Ga naar de inhoud
 
 
 

Begrotingsprocedure

 .

Hoe wordt de begroting vastgesteld?

Het uitgangspunt van de begrotingsprocedure is het voorontwerp van begroting van de Commissie. Het Europees Parlement en de Raad stellen de hoogte van de uitgaven voor de afzonderlijke posten vast, waarna de definitieve begroting door het Europees Parlement wordt vastgesteld. Zowel de Raad als het Parlement debatteert doorgaans tweemaal over de ontwerpbegroting van de Commissie voordat deze wordt vastgesteld. In deze "lezingen" wordt het voorstel onderzocht om eventueel wijzigingen in de totale kredieten voor te stellen of de kredieten anders te verdelen. In de loop van deze procedure komen de Commissie, de Raad en het Parlement geregeld bijeen om te trachten het eens te worden over de begroting.

Introductiedag EPAS maart 2017
Introductiedag EPAS maart 2017

Het uitgangspunt van de begrotingsprocedure is het voorontwerp van begroting van de Commissie. Het Europees Parlement en de Raad stellen de hoogte van de uitgaven voor de afzonderlijke posten vast, waarna de definitieve begroting door het Europees Parlement wordt vastgesteld. Zowel de Raad als het Parlement debatteert doorgaans tweemaal over de ontwerpbegroting van de Commissie voordat deze wordt vastgesteld. In deze "lezingen" wordt het voorstel onderzocht om eventueel wijzigingen in de totale kredieten voor te stellen of de kredieten anders te verdelen. In de loop van deze procedure komen de Commissie, de Raad en het Parlement geregeld bijeen om te trachten het eens te worden over de begroting.

De begroting van de EU wordt vastgelegd per periode van één jaar, van 1 januari tot 31 december; het overkoepelende financiële kader, de financiële perspectieven, voor de begroting van de EU wordt door de Commissie, de Raad en het Europees Parlement voor een aantal jaren ineens in de interinstitutionele akkoorden vastgelegd. De vaststelling van de begrotingen voor individuele jaren vindt plaats tegen de achtergrond van deze akkoorden, waarin meerjarige uitgavenplafonds worden gesteld aan de individuele uitgavencategorieën in de EU-begroting.

De grondslag voor de vaststelling van de begroting van de EU is gelegen in artikel 272 van het Verdrag. Daarnaast staan meer gedetailleerde bepalingen over de begro-tingsvaststelling en -uitvoering, enz. in het Financieel Reglement en in een aantal akkoorden tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement over het verloop van de procedure. Daarom geeft artikel 272 geen volledig beeld van de wijze van vaststelling van de EU-begroting.

 .

Commissie dient een voorontwerp van begroting in

De begrotingsprocedure begint met een voorontwerp van begroting dat door de Commissie is opgesteld. Ieder EU-orgaan maakt een raming van de verwachte uitgaven; op basis van deze ramingen maakt de Commissie het voorontwerp van begroting.

Op grond van artikel 272 van het Verdrag moet het voorontwerp van begroting van de Commissie uiterlijk op 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan de Raad worden voorgelegd. De instellingen hebben echter onderling een ander tijdsschema afgesproken, waarin de ontwerpbegroting uiterlijk 15 juni moet worden ingediend; in de praktijk legt de Commissie meestal begin mei het voorontwerp van begroting aan de Raad voor.

Wanneer zich omstandigheden voordoen die de Commissie niet kende toen zij haar voorstel opstelde, krijgt de Commissie de gelegenheid het voorontwerp te wijzigen, doch uiterlijk tot 30 dagen vóór de eerste lezing van het voorstel in het Europees Parlement.

 .

Eerste lezing in de Raad

De eerste lezing van de Raad vindt normaliter plaats in juli; na de lezing in de Raad wordt de ontwerpbegroting uiterlijk op 5 oktober aan het Europees Parlement voorgelegd.

Na de eerste lezing van het voorontwerp van begroting in de Raad wordt het voorstel "ontwerpbegroting" genoemd. Tijdens zijn eerste lezing van het voorlopige voorstel, en na overleg met een delegatie van het Europees Parlement, keurt de Raad het voorstel en eventuele voorgestelde amendementen goed bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad het voorstel wil wijzigen, moet hij een advies van de Commissie en van eventuele andere betrokken instellingen inwinnen.

 .

Eerste lezing in het Europees Parlement

De Raad stelt meestal een aantal wijzigingen vast, waarna de ontwerpbegroting aan het Europees Parlement wordt toegezonden.

Het Europees Parlement moet vervolgens binnen een termijn van 45 dagen zijn advies geven. De begroting wordt geacht definitief te zijn vastgesteld wanneer het Parlement zijn definitieve goedkeuring aan de ontwerpbegroting hecht, of binnen de genoemde periode geen advies geeft.

Het komt echter veel vaker voor dat het Parlement amendementen op de begroting voorstelt. Deze amendementen kunnen zijn:

a. Amendementen op de ontwerpbegroting met betrekking tot de niet-verplichte uitgaven, die bij meerderheid van de stemmen in het Parlement worden vastgesteld (ten minste 369 stemmen op het totaal van 736);
b. Amendementen met betrekking tot verplichte uitgaven, die bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden vastgesteld.

Nadat de amendementen zijn vastgesteld wordt de gewijzigde ontwerpbegroting voor een tweede lezing aan de Raad gezonden.

 .

Tweede lezing in de Raad

Nadat het Parlement een gewijzigde ontwerpbegroting heeft voorgesteld, dient de Raad binnen een termijn van 15 dagen zijn advies hierover te geven. Deze tweede lezing in de Raad vindt normaliter in de derde week van november plaats. Wanneer de Raad alle door het Parlement voorgestelde amendementen aanvaardt, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld. Wanneer de Raad besluit niet akkoord te gaan met de amendementen van het Parlement, geldt het volgende:

 .

Verplichte uitgaven

a. Wanneer de amendementen van het Parlement niet leiden tot een verhoging van de totale uitgaven van het betrokken orgaan, kan de Raad de amendementen slechts bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen verwerpen.

Wanneer de Raad hiertoe besluit, kan hij vervolgens zelf bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander bedrag vaststellen. Wanneer de Raad hiertoe niet besluit, wordt de ontwerpbegroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

b. Wanneer de amendementen van het Parlement wel tot een toename van de totale uitgaven van het betrokken orgaan leiden, is een gekwalificeerde meerderheid in de Raad vereist om de amendementen goed te keuren.

Wanneer de Raad hiertoe niet besluit wordt het voorstel geacht te zijn verworpen en kan de Raad zelf bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander bedrag vaststellen.

De Raad heeft dus het laatste woord over de vaststelling van de verplichte uitgaven, waarna het Parlement geen veranderingen meer kan aanbrengen. Voor niet-verplichte uitgaven is de situatie anders.

 .

Niet-verplichte uitgaven

De Raad kan bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen de door het Parlement voorgestelde amendementen op de niet-verplichte uitgaven wijzigen of verwerpen. Het definitieve besluit over amendementen met betrekking tot niet-verplichte uitgaven wordt echter in het Europees Parlement genomen.

 .

Tweede lezing in het Europees Parlement

De ontwerpbegroting wordt inclusief de wijzigingen van de Raad toegezonden aan het Europees Parlement, dat vervolgens een termijn van vijftien dagen heeft voor zijn tweede en laatste lezing van de begroting. De tweede lezing van het Europees Parlement vindt meestal in december plaats.

Wanneer het Parlement zijn standpunt niet binnen de genoemde termijn van vijftien dagen kenbaar maakt, wordt de begroting geacht te zijn vastgesteld inclusief de door de Raad voorgestelde wijzigingen.

 .

Niet-verplichte uitgaven

Wat betreft de wijzigingen van de Raad op de niet-verplichte uitgaven kan het Parlement besluiten de door de Raad aangebrachte wijzigingen in de amendementen van het Parlement te wijzigen dan wel te verwerpen, en wel bij een meerderheid van de 736 stemmen in het Parlement, mits dit aantal tevens minimaal drievijfde van de uitgebrachte stemmen is.

Een dergelijk besluit betekent dat de begroting definitief is vastgesteld en dat het Parlement het laatste woord heeft gehad.

In zijn tweede lezing kan het Parlement niet debatteren over de door de Raad voorgestelde wijzigingen op de verplichte uitgaven.

 .

Verwerping van de begroting

Het Parlement kan echter ook, bij een meerderheid van het totaal van 736 leden, mits dit aantal tevens minimaal drievijfde van het aantal uitgebrachte stemmen is, de ontwerpbegroting in haar geheel verwerpen. Dit betekent dat de hele procedure van voren af aan moet worden doorlopen op basis van een nieuwe ontwerpbegroting. Wanneer het voorstel niet wordt aanvaard, zal de EU handelen op basis van maandelijkse kredieten van telkens ééntwaalfde van de begroting van het voorgaande jaar (het systeem van de voorlopige twaalfden). In de geschiedenis van de EU heeft het Parlement de begroting driemaal verworpen.

 .

Verplichte en niet-verplichte uitgaven

Een aspect dat de begrotingsprocedure ingewikkeld maakt, is het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven. De mate van invloed van het Europees Parlement is afhankelijk van de vraag of het om verplichte dan wel niet-verplichte uitgaven gaat.

Het Parlement heeft het laatste woord over niet-verplichte uitgaven, terwijl de Raad het laatste woord heeft over verplichte uitgaven.

Op grond van artikel 272 zijn de verplichte uitgaven "de uitgaven die verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten". Dit betekent dat de verplichte uitgaven wettelijk geregelde uitgaven zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld uitgaven zijn waarop de boeren recht hebben, of uitgaven waarop een derde land op grond van overeenkomsten met de EU aanspraak kan maken.

De niet-verplichte uitgaven hebben betrekking op kredieten waarop kan worden bezuinigd. In de praktijk heeft het onderscheid tussen de twee soorten uitgaven aanleiding gegeven tot conflicten tussen de Raad en het Europees Parlement