Wetgevende bevoegdheden 

Hoe werkt het wetgeving proces?

Het Europees Parlement speelt een essentiële rol in de EU-besluitvorming als een van de twee medewetgevers van de EU, naast de Raad.

De overgrote meerderheid van de Europese wetten wordt gezamenlijk aangenomen door het Europees Parlement en de Raad, na een voorstel van de Europese Commissie. Deze procedure staat bekend als de normale wetgevingsprocedure of medebeslissing.

In sommige gevallen voorzien de Europese verdragen speciale wetgevingsprocedures, zoals raadpleging en goedkeuring, waarbij het Parlement niet op gelijke voet staat met de Raad zoals in de normale wetgevingsprocedure.

Het werk van het Parlement aan een wetgevende tekst begint wanneer het een voorstel ontvangt van de Europese Commissie, de instelling die de wetgeving initieert. Het voorstel wordt doorverwezen naar een commissie en een Europarlementslid wordt aangewezen om een verslag op te stellen. Dit lid staat bekend als rapporteur. Als de wetgeving brede onderwerpen behandelt, kunnen corapporteurs van verschillende commissies worden aangesteld.

Na debatten tussen vertegenwoordigers van politieke fracties en overleg op zoek naar een compromis, stemt de parlementaire commissie over het ontwerpverslag en wijzigt het eventueel. Wanneer de tekst herzien en aangenomen is in de plenaire vergadering, heeft het Parlement zijn standpunt bepaald.

De normale wetgevingsprocedure 

Gewone wetgevingsprocedure

  1. Voorstel van de Commissie

    De Europese Commissie dient een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement.

    Actoren met recht van initiatief:
    • Europese Investeringsbank
    • Europese Centrale Bank
    • Europees Parlement
    • Burgerinitiatief van het Europees Parlement
    • Een vierde van de lidstaten

    In detail:

    Termijnen

    Er is geen tijdslimiet voor het indienen van een Commissievoorstel.

    Stemmingen

    Het college van commissarissen stelt Commissievoorstellen vast volgens de schriftelijke procedure (zonder bespreking) of de mondelinge procedure (met bespreking). Als er om een stemming wordt gevraagd, besluit de Commissie met gewone meerderheid van stemmen.

    Inspraak van de burger

    1. Als u vindt dat de EU het initiatief moet nemen om een wetgevingsvoorstel in te dienen, hebt u verschillende mogelijkheden:

      1. een burgerinitiatief opzetten – als u binnen een jaar ten minste één miljoen handtekeningen van EU-burgers uit ten minste zeven lidstaten verzamelt, kunt u de Europese Commissie vragen op te treden op een gebied dat onder haar bevoegdheid valt. Meer over het burgerinitiatief

      2. lobbyen bij een lid van het Europees Parlement

        1. om een procedure in te leiden waarbij het Parlement de Commissie vraagt een wetgevingsvoorstel in te dienen. Dit is alleen mogelijk als het Parlement vindt dat EU-wetgeving nodig is om de Verdragen te helpen uitvoeren. Als de Commissie weigert om een voorstel in te dienen, moet zij deze weigering toelichten.

        2. om te verzoeken een parlementaire commissie een initiatiefverslag te laten opstellen. Zo’n verslag is niet bindend, maar kan na goedkeuring door het Parlement druk uitoefenen op de Commissie om nieuwe voorstellen in te dienen.

        3. om een vraag te stellen aan de Commissie, naar aanleiding waarvan de Commissie een wetgevingsvoorstel kan overwegen. Meer over vragen

      3. een verzoekschrift indienen bij het Europees Parlement. Meer over verzoekschriften

    2. Wanneer de Commissie van plan is wetgeving op te stellen of te herzien, houdt zij meestal een openbare raadpleging, zodat belanghebbenden en deskundigen hun mening kunnen geven. Meer over openbare raadplegingen

    Resultaat

    Het document dat de Commissie voorstelt, is een voorstel voor een verordening (of richtlijn of besluit) van het Europees Parlement en de Raad betreffende [onderwerp].

    Het referentienummer van het document ziet er als volgt uit: COM(jaartal in 4 cijfers)4 cijfers.

    Statistieken

    Onder leiding van voorzitter Jean-Claude Juncker (2014-2019) heeft de Commissie 396 voorstellen ingediend volgens de gewone wetgevingsprocedure. Dit aantal ligt lager dan de 584 voorstellen van de tweede Commissie onder leiding van José Manuel Barroso (2009-2014), de 508 voorstellen van de eerste Commissie-Barroso (2004-2009) en de 432 voorstellen van de Commissie onder leiding van Romano Prodi (1999-2004).

    Dit lagere aantal heeft te maken met het bewuste besluit van de Commissie-Juncker bij het begin van haar ambtsperiode om “minder, maar efficiënter op te treden”. Tegelijkertijd was er een groot aantal brede voorstellen die betrekking hadden op meerdere beleidsterreinen en door twee of meer parlementaire commissies moesten worden behandeld.

    Volledige beschrijving

    De Commissie stelt ofwel op eigen initiatief wetgevingsvoorstellen op, ofwel op verzoek van andere EU-instellingen of van EU-landen, ofwel naar aanleiding van een burgerinitiatief. Vaak gaan hier openbare raadplegingen aan vooraf. Het definitieve voorstel wordt tegelijk aan het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen toegezonden, en in sommige gevallen ook aan het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en sociaal Comité.

    1. De gewone wetgevingsprocedure begint met het indienen van een wetgevingsvoorstel bij het Europees Parlement en de Raad.

    2. De gewone wetgevingsprocedure is momenteel van toepassing op 85 afgebakende beleidsterreinen die de meeste gebieden bestrijken waarop de EU bevoegd is.

    3. Het “initiatiefrecht” komt toe aan de Europese Commissie. Zij is bevoegd voor het indienen van de meeste wetgevingsvoorstellen. Het Parlement en de Raad kunnen de Commissie echter verzoeken om met een voorstel te komen, en in enkele nauwkeurig omschreven gevallen kunnen andere instellingen voorstellen indienen.

    4. Het Parlement kan (met een meerderheid van zijn leden) de Commissie om indiening van een voorstel verzoeken wanneer het van mening is dat EU-wetgeving nodig is met het oog op de uitvoering van de Verdragen. Als de Commissie weigert om een voorstel in te dienen, moet zij deze weigering motiveren.

    5. De Raad kan (met gewone meerderheid) de Commissie verzoeken studies te verrichten die de ministers wenselijk achten ter verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen, en de Commissie verzoeken passende voorstellen bij de Raad in te dienen.

    6. In de volgende zeer specifieke gevallen bieden de Verdragen de mogelijkheid om de gewone wetgevingsprocedure te starten:

      • op initiatief van een kwart van de lidstaten (justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking)

      • op aanbeveling van de Europese Centrale Bank (bepaalde artikelen van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank)

      • op verzoek van het Hof van Justitie van de Europese Unie (instelling van gespecialiseerde rechtbanken die worden toegevoegd aan het Gerecht en die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden, bepaalde artikelen van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie)

      • op verzoek van de Europese Investeringsbank

    7. Een voorstel van de Commissie kan ook een gevolg zijn van een Europees burgerinitiatief.

    8. Het voorstel van de Commissie is het resultaat van een uitgebreid raadplegingsproces, dat op verschillende manieren kan plaatsvinden (verplichte effectbeoordeling, rapporten van deskundigen, raadpleging van nationale deskundigen, internationale organisaties en/of niet-gouvernementele organisaties, raadpleging via groenboeken en witboeken, enz.).

    9. Ook tussen de verschillende afdelingen van de Commissie wordt een raadplegingsproces gehouden om te garanderen dat met alle aspecten van de betrokken materie rekening wordt gehouden (overleg tussen diensten).

    10. Het Commissievoorstel wordt gewoonlijk door het college van commissarissen goedgekeurd via een schriftelijke procedure (zonder bespreking in het college) of een mondelinge procedure (het dossier wordt in het college van commissarissen besproken) en wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.

    11. De Commissie legt haar wetgevingsvoorstel (normaal gesproken voor een verordening, richtlijn of besluit) aan het Europees Parlement en de Raad voor, maar ook aan alle nationale parlementen van de EU en, waar van toepassing, aan het Comité van de Regio’s en het Economisch en Sociaal Comité.

    Rol van de nationale parlementen
    1. Krachtens Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen en Protocol nr. 2 betreffende de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bij het Verdrag betreffende de Europese Unie kunnen de nationale parlementen binnen een termijn van acht weken een gemotiveerd advies uitbrengen als ontwerpwetgeving naar hun mening niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Ieder nationaal parlement heeft twee stemmen. In een parlementair stelsel met twee kamers heeft elk van de twee kamers één stem.

    2. Indien ten minste een derde van de nationale parlementen van mening is dat de ontwerpwetgeving niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, moet het ontwerp opnieuw in overweging worden genomen (“gele kaart”). De drempel wordt verlaagd tot een vierde wanneer het een ontwerp van wetgevingshandeling betreft dat is ingediend op basis van artikel 76 VWEU (justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking). Na de heroverweging op grond van een “gele kaart” kan de indienende instelling (meestal de Commissie) besluiten de wetgeving te handhaven, te wijzigen of in te trekken.

    3. Voorts moet in het kader van de gewone wetgevingsprocedure ook indien een gewone meerderheid van de nationale parlementen van mening is dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, het voorstel opnieuw door de Commissie in overweging worden genomen (“oranje kaart”). Op grond van een dergelijke heroverweging kan de Commissie besluiten het voorstel te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Als de Commissie besluit het voorstel te behouden, moet zij haar standpunt motiveren. Vervolgens moeten het Europees Parlement en de Raad, alvorens de eerste lezing af te ronden, nagaan of het voorstel verenigbaar is met het subsidiariteitsbeginsel. Als het Parlement met een gewone meerderheid van zijn leden of de Raad met een meerderheid van 55 % van zijn leden van mening is dat het voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, wordt het niet verder behandeld.

    4. Het Economisch en Sociaal Comité (ESC) en het Comité van de Regio’s (CvdR) moeten door de Commissie en de Raad worden geraadpleegd over bepaalde aangelegenheden of wanneer de Raad dit opportuun acht. Zo moet het ESC advies uitbrengen over het economisch en sociaal beleid en moet het CvdR worden geraadpleegd als het over milieu, onderwijs en vervoer gaat. De Raad of de Commissie kan een termijn vaststellen voor het uitbrengen van een advies. Ook het Europees Parlement heeft de mogelijkheid de twee comités te raadplegen. Daarnaast kunnen de comités ook op eigen initiatief een advies uitbrengen.

  2. Eerste lezing door het Parlement

    Tijdens de eerste lezing behandelt het Europees Parlement het Commissievoorstel, waarbij het kan besluiten het voorstel goed te keuren zonder wijzigingen, of amendementen op het voorstel in te dienen.

    In detail:

    Termijnen

    Voor de eerste lezing door het Parlement is er geen tijdslimiet.

    Stemmingen

    In de commissies en de plenaire vergadering wordt gestemd met een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

    Inspraak van de burger

    Wanneer het voorstel aan het Parlement wordt toegezonden, nemen de rapporteur en de “schaduwrapporteurs” (leden die gewoonlijk door elk van de fracties worden aangewezen om een procedure te volgen) meestal contact op met belanghebbende partijen om verschillende standpunten te verzamelen. Ook u kunt uw standpunt kenbaar maken bij de rapporteur en schaduwrapporteurs, een ander lid van de parlementaire commissie of gelijk welk lid van het Parlement.

    In de commissiefase kunnen amendementen alleen worden ingediend door een gewoon lid of plaatsvervangend lid van de betrokken commissie. In de plenaire vergadering moeten amendementen worden ingediend door de bevoegde commissie, een fractie of ten minste 36 leden (een twintigste van de leden van het Parlement).

    De parlementaire commissies houden soms hoorzittingen die u eventueel kunt bijwonen.

    De vergaderingen van de commissies en de plenaire vergadering worden live op internet uitgezonden via webstreaming. U kunt ze volgen via deze link

    U kunt uw parlementslid laten weten welke van de ingediende amendementen volgens u al dan niet nuttig zijn.

    Resultaat

    Het Parlement stelt een standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vast.

    Statistieken

    Tijdens de 8e zittingsperiode (2014-2019) was de Commissie burgerlijke vrijheden bevoegd voor 13 % van alle dossiers volgens de gewone wetgevingsprocedure, gevolgd door de Commissie economische en monetaire zaken, die bevoegd was voor 12 % van alle dossiers. De Commissie milieubeheer en de Commissie vervoer behandelden elk 11 % van alle dossiers.

    Als we vergelijken met de 7e zittingsperiode (2009-2014), dan zien we dat toen 14 % van de dossiers volgens de medebeslissingsprocedure of gewone wetgevingsprocedure werd behandeld door de Commissie milieubeheer, 11 % door de Commissie economische en monetaire zaken, en 10 % door de Commissie internationale handel en de Commissie burgerlijke vrijheden.

    Volledige beschrijving

    De voorzitter van het Europees Parlement verwijst het voorstel naar een parlementaire commissie. Die wijst een rapporteur aan die tot taak heeft een ontwerpverslag op te stellen met amendementen op de voorgestelde tekst. De commissie stemt over dit verslag en over eventuele amendementen op het verslag die door andere leden zijn ingediend. Op basis van het verslag van de commissie en de amendementen wordt het wetgevingsvoorstel vervolgens door het Europees Parlement besproken en ter stemming gebracht in de plenaire vergadering. Het uiteindelijke resultaat is het standpunt van het Parlement in eerste lezing. Het Parlement kan het voorstel ongewijzigd goedkeuren of amendementen voorstellen. Het kan het Commissievoorstel ook verwerpen en de Europese Commissie verzoeken het voorstel in te trekken. Het standpunt van het Parlement in eerste lezing wordt aan de Raad toegezonden.

    1. Wanneer een wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie bij het Europees Parlement binnenkomt, overlegt de Voorzitter met de relevante technische diensten en verwijst hij het voorstel naar de bevoegde commissie.

    2. Bepalend voor de keuze van de commissie is het onderwerp waarop het voorstel betrekking heeft.

    3. Andere commissies kunnen de mogelijkheid krijgen een advies uit te brengen als het onderwerp ook voor hen van belang is.

    4. Bij onenigheid over de bevoegdheid, bijvoorbeeld als de aangelegenheid bijna in gelijke mate onder de bevoegdheid van twee of meer commissies valt, neemt de Conferentie van voorzitters een besluit over de te volgen procedure, op basis van een aanbeveling van de Conferentie van commissievoorzitters.

    5. Bevoegdheidsconflicten kunnen worden opgelost door de procedure met medeverantwoordelijke commissies of de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen en gezamenlijke stemming toe te passen.

    6. Een medeverantwoordelijke commissie werkt gelijktijdig met de bevoegde commissie aan het voorstel, volgens een gezamenlijk overeengekomen tijdschema. De rapporteurs van beide commissies bekijken welke delen van de tekst onder hun exclusieve of gedeelde bevoegdheid vallen en spreken nauwkeurig af hoe zij zullen samenwerken. De rapporteurs houden elkaar op de hoogte en trachten het onderling eens te worden over de teksten die ze aan hun commissies zullen voorstellen en over hun standpunt met betrekking tot amendementen. De bevoegde commissie moet de amendementen van een medeverantwoordelijke commissie zonder stemming overnemen wanneer zij betrekking hebben op aangelegenheden die onder de exclusieve bevoegdheid van de medeverantwoordelijke commissie vallen.

    7. Als er tussen een bevoegde commissie en een medeverantwoordelijke commissie onenigheid bestaat over de bevoegdheid, kan de Conferentie van voorzitters bepalen hoe de bevoegdheden worden verdeeld, of kan zij kiezen voor gezamenlijke commissievergaderingen als beide commissies in gelijke mate bevoegd zijn.

    8. In het geval van de gezamenlijke commissieprocedure stellen de betrokken rapporteurs één ontwerpverslag op dat in gezamenlijke commissievergaderingen onder gezamenlijk voorzitterschap door de betrokken commissies wordt behandeld en in stemming wordt gebracht.

    9. De bevoegde parlementaire commissie controleert eerst de rechtsgrond van het voorstel. Zij kan advies inwinnen bij de voor juridische zaken bevoegde commissie, die ook op eigen initiatief kan besluiten de rechtsgrond te controleren.

    10. Als het voorstel financiële gevolgen heeft, moet de bevoegde commissie ook nagaan of het verenigbaar is met het meerjarig financieel kader, d.w.z. of er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Ook de voor begrotingsaangelegenheden bevoegde commissie kan op eigen initiatief een financiële controle uitvoeren.

    11. Als de bevoegde commissie, een fractie of ten minste 36 leden van mening zijn dat het voorstel of delen ervan niet stroken met de grondrechten van de EU, kan het voorstel worden verwezen naar de voor de bescherming van de grondrechten bevoegde commissie (de Commissie burgerlijke vrijheden).

    12. Zodra een voorstel naar een bevoegde commissie is verwezen, benoemt deze commissie een van haar leden tot rapporteur. In de praktijk beslissen de coördinatoren als vertegenwoordigers van de fracties welke fractie het verslag zal opstellen. Die fractie draagt een van haar commissieleden of vaste plaatsvervangers voor als rapporteur.

    13. Rapporteurs kunnen aan de hand van het jaarlijkse wetgevingsprogramma van de Commissie van tevoren worden aangewezen, zodat zij het voorstel al kunnen volgen tijdens de voorbereidingsfase, voor het bij het Parlement wordt ingediend.

    14. De andere fracties kunnen een schaduwrapporteur benoemen, die belast wordt met het voorbereiden van het fractiestandpunt en het volgen van de werkzaamheden van de rapporteur.

    15. De rapporteur loodst het voorstel door de diverse stadia van de procedure en verstrekt daarbij advies aan de commissie (tijdens de behandeling in de commissiefase) en het Parlement als geheel (in de plenaire fase) over de globale benadering.

    16. Het is de taak van de rapporteur een ontwerpverslag met zijn/haar amendementen op het Commissievoorstel aan de commissie te presenteren.

    17. De parlementaire commissie komt gewoonlijk meerdere malen bijeen om het ontwerpverslag te behandelen.

    18. Bij controversiële of “technische” dossiers is het niet ongebruikelijk dat er hoorzittingen met deskundigen worden georganiseerd of dat er opdracht wordt gegeven om studies of effectbeoordelingen te laten uitvoeren.

    19. Tijdens debatten in de commissie kan de Europese Commissie haar voorstel komen verdedigen en vragen van leden van de commissie beantwoorden.

    20. Aangezien de Raad en het Parlement het Commissievoorstel op het hetzelfde moment ontvangen en eraan beginnen te werken, is het gebruikelijk dat de parlementaire commissie de Europese Commissie en de Raad verzoekt op de hoogte te worden gehouden van de vorderingen in de Raad en zijn werkgroepen met betrekking tot het voorstel.

    21. Medeverantwoordelijke en adviserende commissies dienen hun advies in bij de hoofdcommissie.

    22. Alle gewone of plaatsvervangende leden van de commissie kunnen amendementen indienen vóór het verstrijken van de door de bevoegde commissie vastgestelde termijn. Alle amendementen worden in stemming gebracht in de bevoegde commissie, die met gewone meerderheid stemt.

    23. Voordat de bevoegde commissie een eindstemming houdt over een voorstel voor een wetgevingshandeling, verzoekt zij de Europese Commissie haar standpunt over alle door de commissie goedgekeurde amendementen uiteen te zetten en vraagt zij de Raad om commentaar.

    24. Na goedkeuring van het verslag in de commissie wordt het toegevoegd aan de agenda van de plenaire vergadering.

    25. Een fractie of ten minste 36 leden kunnen amendementen op het verslag indienen, die in de plenaire vergadering in stemming worden gebracht. In de regel wordt de termijn voor de indiening van nieuwe amendementen in de plenaire vergadering vastgesteld op 12 uur op de woensdag van de week voorafgaand aan de vergaderperiode.

    26. In de plenaire vergadering bespreken de leden het wetgevingsvoorstel aan de hand van het door de bevoegde commissie opgestelde verslag met daarin de eventueel voorgestelde amendementen, een ontwerpwetgevingsresolutie en, in voorkomend geval, een toelichting van de rapporteur.

    27. Tijdens het plenaire debat en vóór de stemming maakt het aanwezige lid van de Europese Commissie het standpunt van de Commissie over de ingediende amendementen bekend en licht dit standpunt toe. Dit standpunt van de Commissie over de amendementen van het Parlement is in het college van commissarissen goedgekeurd.

    28. Het Parlement stemt eerst over de amendementen op het Commissievoorstel. Dan stemt het over het al dan niet gewijzigde voorstel, gevolgd door een stemming over eventuele amendementen op de ontwerpwetgevingsresolutie. De wetgevingsresolutie bevat alleen een verklaring waarin wordt aangegeven of het Parlement het voorstel goedkeurt, verwerpt of wijzigt. Hierin kunnen ook specifieke verzoeken aan andere instellingen of verduidelijkingen worden opgenomen.

    29. Bij alle genoemde stemmingen is een gewone meerderheid vereist, d.w.z. een meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

    30. Het Parlement kan:

      • het voorstel als geheel verwerpen;

      • het voorstel zonder amendementen goedkeuren

      • het voorstel met amendementen goedkeuren

    31. Alvorens tot stemming over eventuele amendementen over te gaan, kan de Voorzitter de Europese Commissie verzoeken haar standpunt kenbaar te maken en de Raad om commentaar verzoeken.

    32. Als de bevoegde commissie, een fractie of ten minste 36 leden een voorstel tot verwerping indienen dat vervolgens wordt goedgekeurd, verzoekt de voorzitter van het Parlement de Europese Commissie haar voorstel in te trekken. Als de Commissie hierop ingaat, stopt de wetgevingsprocedure. Als de Commissie weigert, kan het Parlement besluiten de zaak terug te verwijzen naar de bevoegde commissie. Ook als voor het al dan niet gewijzigde Commissievoorstel niet de meerderheid van de uitgebrachte stemmen wordt verkregen, kan de zaak worden terugverwezen naar de bevoegde commissie.

    33. De tekst van het voorstel in de door het Parlement goedgekeurde versie en de bijbehorende resolutie worden door de Voorzitter als standpunt van het Parlement aan de Raad en de Commissie toegezonden.

    34. Zodra het Parlement zijn eerste lezing heeft beëindigd, kan de Commissie een “gewijzigd voorstel” indienen waarin een aantal van de amendementen van het Parlement zijn verwerkt.

    35. In het Verdrag is geen tijdslimiet bepaald voor de eerste lezing door het Parlement.

    Onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad
    1. Sinds het Verdrag van Amsterdam is het mogelijk een gewone wetgevingsprocedure in eerste lezing te beëindigen. De laatste jaren is er een groeiende tendens om in eerste lezing tot een akkoord te komen. Hiervoor moeten de medewetgevers (het Parlement en de Raad) aan de onderhandelingstafel gaan zitten, tenzij beide het Commissievoorstel goedkeuren zonder wijzigingen of het eens zijn over kleine technische wijzigingen waarover niet moet worden onderhandeld.

    2. Als de parlementaire commissie onderhandelingen met de Raad wil beginnen met het oog op een akkoord in eerste lezing, kan ze hiertoe na de goedkeuring van haar verslag een besluit nemen met een volstrekte meerderheid.

    3. Het commissieverslag vormt het onderhandelingsmandaat en wordt in de plenaire vergadering bekendgemaakt. Vervolgens hebben de leden 24 uur de tijd om bezwaar te maken. Als er binnen de gestelde termijn geen bezwaar wordt gemaakt, kan de commissie beginnen met de onderhandelingen. Als er wel bezwaar wordt gemaakt, wordt het mandaat in stemming gebracht in de plenaire vergadering: een mandaat kan worden goedgekeurd met een gewone meerderheid van de leden van het Parlement. Bij een verwerping van het mandaat worden het commissieverslag en eventuele amendementen op de agenda van de volgende plenaire vergadering geplaatst. Tijdens die vergadering kan het Parlement zijn standpunt in eerste lezing vaststellen of het voorstel terugverwijzen naar de commissie met het oog op onderhandelingen (op basis van de amendementen die in de plenaire vergadering zijn ingediend) of heroverweging.

    4. In plaats hiervan kan de commissie ook proberen onmiddellijk een mandaat van de plenaire vergadering te verkrijgen. In dat geval dient de commissie haar verslag in bij de plenaire vergadering, die nog voor de beëindiging van de stemming van het Parlement in eerste lezing kan besluiten het dossier terug te verwijzen naar de commissie met het oog op onderhandelingen, samen met eventuele amendementen die in de plenaire vergadering zijn goedgekeurd.

    5. Voor interinstitutionele onderhandelingen over wetgevingsvoorstellen wordt het onderhandelingsteam van het Parlement voorgezeten door de voorzitter van de bevoegde commissie. De rapporteur voor het dossier in kwestie speelt een belangrijke rol als verdediger van het standpunt van het Parlement. Ook de schaduwrapporteurs van de fracties krijgen een plaats in het team.

    6. Als de onderhandelingen met succes worden afgerond, stuurt de voorzitter van het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper), dat de dossiers van de Raad voorbereidt, de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie een brief waarin de Raad zich ertoe verbindt de amendementen van het Parlement goed te keuren als ze stroken met het gezamenlijk door de Raad en het Parlement bereikte compromis.

    7. Het voorlopig akkoord moet in de bevoegde commissie worden goedgekeurd met een gewone meerderheid van stemmen. Vervolgens wordt het akkoord door de bevoegde commissie ingediend bij de plenaire vergadering.

    8. Een voorlopig akkoord wordt prioritair behandeld in de plenaire vergadering. Stemmingen over een dergelijk akkoord vinden plaats na eventuele stemmingen over een voorstel tot verwerping, maar gewoonlijk voor de stemmingen over amendementen.

  3. Eerste lezing door de Raad

    Tijdens zijn eerste lezing kan de Raad het standpunt van het Parlement goedkeuren – in dat geval is de wetgevingshandeling aangenomen – of het standpunt van het Parlement wijzigen en voor een tweede lezing naar het Parlement terugsturen.

    In detail:

    Termijnen

    Voor de eerste lezing door de Raad is er geen tijdslimiet.

    Stemmingen

    De Raad besluit bij gekwalificeerde meerderheid, tenzij zijn standpunt afwijkt van dat van de Europese Commissie. In dat geval is eenparigheid van stemmen vereist.

    Inspraak van de burger

    U kunt nagaan welk standpunt uw regering over een wetgevingsvoorstel inneemt en uw opmerkingen en bezorgdheden doorgeven aan de betrokken nationale autoriteiten.

    Resultaat

    Als de Raad het standpunt van het Parlement ongewijzigd goedkeurt, wordt de wetgevingshandeling aangenomen en gepubliceerd als richtlijn (of verordening of besluit) van het Europees Parlement en de Raad.

    Als de Raad wijzigingen in het standpunt van het Parlement in eerste lezing voorstelt, wordt een nieuw document bekendgemaakt en spreken we van het standpunt van de Raad in eerste lezing.

    Statistieken

    Tijdens de zittingsperiode 2014-2019 werd er over 89 % van de dossiers een akkoord in eerste lezing bereikt, tegenover 85 % tijdens de zittingsperiode 2009-2014, 72 % in de periode 2004-2009 en 29 % in de periode 1999-2004.

    De gemiddelde tijd voor de goedkeuring van een Commissievoorstel in eerste lezing – vanaf de bekendmaking van het voorstel tot de ondertekening van de handeling na goedkeuring – bedroeg in de zittingsperiode 2014-2019 iets minder dan 18 maanden, tegenover 17 maanden in de periode 2009-2014, 16 maanden in de periode 2004-2009 en 11 maanden in de periode 1999-2004.

    Volledige beschrijving

    In de Raad worden al tijdens de eerste lezing door het Parlement voorbereidende werkzaamheden verricht, maar de Raad kan zijn eerste lezing pas formeel aanvatten op basis van het standpunt van het Parlement. De Raad kan het standpunt van het Parlement aanvaarden – in dat geval wordt de wetgevingshandeling aangenomen – of wijzigingen in het standpunt van het Parlement aanbrengen – dit vormt dan het standpunt van de Raad in eerste lezing, dat voor een tweede lezing naar het Parlement wordt gestuurd.

    1. Het voorstel van de Commissie wordt aan de Raad toegezonden op hetzelfde moment waarop het naar het Europees Parlement gaat.

    2. Het voorbereidende werk in de Raad loopt dus parallel met de werkzaamheden in het Europees Parlement, maar de Raad mag zijn standpunt pas goedkeuren nadat het Parlement zich heeft uitgesproken.

    3. De instellingen worden ertoe aangespoord om informatie uit te wisselen over de voortgang en het tijdschema van de onderhandelingen in het kader van de gewone wetgevingsprocedure.

    4. Net als voor het Parlement bestaat er voor de Raad geen tijdslimiet voor de eerste lezing.

    5. De besluiten van de Raad worden voorbereid in speciale werkgroepen die bestaan uit vertegenwoordigers van de lidstaten en worden voorgezeten door de vertegenwoordiger van het land dat het zesmaandelijks roulerend voorzitterschap bekleedt, waarbij het secretariaat van de Raad assistentie verleent. De werkgroepen brengen verslag uit aan het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper, deel I of II), dat alle op ministerieel niveau genomen Raadsbesluiten voorbereidt.

    6. In afwachting van het standpunt in eerste lezing kan de Raad een beginselakkoord sluiten, bekend onder de benaming “algemene oriëntatie”.

      1. Dit kan dienen als mandaat van de Raad voor de onderhandelingen met het Parlement.

      2. Gewoonlijk stelt de Raad echter een onderhandelingsmandaat vast in het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper). Na afloop van de onderhandelingen met het Parlement, of in het geval er niet wordt onderhandeld, sluit de Raad eerst een “politiek akkoord” waarin de algemene lijnen van het voorgestelde standpunt in eerste lezing worden uiteengezet. Dit akkoord wordt vervolgens nader uitgewerkt door de werkgroep, gecontroleerd door de juristen-vertalers (juridische deskundigen voor elke taal die erop toezien dat de teksten juridisch en taalkundig correct zijn) en op een volgende vergadering formeel goedgekeurd als standpunt van de Raad in eerste lezing.

      In beide gevallen stelt de Raad zijn standpunt pas definitief vast nadat het de amendementen van het Parlement in eerste lezing en het daaruit voortvloeiende gewijzigde Commissievoorstel heeft ontvangen.

    7. Een standpunt in eerste lezing kan ofwel zonder debat worden goedgekeurd – wanneer in een voorbereidend stadium overeenstemming is bereikt (“A-punt” op de agenda) – ofwel met debat (“B-punt”). In uitzonderlijke gevallen verloopt de goedkeuring via een schriftelijke procedure. In de twee eerste gevallen zijn de beraadslagingen openbaar.

    8. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid, behalve over fiscaliteit, sociale zekerheid, buitenlands beleid, defensie en operationele politiesamenwerking, waarvoor unanimiteit vereist is.

    9. Voor de eerste lezing door de Raad zijn vier scenario’s mogelijk:

      1. Als het Parlement geen amendementen heeft goedgekeurd en de Raad geen wijzigingen in het Commissievoorstel wil aanbrengen, kan het voorstel door de Raad worden goedgekeurd met gekwalificeerde meerderheid. De handeling is dan aangenomen.

      2. Als het Parlement wel amendementen heeft goedgekeurd, wordt de handeling pas aangenomen als de Raad al die amendementen met gekwalificeerde meerderheid goedkeurt in het geval de Commissie die in haar gewijzigde voorstel heeft opgenomen, of met eenparigheid van stemmen als de Commissie dat niet heeft gedaan. Wanneer de Raad alle amendementen van het Parlement goedkeurt, is de handeling aangenomen.

      Vervolgens wordt de handeling ter ondertekening voorgelegd aan de voorzitters en secretarissen-generaal van het Parlement en de Raad en gepubliceerd in het Publicatieblad.

      1. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in het Verdrag is bepaald, wordt er algemeen van uitgegaan dat de Raad bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen het Commissievoorstel in zijn geheel kan verwerpen.

        Tijdens de eerste lezing kan de Commissie op elk moment besluiten haar voorstel in te trekken of te wijzigen.

      2. Als de Raad niet alle amendementen van het Parlement overneemt of eigen wijzigingen wil aanbrengen, wordt een standpunt in eerste lezing vastgesteld.

    10. Als de Raad niet alle amendementen van het Parlement overneemt of eigen wijzigingen wil aanbrengen, keurt hij een standpunt in eerste lezing goed.

    11. De tekst van het standpunt in eerste lezing, vergezeld van een motivering, wordt aan het Parlement toegezonden, evenals eventuele verklaringen van de Raad en/of de Commissie voor de notulen van de Raad. De Commissie stelt het Parlement op de hoogte van haar standpunt.

    12. Het Parlement wordt over het algemeen in kennis gesteld van het standpunt van de Raad in eerste lezing tijdens de plenaire vergadering die volgt op de formele goedkeuring van het standpunt. De termijnen die in het Verdrag zijn vastgesteld voor de volgende stadia van de procedure, beginnen te lopen na de bekendmaking van de ontvangst van het standpunt van de Raad in eerste lezing in de plenaire vergadering van het Parlement (de dag na de bekendmaking, die gewoonlijk op donderdag plaatsvindt).

    13. Waar mogelijk vinden er in de periode tussen het politieke akkoord en de formele kennisgeving van het standpunt van de Raad in eerste lezing informele contacten plaats, teneinde het pad te effenen voor een akkoord in (vervroegde) tweede lezing (ook bekend als “standpunt in eerste lezing na voorafgaande onderhandelingen”).

    Onderhandelingen tussen de EU-instellingen

    Wanneer de medewetgevers naar een akkoord in eerste lezing streven, organiseren zij informele bijeenkomsten die worden bijgewoond door vertegenwoordigers van het Parlement (rapporteur en schaduwrapporteurs), de Raad (door het voorzitterschap van de Raad geleverde voorzitter van de werkgroep en/of het Coreper, soms ook een minister) en de Commissie (de dienst die verantwoordelijk is voor het dossier, soms ook de verantwoordelijke commissaris). Deze bijeenkomsten worden “trialogen” genoemd.

    Hierin wordt getracht de amendementen die het Parlement in de plenaire vergadering heeft goedgekeurd door de Raad aanvaard te krijgen. De Commissie speelt vaak een bemiddelende rol met betrekking tot compromisteksten.

    De medewetgevers onderhandelen ook vaak na afronding van de eerste lezing door het Parlement en voor de goedkeuring van het standpunt van de Raad in eerste lezing. Bij succesvolle onderhandelingen is het resultaat een zogeheten akkoord in vervroegde tweede lezing, aangezien het standpunt van het Parlement in tweede lezing, dat in dat geval identiek zal zijn aan het standpunt van de Raad in eerste lezing, het einde van de wetgevingsprocedure vormt.

    Anders dan bij de onderhandelingen in eerste lezing gebruikt het Parlement zijn standpunt in eerste lezing als mandaat voor de onderhandelingen. Bij succesvolle onderhandelingen stuurt de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie een brief naar de voorzitter van het Coreper, waarin het Parlement zich ertoe verbindt de amendementen van de Raad goed te keuren als ze stroken met het overeengekomen compromis.

    Het voorlopig akkoord moet in de bevoegde commissie worden goedgekeurd met een gewone meerderheid van stemmen. Vervolgens wordt het akkoord door de bevoegde commissie ingediend bij de plenaire vergadering.

    Mogelijke resultaten:

    •  
      Goedgekeurd:

      Het wetgevingsvoorstel is aangenomen.

      De overgrote meerderheid van de voorstellen wordt in deze fase aangenomen.

    •  

      Het wetgevingsvoorstel gaat naar de volgende stap.

  4. Tweede lezing door het Parlement

    Het Parlement behandelt het standpunt van de Raad en keurt het goed. In dit geval is de handeling goedgekeurd. Als het Parlement het standpunt verwerpt, treedt de handeling niet in werking en wordt de gehele procedure beëindigd. Als het Parlement amendementen voorstelt, keert het voorstel terug naar de Raad voor een tweede lezing.

    In detail:

    Termijnen

    Het Parlement heeft drie maanden de tijd om een tweede lezing te verrichten, met een mogelijke verlenging van een maand.

    Stemmingen

    De bevoegde parlementaire commissie besluit met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

    De plenaire vergadering stemt met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen als zij het standpunt van de Raad in eerste lezing zonder amendementen goedkeurt. In het geval van amendementen op het standpunt van de Raad of een verwerping ervan, is voor goedkeuring een volstrekte meerderheid van de parlementsleden vereist.

    Inspraak van de burger

    De mogelijkheden om nog wijzigingen in de ontwerptekst aan te brengen, zijn minimaal. Amendementen zijn alleen mogelijk als ze bedoeld zijn om eerdere amendementen van het Parlement opnieuw op te nemen, als ze een compromis tussen het Parlement en de Raad weergeven, of als er sprake is van een nieuwe juridische situatie. Toch kunt u in deze fase nog altijd contact opnemen met een parlementslid om te vragen voor of tegen bepaalde amendementen of het volledige verslag te stemmen.

    Resultaat

    Als het Parlement het standpunt van de Raad in eerste lezing goedkeurt, neemt het een wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het standpunt van de Raad in eerste lezing aan. De wetgevingshandeling is dan aangenomen en wordt gepubliceerd als richtlijn (of verordening of besluit) van het Europees Parlement en de Raad.

    Als het Parlement besluit het standpunt van de Raad te wijzigen, stelt het een standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vast.

    Statistieken

    In de zittingsperiode 2014-2019 werden 41 van de 401 afgeronde dossiers volgens de gewone wetgevingsprocedure aangenomen in vervroegde tweede lezing (10 %), waarbij het Parlement een standpunt van de Raad in eerste lezing waarover vooraf is onderhandeld (door het Parlement, de Raad en de Commissie) goedkeurt zonder amendementen, waarna de handeling wordt aangenomen. De procedure in vervroegde tweede lezing duurde gemiddeld 39 maanden.

    In de zittingsperiode 2009-2014 werd 8 % van de dossiers aangenomen in vervroegde tweede lezing en nam de procedure gemiddeld 32 maanden in beslag. In de periode 2004-2009 ging het om 10 % van de dossiers en een gemiddelde duur van 25 maanden. In de periode 1999-2004 ging het om 25 % van de dossiers en een gemiddelde duur van 23 maanden.

    Volledige beschrijving

    Het Europees Parlement heeft drie (eventueel verlengbaar tot vier) maanden de tijd om het standpunt van de Raad te behandelen. Het standpunt van de Raad gaat eerst naar de bevoegde commissie, die een aanbeveling voor het standpunt van het Parlement in tweede lezing opstelt. De plenaire vergadering stemt over de aanbeveling en kan eventueel (in beperkte mate) amendementen aanbrengen. Een tweede lezing kan vier mogelijke uitkomsten hebben. In het eerste geval keurt het Parlement het standpunt van de Raad goed en is de handeling aangenomen. In het tweede geval slaagt het Parlement er niet in binnen de tijdslimiet een besluit te nemen. De handeling is dan aangenomen zoals die in eerste lezing door de Raad is gewijzigd. In het derde geval verwerpt het Parlement het standpunt van de Raad in eerste lezing. De handeling is dan niet aangenomen en de procedure eindigt. In het vierde geval stelt het Parlement amendementen op het standpunt van de Raad in eerste lezing voor en stuurt het dit standpunt naar de Raad voor een tweede lezing.

    1. Als de Raad het niet eens is met het standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing, stelt de Raad zijn standpunt in eerste lezing vast, dat aan het Parlement wordt toegezonden. Het Parlement ontvangt tevens een mededeling van de Commissie waarin zij haar standpunt over het standpunt van de Raad uiteenzet en verklaart waarom zij ervoor of ertegen is.

    2. Het Parlement ontvangt de volgende documentatie:

      • het standpunt van de Raad in eerste lezing

      • alle verklaringen die bij de vaststelling van het standpunt in de notulen van de Raad zijn opgenomen

      • de redenen die de Raad ertoe hebben bewogen zijn standpunt vast te stellen

      • het standpunt van de Commissie

    3. Na ontvangst en verificatie van de documentatie maakt de Voorzitter in de plenaire vergadering bekend dat het standpunt van de Raad in eerste lezing en de mededeling met het standpunt van de Commissie zijn ontvangen. Het dossier wordt automatisch verwezen naar de bevoegde commissie – dezelfde als in eerste lezing. De documenten zijn in alle officiële talen beschikbaar.

    4. Anders dan in de eerste lezing gelden er voor de tweede lezing wél strikte termijnen. Het Parlement heeft drie maanden de tijd om te handelen (eventueel verlengbaar tot vier maanden op verzoek van het Parlement of de Raad). Deze termijn begint te lopen vanaf de bekendmaking van het standpunt van de Raad in eerste lezing in de plenaire vergadering.

    5. De tweede lezing in de commissie komt ruwweg overeen met de procedure in eerste lezing, met dit verschil dat de te amenderen tekst het standpunt van de Raad in eerste lezing is en niet het voorstel van de Commissie. Alleen de bevoegde commissie stelt een verslag op. Er zijn geen adviezen van andere commissies.

    6. De Raad kan op de eerste vergadering van de bevoegde commissie worden uitgenodigd om zijn standpunt uiteen te zetten.

    7. De rapporteur (gewoonlijk hetzelfde lid dat het verslag in eerste lezing heeft opgesteld) stelt een ontwerpaanbeveling op, d.w.z. een verslag in tweede lezing.

    8. De ontwerpaanbeveling bevat de door de rapporteur voorgestelde amendementen. Alleen gewone of plaatsvervangende leden van de bevoegde commissie mogen aanvullende amendementen indienen.

    9. Er gelden beperkingen voor de amendementen die in tweede lezing in de commissie of in de plenaire vergadering mogen worden ingediend. Zij zijn alleen ontvankelijk als zij tot doel hebben:

      1. het standpunt van het Parlement in eerste lezing geheel of gedeeltelijk te herstellen,

      2. een compromis tussen Parlement en Raad te bereiken,

      3. een gedeelte van de Raadstekst te amenderen dat geen deel uitmaakte van of inhoudelijk verschilt van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie,

      4. rekening te houden met nieuwe feiten of een nieuwe juridische situatie die zich hebben voorgedaan sinds het standpunt van het Parlement in eerste lezing werd vastgesteld.

    10. De voorzitter van de bevoegde commissie bepaalt of amendementen ontvankelijk zijn.

    11. Als er sinds de vaststelling van het standpunt in eerste lezing verkiezingen voor het Europees Parlement hebben plaatsgevonden, kan de Voorzitter besluiten dat deze beperkingen niet gelden.

    12. De commissie besluit met een gewone meerderheid over de amendementen en de aanbeveling voor de tweede lezing.

    13. Na de stemming in de commissie gaat de aanbeveling naar de plenaire vergadering.

    14. In de aanbeveling wordt voorgesteld het standpunt van de Raad in eerste lezing goed te keuren, te wijzigen of te verwerpen en wordt het voorgestelde besluit kort gemotiveerd.

    15. Het standpunt van de Raad en de aanbeveling van de commissie voor de tweede lezing worden automatisch op de ontwerpagenda van de plenaire vergadering van de woensdag voor het aflopen van de uiterste termijn voor de tweede lezing van het Parlement geplaatst, maar behandeling in een eerdere vergaderperiode is mogelijk.

    16. Amendementen kunnen ter behandeling in de plenaire vergadering worden ingediend door de bevoegde commissie, een fractie of ten minste 36 individuele leden.

    17. Voor amendementen die plenair worden behandeld, gelden dezelfde beperkingen als in de commissiefase. De voorzitter van het Parlement bepaalt of amendementen voor de plenaire vergadering ontvankelijk zijn. Tegen het besluit van de Voorzitter is geen beroep mogelijk.

    18. Alvorens amendementen in de plenaire vergadering in stemming worden gebracht, kan de Voorzitter de Europese Commissie vragen of zij al dan niet bereid is die amendementen te aanvaarden.

    19. In dat geval licht de verantwoordelijke commissaris tijdens het plenaire debat voorafgaande aan de stemming het standpunt van de Commissie inzake de amendementen toe. Net als in eerste lezing wordt het standpunt van de Commissie door de Groep interinstitutionele betrekkingen voorbereid en vervolgens door de commissarissen geratificeerd.

    20. Ook de Raad kan om commentaar worden verzocht.

    21. De tweede lezing kan de volgende resultaten opleveren:

      1. verwerping van het standpunt van de Raad in eerste lezing

      2. geen stemming van het Parlement binnen de gestelde termijn

      3. goedkeuring van het standpunt van de Raad in eerste lezing zonder amendementen (akkoord in vervroegde tweede lezing)

      4. het Parlement stelt amendementen voor op het standpunt van de Raad in eerste lezing.

    22. De bevoegde commissie, een fractie of ten minste 36 leden kunnen een verwerping van het standpunt van de Raad voorstellen. Dit voorstel moet worden goedgekeurd door een meerderheid van de leden van het Europees Parlement, d.w.z. een volstrekte meerderheid. Een dergelijk voorstel wordt in stemming gebracht voordat over amendementen wordt gestemd.

    23. Verwerping van het standpunt van de Raad in eerste lezing betekent dat de wetgevingsprocedure is beëindigd: deze kan alleen via een nieuw voorstel van de Commissie weer op gang worden gebracht. In juli 2005 verwierp een overweldigende meerderheid van de leden het standpunt van de Raad over de richtlijn softwareoctrooien (richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen), hetgeen het einde van het voorstel betekende. Dit geval deed de vraag rijzen of de Commissie een voorstel kan intrekken waarvoor de eerste lezing al is afgerond. De Commissie houdt vast aan haar recht om een voorstel op elk moment in te trekken, terwijl het Parlement en de Raad stellen dat na de goedkeuring van het standpunt van de Raad in eerste lezing die tekst de basis vormt voor de rest van de procedure en niet het voorstel van de Commissie, en dat de Commissie derhalve geen tekst kan intrekken waarvan zij niet langer “eigenares” is.

    24. Als het Parlement geen besluit neemt voor het verstrijken van de gestelde termijn, wordt de handeling geacht te zijn aangenomen overeenkomstig het standpunt van de Raad in eerste lezing.

    25. Als er geen amendementen en geen voorstel tot verwerping worden ingediend of goedgekeurd, maakt de Voorzitter slechts bekend dat de voorgestelde handeling is aangenomen (zonder formele stemming).

    26. Zodra de wetgevingshandeling is aangenomen, wordt ze ter ondertekening voorgelegd aan de voorzitters en secretarissen-generaal van het Parlement en de Raad en gepubliceerd in het Publicatieblad.

    27. Tot slot kan het Parlement amendementen voorstellen op het standpunt van de Raad in eerste lezing. Zij moeten voldoen aan de criteria die voor de tweede lezing gelden. Elk amendement moet met een volstrekte meerderheid van de leden van het Parlement worden goedgekeurd.

    28. De uitslag van de stemming wordt meegedeeld aan de Raad en de Commissie.

    29. Het Verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat de Commissie schriftelijk advies moet uitbrengen over de amendementen van het Parlement en dat dit bepalend is voor het soort stemming dat in de Raad moet plaatsvinden: als de Raad bijvoorbeeld een amendement van het Parlement wil goedkeuren waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht, dan moet dit amendement met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

    Onderhandelingen tussen de EU-instellingen
    1. Om onderhandelingen tot een goed einde te kunnen brengen voordat de fase van bemiddeling in werking treedt, moeten het Parlement en de Raad onderhandelen wanneer het voorstel nog in behandeling is voor de tweede lezing door het Parlement. De onderhandelingen vinden plaats tijdens informele vergaderingen tussen de drie partijen (trialogen) waaraan ook de Commissie deelneemt. Het onderhandelingsteam van het Parlement wordt voorgezeten door de voorzitter van de bevoegde commissie. De rapporteur speelt een belangrijke rol als verdediger van het standpunt van het Parlement. Ook de schaduwrapporteurs van de fracties krijgen een plaats in het team. De Raad wordt vertegenwoordigd door de door het voorzitterschap van de Raad geleverde voorzitter van de desbetreffende werkgroep van de Raad of het Coreper – of soms door een minister – die wordt bijgestaan door de administratieve diensten van de Raad. De Commissie wordt gewoonlijk vertegenwoordigd door ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het dossier (soms door de bevoegde commissaris), die worden bijgestaan door het secretariaat-generaal en de Juridische Dienst van de Commissie.

    2. Het standpunt van het Parlement in eerste lezing vormt zijn mandaat voor deze onderhandelingen.

    3. Het doel van deze onderhandelingen is een akkoord te bereiken over een reeks amendementen die aanvaardbaar zijn voor de Raad en het Parlement. Het advies van de Commissie is ook belangrijk, omdat daarvan afhangt op welke wijze de Raad over de amendementen van het Parlement moet stemmen.

    4. Als de onderhandelingen met succes worden afgerond, stuurt de voorzitter van het Coreper de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie een brief waarin de Raad zich ertoe verbindt de amendementen van het Parlement goed te keuren als ze stroken met het gezamenlijk door de Raad en het Parlement bereikte compromis.

    5. Het voorlopig akkoord moet in de bevoegde commissie worden goedgekeurd met een gewone meerderheid van stemmen. Vervolgens wordt het akkoord door de bevoegde commissie ingediend bij de plenaire vergadering.

    Mogelijke resultaten:

  5. Tweede lezing door de Raad

    De Raad behandelt het standpunt van het Parlement in tweede lezing. Ofwel worden alle amendementen van het Parlement goedgekeurd, wat betekent dat de handeling is aangenomen, ofwel worden niet alle amendementen goedgekeurd en wordt het bemiddelingscomité bijeengeroepen.

    In detail:

    Termijnen

    De Raad heeft drie maanden de tijd om zijn tweede lezing te verrichten, met een mogelijke verlenging van een maand.

    Stemmingen

    De Raad stemt met gekwalificeerde meerderheid over amendementen van het Parlement waarover de Europese Commissie een positief advies heeft gegeven, en met eenparigheid van stemmen over amendementen waarover de Commissie een negatief advies heeft gegeven.

    Inspraak van de burger

    De Raad kan alleen op de amendementen van het Parlement reageren. U kunt uw regering uw mening over de afzonderlijke amendementen geven.

    Resultaat

    Als de Raad het standpunt van het Parlement in tweede lezing goedkeurt, is de wetgevingshandeling aangenomen en wordt ze gepubliceerd als richtlijn (of verordening of besluit) van het Europees Parlement en de Raad.

    Als de Raad het standpunt van het Parlement in tweede lezing niet goedkeurt, treedt voor de wetgevingsprocedure de bemiddelingsfase in werking.

    Statistieken

    In de zittingsperiode 2014-2019 werden slechts 4 van de 401 wetgevingsdossiers (1 %) afgesloten met een akkoord in tweede lezing (akkoorden in vervroegde tweede lezing niet inbegrepen), tegenover 5 % in de periode 2009-2014, 13 % in de periode 2004-2009 en 24 % in de periode 1999-2004.

    De procedure voor goedkeuring in tweede lezing nam in de zittingsperiode 2014-2019 gemiddeld 40 maanden in beslag (akkoorden in vervroegde tweede lezing niet inbegrepen). In de periode 2009-2014 en de periode 2004-2009 bedroeg de gemiddelde lengte 32 maanden, en in de periode 1999-2004 was dit 24 maanden.

    Volledige beschrijving

    De Raad heeft drie (eventueel verlengbaar tot vier) maanden de tijd om het standpunt van het Parlement in tweede lezing te behandelen. De Raad wordt ook in kennis gesteld van het standpunt van de Europese Commissie over de amendementen van het Parlement in tweede lezing. Ofwel worden alle amendementen van het Parlement goedgekeurd, wat betekent dat de wetgevingshandeling is aangenomen, ofwel worden niet alle amendementen goedgekeurd. In het laatste geval roept de voorzitter van de Raad, in overleg met de voorzitter van het Parlement, het bemiddelingscomité bijeen.

    1. Nadat de Raad de amendementen van het Parlement in tweede lezing officieel heeft ontvangen, in alle officiële talen, begint de klok van de tweede lezing door de Raad te tikken.

    2. De Raad heeft vanaf dan drie maanden de tijd om te handelen (eventueel verlengbaar tot vier maanden).

    3. De Raad kan de amendementen van het Parlement aanvaarden of verwerpen. Om hierover te besluiten, neemt de Raad ook het advies van de Europese Commissie over de amendementen in aanmerking.

    4. De procedure verloopt ongeveer als bij de voorbereiding van het standpunt van de Raad in eerste lezing: de bevoegde werkgroep bereidt een standpunt voor dat aan het Coreper wordt voorgelegd en door de Raad wordt goedgekeurd.

    5. Hoeveel stemmen vereist zijn voor de tweede lezing door de Raad, hangt af van het advies van de Commissie over de amendementen van het Parlement. Amendementen waarover de Commissie een positief advies heeft uitgebracht, kunnen in de Raad met gekwalificeerde meerderheid worden goedgekeurd. Amendementen waarover de Commissie een negatief advies heeft uitgebracht, moeten door de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

    6. Als de Raad alle amendementen van het Parlement in tweede lezing goedkeurt, wordt de wetgevingshandeling als aangenomen beschouwd. De wetgevingstekst wordt vervolgens ondertekend door de voorzitters en secretarissen-generaal van het Parlement en de Raad, en gepubliceerd in het Publicatieblad.

    7. Als de Raad de amendementen van het Parlement niet allemaal goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad, in overleg met de voorzitter van het Parlement, binnen zes weken na de verwerping door de Raad (met een mogelijke verlenging van twee weken) het bemiddelingscomité bijeen.

    Mogelijke resultaten:

  6. Bemiddeling

    Het bemiddelingscomité, dat uit een gelijk aantal parlementsleden en vertegenwoordigers van de Raad bestaat, probeert overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst. Als dit niet lukt, treedt de wetgevingshandeling niet in werking en komt de procedure ten einde. Als er overeenstemming wordt bereikt over een gemeenschappelijke ontwerptekst, wordt deze aan het Europees Parlement en de Raad toegezonden met het oog op een derde lezing.

    In detail:

    Termijnen

    Het bemiddelingscomité moet binnen de zes weken worden bijeengeroepen (eventueel verlengbaar tot acht weken). Het heeft zes weken de tijd (of acht, indien daartoe gezamenlijk wordt besloten) om overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst.

    Stemmingen

    De delegatie van het Parlement in het bemiddelingscomité keurt de gemeenschappelijke ontwerptekst goed met een volstrekte meerderheid (momenteel ten minste 14 van de 27 stemmen), terwijl de vertegenwoordigers van de Raad gewoonlijk stemmen met gekwalificeerde meerderheid.

    Inspraak van de burger

    Er zijn geen mogelijkheden om amendementen in te dienen, maar u kunt de parlementsleden in het bemiddelingscomité en uw regering laten weten welke punten volgens u niet in de definitieve wetgevingshandeling mogen worden opgenomen.

    Resultaat

    Als er overeenstemming wordt bereikt, komt het comité met een “gemeenschappelijke ontwerptekst”, of (voluit) “door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst”.

    Statistieken

    In de zittingsperiode 2014-2019 waren er geen bemiddelingsprocedures. Dit bevestigde een tendens die tijdens eerdere zittingsperiodes zichtbaar werd: in de periode 2009-2014 werd 2 % van de dossiers (9 dossiers) verwezen naar het bemiddelingscomité, wat minder was dan de 5 % (24 dossiers) van de periode 2004-2009 en de 20 % van de periode 1999-2004.

    Het bemiddelingscomité is er niet in geslaagd een gemeenschappelijke ontwerptekst goed te keuren over de volgende dossiers:

    • spraaktelefonie in 1994

    • het Comité voor het effectenbedrijf in 1998

    • de arbeidstijdenrichtlijn in 2009

    • de verordening nieuwe voedingsmiddelen in 2011

    Volledige beschrijving

    Binnen de zes weken (eventueel verlengbaar tot acht weken) na de beëindiging van de tweede lezing door de Raad (als de Raad de amendementen van het Parlement in tweede lezing niet allemaal aanvaardt), roepen de voorzitters van de Raad en het Europees Parlement het bemiddelingscomité bijeen, met een gelijk aantal leden van het Europees Parlement en vertegenwoordigers van de Raad. Het bemiddelingscomité heeft zes (eventueel verlengbaar tot acht) weken de tijd om een besluit te nemen over een gemeenschappelijke ontwerptekst op basis van de standpunten van het Parlement en de Raad in tweede lezing. Als het bemiddelingscomité er niet in slaagt een gemeenschappelijke ontwerptekst goed te keuren, komt het wetgevingsvoorstel te vervallen en eindigt de procedure. Als het bemiddelingscomité wel een gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, wordt deze aan het Europees Parlement en de Raad toegestuurd met het oog op een derde lezing.

    1. Als de Raad de amendementen van het Parlement in tweede lezing niet allemaal goedkeurt, wordt het bemiddelingscomité bijeengeroepen.

    2. In het kader van het bemiddelingscomité onderhandelen de twee medewetgevers – het Europees Parlement en de Raad – rechtstreeks met elkaar om een akkoord te bereiken in de vorm van een gemeenschappelijke ontwerptekst.

    3. Het bemiddelingscomité moet worden bijeengeroepen binnen de zes weken (in onderling overleg verlengbaar tot acht weken) nadat de Raad zijn tweede lezing heeft afgerond en het Parlement officieel ter kennis heeft gebracht dat de amendementen van het Parlement in tweede lezing niet worden aanvaard.

    4. Elk wetgevingsvoorstel waarvoor bemiddeling nodig is, wordt afzonderlijk besproken in een daaraan gewijd bemiddelingscomité.

    5. Het bemiddelingscomité wordt bijeengeroepen door de voorzitter van de Raad, met instemming van de voorzitter van het Parlement. Het wordt geacht te zijn bijeengeroepen wanneer het de eerste keer vergadert.

    6. Vanaf de dag van die eerste vergadering heeft het zes weken de tijd (eventueel verlengbaar met maximaal twee weken op initiatief van het Parlement of de Raad en in onderlinge overeenstemming) om over een gemeenschappelijke ontwerptekst te onderhandelen en die goed te keuren.

    7. Voordat het comité zijn werkzaamheden officieel aanvat, vinden er voorbereidende trialogen en technische vergaderingen plaats zodra duidelijk is dat de Raad de amendementen van het Parlement in tweede lezing niet zal kunnen aanvaarden. De vergaderingen van het bemiddelingscomité kunnen ook worden onderbroken door trialoogonderhandelingen.

    8. Bij trialogen en technische vergaderingen wordt er samengezeten in kleine teams met onderhandelaars van het Parlement, de Raad en de Commissie, die elk verslag uitbrengen aan de eigen delegatie in het bemiddelingscomité.

    9. In trialogen wordt het Parlement vertegenwoordigd door de voorzitter van de delegatie in het bemiddelingscomité, de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie en de rapporteur, bijgestaan door leden van het secretariaat bemiddeling van het Parlement en, zo nodig, een lid van de Juridische Dienst.

    10. De Raad wordt vertegenwoordigd door een lid van de Raad of de plaatsvervangende of permanente vertegenwoordiger (respectievelijk de voorzitter van Coreper I of Coreper II) van de lidstaat die het voorzitterschap waarneemt, bijgestaan door medewerkers van het secretariaat-generaal en de Juridische Dienst van de Raad.

    11. De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd door de bevoegde commissaris of diens vertegenwoordiger (de directeur-generaal van de dienst die bevoegd is voor het dossier), bijgestaan door deskundigen en de Juridische Dienst en de administratieve diensten van de Commissie.

    12. Technische trialogen worden gewoonlijk bijgewoond door deskundigen en ambtenaren van de drie instellingen.

    13. Trialoogonderhandelingen worden gevoerd op basis van een “vierkolommendocument”, waarin de standpunten van het Parlement en de Raad worden uiteengezet:

      1. het standpunt van de Raad in eerste lezing

      2. de amendementen van het Parlement in tweede lezing

      3. het standpunt van de Raad over de amendementen van het Parlement (aanvaarding, verwerping of eventuele compromistekst)

      4. het standpunt van de delegatie van het Parlement over de voorstellen van de Raad

    14. Tijdens de onderhandelingen zoeken de twee delegaties compromissen over amendementen waarover de meningen nog verschillen. Eventueel kunnen hiervoor kleine werkgroepen op politiek of technisch niveau worden opgezet om extra redactiewerk te verrichten.

    15. De resultaten van elke trialoog worden door de respectieve onderhandelaars ter goedkeuring aan de delegaties van het Parlement en de Raad voorgelegd: zo nodig worden er bijkomende trialogen of informele vergaderingen belegd.

    16. Het bemiddelingscomité zelf bestaat uit twee delegaties van gelijke omvang: de ene van het Parlement, de andere van de Raad.

      1. De delegatie van de Raad bestaat uit één vertegenwoordiger van elke lidstaat (ministers of, wat meestal het geval is, de vertegenwoordigers van de lidstaten in het Coreper). De delegatie van de Raad wordt voorgezeten door de minister die de Raad voorzit die bevoegd is voor het dossier. De delegatie van de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid (behalve voor dossiers waarvoor krachtens het Verdrag eenparigheid van stemmen vereist is).

      2. De delegatie van het Parlement bestaat uit eenzelfde aantal leden (27) plus 27 plaatsvervangers (die alleen kunnen stemmen als een lid van hun fractie afwezig is). Drie ondervoorzitters van het Parlement zijn vaste leden van het bemiddelingscomité en oefenen om beurten het medevoorzitterschap uit. De overige leden van de delegatie worden aangewezen door de fracties, in verhouding tot de grootte van elke fractie in het Parlement. De meesten komen doorgaans uit de voor het dossier bevoegde parlementaire commissie. De delegatie tracht meestal door middel van consensus te werken. Bij een stemming besluit de delegatie bij meerderheid van haar leden (d.w.z. momenteel 14 stemmen). Meer informatie over de delegatie van het Parlement in het bemiddelingscomité is hieronder te vinden.

      3. De Commissie, in principe vertegenwoordigd door de voor het dossier bevoegde commissaris, neemt ook deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité om de standpunten van het Parlement en de Raad met elkaar te verzoenen.

    17. Net als bij de trialogen is het voornaamste werkinstrument het vierkolommendocument (zie punt 13), vertaald in alle officiële talen. Het comité beschikt ook over het voorstel van de Commissie en over het advies van de Commissie over de amendementen van het Parlement in tweede lezing.

    18. Het bemiddelingscomité wordt gezamenlijk voorgezeten door een ondervoorzitter van het Parlement en een minister van de lidstaat die het voorzitterschap waarneemt. Het komt afwisselend samen in de gebouwen van het Parlement en van de Raad, meestal in Brussel.

    19. De meeste vergaderingen van het bemiddelingscomité beginnen met een trialoog, waarbij de twee medewetgevers hun standpunt toelichten op basis van het mandaat van hun respectieve instelling. De Commissie fungeert als bemiddelaar.

    20. De instelling waar de eerste vergadering van het bemiddelingscomité wordt gehouden, is verantwoordelijk voor het opstellen van de gemeenschappelijke ontwerptekst en de begeleidende brief. Wanneer de wetgevingshandeling definitief wordt aangenomen door het Parlement en de Raad, moet deze instelling ook zorgen voor de ondertekening van de handeling door de voorzitters van beide instellingen en voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

    21. Als de delegaties van het Parlement en de Raad geen overeenstemming bereiken in het bemiddelingscomité, komt het voorstel te vervallen. Een nieuwe procedure kan alleen worden opgestart op basis van een nieuw Commissievoorstel. Volgens de stand van zaken in januari 2020 is het bemiddelingscomité er slechts in vier gevallen niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst, namelijk met betrekking tot de dossiers over spraaktelefonie (1994), het Comité voor het effectenbedrijf (1998), de arbeidstijdenrichtlijn (2009) en de verordening nieuwe voedingsmiddelen (2011).

    22. Als de delegaties van het Parlement en de Raad een compromis bereiken, moet het bemiddelingscomité een “gemeenschappelijke ontwerptekst” goedkeuren. De delegatie van de Raad keurt die goed met gekwalificeerde meerderheid (of eenparigheid van stemmen voor de in het Verdrag bepaalde gevallen), terwijl de delegatie van het Parlement met gewone meerderheid van zijn leden stemt.

    23. Zodra in het bemiddelingscomité (of in een daaropvolgende briefwisseling tussen de medevoorzitters van het comité) overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijke ontwerptekst, stelt het secretariaat-generaal van de instelling waar de eerste vergadering werd gehouden de ontwerpwetgevingstekst op, in principe in de taal die tijdens de onderhandelingen werd gebruikt. Na afloop van de onderhandelingen wordt zo snel mogelijk een voorlopige versie van de tekst op de website van het Parlement geplaatst.

    24. Na een juridische en/of taalkundige revisie wordt het document in alle officiële EU-talen beschikbaar gesteld.

    25. De medevoorzitters van het bemiddelingscomité sturen de gemeenschappelijke ontwerptekst, vergezeld van een begeleidende brief, naar de voorzitter van het Parlement en de fungerend voorzitter van de Raad. Bij dit begeleidend schrijven worden eventuele verklaringen van de instellingen gevoegd. De brief wordt ook ter informatie toegestuurd aan de vertegenwoordiger van de Commissie die aan het bemiddelingscomité heeft deelgenomen.

    26. Het in het bemiddelingscomité bereikte akkoord moet zowel door het Parlement als door de Raad worden bekrachtigd. Beide instellingen stemmen afzonderlijk over de gemeenschappelijke ontwerptekst als zodanig, zonder enige mogelijkheid om aanvullende wijzigingen aan te brengen.

    De delegatie van het Parlement voor bemiddelingsprocedures
    1. Het Parlement wordt in de bemiddelingsprocedure vertegenwoordigd door een delegatie die hetzelfde aantal leden telt als de delegatie van de Raad. Voor elke afzonderlijke bemiddelingsprocedure wordt een delegatie aangewezen. Deze delegatie heeft tot taak het hele Parlement in de onderhandelingen met de Raad te vertegenwoordigen.

    2. Bij het begin van elke zittingsperiode of als er gedurende de zittingsperiode ingrijpende veranderingen optreden in de algemene politieke samenstelling van het Europees Parlement, stelt de Conferentie van voorzitters de politieke samenstelling van de delegaties bij het bemiddelingscomité vast volgens de respectieve grootte van de fracties.

    3. De drie voor bemiddeling verantwoordelijke ondervoorzitters van het Parlement maken deel uit van elke delegatie en worden meegerekend in het quotum dat aan elke fractie is toegewezen. Elke delegatie wordt voorgezeten door een van de drie ondervoorzitters: zij besluiten onderling wie voor welke bemiddelingsprocedure verantwoordelijk is en bijgevolg wie van welke delegatie voorzitter is. De rapporteur(s) en de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie zijn eveneens ambtshalve lid van de delegatie en worden meegerekend in het quotum van hun fractie.

    4. De resterende leden van de delegatie worden door elke fractie voor een specifieke bemiddelingsprocedure benoemd. Het merendeel van hen maakt deel uit van de bevoegde commissie of van een adviserende commissie. In geval van toepassing van de procedure met medeverantwoordelijke commissies maakt de rapporteur van een medeverantwoordelijke commissie deel uit van de delegatie van het Parlement. Daarnaast moeten de fracties een gelijk aantal plaatsvervangende leden aanwijzen, die actief kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de delegatie, maar alleen kunnen stemmen wanneer zij een gewoon lid vervangen.

    Organisatie van de delegatie
    1. De delegatie van het Parlement houdt een constituerende vergadering om een mandaat te verlenen aan het onderhandelingsteam – normaal gezien de ondervoorzitter die de delegatie leidt, de voorzitter van de bevoegde commissie en de rapporteur(s) – zodat de trialoogvergaderingen kunnen beginnen.

    2. De Commissie is aanwezig op deze en alle volgende vergaderingen van de delegatie van het Parlement. Van de vertegenwoordigers van de Commissie wordt verwacht dat zij het standpunt van de Commissie over de amendementen van het Parlement in tweede lezing presenteren en toelichten en dat zij zo mogelijk ook informatie verstrekken over actuele ontwikkelingen in de Raad waarvan zij kennis hebben.

    3. De delegatieleden houden vervolgens een reeks vergaderingen om de vooruitgang van de bemiddelingsprocedure op de voet te volgen.

    4. Het voornaamste doel van de delegatievergaderingen bestaat erin het mandaat van het onderhandelingsteam te actualiseren en eventuele compromisteksten te bespreken. Er wordt ingestemd met bepaalde amendementen of compromisvoorstellen, op voorwaarde dat hierover algemene overeenstemming wordt bereikt. Mochten er zaken onopgelost blijven, dan geeft de delegatie het onderhandelingsteam instructies over de wijze waarop de onderhandelingen met de Raad dienen te worden voortgezet. De delegatie van het Parlement behandelt daarnaast ook procedurele kwesties. Zo gaat ze na of er bijkomende trialoogvergaderingen moeten worden belegd, dan wel of het bemiddelingscomité kan worden bijeengeroepen en, zo ja, wanneer.

    5. Aan het einde van de procedure wordt het via bemiddeling bereikte akkoord formeel door de delegatie goedgekeurd of verworpen. De delegatie tracht dit door middel van consensus te doen. Als een stemming echter noodzakelijk is, is voor goedkeuring de steun van een volstrekte meerderheid van de leden nodig (ten minste 14 van het mogelijke totaal van 27 leden).

    6. De delegatie wordt bijgestaan door de afdeling Wetgevingszaken van het Parlement – een specifieke dienst van het secretariaat-generaal – en gespecialiseerde diensten als de Juridische Dienst, de jurist-vertalers en de dienst Pers.

    Mogelijke resultaten:

  7. Derde lezing door het Europees Parlement en de Raad

    • Derde lezing door het Europees Parlement:

      Het Europees Parlement behandelt de gemeenschappelijke ontwerptekst en stemt erover in de plenaire vergadering. De bewoording van de gemeenschappelijke ontwerptekst kan niet meer worden gewijzigd. Als het Parlement de tekst verwerpt of niet behandelt, is de handeling niet aangenomen en eindigt de procedure. Als de tekst door het Parlement en de Raad wordt goedgekeurd, is de handeling aangenomen. Derde lezing door de Raad:

    • Derde lezing door de Raad:

      De Raad behandelt de gemeenschappelijke ontwerptekst. De bewoording kan niet meer worden gewijzigd. Als de Raad de tekst verwerpt of niet behandelt, zal de handeling niet in werking treden en eindigt de procedure. Als de Raad de tekst goedkeurt en het Parlement dat ook doet, is de handeling aangenomen.

    In detail:

    Termijnen

    Het Parlement en de Raad hebben zes weken de tijd om de gemeenschappelijke ontwerptekst goed te keuren. Deze termijn kan eventueel worden verlengd tot acht weken als beide instellingen hiermee instemmen. Als het Parlement of de Raad de tekst verwerpt of niet tijdig goedkeurt, eindigt de procedure en is de wetgeving niet aangenomen.

    Stemmingen

    Het Parlement keurt het gemeenschappelijk standpunt goed met een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De Raad keurt de gemeenschappelijke ontwerptekst goed met een gekwalificeerde meerderheid.

    Inspraak van de burger

    De gemeenschappelijke ontwerptekst kan niet meer worden gewijzigd. U kunt parlementsleden en/of uw regering alleen vragen de gemeenschappelijke ontwerptekst goed te keuren of te verwerpen.

    Resultaat

    Het Europees Parlement neemt een wetgevingsresolutie, over de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst, aan waarin het de gemeenschappelijke ontwerptekst hetzij goedkeurt, hetzij verwerpt.

    De Raad stelt geen officieel document op.

    Als de gemeenschappelijke ontwerptekst wordt goedgekeurd, wordt de wetgevingshandeling aangenomen en gepubliceerd als richtlijn (of verordening of besluit) van het Europees Parlement en de Raad.

    Statistieken

    Tot dusver heeft het Parlement drie gemeenschappelijke ontwerpteksten verworpen:

    • bescherming van biotechnologische uitvindingen in 1995

    • openbaar overnamebod in 2001

    • havendiensten in 2003

    De Raad heeft nog nooit een gemeenschappelijke ontwerptekst verworpen.

    Volledige beschrijving

    De gemeenschappelijke ontwerptekst wordt gelijktijdig ter goedkeuring voorgelegd aan het Parlement en de Raad. De medewetgevers hoeven niet in een bepaalde volgorde te beslissen. Zij hebben zes weken de tijd (in onderling overleg eventueel verlengbaar tot acht weken) om een besluit te nemen en kunnen de tekst niet meer wijzigen. In het Parlement wordt vóór de stemming over de gemeenschappelijke ontwerptekst een debat in de plenaire vergadering gehouden. Als het Parlement en de Raad de gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeuren, is het wetgevingsvoorstel aangenomen. Als een van hen of beide de tekst verwerpen of niet tijdig reageren, komt het wetgevingsvoorstel te vervallen en eindigt de procedure. De procedure kan dan alleen met een nieuw voorstel van de Commissie weer op gang worden gebracht.

    1. Als het bemiddelingscomité de gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, moet die door het voltallige Parlement en de Raad in derde lezing worden goedgekeurd. Beide instellingen stemmen afzonderlijk over de gemeenschappelijke ontwerptekst. Er kunnen geen amendementen worden ingediend.

    2. Wanneer de bemiddelingsprocedure met succes is afgerond, wordt er een gemeenschappelijke ontwerptekst opgesteld op basis van het gezamenlijk werkdocument en de eventuele wijzigingen waarover tijdens de bemiddeling overeenstemming is bereikt. Deze tekst wordt eerst in één taal opgesteld en vervolgens in de overige officiële talen vertaald. De leden van de delegatie krijgen de oorspronkelijke taalversie van de gemeenschappelijke ontwerptekst toegestuurd.

    3. De bijgewerkte gemeenschappelijke ontwerptekst, die in het Parlement en de Raad in juridisch-taalkundig opzicht is nagekeken, wordt door de medevoorzitters van het bemiddelingscomité officieel toegezonden aan de voorzitter van het Parlement en de fungerend voorzitter van de Raad. Bij deze brief worden eventuele verklaringen van de instellingen gevoegd.

    4. De derde lezing vindt plaats binnen een periode van zes weken vanaf de dag van toezending van deze brief. Deze termijn kan met maximaal twee weken worden verlengd op initiatief van het Parlement of de Raad en in onderlinge overeenstemming tussen beide.

    Parlement
    1. Tijdens deze periode van zes weken (eventueel verlengd tot acht weken) ontvangen de leden van de delegatie van het Parlement de bijgewerkte gemeenschappelijke ontwerptekst in hun respectieve taal, samen met een verslag waarin de diverse stadia en resultaten van de bemiddelingsprocedure worden geschetst, met inbegrip van de uitslag van de stemming in de delegatie over de afsluiting van de bemiddelingsprocedure. De bijgewerkte gemeenschappelijke ontwerptekst, het door de rapporteur en de delegatievoorzitter opgestelde verslag, de begeleidende brief en eventuele verklaringen van de instellingen, worden vervolgens toegezonden aan de zittingsdiensten van het Parlement. In deze fase worden de verschillende taalversies van het akkoord op de website van het Parlement gepubliceerd.

    2. De stemming over de gemeenschappelijke ontwerptekst wordt voorafgegaan door een debat in de plenaire vergadering over het resultaat van de onderhandelingen en het (al dan niet) met de Raad bereikte akkoord. Dit debat begint gewoonlijk met verklaringen van de ondervoorzitter die de delegatie leidde en de rapporteur. Vervolgens wordt in de plenaire vergadering gestemd over de gemeenschappelijke ontwerptekst. De tekst wordt goedgekeurd met een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Wordt die meerderheid niet behaald, dan is de gemeenschappelijke ontwerptekst verworpen.

    3. Volgens de stand van zaken in januari 2020 heeft het Parlement driemaal een gemeenschappelijke ontwerptekst verworpen:

    Raad
    1. De gemeenschappelijke ontwerptekst moet ook worden goedgekeurd door de Raad, die er doorgaans de voorkeur aan geeft om daarover pas na de derde lezing door het Parlement te stemmen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid.

    2. In de praktijk vormt de goedkeuring van de gemeenschappelijke ontwerptekst door de Raad geen probleem, aangezien de delegatie van de Raad in het bemiddelingscomité uit één vertegenwoordiger per lidstaat bestaat. Tot dusver heeft de Raad nog nooit een via bemiddeling bereikt akkoord verworpen.

    3. Mocht een van beide instellingen de gemeenschappelijke ontwerptekst niet goedkeuren, dan is de wetgevingsprocedure beëindigd: deze kan dan alleen op basis van een nieuw voorstel van de Commissie weer op gang worden gebracht.

    4. Als de tekst door het Parlement en de Raad is goedgekeurd, wordt hij ter ondertekening voorgelegd aan de voorzitters en secretarissen-generaal van het Parlement en de Raad en gepubliceerd in het Publicatieblad.

    Mogelijke resultaten:

Mogelijke resultaten

  • Het voorstel is aangenomen

    Het Europees Parlement behandelt de gemeenschappelijke ontwerptekst en stemt erover in de plenaire vergadering. De bewoording van de gemeenschappelijke ontwerptekst kan niet meer worden gewijzigd. Als het Parlement de tekst verwerpt of niet behandelt, is de handeling niet aangenomen en eindigt de procedure. Als de tekst door het Parlement en de Raad wordt goedgekeurd, is de handeling aangenomen.

    • Verordeningen zijn vanaf de in het Publicatieblad vermelde datum rechtstreeks bindend in de hele EU.

    • Richtlijnen geven aan welke eindresultaten in elke lidstaat moeten worden bereikt, maar laten het aan de nationale regeringen over om te beslissen hoe zij hun wetten aanpassen om die doelstellingen te bereiken. In elke richtlijn wordt de uiterlijke datum vermeld waarop de nationale wetgeving aangepast moet zijn.

    • Besluiten zijn van toepassing in specifieke gevallen, hebben betrekking op bepaalde autoriteiten of personen en zijn volledig bindend.

  • Het voorstel is niet aangenomen

    Als een wetgevingsvoorstel in enig stadium van de procedure wordt verworpen of als het Parlement en de Raad geen compromis kunnen bereiken, is het voorstel niet aangenomen en wordt de procedure beëindigd. Een nieuwe procedure kan alleen met een nieuw voorstel van de Commissie weer op gang worden gebracht.

De normale wetgevingsprocedure geeft het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dezelfde wetgevende bevoegdheden op een groot aantal gebieden (bijvoorbeeld economisch bestuur, immigratie, energie, vervoer, milieu en consumentenbescherming).

De procedure werd ingevoerd onder de term medebeslissing bij het Verdrag van Maastricht (1992) en werd vervolgens uitgebreid en doeltreffender gemaakt door het Verdrag van Amsterdam (1999).

Met het Verdrag van Lissabon (2009) werd de herdoopte normale wetgevingsprocedure de belangrijkste wetgevingsprocedure van het besluitvormingssysteem van de EU.

Volgens de normale wetgevingsprocedure kan een wettekst maximaal drie lezingen in het Parlement doorlopen en kan hij alleen in werking treden als het Parlement en de Raad een akkoord bereiken over de definitieve formulering.

In feite zorgt deze procedure ervoor dat de leden van het Europees Parlement, als de rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers van de Europeanen, de bevoegdheid hebben om de EU-regels vorm te geven en het EU-beleid te sturen in overeenstemming met de verwachtingen van hun kiezers.

Bijzondere wetgevingsprocedures

In het begin gaf het Verdrag van Rome van 1957 het Europees Parlement een adviserende rol in het wetgevingsproces; de Commissie stelde wetgeving voor en de Raad nam deze aan.

De invoering van de medebeslissingsprocedure en de geleidelijke uitbreiding van de prerogatieven van het Parlement met de daaropvolgende verdragswijzigingen hebben ertoe geleid dat sommige wetgevingsprocedures die in het verleden op grote schaal werden gebruikt, nu van toepassing zijn op een beperkt aantal gevallen.

Raadpleging

In het kader van de raadpleging kan het Europees Parlement een wetgevingsvoorstel goedkeuren of verwerpen, of er amendementen op voorstellen.

De Raad is niet wettelijk verplicht om rekening te houden met het advies van het Parlement, maar in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag hij geen besluit nemen zonder het advies te hebben ontvangen.

Deze procedure is nu van toepassing op wetgevingsgebieden zoals vrijstellingen voor de interne markt en het concurrentierecht.

Goedkeuring

In sommige gevallen bepalen het Verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dat het Europees Parlement zijn goedkeuring moet geven om een procedure te kunnen afronden.

Dat betekent dat het Parlement een voorgesteld besluit kan goedkeuren of verwerpen, maar het niet kan wijzigen. Als het Parlement zijn goedkeuring niet geeft, kan het besluit niet door de Raad worden aangenomen.

Wanneer nieuwe wetgeving ter bestrijding van discriminatie wordt aangenomen, is de toestemming van het Parlement vereist.

Hetzelfde geldt wanneer de Raad maatregelen aanneemt op gebieden waar EU-bevoegdheden niet expliciet zijn toegekend, maar die noodzakelijk zijn om de in de Europese verdragen vastgestelde doelstellingen te bereiken - dit staat bekend als de flexibiliteitsclausule van artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De goedkeuringsprocedure, die vroeger bekend stond als de instemmingsprocedure, is ook van toepassing op een aantal andere doeleinden naast het aannemen van wetgeving. Het Europees Parlement wordt om goedkeuring gevraagd voor internationale overeenkomsten waarover de Europese Unie onderhandelt, of voor overeenkomsten betreffende de toetreding tot of terugtrekking uit de EU van een land.

Daarnaast moet het Parlement zijn goedkeuring geven aan besluiten van de Raad op grond van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin kan worden bepaald dat een EU-land een ernstige inbreuk op de EU-waarden dreigt te maken of reeds een ernstige en voortdurende inbreuk op de EU-waarden maakt.

Uitvoeringshandeling en gedelegeerde handelingen

Wanneer het Europees Parlement en de Raad een wetgevingshandeling aannemen, kunnen ze de Commissie de bevoegdheid geven om niet-wetgevingshandelingen aan te nemen die verband houden met die wetgevingshandeling.

Er zijn twee soorten niet-wetgevingshandelingen:

  • uitvoeringshandelingen- waarbij de Commissie de voorwaarden wil scheppen voor een uniforme uitvoering van de wetgevingshandeling in alle EU-landen
  • gedelegeerde handelingen - waarbij de Commissie wordt gemachtigd bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling aan te vullen of te wijzigen

Uitvoeringshandelingen

De uitvoeringshandelingen worden voorgelegd aan comités van deskundigen uit de EU-landen, terwijl het Parlement tijdens de procedure op de hoogte wordt gehouden en zijn recht op toezicht behoudt.

Op basis van een voorstel van de verantwoordelijke Parlementaire commissie kan het Parlement bezwaar maken tegen de ontwerpuitvoeringsmaatregel door te stellen dat deze de in de betrokken wetgevingshandeling vastgestelde bevoegdheden overschrijdt of op andere punten niet in overeenstemming is met de EU-wetgeving.

Het Parlement kan de Commissie verzoeken de maatregelen in te trekken of te wijzigen of een nieuw voorstel in te dienen volgens de toepasselijke wetgevingsprocedure.

Gedelegeerde handelingen

Gedelegeerde handelingen worden doorgaans gebruikt wanneer bepaalde elementen van de wetgevingshandeling regelmatig moeten worden aangepast om rekening te houden met de technische of wetenschappelijke vooruitgang. In de praktijk delegeren het Parlement en de Raad sommige van hun bevoegdheden als medewetgever, zodat besluiten snel en efficiënt kunnen worden genomen.

In overeenstemming met de bepalingen van de wetgevingshandeling kunnen het Parlement of de Raad besluiten een bezwaar in te dienen tegen een gedelegeerde handeling binnen een bepaalde termijn (over het algemeen twee maanden) na ontvangst van de kennisgeving. In dat geval kan de gedelegeerde handeling niet in werking treden.

Het Europees Parlement of de Raad kan ook besluiten de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie in te trekken.

Kan het Europees Parlement wetgeving initiëren?

De Europese Commissie heeft de bevoegdheid om de meeste wetgevingsvoorstellen op EU-niveau te doen.

Artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geeft het Parlement echter het recht om de Commissie te verzoeken een wetgevingsvoorstel over een bepaald onderwerp in te dienen.

Volgens een akkoord tussen het Parlement en de Commissie heeft de Commissie zich ertoe verbonden binnen drie maanden op een dergelijk verzoek te antwoorden. Als de Commissie besluit geen wetgeving voor te stellen naar aanleiding van het verzoek van het Parlement, moet zij haar standpunt aan het Parlement rechtvaardigen.

Binnen het Parlement kan het verzoek om nieuwe wetgeving voor te stellen worden ingediend door de commissie die verantwoordelijk is voor het onderwerp of door een of meer leden van het Parlement. De begrotingscommissie kan een mening geven over de financiële gevolgen van het voorstel.

Jaarlijkse en meerjarige programmering

In overeenstemming met artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neemt de Commissie het initiatief tot de jaarlijkse en meerjarige programma's van de EU. Om dat doel te bereiken, stelt de Commissie haar werkprogramma op.

Het Europees Parlement werkt samen met de Commissie bij het opstellen van het werkprogramma van de Commissie en de Commissie dient rekening te houden met de prioriteiten die het Parlement in dat stadium kenbaar maakt.

Na goedkeuring van het programma door de Commissie overleggen het Parlement, de Raad en de Commissie en bereiken zij overeenstemming over een gezamenlijke verklaring waarin de doelstellingen en prioriteiten van de EU worden uiteengezet.

Gedetailleerde regelingen voor de samenwerking tussen het Parlement en de Commissie met betrekking tot het werkprogramma van de Commissie zijn vastgelegd in het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen de twee instellingen.