EUROPESE RAAD VAN MADRID
15 EN 16 DECEMBER 1995
CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP


BIJLAGEN 11-15

INHOUD

Top

BIJLAGE 11: MIDDELLANDSE-ZEEGEBIED: VERKLARING VAN BARCELONA

AANGENOMEN TIJDENS DE EUROPEES-MEDITERRANE CONFERENTIE (27/28 november 1995)

De Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter, de heer Javier SOLANA, Minister van Buitenlandse Zaken van Spanje,

De Europese Commissie, vertegenwoordigd door de heer Manuel MARIN, Vice- Voorzitter,

Duitsland, vertegenwoordigd door de heer Klaus KINKEL, Plaatsvervangend Bondskanselier, Minister van Buitenlandse Zaken,

Algerije, vertegenwoordigd door de heer Mohamed Salah DEMBRI, Minister van Buitenlandse Zaken,

Oostenrijk, vertegenwoordigd door mevrouw Benita FERRERO-WALDNER, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

België, vertegenwoordigd door de heer Erik DERYCKE, Minister van Buitenlandse Zaken,

Cyprus, vertegenwoordigd door de heer Alecos MICHAELIDES, Minister van Buitenlandse Zaken,

Denemarken, vertegenwoordigd door de heer Ole Loensmann POULSEN, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

Egypte, vertegenwoordigd door de heer Amr MOUSSA, Minister van Buitenlandse Zaken,

Spanje, vertegenwoordigd door de heer Carlos WESTENDORP, Staatssecretaris voor de Europese Gemeenschappen,

Finland, vertegenwoordigd door mevrouw Tarja HALONEN, Minister van Buitenlandse Zaken,

Frankrijk, vertegenwoordigd door de heer Hervé de CHARETTE, Minister van Buitenlandse Zaken,

Griekenland, vertegenwoordigd door de heer Károlos PAPOULIAS, Minister van Buitenlandse Zaken,

Ierland, vertegenwoordigd door de heer Dick SPRING, Vice-minister-president, Minister van Buitenlandse Zaken,

Israël, vertegenwoordigd door de heer Ehud BARAK, Minister van Buitenlandse Zaken,

Italië, vertegenwoordigd door mevrouw Susanna AGNELLI, Minister van Buitenlandse Zaken,

Jordanië, vertegenwoordigd door de heer Abdel-Karim KABARITI, Minister van Buitenlandse Zaken,

Libanon, vertegenwoordigd door de heer Fares BOUEZ, Minister van Buitenlandse Zaken,

Luxemburg, vertegenwoordigd door de heer Jacques F. POOS, Vice-minister- president, Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Samenwerking

Malta, vertegenwoordigd door prof. Guido DE MARCO, Vice-minister-president, Minister van Buitenlandse Zaken,

Marokko, vertegenwoordigd door de heer Abdellatif FILALI, Minister-president, Minister van Buitenlandse Zaken,

Nederland, vertegenwoordigd door de heer Hans van MIERLO, Vice-minister-president, Minister van Buitenlandse Zaken,

Portugal, vertegenwoordigd door de heer Jaime GAMA, Minister van Buitenlandse Zaken,

het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door de heer Malcolm RIFKIND QC MP, Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken,

Syrië, vertegenwoordigd door de heer Farouk AL-SHARAA, Minister van Buitenlandse Zaken,

Zweden, vertegenwoordigd door mevrouw Lena HJELM-WALLEN, Minister van Buitenlandse Zaken,

Tunesië, vertegenwoordigd door de heer Habib Ben YAHIA, Minister van Buitenlandse Zaken,

Turkije, vertegenwoordigd door de heer Deniz BAYKAL, Vice-minister-president, Minister van Buitenlandse Zaken,

de Palestijnse Autoriteit, vertegenwoordigd door de heer Yassir ARAFAT, President van de Palestijnse Autoriteit,

deelnemend aan de Europees-mediterrane Conferentie van Barcelona :

  • het strategisch belang van de Middellandse Zee onderstrepend en gedreven door de wens aan hun toekomstige betrekkingen een nieuwe dimensie toe te voegen op basis van alomvattende samenwerking en solidariteit, die past bij de bevoorrechte aard van de door het nabuurschap en de geschiedenis gesmede banden ;
  • zich ervan bewust dat de nieuwe politieke, economische en sociale problemen aan weerszijden van de Middellandse Zee gemeenschappelijke uitdagingen vormen die een alomvattende, gecoördineerde aanpak vergen ;
  • vastbesloten daartoe hun betrekkingen in te bedden in een multilateraal en duurzaam kader waarbinnen de partnerschapsidee centraal staat en het eigen karakter en de specifieke waarden en kenmerken van elk van de deelnemers geëerbiedigd worden ;
  • overwegende dat dit multilaterale kader het complement is van versterkte bilaterale betrekkingen, die beschermd moeten worden en waarvan het specifieke karakter moet worden benadrukt ;
  • onderstrepend dat dit Europees-mediterrane initiatief niet bedoeld is om de plaats in te nemen van andere acties en initiatieven ten behoeve van de vrede, de stabiliteit en de ontwikkeling van de regio, doch tot het welslagen daarvan zal bijdragen. De deelnemers betuigen hun steun voor een rechtvaardige, alomvattende en duurzame vredesregeling in het Midden-Oosten op basis van de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en van de principes die in de uitnodiging voor de Conferentie van Madrid over vrede in het Midden-Oosten zijn genoemd, met inbegrip van het principe "land in ruil voor vrede", met alles wat dat met zich meebrengt ;
  • ervan overtuigd dat de hoofddoelstelling, te weten het omvormen van het Middellandse-Zeegebied tot een gebied waarin de dialoog, de onderlinge contacten en samenwerking zorgen voor vrede, stabiliteit en welvaart, alleen kan worden bereikt als voldaan is aan de volgende voorwaarden die stuk voor stuk essentiële elementen van het partnerschap vormen : versterking van de democratie en eerbiediging van de rechten van de mens, een duurzame en evenwichtige economische en sociale ontwikkeling, maatregelen ter bestrijding van de armoede en het aankweken van een beter begrip van elkaars cultuur,

komen overeen een alomvattend partnerschap tussen de deelnemende partijen (het Europees-mediterrane partnerschap) tot stand te brengen door middel van een intensiever geregelde politieke dialoog, uitbreiding van economische en financiële samenwerking en sterkere nadruk op de sociale, de culturele en de menselijke dimensie, de drie krachtlijnen waarin het Europees-mediterrane partnerschap tot uiting komt.

PARTNERSCHAP OP HET GEBIED VAN POLITIEK EN VEILIGHEID : OMSCHRIJVING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTE VAN VREDE EN STABILITEIT

De deelnemers zijn ervan overtuigd dat vrede, stabiliteit en veiligheid in het Middellandse-Zeegebied een gemeenschappelijk goed zijn en zij verbinden zich ertoe dat goed met alle middelen waarover zij beschikken te versterken en ervoor te ijveren. Daartoe komen zij overeen geregeld een versterkte politieke dialoog te voeren die gebaseerd is op de eerbiediging van essentiële internationale rechtsbeginselen, en onderschrijven zij opnieuw een aantal gemeenschappelijke doelstellingen op het gebied van interne en externe stabiliteit.

In deze geest gaan zij in de onderstaande beginselverklaring de volgende verbintenissen aan :

  • zij handelen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, alsmede andere internationale rechtsverplichtingen, met name die welke voortvloeien uit regionale en internationale instrumenten waarbij zij partij zijn ;
  • zij brengen de rechtsstaat en de democratie tot stand in hun politieke bestel, maar erkennen in dat verband dat elk van hen, het recht heeft te kiezen voor een eigen politiek, socio-cultureel, en economisch systeem en rechtsstelsel en dat in alle vrijheid te ontwikkelen ;
  • zij eerbiedigen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en waarborgen de daadwerkelijke wettige uitoefening van die rechten en vrijheden, waaronder vrije meningsuiting, vrijheid van vereniging met vreedzaam oogmerk en vrijheid van denken, geweten en godsdienst, zowel individueel als samen met andere leden van dezelfde groep, zonder discriminatie op grond van ras, nationaliteit, taal, godsdienst of geslacht ;
  • zij stellen zich positief op tegenover de uitwisseling van gegevens, in de vorm van een dialoog tussen de partijen, over kwesties in verband met de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, racisme en vreemdelingenhaat ;
  • zij eerbiedigen en staan borg voor de eerbiediging van de diversiteit en het pluralisme in hun maatschappij, bevorderen de verdraagzaamheid tussen de verschillende maatschappelijke groepen en bestrijden uitingen van onverdraagzaamheid, racisme en vreemdelingenhaat. De deelnemers leggen de nadruk op het belang van adequate vorming inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden ;
  • zij eerbiedigen hun soevereine gelijkheid, alsmede alle rechten die inherent zijn aan hun soevereiniteit, en komen hun overeenkomstig het internationale recht aangegane verplichtingen te goeder trouw na ;
  • zij eerbiedigen de gelijke rechten van volkeren en hun recht op zelfbeschikking en handelen daarbij immer in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en met de desbetreffende normen van het internationale recht, met inbegrip van de normen met betrekking tot de territoriale integriteit van de Staten zoals die in overeenkomsten tussen partijen zijn vervat ;
  • zij onthouden zich in overeenstemming met de normen van het internationale recht, van rechtstreekse of onrechtstreekse inmenging in de interne aangelegenheden van een andere partner ;
  • zij eerbiedigen de territoriale integriteit en de eenheid van elk van de andere partners ;
  • zij leggen hun geschillen op vreedzame wijze bij, doen een beroep op alle partijen om af te zien van het gebruik van geweld of de dreiging daarmee, tegen de territoriale integriteit van een andere deelnemer, waaronder ook het met geweld verkrijgen van gebied wordt verstaan, en bevestigen het recht op integrale soevereiniteitsuitoefening met wettige middelen, overeenkomstig het VN-Handvest en het internationale recht ;
  • zij intensiveren hun samenwerking ter preventie en bestrijding van het terrorisme, met name via bekrachtiging en toepassing van de door hen aanvaarde internationale instrumenten, via toetreding tot dergelijke instrumenten en via eventuele andere passende maatregelen ;
  • zij binden samen de strijd aan tegen de uitbreiding en de diversificatie van de georganiseerde criminaliteit, alsmede tegen de drugsplaag in al haar aspecten ;
  • zij bevorderen de veiligheid in de regio door onder meer voor niet-verspreiding van kernwapens en chemische en biologische wapens te ijveren via toetreding tot en naleving van een reeks internationale en regionale non-proliferatieregelingen en overeenkomsten inzake wapenbeheersing en ontwapening, zoals het NPV, het CWC, het BTWC, het CTBT en/of regionale regelingen, zoals wapenvrije zones en de bijbehorende verificatieregelingen, en voeren tevens te goeder trouw de verbintenissen uit die zij zijn aangegaan in het kader van overeenkomsten inzake wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie.

De partijen streven naar een wederzijds doeltreffend controleerbare zone in het Midden-Oosten die vrij is van massavernietigingswapens (kernwapens, chemische en biologische wapens) en lanceersystemen daarvoor.

  • Voorts bezinnen de partijen zich op praktische maatregelen om de verspreiding van kernwapens en chemische en biologische wapens te verhinderen en een buitensporige accumulatie van conventionele wapens te voorkomen ;
  • zij bouwen geen grotere militaire capaciteit op dan gewettigd is uit hoofde van hun defensiebehoeften, en bevestigen tegelijkertijd dat zij naar dezelfde mate van veiligheid en wederzijds vertrouwen streven bij zo laag mogelijke strijdmacht- en bewapeningsniveaus, en toetreding tot het CCW ;
  • zij zetten zich in voor een gunstig klimaat om hun onderlinge betrekkingen van goed nabuurschap uit te breiden en verlenen steun aan processen die gericht zijn op stabiliteit, veiligheid, welvaart en regionale en subregionale samenwerking ;
  • zij bestuderen eventuele vertrouwenwekkende en veiligheidsmaatregelen van de partijen gezamenlijk, met het oog op de totstandbrenging van een "Mediterrane ruimte van vrede en stabiliteit", met op termijn de mogelijkheid dat daartoe een Europees-mediterraan pact wordt gecreëerd.

ECONOMISCH EN FINANCIEEL PARTNERSCHAP : TOTSTANDBRENGING VAN EEN GEBIED VAN GEDEELDE WELVAART

De deelnemers benadrukken het belang dat zij hechten aan een duurzame en evenwichtige economische en sociale ontwikkeling ten einde hun doelstelling inzake totstandbrenging van een zone van gedeelde welvaart te kunnen verwezenlijken.

De partners geven toe dat het schuldenvraagstuk moeilijkheden kan veroorzaken voor de economische ontwikkeling van de landen van het Middellandse-Zeegebied. Gezien het belang van hun betrekkingen komen zij overeen de dialoog voort te zetten om in de desbetreffende instanties vooruitgang te boeken.

Aangezien de partners gemeenschappelijke uitdagingen moeten confronteren, ook al zullen die van partner tot partner verschillen, stellen de deelnemers zich op lange termijn het volgende ten doel :

  • versnelling van het proces van duurzame sociaal-economische ontwikkeling ;
  • verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking, stimulering van de werkgelegenheid en verkleining van de ontwikkelingskloof in het Europees- mediterrane gebied ;
  • bevordering van regionale samenwerking en integratie.

Ten einde deze doelstellingen te bereiken komen de deelnemers overeen een economisch en financieel partnerschap op te zetten dat met inachtneming van de verschillende ontwikkelingsniveaus gebaseerd zal zijn op :

  • de geleidelijke totstandbrenging van een vrijhandelszone ;
  • de tenuitvoerlegging van een passende economische samenwerking en gecoördineerde actie op de desbetreffende gebieden ;
  • een wezenlijke verhoging van de financiële bijstand van de Europese Unie voor haar partners.

a) Vrijhandelszone

De vrijhandelszone wordt tot stand gebracht door de nieuwe Europees-mediterrane overeenkomsten en vrijhandelsovereenkomsten tussen de partners van de Europese Unie. De partijen hebben het jaar 2010 als streefdatum gesteld voor de geleidelijke totstandbrenging van deze zone die het grootste deel van het handelsverkeer zal omvatten, zulks met inachtneming van de door de WTO opgelegde verplichtingen.

Met het oog op de geleidelijke ontwikkeling van de vrijhandel in dit gebied worden tarifaire en non-tarifaire handelsbelemmeringen voor industrieprodukten geleidelijk afgeschaft volgens tijdschema's waarover tussen de partners moet worden onder handeld ; uitgaande van de traditionele handelsstromen en voor zover het respectieve landbouwbeleid van de partners zulks toelaat en met inachtneming van de resultaten van de GATT-onderhandelingen, wordt de handel in landbouwprodukten geleidelijk geliberaliseerd via wederzijdse preferentiële toegang tussen de partners ; de handel in diensten waaronder het recht op vestiging wordt geleidelijk geliberaliseerd, rekening houdend met de GATS-overeenkomst.

De deelnemers besluiten de weg te effenen voor de geleidelijke totstandbrenging van deze vrijhandelszone door :

  • de aanneming van passende maatregelen op het gebied van oorsprongsregels, certificering, bescherming van de intellectuele en industriële eigendomsrechten en mededinging ;
  • een beleid na te streven en te ontwikkelen dat berust op de beginselen van de markteconomie en op de integratie van hun economieën met inachtneming van hun respectieve behoeften en ontwikkelingsniveaus ;
  • de economische en sociale structuren aan te passen en te moderniseren, waarbij voorrang wordt gegeven aan de bevordering en ontwikkeling van de particuliere sector, de verbetering van de produktieve sector en de instelling van een passend institutioneel en regelgevingskader voor een markteconomie. Tevens zullen zij trachten de eventuele negatieve gevolgen van deze aanpassing op sociaal gebied te verzachten door programma's ten behoeve van de armste bevolkingsgroepen te stimuleren ;
  • de mechanismen voor de ontwikkeling van de overdracht van technologie te stimuleren.

b) Economische samenwerking en gecoördineerde actie

De samenwerking zal meer bepaald worden ontwikkeld in de hierna genoemde gebieden ; in dit verband :

  • erkennen de deelnemers dat de economische ontwikkeling moet worden ondersteund door het interne spaarwezen, grondslag van de investeringen, en door buitenlandse rechtstreekse investeringen. Zij beklemtonen het grote belang van het scheppen van een gunstig investeringsklimaat, in het bijzonder via het geleidelijk wegwerken van de hinderpalen voor investeringen die zouden kunnen leiden tot de overdracht van technologie en tot verhoging van de produktie en uitvoer ;
  • bevestigen zij dat regionale samenwerking op basis van vrijwilligheid, met name met het oog op de ontwikkeling van het handelsverkeer tussen de partnerlanden zelf, een sleutelfactor is bij het bevorderen van de totstandbrenging van een vrijhandelszone ;
  • stimuleren zij de ondernemingen om met elkaar overeenkomsten te sluiten en verbinden zij zich ertoe deze samenwerking en de modernisering van de industrie te bevorderen door een bedrijfsvriendelijk klimaat en dito regelgevend kader tot stand te brengen. Zij achten de aanneming en de tenuitvoerlegging van een programma voor technische bijstand aan het MKB noodzakelijk ;
  • onderstrepen zij hun onderlinge afhankelijkheid op milieugebied, die een regionale aanpak en een uitbreiding van de samenwerking, alsmede een betere coördinatie van de lopende multilaterale programma's vergt. Zij bevestigen in deze context dat zij gehecht zijn aan het Verdrag van Barcelona en het actieplan voor het Middellandse- Zeegebied. Zij erkennen dat het van belang is de economische ontwikkeling te verzoenen met de bescherming van het milieu, dat het milieu in de relevante aspecten van het economisch beleid moet meespelen en dat de eventuele negatieve gevolgen voor het milieu moeten worden verzacht. Zij verbinden zich ertoe om voor de korte en middellange termijn een prioritair actieprogramma vast te stellen, mede in verband met de bestrijding van woestijnvorming, en de passende technische en financiële steunmaatregelen voornamelijk op deze acties toe te spitsen;
  • erkennen zij de sleutelrol die vrouwen spelen bij de ontwikkeling en verbinden zij zich ertoe om hun actieve deelneming aan het economisch en sociaal leven en bij de werkgelegenheidsschepping te bevorderen ;
  • onderstrepen zij het belang van de instandhouding en het rationele beheer van de visbestanden en van een betere samenwerking bij het onderzoek naar de visbestanden, met inbegrip van de aquacultuur, en verbinden zij zich ertoe opleiding en wetenschappelijk onderzoek te stimuleren en de totstandbrenging van gemeenschappelijke instrumenten te overwegen ;
  • erkennen zij de spilfunctie van de energiesector in het economische Europees- mediterrane partnerschap en besluiten zij de samenwerking te versterken en de dialoog op het gebied van het energiebeleid te intensifiëren. Ook besluiten zij adequate kadervoorwaarden te scheppen voor de investeringen en de activiteiten van de energiebedrijven, en samen te werken om zodanige voorwaarden te scheppen dat die ondernemingen de energienetwerken kunnen uitbreiden en de koppeling ervan kunnen bevorderen ;
  • erkennen zij dat de watervoorziening tezamen met een juist beheer en een juiste ontwikkeling van de watervoorraden, prioritaire onderwerpen zijn voor alle mediterrane partners en dat de samenwerking op deze gebieden moet worden opgevoerd ;
  • komen zij overeen samen te werken aan de modernisering en herstructurering van de landbouw en om de geïntegreerde plattelandsontwikkeling te stimuleren. De samenwerking zal worden geconcentreerd op technische bijstand en scholing, steun voor het beleid van de partners dat gericht is op diversifiëring van de produktie, de vermindering van afhankelijkheid op het gebied van de voedselvoorziening en de bevordering van milieuvriendelijke landbouw. Ook komen zij overeen samen te werken voor de uitroeiing van illegale teelten en de ontwikkeling van de daardoor getroffen regio's.

De deelnemers zijn het er tevens over eens om op andere gebieden samen te werken. In dit verband :

  • benadrukken zij het belang van de ontwikkeling en verbetering van de infrastructuur, met name door het opzetten van een efficiënt vervoerssysteem, de ontwikkeling van informatietechnologieën en de modernisering van de telecommunicatie. Daartoe komen zij overeen om een programma van prioriteiten op te stellen ;
  • verbinden zij zich ertoe zich te houden aan de beginselen van het internationaal zeerecht, met name voor wat betreft de vrije dienstverrichting op het gebied van het internationaal vervoer en de vrije toegang tot internationale lading. Het resultaat van de lopende multilaterale handelsbesprekingen over zeevervoerdiensten in het kader van de WTO zal in aanmerking worden genomen, wanneer daarover een akkoord is bereikt ;
  • verbinden zij zich ertoe de samenwerking te stimuleren tussen de plaatselijke gemeenschappen en ten behoeve van de regionale planning ;
  • erkennen zij dat wetenschap en technologie van grote invloed zijn op de sociaal-economische ontwikkeling, komen zij overeen de capaciteit en de ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek te versterken, bij te dragen tot de opleiding van wetenschappelijk en technisch personeel, de deelneming aan gezamenlijke onderzoeksprojecten te bevorderen, uitgaande van de totstandbrenging van wetenschappelijke netwerken ;
  • komen zij overeen de samenwerking op statistisch gebied te bevorderen ten behoeve van de harmonisatie van methodieken en uitwisseling van gegevens.

c) Financiële samenwerking

De deelnemers zijn van mening dat de totstandbrenging van een vrijhandelszone en het welslagen van het Europees-mediterrane partnerschap afhankelijk zijn van een significante verhoging van de financiële bijstand die in de eerste plaats moet bijdragen tot een duurzame inheemse ontwikkeling en tot activering van het plaatselijke bedrijfsleven. Zij stellen in dit verband vast :

  • dat de Europese Raad van Cannes is overeengekomen om voor de periode 1995-1999 een bedrag van 4.685 miljoen ecu voor deze financiële bijstand uit te trekken in de vorm van beschikbare middelen op de Gemeenschapsbegroting. Daarbij komen dan nog de steun van de EIB in de vorm van leningen voor een hoger bedrag en de bilateraal door de Lid-Staat toegewezen middelen ;
  • dat een doeltreffende financiële samenwerking noodzakelijk is, en dat die samenwerking moet worden beheerd in het kader van een meerjarenprogrammering, daarbij rekening houdend met de specifieke kenmerken van de onderscheiden partnerlanden ;
  • dat een gezond macro-economisch beheer van fundamenteel belang is voor het welslagen van het partnerschap. Zij komen daarom overeen de dialoog over hun respectieve economische beleidslijnen en over de methode tot optimalisering van de financiële samenwerking te stimuleren.

SOCIAAL, CULTUREEL EN MENSELIJK PARTNERSCHAP : ONTWIKKELING VAN HET MENSELIJK POTENTIEEL, BEVORDERING VAN WEDERZIJDS BEGRIP TUSSEN CULTUREN EN UITWISSELING TUSSEN CIVIELE SAMENLEVINGEN

De deelnemers erkennen dat de tradities op het gebied van cultuur en beschaving in het gehele mediterrane gebied, de dialoog tussen deze culturen en de uitwisseling van personen, wetenschappelijke kennis en technologie een essentiële faktor vormen voor de toenadering tussen hun volkeren, voor het bevorderen van het wederzijds begrip en om te zorgen dat zij een juister beeld van elkaar krijgen.

In deze geest komen de deelnemers overeen een partnerschap op sociaal, cultureel en menselijk niveau tot stand te brengen. Daartoe

  • bevestigen zij opnieuw dat de dialoog en het respect tussen culturen en religies een noodzakelijke voorwaarde vormen voor de toenadering tussen volkeren. In dit verband benadrukken zij de belangrijke rol die de massamedia kunnen spelen bij het bevorderen van de wederzijdse erkenning en het wederzijds begrip tussen culturen als een bron van wederzijdse verrijking ;
  • onderstrepen zij het wezenlijke belang van de ontwikkeling van het menselijk potentieel, zowel voor onderwijs en opleiding van met name jonge mensen als op cultureel gebied. Zij verklaren voornemens te zijn culturele uitwisseling en de kennis van andere talen te bevorderen, waarbij de culturele identiteit van alle partners geëerbiedigd dient te worden, en een duurzaam beleid te voeren ten aanzien van onderwijs- en culturele programma's ; in dit verband verbinden de partners zich ertoe maatregelen vast te stellen om personele uitwisseling te bevorderen, met name door het verbeteren van administratieve procedures ;
  • benadrukken zij het belang van de volksgezondheidssector voor de duurzame ontwikkeling, en verklaren zij voornemens te zijn de daadwerkelijke deelneming van de Gemeenschap aan acties ter verbetering van de volksgezondheid en het welzijn te bevorderen ;
  • erkennen zij het belang van sociale ontwikkeling, die volgens hen gelijke tred moet houden met elke vorm van economische ontwikkeling. Zij hechten bijzonder veel belang aan de naleving van de fundamentele sociale rechten, met inbegrip van het recht op ontwikkeling ;
  • erkennen zij de essentiële rol die de civiele samenleving kan spelen in de ontwikkeling van het Europees-mediterrane partnerschap, mede als essentiële faktor voor een beter begrip en toenadering tussen de volkeren ;
  • komen zij dan ook overeen de noodzakelijke instrumenten voor gedecentraliseerde samenwerking te versterken en/of op te zetten als stimulans voor uitwisseling tussen de personen die op ontwikkelingsgebied actief zijn binnen het kader van de nationale wetgevingen : politieke en maatschappelijke leiders, de culturele en religieuze wereld, universiteiten, de onderzoekswereld, de media, organisaties, vakbonden, overheids- en particuliere ondernemingen;
  • erkennen zij op deze basis het belang van het aanmoedigen van contacten en uitwisseling tussen jongeren in het kader van programma's voor gedecentraliseerde samenwerking ;
  • stimuleren zij ondersteunende acties ten behoeve van de democratische instellingen en de versterking van de rechtsstaat en de civiele samenleving ;
  • erkennen zij dat de huidige demografische trends een prioritaire uitdaging vormen, die vraagt om passende beleidsvormen ten einde de economische opleving te bespoedigen ;
  • erkennen zij de belangrijke rol die de migratie in hun betrekkingen speelt. Zij komen overeen hun samenwerking te versterken ten einde de migratiedruk te verlichten, onder andere door middel van programma's op het gebied van de beroepsopleiding en ter bevordering van het scheppen van de werkgelegenheid. Zij verbinden zich ertoe voor migranten die wettig op hun respectieve grondgebieden verblijven de bescherming van alle in de bestaande wetgeving vastgelegde rechten te waarborgen ;
  • besluiten zij met betrekking tot clandistiene immigratie om een nauwere samenwerking tot stand te brengen. In dit verband besluiten de partners, zich bewust van hun verantwoordelijkheid met betrekking tot terugname, om door middel van bilaterale overeenkomsten of regelingen de relevante bepalingen en maatregelen vast te stellen om hun onderdanen die zich in een onwettige situatie bevinden terug te nemen. In dit verband verstaan de Lid-Staten van de Europese Unie onder burgers de onderdanen van de Lid-Staten zoals omschreven voor de toepassing van het Gemeenschapsrech;
  • komen zij overeen de samenwerking op te voeren door middel van verschillende maatregelen die erop gericht zijn het terrorisme te voorkomen en het gezamenlijk op een meer doeltreffende wijze te bestrijden ;
  • achten zij het voorts noodzakelijk gezamenlijk doeltreffend op te treden tegen de drugshandel, de internationale criminaliteit en corruptie ;
  • onderstrepen zij het belang van een vastberaden optreden tegen racisme, xenofobie en onverdraagzaamheid en komen zij overeen daartoe samen te werken.

FOLLOW-UP VAN DE CONFERENTIE

De deelnemers :

  • overwegende dat de Conferentie van Barcelona de grondslag legt van een open proces dat zich moet ontwikkelen ;
  • hun bereidheid bevestigend om een partnerschap tot stand te brengen dat gebaseerd is op de in deze verklaring vervatte beginselen en doelstellingen ;
  • vastbesloten een concrete invulling te geven aan dit Europees-mediterrane partnerschap ;
  • ervan overtuigd dat het daartoe noodzakelijk is de aldus geïnitieerde algemene dialoog voort te zetten en een reeks specifieke acties te verwezenlijken;

nemen het bijgevoegde werkprogramma aan.

De Ministers van Buitenlandse Zaken zullen op gezette tijden vergaderingen houden, ten einde toezicht te houden op de toepassing van deze verklaring en acties vast te stellen waarmee de doelstellingen van het partnerschap kunnen worden verwezenlijkt.

De verschillende activiteiten krijgen een follow-up in de vorm van thematische ad hoc bijeenkomsten tussen ministers, hoge ambtenaren en deskundigen, uitwisseling van ervaring en informatie, contacten tussen diverse maatschappelijke geledingen en alle overige geschikte middelen.

Contacten op het niveau van parlementsleden, regionale en plaatselijke autoriteiten en de sociale partners zullen worden aangemoedigd.

Een "Europees-mediterraan Comité voor het proces van Barcelona" op het niveau van de hoge ambtenaren, bestaande uit de Trojka van de Europese Unie en één vertegenwoordiger van elk van de mediterrane partners, zal op gezette tijden bijeenkomen om de vergaderingen van de Ministers van Buitenlandse Zaken voor te bereiden en de follow-up van het proces van Barcelona en alle afzonderlijke onderdelen daarvan te inventariseren en te evalueren en het werkprogramma bij te stellen.

De passende werkzaamheden voor de voorbereiding en de follow-up van de vergaderingen in het kader van het werkprogramma van Barcelona en van de conclusies van het "Europees-mediterraan Comité voor het proces van Barcelona" zullen worden verzorgd door de Commissiediensten.

De volgende vergadering van de Ministers van Buitenlandse Zaken zal in de loop van het eerste halfjaar van 1997 plaatsvinden in één van de twaalf mediterrane partnerlanden van de Europese Unie ; welk dit zal zijn wordt via nader overleg vastgesteld.

Top

BIJLAGE 12: LATIJNS AMERIKA

CONCLUSIES VAN DE RAAD BETREFFENDE DE ALGEMENE RICHTSNOEREN VOOR DE SAMENWERKING TUSSEN DE GEMEENSCHAP EN LATIJNS-AMERIKA (1996-2000)

De Raad, na bespreking van de mededeling van de Commissie met als titel "Europese Unie- Latijns-Amerika, huidige situatie en vooruitzichten voor de versterking van het partnerschap (1996 -2000)", waarvan hij de analyse in hoofdzaak goedkeurt, en rekening houdend met de conclusies van de Europese Raden van Korfoe, Essen en Cannes, alsmede met het door de Raad Algemene Zaken op 31 oktober 1994 goedgekeurde basisdocument, onderstreept zijn wil om de politieke banden met de Latijnsamerikaanse partners nauwer aan te halen, de democratie te ondersteunen, vooruitgang te boeken op het gebied van de liberalisatie van het handelsverkeer, het regionale integratieproces te ondersteunen en doelgerichter samen te werken. Te dien einde zal de geïnstitutionaliseerde dialoog met de Latijnsamerikaanse partners worden verdiept.

De Raad komt overeen om de volgende prioritaire krachtlijnen vast te stellen voor de toekomstige samenwerking met de landen en regio's van Latijns-Amerika :

a) De Gemeenschap zal bijzondere aandacht schenken aan de institutionele steun en aan de consolidatie van het democratisch proces dankzij samenwerkingsacties :

  • die de consolidatie tot doel hebben van de instellingen, op de verschillende niveaus, van de rechtsstaat, de bescherming van de mensenrechten en goed overheidsbeheer ("good governance") ;
  • die bijdragen tot de staatshervorming en de decentralisatie, met name door de modernisering van de overheidsadministratie ;
  • die de uitwerking van sectorieel beleid, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderwijs, de volksgezondheid of de plattelandsontwikkeling, ondersteunen, door voorrang te geven aan institutionele steun en aan de beschikbaarmaking van de know-how van de civiele maatschappij.

b) De Gemeenschap zal bij haar samenwerking bijzondere aandacht schenken en voorrang verlenen aan de strijd tegen de armoede en de sociale uitsluiting. De uitdaging op dit gebied bestaat erin bij te dragen tot de deelneming van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen aan de markteconomie, en tot een meer billijke spreiding van de inkomsten, ten einde een duurzame ontwikkeling mogelijk te maken.

Er zullen niet alleen programma's worden uitgewerkt ten behoeve van de plattelandssector, maar ook programma's die tot doel hebben marginale bevolkingsgroepen in de steden beter in de maatschappij te integreren.

Er dient tevens gestreefd te worden naar samenwerkingsprogramma's ten behoeve van de armste bevolkingsgroepen en de armste landen, voornamelijk op de volgende beleidsterreinen : bevolkingsvraagstukken, volksgezondheid, onderwijs en huisvesting. De acties op dit gebied zouden worden gericht op doelgroepen, zoals jongeren, vrouwen en inheemse gemeenschappen.

Het is zaak economische ontwikkeling te koppelen aan sociale vooruitgang. De samenwerkingsprogramma's zullen te dien einde rekening houden met de operationele conclusies van de actieprogramma's van de sociale topconferentie die in maart 1995 heeft plaatsgevonden in Kopenhagen.

c) De Gemeenschap zal in haar samenwerkingsacties vooral de nadruk leggen op steun voor de economische hervormingen en voor de verbetering van het internationale concurrentievermogen, met name op de volgende gebieden :

  • steun voor de ontwikkeling van de particuliere sector, met name het MKB ;
  • versterking van de industriële promotie en de investeringen ;
  • totstandbrenging van een betere synergie tussen de industriële en de weten schappelijk-technologische samenwerking ;
  • technische steun voor de bevordering van de buitenlandse handel ;
  • bevestiging van het belang van de rol van de EIB als instrument van samenwerking tussen de EU en Latijns-Amerika.

Bij de tenuitvoerlegging van deze prioritaire krachtlijnen voor de samenwerking, moet de aandacht vooral uitgaan naar de volgende thema's :

  • de Gemeenschap zal in het bijzonder de nadruk leggen op programma's en acties ter ondersteuning van het onderwijs en de basisopleiding, omdat die sectoren van fundamenteel belang zijn voor een duurzame economische en sociale ontwikkeling. Deze samenwerking zal concreet gestalte krijgen op het gebied van de democratisering en op het niveau van hoger onderwijs, wetenschap en technologie en beroepsopleiding ;
  • de Gemeenschap zal de regionale samenwerking en integratie, en met name het concept "open regionalisme" ondersteunen met het oog op een betere openstelling van de regionale en subregionale markten en een betere inpassing in de internationale markten, overeenkomstig de WTO-voorschriften ;
  • de Gemeenschap zal in alle sectoren en programma's van de samenwerking met Latijns-Amerika bijzonder veel belang schenken aan vraagstukken in verband met geslacht, overeenkomstig de aanbevelingen van de vierde Wereldvrouwenconferentie.
  • Rekening houdend met de uitdagingen en de wereldwijde onderlinge afhankelijkheid in deze sectoren, zal het nodig zijn om :
  • ervoor te zorgen dat de milieu-effecten van de samenwerkingsacties in aanmerking worden genomen. Zo zal de Gemeenschap dankzij technologie-overdracht bijdragen tot een meer rationeel energieverbruik en tot de bevordering van hernieuwbare energiebronnen ;
  • de gezamenlijke strijd tegen de produktie en de sociale gevolgen van drugs en de daaruit voortvloeiende criminaliteit, voort te zetten en zelfs op te voeren, door middel van specifieke maatregelen en projecten of door de samenwerking binnen de passende instanties ;
  • te werken aan de modernisering van de vervoersystemen en de vrije toegang tot de vervoermarkten, met name wat het zeevervoer betreft.

Om een antwoord te bieden op de veelheid aan behoeften als gevolg van de diversiteit van de landen en regio's van Latijns-Amerika, en om de bestaande middelen en instrumenten optimaal af te stemmen op die behoeften, zal de Gemeenschap, met het oog op de verbetering van de doeltreffendheid van haar optreden, streven naar het volgende :

  • actieve deelneming van de begunstigden en van de civiele maatschappij aan alle fasen van de samenwerkingsprogramma's, zulks door middel van gedecentraliseerde samenwerkingsacties en -programma's ;
  • betere coördinatie, vooral op het terrein, met de Lid-Staten inzake samenwerking en financiering, waarbij een beroep zal worden gedaan op Europese bedrijven en consortia, opdat de programma's kwalitatief verbeterd en de beschikbare middelen meer doeltreffend en meer zichtbaar aangewend kunnen worden ;
  • cofinanciering met de landen van Latijns-Amerika en de Lid-Staten van de Unie, maar ook met andere internationale geldschieters ;
  • de verschillende Gemeenschapsinstanties kunnen zorgen voor een regelmatige follow-up, evaluatie en verdieping van deze algemene richtsnoeren ; in die context zal de Raad bijzonder belang toekennen aan de opstelling en periodieke bijwerking door de Commissie, in nauwe samenwerking met de Lid-Staten, van strategiedocumenten per land, waarin de voornaamste activiteitenterreinen van de Gemeenschap in elk land worden beschreven ;
  • ook zou de zichtbaarheid van de acties die worden uitgevoerd, moeten worden verbeterd.

Top

BIJLAGE 13: AFRIKA

  1. De Raad herinnert eraan dat de Europese Raad op zijn bijeenkomst te Essen een lans heeft gebroken voor een politieke dialoog tussen de Europese Unie en de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE), vooral met het oog op conflictpreventie in Afrika. Preventieve diplomatie, vredeshandhaving en versterking van de internationale veiligheid zijn prioritaire doelstellingen van het GBVB. De Europese Unie verklaart bereid te zijn de inspanningen van de Afrikanen op het gebied van preventieve diplomatie en vredeshandhaving te steunen, en daarbij in voorkomend geval een beroep te doen op de WEU.
  2. De Raad neemt nota van de verklaring van de van 28 tot en met 30 juni 1993 te Cairo gehouden Vergadering van de Staatshoofden en Regeringsleiders van de OAE betreffende de invoering van het mechanisme voor conflictpreventie en -oplossing, alsook van de conclusies van de in juni 1995 te Addis Abeba gehouden Vergadering.
  3. De bijdrage van de Europese Unie op dit gebied moet betrekking hebben op het ondersteunen van acties van Afrikaanse organisaties, inzonderheid de OAE, die in alle fasen van het proces de voornaamste rol dienen te spelen, en moet steunen op de volgende beginselen :
  • sterkere betrokkenheid van de Afrikanen bij crisispreventie en -oplossing ;
  • betere koppeling tussen de inspanningen van de Europese Unie en die van de Afrikaanse landen en de andere leden van de internationale gemeenschap ;
  • inzonderheid de daarop gerichte harmonisatie van de inspanningen van de Europese Unie, waaronder ook de bilaterale inspanningen van haar Lid-Staten ;
  • coördinatie van de inspanningen ter zake met het ontwikkelingshulpbeleid van de Gemeenschap en haar Lid-Staten en van de ondersteuning van het democratiseringsproces ;
  • vergemakkelijking van de mobilisatie van de capaciteiten van de Afrikanen en hun actiemiddelen. Het is van essentieel belang dat de Afrikanen het voortouw nemen bij de preventieve diplomatie en de conflictoplossing in Afrika. Onverminderd de belangrijke rol van de subregionale organisaties moeten de Afrikaanse landen via de OAE het initiatief nemen om vredesbedreigende problemen in alle fasen aan te pakken en op te lossen.

4. Om die doelstellingen te bereiken zal de Europese Unie in eerste instantie de samen werking tussen de Verenigde Naties en de OAE stimuleren, met inbegrip van de versterking van de bestaande capaciteiten van de OAE ter zake.

5. Ook de volgende aspecten dienen in aanmerking te worden genomen :

  • de inbreng van de Europese Unie moet afhangen van ten eerste het politiek- juridische kader waarbinnen de beoogde actie valt (VN, OAE, subregionaal verband) en ten tweede de verschillende fasen in het proces, die gaan van vroegtijdig alarmeren tot de uitvoering van maatregelen voor de oplossing van conflicten. De Unie en eventueel de WEU zouden daar een rol kunnen spelen ;
  • de dominerende rol van de Afrikanen bij het leiden van de politieke inspanningen voor conflictbeheer moet worden erkend ;
  • zowel preventieve diplomatie als conflictoplossing en vredeshandhaving in Afrika moeten geschieden met strikte inachtneming van de beginselen en doelstellingen die zijn neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties ;
  • als beginselen voor eventuele operaties moeten gelden : toestemming van de partijen bij het conflict, neutraliteit, onpartijdigheid en eenheid van commando ;
  • de Lid-Staten van de Europese Unie en de Gemeenschap zullen in de Raad beginnen met een proces van gegevensuitwisseling over hun bilaterale hulp op dit gebied, ten einde deze hulp beter te coördineren.

6. De bijdrage van de Europese Unie kan de volgende vormen aannemen :

a) Vroegtijdig alarmeren :

  • uitwisseling van informatie of doorgeven van gegevens over specifieke crisissen, mede over landen waar zich spanningen voordoen ;
  • opleiding van analisten voor het Secretariaat-Generaal van de OAE ;
  • organisatie van studiebijeenkomsten ;
  • financiële ondersteuning voor technische en materiële bijstand.

b) Preventieve diplomatie :

  • stimuleren van de oprichting van groepen ter begeleiding van crisissituaties door bemiddeling aan te bieden en, in voorkomend geval, specifieke financiële steun ;
  • organisatie van studiebijeenkomsten en uitwisselingsfora inzake preventieve diplomatie ;
  • personele hulp voor de organisatie van missies.

c) Vredeshandhaving : indien op verzoek van de OAE gedacht wordt aan een rol van die organisatie in het kader van een besluit van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, zal de EU bestuderen welke hulp zij eventueel kan bieden, waarbij in voorkomend geval een beroep wordt gedaan op de WEU.

7. De EU is zich ervan bewust dat de WEU zich reeds is gaan beraden over de mogelijkheid de bijdrage van de Europese Unie te ondersteunen en verzoekt de WEU haar de resultaten daarvan mee te delen. De EU verzoekt de WEU specifieke acties op te zetten en uit te voeren die kunnen bijdragen tot het mobiliseren van de Afrikaanse capaciteiten in de strijdkrachten van de Verenigde Naties. Ook behoudt zij zich de mogelijkheid voor de WEU te verzoeken bij te dragen tot de uitvoering van de acties van de Unie.

8. Deze conclusies moeten als basis dienen voor de latere aanneming van een gemeenschappelijk standpunt.

Top

BIJLAGE 14: AZIE

ONTMOETING AZIË/EUROPA (OAZE) : STANDPUNT VAN DE UNIE

DEEL I : ALGEMENE ASPECTEN

De Ontmoeting Azië/Europa vormt één van de belangrijkste initiatieven van de Europese Unie en haar Lid-Staten en tien van de meest dynamische landen in Azië.

Tijdens dit historische gebeuren komen de Staatshoofden en Regeringsleiders van de deelnemende landen en de Voorzitter van de Commissie met de Ministers van Buitenlandse Zaken bijeen met als doel een nieuw partnerschap tussen Europa en Azië te sluiten dat zal bijdragen tot de algehele ontwikkeling van de samenlevingen in beide regio's.

Dit nieuwe partnerschap moet worden gebaseerd op de bevordering van een politieke dialoog, het aanhalen van de economische banden en de versterking van de samenwerking op verschillende terreinen.

De Unie beschouwt de OAZE als een open, doorzichtig en zich geleidelijk ontwikkelend proces van informele aard, dat niettemin moet streven naar concrete en wezenlijke resultaten. De OAZE mag daarom de bijzondere betrekkingen van de deelnemers met andere gebieden van de wereld niet aantasten.

De eerste OAZE moet voor beide partijen zo waardevol zijn dat de politieke wil om de dialoog en de betrekkingen tussen de beide regio's te intensiveren een flinke impuls krijgt en dat stevige fundamenten worden gelegd voor een nieuw tijdperk in de betrekkingen tussen Europa en Azië. Deze gebeurtenis opent een raam op de toekomst en zet een weg uit naar een constructief klimaat van wederzijds begrip en samenwerking op alle politieke en economische terreinen van gemeenschappelijk belang.

De deelnemers van beide partijen moeten de inaugurale bijeenkomst verlaten met het voornemen om op een nader overeen te komen datum een tweede OAZE in Europa te organiseren. De Unie moet ook voorstellen een flexibele follow-up te overwegen om de uitvoering van de tijdens de OAZE genomen besluiten te evalueren. De Unie wenst dat de belangrijke overeenkomsten die tijdens de OAZE worden bereikt, in een slotverklaring worden opgenomen.

De Unie heeft een lijst opgesteld van specifieke kwesties die kunnen worden besproken (zie deel II en III) en heeft gedetailleerde voorstellen uitgewerkt. De algemene aanpak van deze kwesties zou alomvattend en evenwichtig moeten zijn. De dialoog kan ook gaan over algemene economische vraagstukken.

DEEL II. BEVORDERING VAN DE POLITIEKE DIALOOG TUSSEN EUROPA EN AZIË

a) Versterking van een brede Europees-Aziatische politieke dialoog

Bij de bevordering van de politieke dialoog tussen beide continenten moet er naar worden gestreefd de politieke stabiliteit en de internationale veiligheid te bevorderen en te consolideren en het wederzijds begrip op alle terreinen te verdiepen.

Dit vereist een intensivering van de contacten teneinde de politieke samenwerking tussen Europa en Azië in internationale organisaties en bij het aanpakken van internationale kwesties te verbeteren.

Als één van de voornaamste doelstellingen van de bijeenkomst moeten de deelnemers duidelijke verbintenissen in deze richting aangaan en onderzoeken hoe kan worden samengewerkt door na te gaan wat zij gemeen hebben bij de verschillende kwesties die worden besproken. Specifieke kwesties en terreinen van bijzonder belang voor die samenwerking kunnen door Hoge Ambtenaren worden geselecteerd.

b) Dialoog over de heersende waarden en codes in de samenlevingen op beide continenten

Hoewel het voor een nieuw partnerschap tussen Europa en Azië niet nodig is dat beide partijen er identieke waarden, ideeën en sociale codes op na houden, bestaat er toch behoefte aan beter inzicht te krijgen in de verschillen in waarden en gewoontes tussen de deelnemende landen.

De OAZE moet een open en brede dialoog tussen de culturen en beschavingen op beide continenten aanmoedigen om de toenadering tussen hun samenlevingen te vergemakkelijken. In dit verband zal de bevordering van culturele, wetenschappelijke en academische uitwisselingen en de informele dialoog tussen intellectuelen, opinievormers, politici en zakenmensen er in grote mate toe bijdragen dat de basis voor wederzijds begrip wordt verbreed en dat duidelijker wordt ingezien hoe produktief culturele diversiteit kan werken.

Mensenrechten, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur spelen een sleutelrol bij het bevorderen van een harmonieuze sociale ontwikkeling. Wat dit betreft moeten de OAZE-deelnemers zich bezinnen op de nauwe verwevenheid van de politieke en economische aspecten die een rol spelen bij het scheppen van een veilige, stabiele en democratische samenleving.

De OAZE moet gericht zijn op het bevorderen van specifieke samenwerking tussen de deelnemende naties, en daarbij bevestigen hoezeer de deelnemers hechten aan de VN-verklaringen en -overeenkomsten over deze aangelegenheden.

Tegelijkertijd moeten de deelnemers benadrukken dat zij het als een gemeenschappelijke opdracht zien de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te bevorderen en te eerbiedigen op basis van het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Verklaring en het Actieprogramma van Wenen. Zij moeten ook hun nadrukkelijke steun betuigen aan de succesvolle uitvoering van de Verklaring en het Actieprogramma van Wenen.

c) Verenigde Naties

De OAZE-deelnemers kunnen van gedachten wisselen over de hervorming en de financiering van de organisatie, en over hun ervaringen en mogelijke samenwerking op het gebied van vredeshandhaving en het gebruik van preventieve diplomatie.

d) Regionale integratie

Dit terrein is zonder enige twijfel van grote waarde bij het creëren van gemeenschappelijke belangen en het bevorderen van de intra-regionale stabiliteit. Een uitwisseling van informatie over de politieke aspecten van deze processen en een discussie over de vraag waar de huidige processen op beide continenten toe zouden kunnen leiden, zal tot wederzijds voordeel strekken.

e) Samenwerking op veiligheidsgebied

De Europese Unie moet wijzen op haar bereidheid om actief bij te dragen aan vrede en stabiliteit in de gehele wereld en in Azië en het gebied van de Stille Oceaan, en is bereid haar ervaringen op dit gebied te delen. In dit opzicht is het regionale forum ASEAN een geschikt kader om de samenwerking tussen de Unie en Azië te intensiveren.

Bij hun onderlinge uitwisseling van informatie kunnen de OAZE-deelnemers zich concentreren op thema's als CBM's, mechanismes voor conflictoplossing en nieuwe veiligheidsarchitecturen in Europa en Azië.

f) Non-proliferatie

Dit punt moet ruim worden opgevat en het moet alle non-proliferatievraagstukken omvatten. De OAZE moet zich concentreren op maatregelen naar aanleiding van de besluiten tot verlenging van het NPV, met inbegrip van een gemeenschappelijke aanpak van kwesties zoals het CTBT (verdrag inzake een algemeen verbod op kernproeven), het verdrag inzake een verbod op de produktie van kernmateriaal voor de vervaardiging van nucleaire explosieven en aanscherping van de IAEA- waarborgen. De besprekingen moeten ook gaan over het verbod op en de non- proliferatie van chemische en biologische wapens, versterking van de uitvoercontrole op conventionele wapens, het VN-register van conventionele wapens en controle op het gebruik en de overdracht van anti-personeelmijnen.

DEEL III. VERSTERKING VAN DE ECONOMISCHE SAMENWERKING; HANDEL, INVESTERINGEN, OVERDRACHT VAN TECHNOLOGIE EN DEELNEMING VAN DE PARTICULIERE SECTOR

a) Aanhalen van de economische banden

De deelnemende landen vertegenwoordigen twee van de meest dynamische regio's in de wereld. De huidige handels- en investeringsstromen tussen deze regio's zijn echter geen correcte afspiegeling van hun werkelijke economische potentieel. De OAZE biedt de deelnemende leiders een buitengewone gelegenheid om zich een oordeel over dit potentieel te vormen en stappen te ondernemen om het doelmatiger te exploiteren. De Hoge Ambtenaren moeten daartoe zoeken naar wegen om tot liberalisering en versterkte multilaterale discipline binnen de WTO te komen. Ook moet worden nagegaan welke specifieke maatregelen in de deelnemende landen kunnen worden getroffen om handel en investeringen te vergemakkelijken.

b) Versterking van het open handelssysteem

Bij haar inspanningen moet de OAZE zich laten leiden door de beginselen van de WTO en het begrip "open regionalisme". De deelnemers moeten elke vorm van unilateraal optreden sterk veroordelen en herhalen dat zij sterk hechten aan het meest-begunstigingsbeginsel. Zij moeten ook besluiten nauw samen te werken bij de voorbereiding van de ministeriële bijeenkomst van de WTO in Singapore. De voltooiing en de volledige tenuitvoerlegging van de Uruguay-Ronde moet worden benadrukt.

Met name moet de OAZE de nadruk leggen op de noodzaak om de onderhandelingen over de liberalisering van de sectoren telecommunicatie en zeevervoer succesvol af te ronden, en besluiten de handen ineen te slaan om ervoor te zorgen dat de interimovereenkomst over financiële diensten wordt vervangen door een uitgebreider pakket van toezeggingen voor permanente liberalisering.

Op de Ontmoeting moet ook de wens worden uitgesproken dat de deelnemende landen die nog geen partij zijn bij de WTO, spoedig kunnen toetreden.

Op de Ontmoeting moet worden overeengekomen stappen naar verdere liberalisering te ondersteunen, met name door ruimere deelneming aan en verdere uitbreiding van de bestaande Overeenkomst inzake overheidsopdrachten te bevorderen en door het niveau van bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten te verhogen.

Aan de Hoge Ambtenaren kan worden gevraagd op dit punt en met het oog op een ambitieuze agenda voor de toekomstige werkzaamheden in het kader van de WTO op de ministeriële bijeenkomst van Singapore in december 1996 samen te werken.

Als belangrijke kwesties kunnen worden aangemerkt alle kwesties die voor enige partij van belang zijn en die uit de Overeenkomst van Marrakesh voortvloeien, zoals bepaald in document MTN.TNC/45(MIN), alsmede de nieuwe thema's.

Daarnaast moet een dialoog worden aangemoedigd om de uitwisseling van ervaringen op het gebied van regionale integratie aan te moedigen en na te gaan onder welke voorwaarden liberalisering in regionaal verband verenigbaar is met een open multilateraal systeem.

c) Het vergemakkelijken van handel en investeringen

De Ontmoeting moet een goede gelegenheid zijn om de bilaterale handels betrekkingen te verbeteren. Daartoe moet de Hoge Ambtenaren worden opgedragen na te gaan welke maatregelen de handel tussen beide regio's kunnen vergemakke lijken. Het bedrijfsleven zal worden geraadpleegd.

Op de Ontmoeting moet kunnen worden gewezen op de noodzaak de investeringen in beide regio's op te voeren en na te gaan hoe het best een gunstig investeringsklimaat kan worden geschapen. De partijen kunnen nota nemen van de lopende onderhandelingen tussen de geïndustrialiseerde landen in OESO-verband over een alomvattende multilaterale overeenkomst inzake investeringen en erkennen dat het wenselijk is deze voorschriften uit te breiden tot niet-OESO-leden. In dit verband kan aan Hoge Ambtenaren worden verzocht besprekingen te voeren met als doel de kwestie van de investeringen binnen de WTO een hoge prioriteit te geven en zo de weg vrij te maken voor onderhandelingen over een wereldwijd kader van investeringsregels. Er moet een dialoog worden gehouden over de invoering van strenge internationale regels op dit gebied die betrekking hebben op non- discriminatie, investeringsbescherming en doorzichtigheid.

BEVORDERING VAN SAMENWERKING OP VERSCHILLENDE GEBIEDEN

a) Menselijke hulpbronnen

De nadruk moet worden gelegd op de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen en van de voorwaarden die vereist zijn om mensen in staat te stellen hun potentieel te verwezenlijken. De bevordering van de mobiliteit van jonge managers op basis van wederkerigheid tussen Europa en Azië is een bijzondere prioriteit, evenals de versterking van de inspanningen op het gebied van primair en secundair onderwijs en beroepsopleiding. Taalonderwijs en een universitair uitwisselingsprogramma alsmede uitwisseling van jongeren en studenten moet worden Overwogen.

b) Ontwikkelingssamenwerking

De ontwikkelingssamenwerking moet worden opgevoerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met milieu-aspecten. Via prioritaire doelstellingen moeten de leefomstandigheden van de meest misdeelde groepen worden verbeterd, de armoede bestreden en de rol van de vrouw bevorderd.

c) Er moet bijzondere nadruk op worden gelegd hoe belangrijk het is dat milieuproblemen zoals het broeikaseffect, de bescherming van de watervoorraden, de ontbossing en woestijnvorming en de biodiversiteit worden aangepakt en dat de mogelijkheden voor samenwerking op dit gebied - tot wederzijds voordeel - worden herkend.

d) Culturele contacten en informatie

Er moet prioriteit worden gegeven aan de ontwikkeling van wederzijds begrip tussen Europa en Azië door intensievere culturele contacten en meer informatie over elkaars culturen ; daarbij moet rekening worden gehouden met de rol van de media.

e) Bevordering van samenwerking tussen bedrijven

Tijdens de Ontmoeting kan worden benadrukt hoe belangrijk het is om samenwerking tot wederzijds voordeel te bevorderen, en structuren voor een dialoog op initiatief van de particuliere sector te stimuleren zodat vooraanstaande Europese en Aziatische zakenmensen nieuwe terreinen voor industriële samenwerking kunnen ontdekken. De samenwerking moet zich richten op gebieden als energie, vervoer, informatie- en milieutechnologie, telecommunicatie en toerisme. De bijzondere behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen krijgen daarbij prioriteit.

f) Uitwisseling van technologie

Op de Ontmoeting moet steun worden betuigd aan een intensievere uitwisseling van technologie tussen Azië en Europa door nauwere samenwerking op het gebied van onderzoek, meer gebruik van netwerken tussen universiteiten en vergemakkelijking van kennisoverdracht in hoogtechnologische sectoren. Sectoren die hier het voortouw kunnen nemen, zijn milieu, informatie- en communicatietechnologie en vervoer. Daarbij moet het belang worden onderkend van een passende bescherming van de intellectuele eigendom en een open investeringsklimaat.

De Lid-Staten van de Europese Unie zijn er in dit verband bijzonder in geïnteresseerd te delen in de kennis en de know-how van de Aziatische landen om technische doorbraken snel te vertalen naar industriële produktieprocessen.

g) Bestrijding van drugs en illegale activiteiten

De samenwerking bij de strijd tegen de drugshandel moet worden geïntensiveerd en er moeten in het bijzonder inspanningen worden gedaan om tot een overeenkomst over precursoren te komen en het witwassen van geld te bestrijden. Tijdens de Ontmoeting moet ook de dialoog over internationale misdaad worden aangemoedigd. Samenwerking in de strijd tegen illegale immigratienetwerken moet worden aangemoedigd ; daarbij moet speciale aandacht uitgaan naar de kwestie van de terugname van illegale immigranten.

VERVOLGMAATREGELEN

De partijen moeten overeenkomen de vorderingen op bovengenoemde gebieden in het oog te houden aan de hand van een in 1997 op te stellen voortgangsverslag van hun Hoge Ambtenaren over de effectieve maatregelen.

Top

BIJLAGE 15: DE INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

EEN STRATEGIE VOOR EUROPA

Zes maanden lang hebben de leden van de Reflectiegroep zich in een geest van openheid en democratie gekweten van de opdracht van de Europese Raad om de weg te banen voor de herziening van het Verdrag tijdens de conferentie van 1996 en voor andere verbeteringen in het functioneren van de Unie.

Wij zijn van oordeel dat onze taak er niet alleen in bestond een geannoteerde agenda op te stellen voor de Conferentie, maar ook een proces op gang te brengen waarbij het waarom van de door te voeren veranderingen in het openbaar wordt besproken en toegelicht.

DE UITDAGING

De mannen en vrouwen van Europa zijn zich meer dan ooit bewust van de noodzaak van een gemeenschappelijk project. En toch is voor een groeiend aantal Europeanen de communautaire integratie op dit ogenblik geen vanzelfsprekende zaak meer. Deze paradox vormt een eerste uitdaging.

Toen de Europese Gemeenschappen zo'n veertig jaar geleden werden opgericht, was de behoefte aan een gemeenschappelijk project duidelijk omdat men wel besefte dat Europa in de eerste helft van deze eeuw had gefaald.

Nu, bijna een halve eeuw later, wordt het door de opeenvolgende uitbreidingen van de Unie, de groei van haar taken, en de zeer grote ingewikkeldheid en omvang van de hedendaagse problemen, erg moeilijk het echte belang van en de voortdurende behoefte aan Europese integratie in te zien.

Wij moeten aanvaarden dat ingewikkeldheid de prijs is die Europa betaalt om onze pluriforme identiteit te beschermen. Het is evenwel onze vaste overtuiging dat deze schepping van Europa's politieke vernuft, die niet de plaats kan innemen van de Lid-Staten van de Unie van welke zij haar voornaamste politieke legitimiteit ontvangt, maar wel een onlosmakelijke tegenhanger is geworden van die Lid-Staten, een eigen en onschatbare bijdrage heeft geleverd, namelijk vrede en welvaart die gebaseerd zijn op het bepalen van gemeenschappelijke belangen en een optreden dat niet voortvloeit uit machtspolitiek maar uit een gemeen schappelijke verzameling rechtsregels waarmee een ieder akkoord gaat.

Vandaag is Europa anders geworden, deels vanwege het succes van de Unie. Al die Europese naties die hun vrijheid opnieuw ontdekken, wensen toe te treden tot of nauwer samen te werken met de Europese Unie. Maar in West-Europa taant het enthousiasme van het publiek in weerwil van de bijdrage die de Unie heeft geleverd tot een ongekende periode van vrede en welvaart.

Wij moeten derhalve aan onze burgers duidelijk maken waarom de Unie, die zoveel aantrek kingskracht uitoefent op anderen in Europa, ook voor ons noodzakelijk blijft.

Een van de redenen is dat de wereld buiten Europa eveneens veranderd is. Goederen, kapitalen en diensten verplaatsen zich momenteel over de gehele wereld in een steeds meer concurrerende markt. De prijzen worden op mondiaal niveau bepaald. De welvaart van het huidige en toekomstige Europa wordt bepaald door het vermogen van Europa om succes te hebben op de wereldmarkt.

Met het einde van de koude oorlog is de algemene veiligheid in Europa toegenomen, maar ook de instabiliteit.

Bovendien hebben de hoge werkloosheidscijfers, de externe migratiedruk, het toenemend gebrek aan ecologisch evenwicht en de groei van de internationaal georganiseerde misdaad geleid tot een sterkere vraag van de burgers naar meer veiligheid, een vraag waaraan door de afzonderlijk optredende Lid-Staten niet kan worden voldaan.

In een wereld waarin de onderlinge afhankelijkheid alsmaar groter wordt, plaatst die realiteit de Unie voor nieuwe uitdagingen en opent zij nieuwe perspectieven.

HET ANTWOORD

Maar wij beginnen niet met lege handen. In de afgelopen vijf jaar heeft Europa zich met succes weten aan te passen aan de veranderende tijden. In 1990 verwelkomde de Gemeenschap de 17 miljoen Duitsers die tot dan toe aan de andere kant van de Berlijnse muur hadden gewoond.

Het Verdrag van Maastricht is erin geslaagd de koers uit te zetten die de Gemeenschap moet volgen om zich aan te passen aan de nieuwe tijden ; dit verdrag brengt door het subsidiari teitsbeginsel te introduceren een Europese Unie tot stand die dichter bij de burger staat ; het bepaalt de weg naar één enkele munt en stelt een op prijsstabiliteit gebaseerde strategie van economische integratie voor die het concurrentievermogen aanscherpt en de economische groei bevordert. Het versterkt de sociale en economische samenhang en zorgt voor een hoog niveau van milieubescherming. Het maakt de weg vrij voor een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en poogt een gebied van vrijheid en openbare veiligheid tot stand te brengen.

Sedertdien is de Europese Unie, in zeer moeilijke economische omstandigheden, in staat geweest tijdig beslissingen te nemen over verdere voortgang overeenkomstig haar nieuwe behoeften : zij heeft een akkoord bereikt over de resultaten van de Uruguay-Ronde, is tot overeenstemming kunnen komen over de financiën van de Unie tot in het jaar 1999 en is met drie nieuwe leden uitgebreid.

Maar dat is niet voldoende. De Europese staatshoofden en regeringsleiders hebben al bepaald welke stappen moeten worden gezet om de Europese strategie voor deze veranderende tijden uit te werken : de conferentie van 1996, de overgang naar de gemeenschappelijke munt, de onderhandelingen over een nieuw financieel akkoord, de eventuele herziening of uitbreiding van het Verdrag van Brussel waarbij de WEU is opgericht en ten slotte de meest ambitieuze doelstelling, de uitbreiding van de Unie tot de geassocieerde landen in Midden- en Oost- Europa, met inbegrip van de Baltische Staten, Cyprus en Malta.

De volgende uitbreiding biedt een grote kans voor de politieke hereniging van Europa. Dat is voor ons niet alleen een politieke noodzaak, maar ook de best mogelijke keuze voor de stabiliteit van het continent en voor de economische vooruitgang van, niet alleen de kandidaat-landen, maar ook voor ons Europa in zijn geheel. De uitbreiding is geen geringe opgave. De gevolgen ervan voor de ontwikkeling van het beleid van de Unie moeten worden bestudeerd. Er zullen inspanningen moeten worden geleverd zowel door de kandidaat-landen als door de huidige Lid-Staten en die inspanningen zullen op billijke wijze moeten worden verdeeld. De uitbreiding is derhalve niet alleen een grote kans voor Europa, maar ook een uitdaging. Wij moeten het doen, maar wij behoren het ook goed te doen.

De Unie kan niet alle onderdelen van deze Europese strategie meteen ter hand nemen, maar zij heeft geen tijd te verliezen. De staatshoofden en regeringsleiders hebben zich er persoonlijk toe verbonden het eens te worden over een Europese agenda om dit plan uit te voeren, maar het plan kan slechts realiteit worden als het de democratische steun krijgt van de Europese burgers.

DE CONFERENTIE VAN 1996

De Conferentie van 1996 is belangrijk, maar slechts één stap van dit proces.

In het Verdrag van Maastricht was al bepaald dat in 1996 een conferentie zou worden bijeengeroepen met een beperkte opdracht. Die opdracht is nadien tijdens verscheidene bijeenkomsten van de Europese Raad uitgebreid.

De staatshoofden en regeringsleiders hebben de noodzaak van institutionele hervormingen aangewezen als het centrale thema van de conferentie teneinde de doeltreffendheid, het democratische karakter en de transparantie van de Unie te verbeteren.

In die geest hebben wij getracht de verbeteringen in kaart te brengen die nodig zijn om de Unie aan te passen aan de tijd en haar voor te bereiden op de volgende uitbreiding.

Wij zijn van oordeel dat de Unie zich moet concentreren op de nodige veranderingen, zonder het hele Verdrag te willen herzien.

Tegen deze achtergrond zouden resultaten moeten worden bereikt op drie belangrijke gebieden :

  • de betekenis van Europa voor de burgers vergroten ;
  • de Unie in staat stellen beter te werken en haar voorbereiden op de uitbreiding ;
  • de Unie meer mogelijkheden geven om extern op te treden.

I. De burger en de Unie

De Unie is geen superstaat en wenst dat ook niet te zijn. Maar toch is zij veel meer dan een markt. Het is een uniek project, gebaseerd op gemeenschappelijke waarden. Deze waarden, waaraan alle kandidaat-leden deel willen hebben, dienen wij te consolideren.

De Conferentie moet de betekenis van de Unie voor de burgers vergroten. Als de Unie de burgers opnieuw enthousiast wil maken, zal zij zich moeten concentreren op hetgeen op Europees niveau moet worden gedaan aan de vraagstukken die voor de burgers het zwaarste wegen, zoals grotere veiligheid, solidariteit, werkgelegenheid en milieu.

De Conferentie moet de Unie ook transparanter maken en dichter bij de burger brengen.

Bevordering van Europese waarden

De interne veiligheid van Europa berust op zijn democratische waarden. Als Europeanen zijn wij allen onderdanen van democratische Staten die de eerbiediging van de mensenrechten waarborgen. Velen van ons menen dat deze gemeenschappelijke waarden duidelijk in het Verdrag moeten worden uitgedragen.

De mensenrechten maken reeds deel uit van de algemene beginselen van de Unie. Volgens velen van ons moeten zij echter duidelijker door de Unie worden gewaarborgd doordat deze toetreedt tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook is het denkbeeld geopperd van een lijst van rechten en van een bepaling die voorziet in de mogelijkheid van sancties of zelfs opschorting van het lidmaatschap van de Unie ingeval een Staat de mensenrechten en de democratie ernstig schendt. Sommigen van ons zijn de mening toegedaan dat de nationale regeringen reeds voldoende waarborgen voor deze rechten bieden.

Velen van ons achten het van belang dat Europese waarden, zoals gelijkheid van man en vrouw, non-discriminatie op grond van ras, godsdienst, sexuele voorkeur, leeftijd of invalidi teit in het Verdrag worden uitgedragen en dat dit een uitdrukkelijke veroordeling van racisme en vreemdelingenhaat moet bevatten, alsmede een procedure om op de uitvoering daarvan toe te zien.

Een van ons is van oordeel dat de rechten en verantwoordelijkheden van de burger een zaak zijn van onze nationale Staten ; als dat kader wordt overschreden, zou dat een averechtse uitwerking hebben.

Sommigen van ons vonden het eveneens de moeite waard het denkbeeld te bestuderen van de instelling van een communautair of Europees vredescorps voor humanitaire acties, als uitdrukking van de saamhorigheid van de Unie. Zo'n corps zou ook kunnen worden ingezet in het geval van natuurrampen in de Unie. Voorts achten enkelen van ons het raadzaam dat de Conferentie bestudeert hoe in het Verdrag het belang van de toegang tot openbare diensten van algemeen belang beter kan worden erkend.

Wij geloven dat Europa ook bepaalde sociale waarden gemeen heeft die de grondslag vormen van onze coëxistentie in vrede en vooruitgang. Velen van ons staan op het standpunt dat de Sociale overeenkomst deel moet worden van het Unie-recht. Een van ons meent dat daardoor alleen maar het concurrentievermogen zou afnemen.

Vrijheid en interne veiligheid

De Unie is een ruimte van vrij verkeer van mensen, goederen, kapitaal en diensten. Toch is de veiligheid van de mensen op Europese schaal niet voldoende beschermd : bescherming blijft hoofdzakelijk een nationale aangelegenheid, terwijl de misdaad doeltreffend georganiseerd wordt op internationale schaal. Uit de ervaring met de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Maastricht in de laatste paar jaar blijkt dat de mogelijkheden voor een doeltreffend Europees optreden nog altijd zeer beperkt zijn. Vandaar het dringende belang van een gemeenschappe lijke reactie op Europees niveau volgens een pragmatische aanpak.

Wij zijn het er allen over eens dat de Conferentie het vermogen van de Unie moet versterken om haar burgers te beschermen tegen terrorisme, drugshandel, witwassen van geld, illegale immigratie en andere vormen van internationale georganiseerde criminaliteit. Deze bescherming van de veiligheid van de burgers op Europees niveau mag de individuele waarborgen niet verminderen. Voor velen van ons vereist dit een verder gebruik van de gemeenschappelijke instellingen en procedures, alsook gemeenschappelijke criteria. Het is ook de taak van de nationale parlementen om nauwgezet politiek toezicht uit te oefenen op diegenen die dergelijke gemeenschappelijke maatregelen uitvoeren.

Velen van ons staan op het standpunt dat wij ten behoeve van een efficiënter optreden aangelegenheden in verband met onderdanen van derde landen, zoals immigratie, asiel en visumbeleid, alsook gemeenschappelijke regels voor controle aan de buitengrenzen geheel onder communautaire bevoegdheid moeten laten vallen. Sommigen zouden ook willen dat de communautaire bevoegdheid zich uitstrekt tot de bestrijding van drugsverslaving, fraude van internationale omvang en douanesamenwerking.

Volgens sommigen van ons moet de sleutel voor succes worden gevonden in een combinatie van politieke wil en een doeltreffender gebruik van de bestaande intergouvernementele regelingen.

Werkgelegenheid

Wij weten dat het scheppen van banen in een open samenleving gebaseerd is op gezonde economische groei en op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, dat moet worden gestimuleerd door initiatieven op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau. Wij geloven dat in de Europese Unie de voornaamste verantwoordelijkheid voor het economische en sociale welzijn van de burgers binnen de Lid-Staten ligt. In een geïntegreerde economische ruimte zoals de onze heeft echter ook de Unie een verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van de juiste voorwaarden voor het scheppen van werkgelegenheid. Dat gebeurt al door het voltooien van de interne markt en de ontwikkeling van andere gemeenschappelijke beleids sectoren met een gezamenlijke strategie inzake groei, concurrentievermogen en werkgelegen heid die al positieve resultaten oplevert, en met het plan voor een Economische en Monetaire Unie.

Wij zijn het er allen over eens dat er niets moet veranderen aan de te Maastricht overeen gekomen bepalingen inzake één enkele munteenheid, die door onze parlementen bekrachtigd zijn.

Wij zijn er ons allen van bewust dat er geen banen zullen worden geschapen eenvoudigweg door wijzigingen in het Verdrag, maar velen van ons willen dat er in het Verdrag een duidelijker betrokkenheid van de Unie komt bij het streven naar een grotere economische en sociale integratie en samenhang, die zijn afgestemd op het bevorderen van de werkgelegenheid, en dat er ook bepalingen in worden opgenomen om de Unie in staat te stellen gecoördineerde maatregelen te treffen voor het scheppen van werkgelegenheid. Sommigen van ons zijn ertegen gekant om in het Verdrag bepalingen op te nemen die verwachtingen wekken, maar waarvan de praktische uitvoering primair afhangt van besluiten van het bedrijfsleven en de Staten. De meesten van ons wijzen in ieder geval op de noodzaak van een sterkere coördinatie van het economische beleid in de Unie.

Milieu

Een wezenlijk kenmerk van het milieu is dat het grensoverschrijdend is. Milieubescherming is een doelstelling waarbij het gaat om ons overleven, niet alleen als Europeanen, maar ook als bewoners van deze aarde. Daarom moet de Conferentie nagaan hoe het vermogen van de Unie om doeltreffender op te treden kan worden verbeterd, en bepalen wanneer dat optreden tot de taak van de Lid-Staten moet blijven behoren.

Een meer doorzichtige Unie

De burgers hebben recht op betere informatie over de Unie en de manier waarop die functioneert.

Velen van ons stellen voor het recht van toegang tot informatie in het Verdrag te erkennen als een recht van de burgers van de Unie. Er zijn voorstellen gedaan voor de wijze waarop de toegang van het publiek tot de documenten van de Unie kan worden verbeterd, en die voorstellen moeten door de Conferentie worden besproken.

Voordat er enig wezenlijk wetgevingsvoorstel wordt gedaan, moet er naar behoren informatie worden ingewonnen bij de betrokken sectoren, deskundigen en de samenleving in het algemeen. De studies ter voorbereiding van het voorstel moeten openbaar gemaakt worden.

Wanneer er zo'n voorstel wordt gedaan, moeten de nationale parlementen naar behoren worden geïnformeerd en moeten zij de nodige documenten, in hun officiële talen, tijdig ontvangen om vanaf het begin van de wetgevingsprocedure een gedegen bespreking mogelijk te maken.

Wij zijn het er allen over eens dat de wetgeving van de Unie toegankelijker moet worden. De Conferentie van 1996 moet leiden tot een eenvoudiger Verdrag.

Subsidiariteit

De Unie zal dichter bij de burger staan wanneer zij zich concentreert op wat haar taken behoren te zijn.

Dat betekent dat zij het subsidiariteitsbeginsel moet eerbiedigen. Dat beginsel mag derhalve niet worden gebruikt als rechtvaardiging voor de onverbiddelijke groei van de Europese bevoegdheden, en evenmin als voorwendsel om de solidariteit of de verwezenlijkingen van de Unie te ondermijnen.

Wij menen dat het nodig is de juiste toepassing ervan in de praktijk te versterken. De Verklaring van Edinburgh moet de basis vormen voor die verbetering en sommigen van ons menen dat de voornaamste bepalingen van die Verklaring Verdragsstatus moeten krijgen.

II. Mogelijkheden om de Unie beter te laten functioneren en voor te bereiden op de uitbreiding

De Conferentie moet nagaan hoe de efficiëntie en de democratie van de Unie kunnen worden verbeterd.

De Unie moet ook na een verdere uitbreiding haar vermogen tot besluitvorming behouden. Gezien het aantal en de verscheidenheid van de betrokken landen betekent dat, dat er wijzigingen nodig zijn in de structuur en de werking van de Instellingen. Het kan ook betekenen dat er flexibele oplossingen moeten worden gevonden, waarbij het beginsel van één enkel institutioneel kader en het "acquis communautaire" volledig geëerbiedigd worden.

De Europese Raad, bestaande uit de Staatshoofden of Regeringsleiders van de Lid-Staten en de Voorzitter van de Commissie, is de hoogste expressie van de politieke wil van de Unie en bepaalt haar algemene politieke richtsnoeren. Het belang ervan zal onvermijdelijk toenemen, gezien de politieke agenda van de Unie.

Verbetering van de democratie in de Unie betekent zowel billijke vertegenwoordiging in elk van de Instellingen als een sterkere rol van het Europees Parlement - binnen het bestaande institutionele evenwicht - en van de nationale parlementen. In dit verband zij eraan herinnerd dat er overeenkomstig het Verdrag een eenvormige verkiezingsprocedure voor de verkiezing van het Europees Parlement moet worden vastgesteld. Velen van ons menen dat de proce dures van het Europees Parlement te talrijk en te ingewikkeld zijn en zijn er daarom voor deze te beperken tot drie : raadpleging, instemming en medebeslissing.

De huidige medebeslissingsprocedure is veel te gecompliceerd en wij stellen voor dat de Conferentie haar vereenvoudigt zonder het evenwicht tussen de Raad en het Europees Parlement aan te tasten. Velen van ons stellen ook voor dat de Conferentie het toepassings gebied van de medebeslissingsprocedure uitbreidt. Een lid meent echter dat het Europees Parlement in Maastricht uitgebreide nieuwe bevoegdheden heeft verkregen en daar eerst mee vertrouwd moet raken voordat het om meer vraagt.

Ook de nationale parlementen moeten voldoende bij het besluitvormingsproces worden betrokken. Dat houdt niet in dat zij moeten worden opgenomen in de Instellingen van de Unie. Voor velen van ons zouden de besluitvormingsprocedures zo moeten worden georganiseerd dat de nationale parlementen de standpunten van hun respectieve regeringen bij de besluitvorming van de Unie in voldoende mate kunnen onderzoeken en beïnvloeden. Sommigen van ons stellen een meer rechtstreekse betrokkenheid van de nationale parlementen voor : in dit verband heeft één van ons het idee geopperd van een nieuw op te richten adviescomité. Ook moet de samenwerking tussen de nationale parlementen onderling en tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement worden bevorderd.

De besluitvormingsprocedure en de werkmethoden van de Raad van Ministers moeten opnieuw bezien worden. De Unie moet in staat zijn tijdige en doeltreffende besluiten te nemen. Maar een efficiënte besluitvorming betekent niet per se een gemakkelijke besluitvorming. De besluiten van de Unie moeten de steun van de bevolking hebben. Velen van ons menen dat de efficiëntie zou worden vergroot indien de Raad zijn besluiten vaker zou nemen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen ; volgens velen zou dat in de uitgebreide Gemeenschap de regel moeten zijn. Sommigen van ons menen dat dit alleen toelaatbaar is indien de democratische legitimiteit wordt verbeterd door een nieuwe weging van de stemmen om naar behoren rekening te houden met de bevolking. Eén van ons is principieel tegen verruiming.

Wij achten de rol van het Voorzitterschap van de Raad van cruciaal belang voor een efficiënt beheer van de aangelegenheden van de Unie en wij steunen het beginsel van roulatie. Maar het huidige systeem zou in een uitgebreide Unie steeds onsamenhangender kunnen worden. Er moet een nader onderzoek worden ingesteld naar alternatieve benaderingen die continuïteit en roulatie combineren.

Wij zijn het erover eens dat de Commissie haar drie voornaamste taken : bevordering van het gemeenschappelijk belang, monopolie van wetgevend initiatief en hoedster van de commu nautaire wetgeving, moet behouden. Haar legitimiteit, die wordt onderstreept door haar goedkeuring door het Parlement, is gebaseerd op haar onafhankelijkheid, haar geloofwaardig heid, haar collegiale karakter en haar efficiëntie. De samenstelling van de Commissie was bedoeld voor een Gemeenschap met zes leden. Wij hebben opties voor de toekomstige samenstelling uitgedacht, om de Commissie in staat te stellen haar taken te blijven vervullen in een uitgebreide Unie met misschien meer dan tweemaal zoveel Lid-Staten als die welke het Verdrag van Maastricht tot stand hebben gebracht.

In het algemeen gesproken is één opvatting in de Groep dat het huidige systeem in de toekomst gehandhaafd moet blijven en dat de collegialiteit en de samenhang desgewenst versterkt moeten worden. In dat geval zou er per Lid-Staat minstens één Commissielid zijn. Een andere mening is dat de collegialiteit en de samenhang vergroot kunnen worden door te kiezen voor minder Commissieleden dan het aantal Lid-Staten en door hun onafhankelijkheid te vergroten. Er moeten procedures komen om die leden op grond van hun bekwaamheden en hun betrokkenheid bij het algemene belang van de Unie te selecteren. De Conferentie kan in de besluitvorming over de toekomstige samenstelling van de Commissie ook de mogelijkheid van hogere en lagere Commissieleden betrekken.

Een deel van de Groep meent dat er bij de totstandkoming van Europese wetgeving een belangrijke rol is weggelegd voor het Comité van de Regio's en dat een beter gebruik gemaakt moet worden van zijn adviserende rol.

Het succes van Europa staat of valt met zijn vermogen om gezamenlijk besluiten te nemen en zich er vervolgens aan te houden. Een verbetering van de duidelijkheid en de kwaliteit van de Gemeenschapswetgeving zou daartoe bijdragen, evenals een beter financieel beheer en een doeltreffender fraudebestrijding. De Conferentie moet er ook voor zorgen dat de sleutelrol van het Hof van Justitie wordt verbeterd, in het bijzonder doordat een uniforme uitlegging en de eerbiediging van het Gemeenschapsrecht gegarandeerd worden.

III. Meer armslag voor extern optreden van de Unie

Bij het Verdrag van Maastricht is het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Unie ingesteld. Ons inziens was dit het juiste besluit op het juiste tijdstip ; de koude oorlog was ten einde en de last van de verantwoordelijkheid om de basis te leggen voor vrede en vooruitgang in en buiten Europa, kwam steeds meer op de schouders van de Europese Unie te liggen.

De mogelijkheden die het Verdrag thans biedt, hebben een aantal goede resultaten opgeleverd. Wij menen echter dat het moment is aangebroken om dit gemeenschappelijke beleid te voorzien van middelen om doeltreffender te functioneren.

In het huidige tijdsgewricht moet de Unie in staat zijn haar rol als factor van vrede en stabiliteit op het internationale toneel te spelen. De Unie is momenteel weliswaar een economische macht, maar blijft politiek gezien zwak en haar rol blijft er dus dikwijls toe beperkt dat zij besluiten van anderen financiert.

Gemeenschappelijk buitenlands beleid

Wij zijn van mening dat de Conferentie wegen en middelen moet vinden om de Unie grotere mogelijkheden te bieden om in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit naar buiten op te treden. De Unie moet kunnen vaststellen waar haar belangen liggen, zij moet besluiten kunnen nemen over haar optreden en dat doeltreffend kunnen uitvoeren. Deze taak zal er in geval van uitbreiding niet gemakkelijker op worden, maar is dan des te noodzakelijker.

Dit betekent dat de Unie haar externe optreden gezamenlijk moet kunnen analyseren en voorbereiden. Daarom stellen wij voor een eenheid in het leven te roepen die het gemeen schappelijk buitenlands beleid moet analyseren en plannen. De meesten van ons zijn van mening dat zo'n eenheid aan de Raad verantwoording moet afleggen. Velen van ons vinden ook dat deze eenheid moet worden samengesteld vanuit de Lid-Staten, het Raadssecretariaat en de Commissie en een plaats moet krijgen in het institutionele kader van de Unie. Van sommigen is de suggestie afkomstig dat de Secretaris-Generaal van de Raad aan het hoofd moet staan ; diens functies zouden uiteindelijk kunnen samenvallen met die van Secretaris- Generaal van de WEU.

Voor dit beleid is ook vereist dat er besluiten kunnen worden genomen. Wij stellen daartoe voor dat de Conferentie nagaat hoe de besluitvormings- en financieringsprocedures herzien kunnen worden om ze aan te passen aan de aard van het buitenlands beleid, waarin eerbied voor de nationale soevereiniteit moet samengaan met de behoeften aan diplomatieke en financiële solidariteit. Gezamenlijk moet worden afgesproken of, en zo ja hoe, wordt voorzien in de mogelijkheid van flexibele formules die de degenen die een gezamenlijk optreden van de Unie noodzakelijk achten, niet mogen beletten daartoe over te gaan. Sommige leden zijn er voorstander van de stemming met gekwalificeerde meerderheid uit te breiden tot het GBVB ; anderen stellen voor de adviserende rol van het Europees Parlement op dit punt te versterken.

De Unie moet in staat zijn haar externe optreden met een duidelijker profiel uit te voeren. Wij hebben een aantal mogelijkheden onderzocht om te bereiken dat de Unie met één stem kan spreken. Sommigen onder ons hebben gesuggereerd om de functie van Hoge Vertegen woordiger voor het GBVB in het leven te roepen, ten einde het externe politieke optreden van de Unie een stem en een gezicht te geven. Deze persoon zou door de Europese Raad moeten worden benoemd, en voor zijn optreden zou de Raad een duidelijk omschreven mandaat verlenen. Er werd door velen gewezen op de noodzaak van gestructureerde samenwerking tussen het Raadsvoorzitterschap en de Commissie, zodat de verschillende aspecten van de externe dimensie van de Unie waarvoor zij verantwoordelijk zijn, als één samenhangend geheel functioneren.

Deze grotere politieke rol voor de Unie in de wereld moet in overeenstemming zijn met haar huidige economische invloed naar buiten toe als belangrijkste handelspartner en belangrijkste verstrekker van humanitaire hulp. De Conferentie moet nagaan hoe ervoor gezorgd kan worden dat het externe beleid van de Unie voor haar burgers en voor de wereld zichtbaar wordt, dat het representatief is voor de Lid-Staten van de Unie en consequent is uit een oogpunt van continuïteit en universaliteit.

Europees veiligheids- en defensiebeleid

Gezien de zeer gevarieerde uitdagingen van de nieuwe internationale situatie op veiligheids gebied, is er duidelijk behoefte aan een doeltreffende en consequente reactie van Europa op basis van een alomvattend veiligheidsconcept.

Wij zijn derhalve van mening dat de Conferentie zou kunnen nagaan hoe de Europese identiteit verder gestalte kan krijgen, ook op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid. Daarbij mogen de in Maastricht overeengekomen doelstellingen niet uit het oog worden verloren en moet dus rekening worden gehouden met de Verdragsbepaling dat het GBVB alle kwesties omvat die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de bepaling op termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat mettertijd tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden.

De Conferentie moet zich rekenschap geven van het feit dat zo'n ontwikkeling in de visie van de NAVO-leden ook moet inhouden dat de Europese "pijler" van het Atlantisch Bondgenoot schap en de transatlantische band versterkt worden. Het Bondgenootschap blijft garant staan voor de collectieve verdediging van zijn leden en speelt een fundamentele rol bij de veiligheid van Europa als geheel. Evenzeer moet het recht van de niet bij het Bondgenootschap aangesloten Staten om zelf over hun defensie te beslissen, gerespecteerd worden.

Velen van ons vinden dat de Conferentie moet onderzoeken hoe de ontwikkeling van het Europese operationele potentieel gestimuleerd kan worden, hoe bevorderd kan worden dat er op bewapeningsgebied hechter wordt samengewerkt in Europa en hoe gezorgd kan worden voor meer samenhang tussen het militaire optreden en de politieke, economische en humani taire aspecten van de Europese crisisbeheersing.

Tegen deze achtergrond wensen velen van ons de betrekkingen tussen de EU en de West- Europese Unie (WEU) verder te verstevigen, omdat dit een wezenlijk deel uitmaakt van de ontwikkeling van de Unie.

In dat verband is in de Groep al een aantal mogelijkheden voor de toekomstige ontwikkeling van deze verhouding aangedragen. Zo wordt gepleit voor een versterkt partnerschap tussen de EU en de WEU, maar met behoud van de volledige autonomie van de WEU. Verder is geopperd de banden aan te halen zodat de Unie ten opzichte van de WEU een sturende rol kan vervullen in geval van humanitaire acties en operaties op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing (de zogeheten taken van Petersberg). Als derde mogelijkheid is genoemd dat deze Petersbergtaken in het Verdrag worden opgenomen. De vierde mogelijkheid : geleidelijke integratie van de WEU in de EU, kreeg van velen van ons bijval ; om dit te kunnen verwezenlijken, zou de EU/WEU-convergentie bevorderd kunnen worden doordat de WEU zich ertoe verbindt in geval van operationeel-militaire aangelegenheden als uitvoerend orgaan van de Unie te fungeren, maar daarnaast is het ook denkbaar dat in fasen naar een volledige EU/WEU-fusie wordt toegewerkt. In het laatste geval zouden niet alleen de Petersbergtaken in het Verdrag worden opgenomen, maar zou ook een collectieve verbintenis op defensiegebied een plaats krijgen in de tekst van het Verdrag zelf of in een daaraan gehecht protocol.

In dit verband hebben enkele leden geopperd dat door de IGC wordt onderzocht of in het herziene Verdrag een bepaling kan worden opgenomen over wederzijdse bijstand voor de verdediging van de buitengrenzen van de Unie.

Het is aan de Conferentie deze en andere mogelijkheden te overwegen.

..........

Europa en democratie zijn twee begrippen die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Tot nog toe zijn alle besluiten bij de opbouw van Europa door de democratische Regeringen van de Lid-Staten in onderling overleg genomen, door de nationale Parlementen bekrachtigd en door onze bevolkingen gesteund. Zó moet ook aan de toekomst worden gebouwd.

Wij beseffen dat deze beschouwingen van de Groep slechts één schakel vormt in een openbare discussie waartoe de Europese Raad de aanzet heeft gegeven en die door de Europese Raad wordt gestuurd. Moge dit openbaar en gemeenschappelijk overleg tussen onze landen leiden tot hernieuwde steun voor een project dat vandaag meer dan ooit noodzakelijk is voor Europa.

(1) Volgens artikel 109 J, lid 1, bevatten de verslagen van de Commissie en het EMI een onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van elke Lid-Staat, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, met artikel 107 en artikel 108 van het Verdrag en de statuten van het ESCB (in artikel 108 wordt bepaald dat de nationale wetgeving uiterlijk op de datum van oprichting van het ESCB verenigbaar moet zijn met het Verdrag en met de statuten van het ESCB).

(2) In de samenstelling van Staatshoofden en Regeringsleiders (artikel 109 J, lid 4).

(3) Regeringen van de deelnemende Lid-Staten op het niveau van Staatshoofden en Regeringsleiders, in onderlinge overeenstemming (artikel 109 L, lid 1).

(4) Deelnemende Lid-Staten (artikel 105 A, lid 2, en artikel 109 K, lid 4).

(5) De Raad besluit met eenparigheid van stemmen van de deelnemende Lid-Staten.

(6) Deelnemende Lid-Staten.

(7) (1) De Parlementaire Associatiecommissie met de Tsjechische Republiek vergadert op 18 december.


© Europees Parlement: 1998