000 een benchmarking te starten voor zaken zoals de tijd en de middelen die nodig zijn voor het oprichten van een bedrijf, hoeveel risicokapitaal er wordt geïnvesteerd, het aantal afgestudeerden in bedrijfskunde en wetenschappen alsmede de opleidingsmogelijkheden. De eerste resultaten hiervan moeten tegen december 2000 worden gepresenteerd;
  • de Commissie om op korte termijn een mededeling over een ondernemend, innoverend en open Europa in te dienen, alsook een meerjarenprogramma ter bevordering van het bedrijfsleven en het ondernemerschap voor het tijdvak 2001-2005, dat als katalysator op dit gebied een belangrijke rol zal spelen;
  • de Raad en de Commissie om een Europees Handvest voor kleine bedrijven op te stellen dat in juni 2000 zou moeten worden goedgekeurd en dat de lidstaten zou moeten verplichten in bovengenoemde instrumenten bijzondere aandacht te besteden en passend in te spelen op de behoeften van kleine bedrijven, die de belangrijkste motor zijn voor het scheppen van banen in Europa;
  • de Raad en de Commissie om eind 2000 verslag uit te brengen over de aan de gang zijnde herziening van de financiële instrumenten van de EIB en het EIF, teneinde de financiële ondersteuning te richten op startende ondernemingen, hoogtechnologische bedrijven en microbedrijven, evenals op andere initiatieven met risicokapitaal die door de EIB worden voorgesteld.

Economische hervormingen voor een voltooide en volledig operationele interne markt

16. Er moet snel worden gewerkt om de interne markt in bepaalde sectoren te voltooien en in andere, ondermaats presterende sectoren te verbeteren teneinde de belangen van het bedrijfsleven en de consument veilig te stellen. Een doeltreffend kader voor de aan de gang zijnde herziening en verbetering, dat gebaseerd is op de internemarktstrategie die door de Europese Raad van Helsinki werd goedgekeurd, is van wezenlijk belang om alle vruchten van de marktliberalisering te kunnen plukken. Voorts is het van essentieel belang dat de regels inzake mededinging en overheidssteun eerlijk en op eenvormige wijze worden toegepast, zodat bedrijven kunnen bloeien en onder gelijke concurrentievoorwaarden doeltreffend op de interne markt kunnen opereren.

17. De Europese Raad verzoekt derhalve de Commissie, de Raad en de lidstaten om elk overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden:

  • uiterlijk eind 2000 een strategie uit te werken voor het verwijderen van de belemmeringen voor diensten;
  • de liberalisering te bespoedigen in sectoren zoals gas, elektriciteit, water, postdiensten en vervoer. Ook wat betreft het gebruik en beheer van het luchtruim, verzoekt de Raad de Commissie zo spoedig mogelijk haar voorstellen in te dienen. Het doel is op deze gebieden tot een volledig operationele interne markt te komen; de Europese Raad zal de gemaakte vorderingen, wanneer hij het volgend voorjaar bijeenkomt, op basis van een verslag van de Commissie en passende voorstellen beoordelen;
  • tijdig de werkzaamheden af te ronden met betrekking tot de komende voorstellen om de regels voor overheidsopdrachten te moderniseren, met name om ze toegankelijk te maken voor KMO's, zodat de nieuwe regels uiterlijk 2002 in werking kunnen treden;
  • de noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat tegen 2003 aanbestedingen van de Gemeenschap en nationale overheden on-line kunnen plaatsvinden;
  • tegen 2001 een strategie op te stellen voor een nader gecoördineerd optreden ter vereenvoudiging van de regelgeving, met inbegrip van de werking van het ambtenarenapparaat, zowel op nationaal als op communautair niveau. Dit houdt tevens in dat moet worden bepaald op welke gebieden de lidstaten verdere maatregelen moeten nemen om de omzetting van Gemeenschapswetgeving in nationaal recht te rationaliseren;
  • hun inspanningen voort te zetten om de mededinging te bevorderen en het algemene niveau van de overheidssteun te verlagen, alsmede het accent te verleggen van steun aan individuele bedrijven of sectoren naar het aanpakken van horizontale doelstellingen van gemeenschappelijk belang zoals werkgelegenheid, regionale ontwikkeling, milieu en opleiding of onderzoek.

18. Om ambitieuze doelstellingen op het gebied van groei, werkgelegenheid en sociale insluiting te verwezenlijken zijn veelomvattende structurele verbeteringen van wezenlijk belang. De Raad heeft reeds vastgesteld wat de belangrijkste gebieden zijn die in het kader van het hervormingsproces van Cardiff moeten worden versterkt. De Europese Raad verzoekt de Raad dienovereenkomstig het werk in verband met indicatoren van structurele prestaties op te voeren en eind 2000 verslag uit te brengen.

19. De Europese Raad acht het van essentieel belang dat in het kader van de interne markt en van een kenniseconomie, ten volle rekening wordt gehouden met de verdragsbepalingen inzake diensten van algemeen economisch belang en ondernemingen die met het verlenen van die diensten zijn belast. Hij verzoekt de Commissie haar mededeling van 1996 op basis van het Verdrag bij te werken.

Efficiënte en geïntegreerde financiële markten

20. Efficiënte en transparante financiële markten dragen bij tot groei en werkgelegenheid door een betere allocatie van kapitaal en lagere kapitaalkosten. Zij spelen daarom een essentiële rol bij het stimuleren van nieuwe ideeën, het ondersteunen van een gunstig ondernemingsklimaat en het bevorderen van toegang tot en gebruik van nieuwe technologieën. Het is essentieel de door de euro geboden mogelijkheden aan te grijpen om de integratie van de financiële markten van de EU verder door te voeren. Efficiënte markten voor risicokapitaal spelen voorts een belangrijke rol bij de ontwikkeling van innoverende, sterk groeiende KMO's en het creëren van nieuwe en duurzame banen.

21. Teneinde de voltooiing van de interne markt voor financiële diensten te versnellen, moeten stappen worden ondernomen om

  • een strak tijdschema vast te leggen zodat het Actieplan Financiële diensten vóór 2005 wordt uitgevoerd, rekening houdend met prioritaire actiegebieden zoals het vergemakkelijken van zo breed mogelijke toegang tot beleggingskapitaal op EU-schaal, ook voor KMO's, door middel van een "Europees paspoort" voor emittenten; het vergemakkelijken van een geslaagde participatie van alle beleggers in een geïntegreerde markt waarbij belemmeringen voor beleggingen in pensioenfondsen worden weggenomen; het bevorderen van verdere integratie en een betere werking van de staatsobligatiemarkten door meer overleg en transparantie inzake uitgifteschema's, -technieken en -instrumenten en verbeterde markten voor grensoverschrijdende cessie- en retrocessietransacties; het verbeteren van de vergelijkbaarheid van financiële verslagen van bedrijven; en intensievere samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten van de financiële markten in de EU;
  • ervoor te zorgen dat het Actieplan Risicokapitaal vóór 2003 volledig wordt uitgevoerd;
  • snel vorderingen te maken met de al lang bestaande voorstellen betreffende het openbare aanbod tot aankoop of ruil en betreffende de herstructurering en de liquidatie van kredietinstellingen en verzekeringsmaatschappijen, teneinde de werking en stabiliteit van de financiële markt van de EU te verbeteren;
  • overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Helsinki, het voorgestelde belastingpakket af te ronden.

Coördinatie van het macro-economisch beleid: begrotingsconsolidatie, kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën

22. Het macro-economisch beleid dient niet alleen macro-economische stabiliteit in stand te houden en groei en werkgelegenheid te stimuleren, maar tegelijk ook de overgang naar een kenniseconomie te bevorderen; dit betekent een belangrijkere rol voor structureel beleid. De macro-economische dialoog in het kader van het proces van Keulen moet een vertrouwensband scheppen tussen alle betrokken actoren, zodat zij een juist inzicht verwerven in elkaars standpunten en beperkingen. De kansen die de groei biedt, moeten worden aangegrepen om actiever te streven naar begrotingsconsolidatie en om de kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren.

23. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie om, met gebruikmaking van de bestaande procedures, in het voorjaar van 2001 een rapport te presenteren waarin de bijdrage van de overheidsfinanciën aan de groei en de werkgelegenheid wordt bezien, en waarin op basis van vergelijkbare gegevens en indicatoren, wordt beoordeeld of er adequate concrete maatregelen worden genomen om

  • de belastingdruk op arbeid, vooral ten aanzien van de relatief laagopgeleiden en laagbetaalden, te verlichten en het stimulerende effect van belasting- en uitkeringsstelsels op werkgelegenheid en opleiding te verbeteren;
  • overheidsuitgaven om te buigen in de richting van een versterking van het relatieve belang van kapitaalvermeerdering - zowel materieel als menselijk kapitaal - en om onderzoek en ontwikkeling, innovatie en informatietechnologieën te steunen;
  • de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te waarborgen, met aandacht voor de verschillende dimensies daarvan, inclusief de gevolgen van de vergrijzing van de bevolking, een en ander in het licht van het door de Groep op hoog niveau Sociale bescherming op te stellen verslag.

[Top] [Previous] [Next]

MODERNISERING VAN HET EUROPEES SOCIAAL MODEL DOOR TE INVESTEREN IN MENSEN EN OPBOUW VAN EEN ACTIEVE WELVAARTSSTAAT

24. Het menselijk kapitaal is Europa's hoogste goed en moet het kernpunt van het EU-beleid zijn. Voor Europa's plaats in de kenniseconomie en om te vermijden dat de opkomst van deze nieuwe economie de bestaande problemen van werkloosheid, sociale uitsluiting en armoede vergroot, zal het cruciaal zijn om te investeren in mensen en een actieve en dynamische welvaartsstaat te ontwikkelen.

Onderwijs en opleiding gericht op het leven en werken in de kennismaatschappij

25. De Europese onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden aangepast aan de behoeften van de kennismaatschappij en de noodzaak van méér en betere werkgelegenheid. Zij moeten leer- en opleidingsmogelijkheden bieden die zijn toegesneden op de doelgroepen in de diverse stadia van hun leven: jongeren, werkloze volwassenen en werkenden wier vaardigheden door de snelle veranderingen dreigen te worden voorbijgestreefd. Deze nieuwe aanpak moet op drie belangrijke pijlers rusten: de ontwikkeling van lokale leercentra, de bevordering van nieuwe basisvaardigheden, met name in de informatietechnologie, en meer transparantie op het gebied van kwalificaties.

26. De Europese Raad roept de lidstaten, overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen, de Raad en de Commissie daarom op om, binnen hun bevoegdheden, het nodige te doen om de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

  • een sterke jaarlijkse groei van de investeringen per capita in menselijke hulpbronnen;
  • het aantal 18- tot 24-jarigen dat alleen lager secundair onderwijs heeft gevolgd en geen verder onderwijs of opleiding krijgt, moet tegen 2010 zijn gehalveerd;
  • scholen en opleidingscentra, alle aangesloten op Internet, moeten worden uitgebouwd tot veelzijdige lokale leercentra die openstaan voor iedereen, en die gebruik maken van de meest aangewezen methoden om een breed scala doelgroepen te bereiken; scholen, opleidingscentra, bedrijven en onderzoeksinstellingen moeten, tot wederzijds voordeel, leerpartnerschappen aangaan;
  • in een Europees kader moet worden bepaald welke nieuwe basisvaardigheden via permanente educatie moeten worden verschaft: IT-vaardigheden, vreemde talen, technologische cultuur, ondernemerschap en sociale vaardigheden; er moet een Europees diploma voor basisvaardigheden op IT-gebied komen, met gedecentraliseerde certificeringprocedures, om digitaal alfabetisme in de gehele Unie te bevorderen;
  • tegen eind 2000 wordt bepaald met welke middelen de mobiliteit van studenten, docenten en opleidings- en onderzoekspersoneel kan worden bevorderd, zowel door optimaal gebruik te maken van de bestaande communautaire programma's (Socrates, Leonardo, Jeugd), door obstakels weg te nemen, als door een grotere transparantie wat de erkenning van kwalificaties en tijdvakken van studie en opleiding betreft; er moeten stappen worden genomen om tegen 2002 de obstakels voor mobiliteit van docenten weg te nemen en om docenten van hoge kwaliteit aan te trekken;
  • er moet een op vrijwillige basis te gebruiken gemeenschappelijke Europese opmaak voor curricula vitae worden uitgewerkt, teneinde de mobiliteit te verbeteren door het beoordelen van verworven kennis door onderwijs- en opleidingsinstellingen alsmede werkgevers te vergemakkelijken.

27. De Europese Raad verzoekt de Raad (Onderwijs) om over de concrete doelstellingen die de onderwijsstelsels in de toekomst moeten nastreven, een algemene gedachtewisseling te houden, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar gemeenschappelijke vraagstukken en prioriteiten en tegelijk rekening wordt gehouden met de nationale diversiteit, zulks om bij te dragen aan de processen van Luxemburg en Cardiff en om in het voorjaar van 2001 een uitvoeriger verslag voor te leggen aan de Europese Raad.

Méér en betere banen voor Europa: ontwikkeling van een actief werkgelegenheidsbeleid

28. Het proces van Luxemburg, dat inhoudt dat op communautair niveau werkgelegenheidsrichtsnoeren worden uitgewerkt die vervolgens in nationale actieplannen voor de werkgelegenheid worden vertaald, heeft Europa in staat gesteld de werkloosheid aanzienlijk te verminderen. De tussentijdse evaluatie dient aan dit proces een nieuwe impuls te geven, door de richtsnoeren nader in te vullen en concretere doelstellingen te geven, zulks door nauwere banden met andere beleidsterreinen tot stand te brengen en door effectievere procedures uit te werken om de verschillende actoren daarbij te betrekken. De sociale partners dienen nauwer te worden betrokken bij de uitwerking, implementatie en follow-up van de passende richtsnoeren.

29. In dit verband wordt de Raad en de Commissie verzocht de volgende vier belangrijke gebieden aan te pakken:

  • de inzetbaarheid verbeteren en de lacunes in vaardigheden verminderen, in het bijzonder door de diensten voor arbeidsvoorziening de beschikking te geven over een Europabrede databank van banen en leermogelijkheden; specifieke programma's bevorderen om werklozen in staat te stellen hun lacunes in vaardigheden op te vullen;
  • een hogere prioriteit geven aan permanente educatie als hoeksteen van het Europees sociaal model, mede door overeenkomsten tussen de sociale partners op het stuk van innovatie en permanente educatie aan te moedigen, door de complementariteit te benutten van levenslang leren en aanpassingsvermogen via flexibel beheer van arbeidstijd en job rotation en door een Europese prijs in te voeren voor progressieve bedrijven. Voor de vorderingen in de richting van die doelstellingen dienen
  • méér werkgelegenheid creëren in de dienstensectoren, met inbegrip van de persoonlijke dienstverlening, waar grote tekorten bestaan; hier kan worden gedacht aan initiatieven van de private, overheids- en derde sector, met passende oplossingen ten behoeve van de zwakste categorieën;
  • alle aspecten van gelijke kansen bevorderen, met inbegrip van het verminderen van de segregatie op de arbeidsmarkt, en de combinatie van werk en gezin vergemakkelijken, met name door een nieuwe benchmark vast te stellen voor betere kinderopvang.

30. De Europese Raad is van mening dat het globale doel van die maatregelen moet zijn, de arbeidsparticipatie, die op basis van de beschikbare statistieken momenteel gemiddeld 61% bedraagt, voor 2010 zo dicht mogelijk bij 70% te brengen en de arbeidsparticipatie van vrouwen, die momenteel 51% bedraagt, voor 2010 tot méér dan 60% te verhogen. Met inachtneming van hun verschillende uitgangspunten, moeten de lidstaten overwegen nationale doelstellingen voor een grotere arbeidsparticipatie vast te stellen. Door de vergroting van het aantal arbeidskrachten zal dit de houdbaarheid van de sociale beschermingsstelsels ten goede komen.

Modernisering van de sociale bescherming

31. Het Europees sociaal model, met zijn ontwikkelde systemen van sociale bescherming, moet de overgang naar de kenniseconomie schragen. Die systemen moeten echter als onderdeel van een actieve welvaartsstaat worden aangepast, om ervoor te zorgen dat arbeid lonend is, om hun houdbaarheid op de lange termijn te bevorderen, rekening houdend met de vergrijzing, om sociale insluiting en gendergelijkwaardigheid te waarborgen en om in de gezondheidszorg kwaliteitsdiensten te verlenen. In het besef dat deze uitdaging beter kan worden aangegaan als onderdeel van een gezamenlijke inspanning, vraagt de Europese Raad aan de Raad:

  • de samenwerking tussen de lidstaten te versterken via de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op basis van betere informatienetwerken, die op dit terrein de fundamentele hulpmiddelen zijn;
  • de Groep op hoog niveau inzake sociale bescherming opdracht te geven om, rekening houdend met de werkzaamheden van het Comité voor de economische politiek, deze samenwerking te steunen en, als eerste prioriteit, op basis van een mededeling van de Commissie een studie te verrichten naar de toekomstige ontwikkeling van de sociale bescherming, gezien op langere termijn, met bijzondere aandacht voor de houdbaarheid van de pensioenstelsels binnen verschillende tijdsbestekken tot 2020 en, zo nodig, tot later. In december 2000 dient een voortgangsrapport klaar te zijn.

Bevordering van sociale insluiting

32. Het aantal mensen dat in de EU onder de armoedegrens leeft en sociaal is uitgesloten, is onaanvaardbaar hoog. Er moeten stappen worden gezet om de armoede definitief uit te roeien door adequate, door de Raad voor het einde van het jaar overeen te komen, doelen te stellen. De Groep op hoog niveau inzake sociale bescherming zal daarbij worden betrokken. De nieuwe kennismaatschappij biedt enorme mogelijkheden om sociale uitsluiting te verminderen, door de economische voorwaarden te scheppen voor grotere welvaart door méér groei en werkgelegenheid, en door nieuwe mogelijkheden te creëren voor maatschappelijke participatie. Terzelfder tijd houdt dit ook het risico in dat de kloof tussen degenen die toegang hebben tot de nieuwe kennis en degenen die daarvan zijn uitgesloten, steeds groter wordt. Om dit risico te vermijden en deze nieuwe mogelijkheden maximaal te benutten, moet er alles aan worden gedaan om vaardigheden te verbeteren, een ruimere toegang tot kennis en kansen te bevorderen en werkloosheid te bestrijden: de beste bescherming tegen sociale uitsluiting is een baan. Een beleid dat sociale uitsluiting wil bestrijden, moet stoelen op een open coördinatiemethode, waarin nationale actieplannen en een Commissie-initiatief voor samenwerking op dit gebied, dat tegen juni 2000 moet worden voorgelegd, samengaan.

33. In het bijzonder vraagt de Europese Raad aan de Raad en de Commissie om

  • een beter inzicht in sociale uitsluiting te bevorderen door middel van een permanente dialoog en uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op basis van gezamenlijk overeengekomen indicatoren; de Groep op hoog niveau inzake sociale bescherming zal bij de vaststelling van die indicatoren worden betrokken;
  • de bevordering van insluiting in het werkgelegenheids-, onderwijs- en opleidings-, volksgezondheids- en huisvestingsbeleid van de lidstaten te integreren en op communautair niveau aan te vullen met maatregelen in het kader van de structuurfondsen binnen het huidige begrotingskader;
  • voor specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld minderheidsgroepen, kinderen, ouderen en gehandicapten) prioritaire acties te ontwikkelen, waarbij de lidstaten in het licht van hun specifieke situatie een keuze maken en vervolgens verslag uitbrengen over de uitvoering van de gekozen acties.

34. Rekening houdend met de onderhavige conclusies zal de Raad zijn gedachtewisseling over de richting die het sociaal beleid in de toekomst moet uitgaan, op grond van een Commissiemededeling voortzetten teneinde tijdens de Europese Raad van Nice in december overeenstemming te bereiken over een Europese sociale agenda, met inbegrip van de initiatieven van de verschillende betrokken partners.

[Top] [Previous] [Next]

PRAKTISCHE UITVOERING VAN BESLUITEN: EEN MEER SAMENHANGENDE EN SYSTEMATISCHE AANPAK

Verbetering van de bestaande processen

35. Er is geen nieuw proces nodig. De bestaande globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de processen van Luxemburg, Cardiff en Keulen bieden de nodige instrumenten, mits zij vereenvoudigd en beter gecoördineerd worden, met name via bijdragen van de Raad in andere samenstellingen aan de opstelling, door de Raad ECOFIN, van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Bovendien moeten de globale richtsnoeren voor het economisch beleid zich steeds meer richten op de middellange- en langetermijngevolgen van structurele beleidsmaatregelen en op hervormingen ter bevordering van het economischegroeipotentieel, de werkgelegenheid en de sociale samenhang, alsmede op de overgang naar een kenniseconomie. De processen van Cardiff en Luxemburg zullen het mogelijk maken nader in te gaan op de respectieve vraagstukken.

36. Deze verbeteringen zullen worden geschraagd door de toonaangevende sturende en coördinerende rol die de Europese Raad op zich gaat nemen om de algehele samenhang te waarborgen en effectief toe te zien op vorderingen in de richting van het nieuwe strategische doel. De Europese Raad zal daartoe elk voorjaar bijeenkomen om economische en sociale vraagstukken te bespreken. Zowel de voorbereidingen als de follow-up van die bijeenkomst dienen daarom te worden georganiseerd. De Europese Raad verzoekt de Commissie jaarlijks een samenvattend voortgangsverslag op te stellen op basis van overeen te komen structurele indicatoren met betrekking tot werkgelegenheid, innovatie, economische hervorming en sociale samenhang.

Toepassing van een nieuwe open coördinatiemethode

37. Het strategische doel kan vlotter worden bereikt door een nieuwe open coördinatiemethode te gebruiken om beste praktijken te verspreiden en grotere convergentie in de richting van de belangrijkste doelen van de EU te realiseren. Deze methode, die bedoeld is om de lidstaten te helpen stap voor stap hun eigen beleid te ontwikkelen, houdt in dat:

  • voor de Unie richtsnoeren worden bepaald met specifieke tijdschema's voor het bereiken van de doelen die zij voor korte, middellange en lange termijn hebben vastgesteld;
  • waar zulks opportuun is, kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en benchmarks worden vastgesteld, die aan de beste ter wereld zijn getoetst en op de behoeften van de verschillende lidstaten en sectoren zijn toegesneden, als middel om beste praktijken onderling te vergelijken;
  • die Europese richtsnoeren in nationaal en regionaal beleid worden vertaald door specifieke doelstellingen vast te stellen en maatregelen te treffen, met inachtneming van nationale en regionale verschillen;
  • periodieke monitoring, evaluatie en peer reviews plaatsvinden als wederzijdse leerprocessen.

38. Er moet een volledig gedecentraliseerde aanpak komen die strookt met het subsidiariteitsbeginsel, waarbij de Unie, de lidstaten, de regionale en lokale niveaus alsmede de sociale partners en het maatschappelijke middenveld actief betrokken zijn, gebruik makend van diverse vormen van partnerschap. De Europese Commissie zal via netwerken met verschillende aanbieders en gebruikers, met name de sociale partners, het bedrijfsleven en de NGO's, een methode uitwerken voor benchmarking van de beste praktijken wat het inspelen op veranderingen betreft.

39. De Europese Raad doet speciaal een beroep op de collectieve zin voor sociale verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven inzake beste praktijken op het gebied van permanente educatie, organisatie van het werk, gelijke kansen, sociale insluiting en duurzame ontwikkeling.

40. In juni zal een forum op hoog niveau de instellingen en instanties van de Unie en de sociale partners bijeenbrengen om de balans op te maken van de processen van Luxemburg, Cardiff en Keulen en van de bijdragen van de verschillende actoren aan de inhoudelijke verbetering van het Europese werkgelegenheidspact.

Mobiliseren van de nodige middelen

41. Voor de verwezenlijking van het nieuwe strategische doel wordt in de eerste plaats gerekend op de particuliere sector, alsook op partnerschappen van de overheids- en particuliere sector. Een en ander zal afhangen van de mate waarin de middelen kunnen worden ingezet die op de markten voorhanden zijn, alsmede van de inspanningen van de lidstaten. De Unie dient daarbij de rol van katalysator te spelen door een effectief kader te creëren om alle beschikbare middelen in te zetten voor de overgang naar de kenniseconomie, en door zelf aan dit proces bij te dragen in het kader van bestaande communautaire beleidsmaatregelen, een en ander met inachtneming van Agenda 2000. Daarnaast is de Europese Raad verheugd over de bijdrage die de EIB bereid is te leveren op het gebied van de vorming van menselijk kapitaal, KMO's en ondernemerschap, O&O, netwerken in de informatietechnologie- en telecomsector en innovatie. Via het Initiatief Innovatie 2000 dient de EIB werk te maken van haar plannen nog een bedrag van een miljard euro beschikbaar te stellen voor risicokapitaaloperaties voor kleine en middelgrote ondernemingen, alsmede van haar speciale leningenprogramma van 12 tot 15 miljard euro in de komende drie jaar voor de prioritaire sectoren.

[Top] [Previous] [Next]

II. GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

42. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan het voorlopig verslag van het voorzitterschap "Versterking van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid", dat een beeld geeft van de werkzaamheden die door het voorzitterschap samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, in de Raad Algemene Zaken zijn verricht overeenkomstig het in Helsinki verleende mandaat.

43. De Europese Raad is er met name over verheugd dat de in Helsinki overeengekomen interiminstanties thans bestaan en effectief beginnen te functioneren en dat de Raad een proces heeft bepaald voor de uitwerking van het hoofddoel en het vaststellen van de nationale bijdragen om te voldoen aan de doelstelling inzake de militaire capaciteit die in Helsinki is overeengekomen.

44. De Europese Raad kijkt uit naar de verdere actie die het voorzitterschap samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger in de Raad zal ondernemen, en naar het in Helsinki gevraagde algemene verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad in Feira, met inbegrip van voorstellen over het betrekken van derde landen bij de Europese militaire crisisbeheersing en de verdere ontwikkeling van de relatie van de EU met de NAVO, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Helsinki.

45. De Europese Raad spreekt voorts zijn waardering uit voor de resultaten die tot dusver bij de niet-militaire crisisbeheersing zijn bereikt en verzoekt de Raad zich te beraden op de instelling, vóór of in Feira, van een comité voor civiele crisisbeheersing.

[Top] [Previous] [Next]

III. WESTELIJKE BALKAN

46. De Europese Raad bevestigt opnieuw dat de vrede, de welvaart en de stabiliteit van Zuidoost-Europa een strategische prioriteit zijn voor de Europese Unie. De Europese Raad neemt nota van de vorderingen die in het afgelopen jaar zijn gemaakt, maar ook van de belangrijke uitdagingen waarvoor de internationale gemeenschap zich in de Westelijke Balkan nog gesteld ziet. De Europese Raad is ingenomen met het verslag dat de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger samen met de Commissie heeft ingediend over de Westelijke Balkan.

47. De Europese Raad bevestigt dat zijn algemene doelstelling blijft het zo volledig mogelijk integreren van de landen van de regio in de politieke en economische hoofdstroom van Europa. De Europese Raad bevestigt dat het stabiliteits- en associatieproces de hoeksteen is van zijn beleid in de Balkan. De stabilisatie- en associatieovereenkomsten behelzen economische en financiële hulp en samenwerking, politieke dialoog, aanpassing aan EU-wetgeving, samenwerking op andere beleidsgebieden alsmede vrijhandel. Zulke overeenkomsten moeten worden voorafgegaan door asymmetrische handelsliberalisering. De Europese Raad roept de landen van de regio op met elkaar en met de Unie samen te werken om van het stabilisatie- en associatieproces een succes te maken.

48. De Europese Raad, indachtig de conclusies van de Europese Raad van Tampere, herinnert aan de komende Adriatische conferentie in Ancona op 19-20 mei 2000, die door Italië, in samenwerking met de Europese Unie, wordt gesponsord. Die conferentie zal de samenwerking in het Adriatische gebied bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, smokkel en illegale immigratie versterken en de grensoverschrijdende samenwerking bevorderen.

49. De Europese Raad roept de Commissie op voorstellen in te dienen om fast-track-procedures alsmede snelle en effectieve hulp te waarborgen.

50. De Europese Raad benadrukt dat in de Federale Republiek Joegoslavië een democratisch Servië, dat tot samenwerking bereid is en vreedzaam met zijn buren samenleeft, als lid van de Europese familie zal worden verwelkomd. In dit vooruitzicht blijft de Unie zich beijveren voor democratische veranderingen in Servië. Tegen het regime gerichte selectieve sancties zullen een noodzakelijk onderdeel van het EU-beleid blijven zolang President Milosevic aan de macht blijft. De Europese Raad roept de Servische bevolking op haar toekomst in eigen handen te nemen en haar plaats in de familie van democratische naties op te eisen. De EU zal van haar kant niet alleen de democratische oppositie blijven steunen, maar tevens een alomvattende dialoog met de civiele maatschappij ontwikkelen. Servische NGO's moeten worden aangemoedigd om samen met andere NGO's op regionale basis in het kader van het Stabiliteitspact actief te zijn.

51. De Europese Raad spoort de Commissie en alle betrokken partijen, met inbegrip van de Donaucommissie, aan om onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen om de Donau tegen de zomer vrij te maken voor het scheepvaartverkeer.

52. De Europese Raad steunt de inspanningen van Montenegro om democratische hervormingen door te voeren en economische welvaart te bereiken. De Europese Raad onderstreept de dringende noodzaak van substantiële bijstand voor Montenegro, om het overleven van de democratische regering te waarborgen en een nieuwe diepe crisis in de regio te voorkomen. Ter aanvulling van de studie die de EIB op verzoek van de Raad heeft gemaakt over de mogelijke uitbreiding van haar activiteiten tot Montenegro, verzoekt de Europese Raad de bevoegde instellingen onverwijld de nodige beslissingen te nemen over de financiering, binnen de voor 2000 uitgetrokken kredieten, van projecten, programma's en andere vormen van steun die de dringendste financiële nood van Montenegro kunnen helpen lenigen, indien nodig door uit de begrotingsreserves van de EU te putten en macro-economische bijstand te verlenen. In dit verband verwelkomt de Europese Raad de plechtige opening, heden, van het Europees Bureau van wederopbouw in Thessaloniki.

53. De Europese Raad betuigt opnieuw zijn steun aan UNSC-Resolutie 1244, als kader voor de inspanningen van de internatonale gemeenschap in Kosovo. Hij looft het werk van de UNMIK en KFOR, ter verwezenlijking van de doelstellingen van de resolutie, alsook het werk van de OVSE. Servische deelneming aan het voorlopige bestuur en de gemeenteraadsverkiezingen in het najaar van 2000, zullen een belangrijke stap zijn op weg naar stabilisering van de situatie in Kosovo. Duurzame stabiliteit in de regio kan enkel worden bereikt als rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van buurlanden van de FRJ, met volledige eerbiediging van de territoriale integriteit en van de bestaande grenzen.

54. De bijzondere verantwoordelijkheid van de Unie in de regio impliceert dat zij een cruciale rol moet spelen bij de internationale steun aan Kosovo. De Unie is vastberaden om het welslagen van de internationale inspanningen in Kosovo te waarborgen. Zij erkent dat daartoe de coördinatie en de samenhang van de hulpverlening aanzienlijk moeten worden verbeterd, om ervoor te zorgen dat de inspanningen van de Unie en haar lidstaten de passende erkenning krijgen. De EU heeft met haar bijdrage aan de wederopbouw van Kosovo reeds de hoofdrol op zich genomen door 30.000 KFOR-manschappen en 800 civiele politiefunctionarissen te leveren en door 505 miljoen euro bij te dragen, en heeft ook de leiding in het kader van de UNMIK-pijler voor economische wederopbouw.

55. De internationale gemeenschap heeft behoefte aan een coherentere en actiegerichte strategie voor de economische en politieke steun aan Kosovo en de regio. De Europese Raad bevestigt opnieuw de vitale bijdrage in dit verband van het Stabiliteitspact, onder de bevoegdheid van zijn speciale coördinator en speciale EU-vertegenwoordiger. Teneinde de centrale rol van de EU te versterken, verzoekt de Europese Raad de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger om, onder de autoriteit van het voorzitterschap en de Raad, en in nauw overleg met de Commissie, te zorgen voor de samenhang van het EU-beleid inzake de Westelijke Balkan, het effect van de bijdrage van de EU te versterken en de coördinatie met het Stabiliteitspact en met andere inspanningen van de internationale gemeenschap te verbeteren. Zij dienen daartoe tijdens de volgende zitting van de Raad Algemene Zaken actiegerichte voorstellen voor te leggen. De komende conferentie over regionale financiering is van cruciaal belang voor de gezamenlijke inspanningen van de internationale gemeenschap in Zuidoost-Europa.

[Top] [Previous] [Next]

IV. RUSLAND

56. Aan de vooravond van de Russische presidentsverkiezingen bevestigt de Europese Raad:

  • het belang van de ontwikkeling van een werkelijk doeltreffend, goed functionerend strategisch partnerschap, overeenkomstig de PSO, de gemeenschappelijke strategie van de EU en opeenvolgende actieplannen van het voorzitterschap, zodat kan worden samengewerkt op de talrijke terreinen van gemeenschappelijk belang aan de totstandbrenging van vrede, stabiliteit en welvaart in Europa op basis van gemeenschappelijke waarden en gezamenlijke doelstellingen;
  • de noodzaak dat Rusland zich daartoe in verband met Tsjetsjenië houdt aan zijn toezegging om
    • een eind te maken aan het willekeurige gebruik van geweld,
    • onafhankelijk onderzoek naar mensenrechtenschendingen toe te laten,
    • de bevoegde internationale organisaties en waarnemers toe te staan hun taak in vrijheid uit te voeren,
    • onverwijld verder te zoeken naar een politieke oplossing.

57. De Europese Raad ziet de Samenwerkingsraad met Rusland op 11 april en de geplande Topontmoeting EU-Rusland als belangrijke gelegenheden om deze doelstellingen te verwezenlijken. Met hetzelfde doel voor ogen geeft de Europese Raad de Trojka de opdracht zo spoedig mogelijk na de verkiezing van de nieuwe Russische president naar Moskou te reizen teneinde de visie van de EU op betrekkingen die voor beide partijen zo belangrijk zijn, alsmede haar bezorgdheid daaromtrent onder de aandacht van de president en zijn regering te brengen.

[Top] [Previous] [Next]

V. INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

58. De Europese Raad neemt nota van de vorderingen van de Conferentie, alsmede van het voornemen van het voorzitterschap om onder eigen verantwoordelijkheid een volledig verslag aan de Europese Raad in Feira voor te leggen.

[Top] [Previous] [Next]

VI. ULTRAPERIFERE GEBIEDEN

59. De Europese Raad neemt nota van het onlangs door de Commissie voorgelegde verslag over maatregelen om artikel 299, lid 2, toe te passen op de ultraperifere gebieden en verzoekt de Commissie haar oorspronkelijke voorstellen bij de Raad in te dienen.

[Top] [Previous]

BIJLAGEN

DOCUMENTEN VOORGELEGD AAN DE EUROPESE RAAD VAN LISSABON [1]    

·Document van het voorzitterschap betreffende werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang
Naar een Europa van innovatie en kennis
(5256/00 + ADD 1 COR 1 (en))

·Verslag van de Commissie
"e-Europe, een informatiemaatschappij voor iedereen"
(6978/00)

·Bijdrage van de Commissie
Agenda van economische en sociale vernieuwing voor Europa
(6602/00)

·Mededeling van de Commissie over het communautair beleid ten dienste van de werkgelegenheid
(6714/00)

·Mededeling van de Commissie: Bouwen aan een solidair Europa
(6715/00)

·Mededeling van de Commissie: Sociale trends: vooruitzichten en uitdagingen
(6716/00)

·Mededeling van de Commissie: Strategieën voor banen in de informatiemaatschappij
(6193/00)

·Verslag van de Commissie over de economische hervorming:
Verslag over de werking van deproducten- en kapitaalmarkten in de EU
(5795/00)

·Bijdrage van de Raad (ECOFIN)
(6631/1/00 REV 1)

·Bijdrage van de Raad (Arbeid en Sociale Zaken)
(6966/00)

·Conclusies van de Raad (Interne Markt): Economisch hervormingsproces van Cardiff - internemarktaspecten
(7130/00)

·Advies van het Comité voor de Werkgelegenheid en de Arbeidsmarkt
(6557/00)

·Verslag van het voorzitterschap "Versterking van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid"
(6933/00)

·Rapport betreffende de Westelijke Balkan voorgelegd aan de Europese Raad van Lissabon door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie
(SN 2032/2/00 REV 2)

·Ontwerp-verslag van de Europese Raad aan het Europees Parlement betreffende de vorderingen van de Europese Unie in 1999
(6648/00 + COR 1 (gr))

(1) De voorbereidende documenten over werkgelegenheid, economische hervorming en sociale samenhang staan op de internetsite van het voorzitterschap: http://www.consilium.europa.eu/nl/presid.htm


© Europees Parlement: 2000