VERSLAG over de sekten in de Europese Unie

    11 december 1997

    Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken
    Rapporteur: Maria Berger

    Bij schrijven van 18 februari 1997 verzocht de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken om toestemming voor de opstelling van een verslag over de sekten in de Europese Unie.

    Op 14 maart 1997 deelde de Voorzitter van het Parlement mede dat de Conferentie van voorzitters de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken toestemming had verleend hierover verslag uit te brengen.

    De Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken benoemde op haar vergadering van 22 april 1997 mevrouw Berger tot rapporteur.

    Zij behandelde het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 8 juli, 29 september, 28 oktober, 4 november en 8 december 1997.

    Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 15 stemmen voor en 7 tegen bij 3 onthoudingen haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

    Bij de stemming waren aanwezig: de leden d'Ancona, voorzitter; Reding, ondervoorzitter; Wiebenga, ondervoorzitter; Berger, rapporteur; Bontempi, Caccavale (verving Schaffner), de Luca, Deprez, Ford, Goerens, Gomolka (verving Posselt), Hallan (verving Crawley, overeenkomstig artikel 138, lid 2 van het Reglement), Lambrias (verving Colombo Svevo), Lindeperg, Marinho, Mohamed Ali, Nassauer, Oostlander (verving Cederschiöld), Pailler (verving Vinci), Pirker, Pradier, Schmid, Schulz, Van Lancker (verving Terron i Cusí) en Zimmermann.

    Het verslag werd bij de Griffie ingediend op 11 december 1997.

    De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld.

    A. ONTWERPRESOLUTIE

    Resolutie over de sekten in de Europese Unie

    Het Europees Parlement,

    - gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

    - gelet op de Verklaring van de Verenigde Naties van 25 november 1981 over de afschaffing van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of geloof,

    - gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties over de rechten van het kind,

    - gezien de aanbeveling van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 5 februari 1992 over sekten en nieuwe religieuze bewegingen,

    - gezien het verslag van de onderzoekscommissie van de Franse Nationale Vergadering van 20 december 1995 over sekten in Frankrijk,

    - gezien het verslag van de onderzoekscommissie van het Belgische parlement van 28 april 1997 over de bestrijding van illegale praktijken van sekten en van de daaruit resulterende gevaren voor de maatschappij en het individu en met name minderjarigen,

    - gezien het interimverslag van de onderzoekscommissie "zogenaamde sekten en psychogroepen", van de Duitse Bondsdag,

    - gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name titel VI, artikelen F en 129 A, enz.,

    - gezien zijn resolutie van 22 mei 1984 over een gemeenschappelijk optreden van de lidstaten van de Europese Gemeenschap tegen rechtsovertredingen van nieuwe organisaties die activiteiten ontplooien in het kader van de vrijheid van godsdienst [1],

    - gezien zijn resolutie van 8 juli 1992 over een Europees Handvest van de rechten van het kind [2],

    - gezien zijn resolutie van 29 februari 1996 over sekten in Europa [3],

    - gezien zijn resolutie van 8 april 1997 over de mensenrechten in de Unie [4],

    - gelet op artikel 148 van zijn Reglement,

    - gezien het verslag van de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken (A4-0000/97),

    A. overwegende dat de informatie die als uitgangspunt heeft gediend voor de resoluties van het Europees Parlement van 22 mei 1984 en 29 februari 1996, in de gezamenlijke vergadering van de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken en vertegenwoordigers van de nationale parlementen op 21 november 1996 werd bevestigd en geactualiseerd en dat op deze vergadering bepaalde aanbevelingen voor acties zijn gedaan,

    B. overwegende dat de Raad en de Commissie volgens door henzelf verstrekte inlichtingen geen gevolg hebben gegeven aan de in deze resoluties gedane aanbevelingen,

    C. overwegende dat er van het begrip "sekten" nog geen juridische definitie is gegeven, dat daaraan, zoals in de resolutie van 29 februari 1996, ook in de onderhavige resolutie geen waardeoordeel wordt verbonden, dat de rechtssituatie in de lidstaten met betrekking tot de overheidserkenning van religieuze groeperingen en sekten zeer uiteenlopend is en dat sektevorming behoort tot de fundamentele vrijheden van godsdienst, geweten, meningsuiting, vereniging en vergadering,

    D. overwegende dat bijgevolg elke aanbeveling tot ingrijpen alleen betrekking mag hebben op de problematische aspecten en de risico's die eventueel verbonden zijn aan de activiteiten van bepaalde sekten wanneer deze schade berokkenen aan de lichamelijke en geestelijke integriteit of de sociale en economische positie van een burger; overwegende dat tegen dergelijke gedragingen ook in alle andere - al dan niet religieuze - soorten organisaties moet worden opgetreden,

    E. overwegende dat op grond van de onder C en D genoemde redenen en de snelle opkomst en verdwijning van groepen het niet gewenst is dat het Europees Parlement een lijst van sekten opstelt,

    F. overwegende dat in de voornoemde resoluties aanbevelingen aan de lidstaten werden gericht op grond waarvan enkele lidstaten in verband met binnenlandse ontwikkelingen actiever zijn geworden op het gebied van informatie, voorlichting en consultatie en dat de nationale parlementen van drie lidstaten uitgebreide enquêtes hebben uitgevoerd en deze nog voortzetten waarover verslagen en een interimverslag zijn ingediend,

    G. overwegende dat de overheid het optreden van sekten pas dan problematisch kan achten als deze een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of de klassieke burgerrechten, en dat de vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de meeste lidstaten weinig betekenis hechten aan het optreden en de activiteiten van sekten in hun lidstaat en deze niet als problematisch beschouwen,

    H. overwegende dat slechts één lidstaat een opinieonderzoek over de leden en sympathisanten van sekten heeft verricht, dat deze enquête zeer lage cijfers heeft opgeleverd en dat kan worden verondersteld dat deze indicatoren in geen van de andere lidstaten op significante wijze worden overschreden,

    I. overwegende dat alle lidstaten het essentieel achten dat de fundamentele vrijheden zoals vrijheid van godsdienst, geweten of geloof, evenals vrijheid van mening, vereniging en vergadering worden gewaarborgd en dat de oplossing van conflictsituaties met andere fundamentele rechten aan de wetgever en de rechter moeten worden overgelaten,

    J. overwegende dat in vele lidstaten de zorgwekkende tendens bestaat om leden van sekten de toegang tot de overheidsdienst te belemmeren of te verbieden,

    K. overwegende dat de meeste lidstaten het bestaande instrumentarium van rechtsmiddelen toereikend achten en dat in de gezamenlijke vergadering specifieke wetgeving ter bestrijding van sekten duidelijk werd afgewezen, maar dat er in de gezamenlijke vergadering ook op werd gewezen dat deze rechtsmiddelen onvoldoende worden benut om criminele activiteiten of inbreuken op de sociale of belastingwetgeving te bestrijden,

    L. overwegende dat de aantrekkingskracht van sekten ook moet worden gezien als symptoom van een diep sociaal, moreel en maatschappelijk onbehagen en in het licht van een verlangen naar levenszin en levensbegrip door de huidige op wetenschap en techniek georiënteerde en door individualisme en de teloorgang van de traditionele sociale structuur gekenmerkte samenleving en de traditionele kerken niet meer in voldoende mate kan worden bevredigd,

    M. overwegende dat de eisen die de moderne beroepswereld stelt een gunstig klimaat scheppen voor aanbiedingen betreffende het overwinnen van door het individu ervaren tekortkomingen op het gebied van zijn prestatievermogen en persoonlijkheid,

    N. overwegende dat in de eerste plaats individuele personen, en met name jongeren, kunnen blootstaan aan de potentiële gevaren die van vele sekten uitgaan, met name wat betreft hun psychische en fysieke integriteit en eventuele negatieve beïnvloeding van hun maatschappelijke en economische positie en dat tot op heden op grond van de beschikbare informatie niet behoeft te worden gevreesd voor een onmiddellijke bedreiging van de in de lidstaten gevestigde democratische instellingen en de instituten van de rechtstaat,

    O. overwegende dat zich echter in verschillende landen, met name in Frankrijk, Zwitserland, Canada en Japan, tragische gebeurtenissen hebben voorgedaan waarbij sekten rechtstreeks waren betrokken, met name gevallen van collectieve zelfmoord van mannen, vrouwen en hun kinderen, en dat wij deze feiten niet kunnen negeren,

    P. overwegende dat de bescherming van het individu, ook in zijn hoedanigheid van consument, door informatie, voorlichting en consultatie derhalve centraal moet staan,

    Q. overwegende dat objectieve informatie over problematische praktijken van bepaalde sekten nodig is, vooral ook in de scholen, maar dat overheidsinstanties en instanties die steun van de overheid ontvangen bij activiteiten op het gebied van informatie, voorlichting en consultatie overeenkomstig de constitutionele opdracht van hun land inhoudelijk geen partij mogen kiezen en dat zij de persoon een gedocumenteerde en vrije beslissing mogelijk moeten maken en hulp moeten bieden aan degenen die de wens kenbaar maken uit een sekte uit te treden,

    R. overwegende dat een inhoudelijke en kritische discussie over de door sekten verkondigde leerstellingen, denkbeelden en door hen gebruikte methoden, in zoverre deze geen inbreuk vormen op het recht, een uitdaging vormen voor de samenleving die in het bijzonder door de erkende kerken en religieuze gemeenschappen, de politieke partijen, de gezins- en jeugdorganisaties en de bonden voor bescherming van de consument moet worden aanvaard, en dat voor zover er gevolgen zijn voor bepaalde bedrijfstakken of ondernemingen ook de organisaties van werkgevers en werknemers zich met dit thema moeten bezighouden,

    S. overwegende dat overheids- of particuliere instanties bij hun informatie, voorlichtings- en consultatiewerkzaamheden moeten worden ondersteund door een internationaal netwerk,

    T. overwegende dat deze taak niet aan Europol kan worden overgedragen daar het algemene mandaat van deze instantie niet hierin voorziet, maar dat aan Europol wel in het kader van haar huidige en eventueel op grond van artikel 2, lid 2, van de overeenkomst uitgebreide mandaat een centrale rol bij de bestrijding van criminele activiteiten is toebedeeld,

    U. overwegende dat aan deze problemen in de verschillende lidstaten een zeer uiteenlopend gewicht wordt toegekend en er, aangezien kwantitatieve en kwalitatieve grondslagen voor een gemeenschappelijk Europees beleid voorlopig ontbreken, op dit ogenblik geen toereikende basis schijnt te zijn voor de oprichting van een speciale instantie van de Unie voor de sektenproblematiek,

    V. overwegende echter dat ten aanzien van de commerciële diensten die op de zogenaamde "psychomarkt" ook door sekten worden aangeboden de consument tegen misbruik moet worden beschermd en dat ook op Europees vlak eventueel lacunes zouden kunnen bestaan in het recht betreffende de consumentenbescherming die nader dienen te worden onderzocht, waarbij bestaande regelingen mogelijkerwijs moeten worden aangevuld,

    W. overwegende dat in het kader van de samenwerking op grond van titel VI van het EUVerdrag een netwerk kan worden opgezet voor de activiteiten van de lidstaten op het gebied van deze problematiek, die losstaat van de consumentenbescherming,

    X. overwegende dat de bezorgdheid over de veronderstelde groei van de activiteiten van sekten en de eventueel daaraan verbonden gevaren voortduurt en dat derhalve de vergaring van kwantitatieve gegevens over heel Europa en een nader onderzoek van dit verschijnsel gewenst en gerechtvaardigd lijken,

    Y. overwegende dat, nu ook de landen van Midden- en Oost-Europa steeds meer worden geconfronteerd met de problematiek van de sekten, deze maatregelen tevens moeten worden uitgebreid tot de MOEL en in het kader van PHARE en TACIS hulp moet worden geboden aan deze landen zodat zij deze problemen kunnen benaderen onder inachtneming van de fundamentele vrijheden,

    1. onderstreept het belang van samenwerking tussen de lidstaten en verzoekt de Raad en de Commissie andermaal de in zijn resoluties van 22 mei 1984 en 29 februari 1996 aan hen gerichte aanbevelingen ten uitvoer te leggen, daar de informatie die het uitgangspunt van voornoemde resoluties was, in de gezamenlijke vergadering van de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken en de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over sekten in Europa werd bevestigd en geactualiseerd, en bevestigt nogmaals dat gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid, alsmede vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering in een democratische rechtstaat onontbeerlijke fundamentele rechten zijn;

    2. dringt er bij de lidstaten en de Europese instellingen op aan hun optreden slechts te richten op problematische aspecten en op activiteiten van sekten die schade berokkenen aan de lichamelijke en geestelijke integriteit of de sociale en economische positie van burgers, doch ook op te treden wanneer deze gedragingen worden geconstateerd bij andere - al dan niet religieuze - organisaties, waarbij de fundamentele rechten van de burger echter volledig geëerbiedigd dienen te worden;

    3. verzoekt de lidstaten om in hun steun- en subsidiebeleid strikte criteria en minimumeisen vast te stellen en toe te passen, binnen het kader van hun bevoegdheden, om ervoor te zorgen dat de subsidies worden aangewend voor de vastgestelde doeleinden, met strikte eerbiediging van alle wettelijke voorwaarden;

    4. dringt er bij de lidstaten op aan alleen bij individuele onwettige handelingen sancties tegen sekteleden te nemen;

    5. verzoekt die lidstaten waarin veelvuldige klachten over bepaalde ongewenste of problematische activiteiten van sekten worden gehoord, onafhankelijke instanties te belasten met het organiseren van acties op het gebied van informatie, voorlichting en consultatie, met name voor jongeren en gezinnen, zodat, zonder inhoudelijk partij te kiezen, voor de enkeling een gedocumenteerde beslissing wordt vergemakkelijkt, en te zorgen voor hulpverlening aan degenen die uit een sekte wensen uit te treden en hun familie;

    6. verzoekt de lidstaten de bestaande rechtsvoorschriften en juridische instrumenten efficiënt toe te passen en na te gaan of de bepalingen inzonderheid op het gebied van het verenigings- en vennootschapsrecht, het fiscaal en het sociaal recht, alsmede het strafrecht, voldoende zijn om de burger te beschermen tegen illegale activiteiten, en met name veilig te stellen dat minderjarigen wier ouders lid van een sekte zijn, niet worden onttrokken aan de toepassing van de voor de bescherming van jongeren geldende bepalingen, bijvoorbeeld de zorgplicht en de schoolplicht, doch bevestigt dat het specifieke wettelijke bepalingen tegen sekten als zodanig niet wenselijk acht;

    7. verzoekt de Commissie in het kader van de haar opgedragen consumentenbescherming te onderzoeken of de consumenten moeten worden beschermd tegen misbruik ten aanzien van commerciële diensten die op de zgn. "psychomarkt" ook door sekten worden aangeboden en of er leemtes zijn in het Europese consumentenrecht en zo ja, hoe deze met spoed kunnen worden weggewerkt;

    8. dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan dat zij nagaan hoe in het kader van titel VI van het EU-Verdrag steun kan worden verleend aan activiteiten van de lidstaten op het gebied van informatie, voorlichting en consultatie waarvoor internationale samenwerking is geboden en die vallen onder titel VI, met name de uitwisseling van informatie over benamingen, vertakkingen en methoden, alsmede om vermiste personen te kunnen opsporen;

    9. roept de Commissie respectievelijk EUROSTAT op in geheel Europa, met inbegrip van de MOEL, een kwantitatief onderzoek naar het verschijnsel van de sekten uit te voeren en die lidstaten die niet over statistieken beschikken, te verzoeken dergelijke statistieken op te stellen;

    10. verzoekt de op het gebied van de bescherming van de mensenrechten gespecialiseerde NGO's acties op het gebied van informatie en consultatie op gang te brengen en te ondersteunen, zodat iedereen in alle vrijheid over toetreding tot een sekte of nieuwe religieuze gemeenschap kan beslissen en in elk geval vrij is deze te verlaten wanneer hij wil;

    11. verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van PHARE en TACIS de Midden- en Oost-Europese landen te helpen om in hun omgang met sekten de fundamentele vrijheden te eerbiedigen en informatie-, voorlichtings- en consultatiebureaus op te richten;

    12. ziet op dit ogenblik geen noodzaak of rechtvaardiging om een gemeenschappelijk Europees beleid uit te stippelen tegen sekten of een eigen Europese instantie hiervoor op te richten;

    13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en aan de Raad van Europa.

    • [1] PB C 172 van 02.07.1984, blz. 41.
    • [2] PB C 241 van 21.09.1992, blz. 67.
    • [3] PB C 78 van 18.03.1996, blz. 31.
    • [4] PB C 132 van 28.04.1997, blz. 31.

    B. TOELICHTING

    Inleiding

    In zijn resolutie over de sekten in Europa van 29 februari 1996 verzocht het Europees Parlement zijn Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken de bevoegde commissies van de nationale parlementen voor te stellen hun volgende gezamenlijke vergadering te wijden aan het thema van de sekten en de conclusies daarvan in een verslag aan de plenaire vergadering voor te leggen. Deze opdracht wordt met het onderhavige verslag vervuld.

    Met name vroeg het Parlement de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken in deze gezamenlijke vergadering :

    - informatie uit te wisselen over de organisatie, werkmethodes en handelwijzen van sekten in iedere lidstaat,

    - de beste methode aan te geven voor een beperking van ongewenste activiteiten van sekten alsmede strategieën voor de bewustmaking van de bevolking.

    In een werkdocument dat bij dit verslag is gevoegd, wordt een uitvoerig overzicht gegeven van de bijdragen in de gezamenlijke werkvergadering van de Commissie openbare vrijheden en de vertegenwoordigers van de bevoegde commissies uit de nationale parlementen die op 21 november 1996 in Brussel heeft plaatsgevonden. Voorts heeft het secretariaat van de commissie een werkdocument opgesteld waarin aanvullende informatie is opgenomen.

    In dit verslag kunnen de resultaten als volgt worden samengevat:

    Definitie van het begrip

    Zoals reeds uit vroegere debatten van het EP is gebleken, veroorzaakt alleen al het gebruik van de term "sekten" onzekerheid en meningsverschillen. Zulks met name omdat het begrip in sommige lidstaten of officiële talen van de Unie al direct als negatief belast en vanwege het ontbreken van een nader onderscheid als discriminerend wordt ervaren. In de resolutie van het Europees Parlement van 22 mei 1984 is sprake van nieuwe organisaties die activiteiten in het kader van de vrijheid van godsdienst ontplooien. Inhet gezamenlijk debat werd voorgesteld als alternatief en/of aanvulling het begrip "nieuwe religieuze bewegingen" te gebruiken wat door één deelnemer eveneens als een discriminatie werd beschouwd. De Duitse Bondsdag heeft zijn commissie de onderzoekscommissie "zogenaamde sekten en psychogroepen" genoemd. In het verslag van de onderzoekscommissie van het Belgische parlement van 28 april 1997 wordt een onderscheid gemaakt tussen "sekten stricto sensu", schadelijke sektaire organisaties en misleidende organisaties onder het mom van sekte. In het verslag van de onderzoekscommissie van de Franse Nationale Vergadering van 20 september 1995 wordt de term "sekte" gebruikt naar analogie van de praktijk bij de Franse geheime dienst die deze term bezigt voor elke organisatie waarop minstens een van de 10 "gevarencriteria" van toepassing is. Evenmin als in de gewone spreektaal het begrip "sekte" duidelijk is omlijnd vindt men in het nationale recht een juridische definitie van deze term. In navolging van de resolutie van het Europees Parlement van 29 februari 1996 wordt hierna simpelweg van sekten gesproken aangezien deze term in voornoemde resolutie en ook in het onderhavige verslag niet discriminerend wordt gebruikt. In het navolgende worden geen conclusies getrokken die slechts uit het begrip sekte zouden zijn afgeleid.

    Het constitutionele aspect

    Alle lidstaten zijn op grond van hun constitutionele tradities uiterst verknocht aan de vrijheid van godsdienst en geweten en vrijheid van geloof zoals ook de meningsvrijheid en de vrijheid van vergadering en vereniging. Het fundamentele recht op godsdienstvrijheid kan door de wetgever ofwel helemaal niet (bijvoorbeeld Zweden) of slechts onder restrictieve voorwaarden worden beperkt. Geen van de lidstaten maakt echter uitzonderingen ten aanzien van religieuze gemeenschappen, kerken en sekten zoals ook hun aanhangers wanneer het gaat om de toepassing van algemene wetten, noch geven zij de voorrang aan de godsdienstvrijheid boven andere fundamentele vrijheden (bijvoorbeeld bescherming van de persoonlijke vrijheid en de lichamelijke integriteit) of andere waarden die door de grondwet worden gewaarborgd. De beantwoording van de vraag welke groeperingen zich met recht kunnen beroepen op de vrijheid van godsdienst en de oplossing van geschillen rondom de fundamentele vrijheden is in alle concrete gevallen de taak van de rechter.

    Organisatievormen

    Enkele lidstaten kennen aan religieuze gemeenschappen, die aan bepaalde criteria voldoen, een bijzondere wettelijke status toe waaraan verschillende bijzondere rechten zijn verbonden (interne autonomie, fiscale begunstiging, het recht belastingen te heffen, godsdienstonderwijs in openbare scholen, het recht op eigen scholen met of zonder overheidssteun, het bijhouden van openbare registers enz.) (zie werkdocument van DG IV). De groepen aan welke deze bijzondere status niet wordt toegekend respectievelijk deze status niet in de nationale rechtsorde is opgenomen - worden meestal met het statuut van een algemene nutsvereniging (zonder winstoogmerk) of soortgelijke constructie opgericht. Binnen dit algemene rechtskader staat het de organisaties vrij hun interne organisatiestructuur te bepalen. In de vakliteratuur en ook in het verslag van de Franse Nationale Vergadering wordt bijvoorbeeld als essentieel kenmerk van sekten een streng hiërarchische opbouw genoemd. Grotere groeperingen zoals bijvoorbeeld Scientology of de Moon-beweging vormen een wijd verbreid netwerk van onderorganisaties met bijzondere taken.

    Wat de aard, het aantal en de graad van verbreiding betreft, hebben de nationale vertegenwoordigers de volgende gegevens verstrekt die echter gezien de in alle lidstaten bestaande onzekerheid over het gegevensbestand (bijvoorbeeld eigen meldingen van de sekten) en de uiteenlopende definities slechts kunnen worden opgevat als indicatoren voor de orde van grootte van het verschijnsel van de sekten:

    Griekenland: geen concrete gegevens, geen noemenswaardige problemen met sekten, als enige op grotere schaal bekende sekte worden de Jehova-getuigen genoemd.

    Zweden: geen feitelijke gegevens.

    Portugal: geen concrete gegevens, geen noemenswaardige moeilijkheden, gedurende een korte tijd heeft een uit Brazilië afkomstige sekte bepaalde aandacht getrokken.

    Oostenrijk: 50.000 mensen zijn lid van een sekte, 200.000 zouden behoren tot bewegingen van dit soort in de ruimste zin.

    Nederland: geen concrete gegevens; de slotsom van een rapport van 1984 luidt dat er geen echte problemen zijn.

    Italië: 400 "nieuwe religieuze bewegingen" waarmee 600.000 mensen te maken hebben. waaronder als grootste groep de getuigen van Jehova worden genoemd.

    Verenigd Koninkrijk: geen concrete gegevens, het probleem wordt niet als ernstig beschouwd, een onderzoek naar de invloed van de vrijmetselaars op politiek en rechtsgebied wordt overwogen.

    Spanje: er zijn 40 tot 50 sekten, een schatting van het aantal aanhangers is niet mogelijk. Volgens een nieuwere publicatie[1] zijn er 300-600 sekten met 150.000 -300.000 volgelingen. In het verslag van een parlementaire commissie wordt een cijfer genoemd van 700.000 jongeren die met sekten zouden sympathiseren.

    Duitsland: geen concrete cijfers, maar de sekten breiden zich uit. Op grond van het opinieonderzoek dat door de onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag is uitgevoerd[2], werd het aantal personen dat zich heeft aangesloten bij nieuwe religieuze of wereldbeschouwelijke bewegingen of daarmee sympathiseert op 820.000 geschat. Daar de gegevens over de namen van de groepen waarvan de ondervraagde personen lid zijn of waarmede zij sympathiseren echter zo gering waren, konden geen ledentallen voor de verschillende groepen worden berekend. De onderzoekscommissie is gekant tegen een classificatie van de groepen op grond van een eigen beschrijving. Naast een vroeger of huidig lidmaatschap of sympathie verklaarde 1,7% van de ondervraagde personen dat zij reeds eenmaal in hun leven manifestaties van nieuwe religieuze of wereldbeschouwelijke bewegingen hadden bezocht of gebruik hadden gemaakt van hun aanbiedingen, bijvoorbeeld meditatie, mentale training, cursussen voor beter leven enz. Op grond van prognoses kan dit aantal voor de totale bevolking worden geschat op 1.172.000 personen. De sociale kenmerken van het merendeel van de cliënten zijn: hogere opleiding, functies van ambtenaar of employé, hoger gesalarieerden alsmede personen met een inkomen lager dan 3000 DM, alleenstaanden en eenoudergezinnen, middelbare leeftijdsgroep en stedelingen.

    Denemarken: naast de 11 erkende godsdienstige gemeenschappen zijn er 36 religieuze gemeenschappen die gerechtigd zijn godsdiensten te houden; een essentiële groei van het aantal sekten kan de laatste tijd niet worden vastgesteld.

    België: er zijn 150 sekten die "in het oog moeten worden gehouden". Over de ledentallen en de variaties daarin kan niets worden medegedeeld.

    Frankrijk: het Franse parlement was niet vertegenwoordigd; uit een beknopte samenvatting van het verslag van de Franse Nationale Vergadering van 20 december 1995 dat aan het verslag over de vergadering is gehecht, werden de volgende cijfers vermeld: overeenkomstig de vastgestelde criteria (zie hierboven) heeft de geheime dienst het bestaan van 172 sekten gesignaleerd. In dit cijfer zijn alleen de "moederorganisaties" begrepen, wanneer men de "dochterorganisaties " meetelt zijn het er 800. Het aantal aanhangers ligt bij ongeveer 160.000, dat van de sympathisanten bij 100.000.

    Finland, Luxemburg en Ierland waren bij de gezamenlijke vergadering niet vertegenwoordigd.

    Werkmethoden en gedrag van de sekten

    De door de vertegenwoordigers van de nationale parlementen in de gezamenlijke vergadering en in de verslagen van de drie nationale parlementen gedane uitspraken bevestigen grotendeels de informatie waarover het Europees Parlement reeds beschikte als uitgangspunt van zijn resoluties in 1984 en 1996. O.a. de hierna volgende activiteiten worden als probleem gezien:

    - de financiële uitbuiting van leden door te hoge prijzen voor cursussen, leermateriaal, diagnose- en therapiehulpmiddelen; druk op donors,

    - de agressieve recrutering van leden,

    - de fysieke en psychische verwaarlozing van familieleden,

    - het niet in acht nemen van voorschriften op het gebied van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid voor medewerkers,

    - geen betaling of onderbetaalde arbeid,

    - het losmaken van personen uit hun familie-, sociale en professionele kringen,

    - het weigeren van conventionele genezingswijzen en bloedtransfusies voor zichzelf en hun minderjarige kinderen,

    - toepassing van de zogenaamde psychotechnieken en methoden voor psychische manipulatie,

    - het interneren ook van kinderen en jongeren in eigen kleuterscholen en scholen,

    - het behartigen van voornamelijk financiële of politieke belangen onder de dekmantel van godsdienst, levenshulp, ontwikkelingshulp enz.

    - het ondergraven van overheidsstructuren,- het ondermijnen en beïnvloeden van ondernemingen,

    - vervolging van "drop-out"s en critici.

    Hierbij dient te worden opgemerkt dat de gebruikelijke verwijten verschillend dienen te worden beoordeeld. Terwijl bijvoorbeeld de problematiek met de bloedtransfusie bij Jehova-getuigen duidelijk is en de lidstaten ook een instrumentarium hebben ontwikkeld om daarmee om te gaan, moet men bijvoorbeeld veel behoedzamer omspringen met het verwijt van manipulerende psychotechnieken of de ondergraving van overheidsstructuren. Het interimverslag van de Duitse Bondsdag staat veeleer sceptisch tegenover de relevantie van de zogenaamde psychotechnieken.

    "Het is veel belangrijker inzicht te verkrijgen in de vervlechting van psychische en materiële afhankelijkheid, zelf opgelegde verplichtingen, sterke beïnvloeding door vreemden en bedreiging met sancties. Deze verbanden moeten nader op hun interactieve wisselwerking worden onderzocht." [3].

    Het steeds weer gehoorde verwijt, met name tegen de Scientology-beweging, van ondergraving van overheidsorganen kan ook door nieuwere publicaties niet concreet worden gestaafd. Tegenover de gevestigde democratie van de rechtsstaat maken de daarin aangeduide strategieën eerder een uiterst dilettantische en ongevaarlijke indruk.

    In verband met diverse sekten worden steeds weer de volgende onmiskenbaar criminele handelingen genoemd: seksueel misbruik van kinderen, drugs- en mensenhandel, illegale uitoefening van medische beroepen, witwassen van zwart geld, belastingontduiking, het aanzetten tot zelfmoord.

    Methoden voor het indammen van ongewenste activiteiten

    Strategieën voor de bewustmaking van de bevolking

    De voorstellen die in de gezamenlijke vergadering werden gedaan weerspiegelen de uiteenlopende uitgangspunten in de diverse lidstaten. In drie lidstaten (Frankrijk, Duitsland, België) werd en wordt het probleem op grond van bepaalde gebeurtenissen en de stand van de openbare discussie nog steeds zo belangrijk gevonden dat daarover uitvoerige parlementaire onderzoekingen en beraadslagingen hebben plaats gevonden en nog voortduren. In de verslagen en door de vertegenwoordigers van de nationale parlementen wordt gewezen op het centrale belang van een intensievere voorlichting van de bevolking in het algemeen en in het bijzonder van jongeren evenals de betrokken instanties( bureau voor jeugdzaken, leerkrachten, rechters, het Openbaar Ministerie, de financiële autoriteiten en instanties waaronder verenigingen en economische activiteiten ressorteren, enz.). Indien overheidsinstellingen zelf deze voorlichtingstaken op zich nemen of particuliere instellingen met publieke gelden worden gesteund, kan het nationale constitutionele recht respectievelijk de nationale grondwettelijke traditie verlangen dat de Staat zich ten aanzien van de beoordeling van de religieuze inhoud neutraal opstelt en in de concurrentiestrijd tussen godsdiensten en heilsideologieën geen partij kiest [4]. Overeenkomstig de ingediende verslagen organiseert de staat voorlichtingscampagnes in Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk. In Zweden en België hebben de nationale parlementen desbetreffende voorstellen gedaan.

    Om aan de behoefte aan een betere en meer objectieve voorlichting tegemoet te kunnen komen, werd door bijna alle vertegenwoordigers van de nationale parlementen, de deelnemende leden van de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken en door deskundigen die in de nationale parlementen werden gehoord, opgeroepen tot vergaring van meer informatie en een betere uitwisseling van informatie op internationaal vlak. Zoals reeds uit de beschikbare nationale cijfers van de lidstaten blijkt, ontbreken in de meeste gevallen zelfs fundamentele kwantitatieve en wetenschappelijk verantwoorde gegevens over bijvoorbeeld het aantal opererende sekten, hun ledental en hun structuren. Met name met het oog op de interne organisatie (bijvoorbeeld welke specifieke organisaties tot welke groepen worden gerekend, die van land tot land vaak verschillende benamingen hebben, de internationale vertakkingen en typische werkmethoden en handelwijzen werd op een internationalisering van de uitwisseling van gegevens aangedrongen. Als platform voor deze uitwisseling op Europees niveau en als knooppunt voor een wereldwijde samenwerking werden in de gezamenlijke vergadering de volgende voorstellen gedaan:

    - oprichting van een databank voor geheel Europa zonder specificatie van de verantwoordelijke instantie,

    - oprichting van een databank die ressorteert onder Europol,

    - oprichting van een coördinatie-instantie voor geheel Europa,

    - oprichting van een Europese waarnemingspost,

    - opzet van nationale voorlichtingsbureaus en betere Europese netwerken.

    Sommige vertegenwoordigers hebben de oprichting van nieuwe Europese instellingen uitdrukkelijk van de hand gewezen. Anderen hebben benadrukt dat Europol slechts in geval van onmiskenbaar criminele praktijken die vallen onder het huidige of een eventueel overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de overeenkomst uitgebreid mandaat van Europol, een rol moet spelen.

    Evenals een gebrek aan betrouwbare kwantitatieve gegevens in de politieke en maatschappelijke discussie leidt tot over- of onderschatting van de problematiek van de sekten, verlokt het gebrek aan kwalitatief onderzoek tot verkeerde beoordelingen. Het interimverslag van de Duitse Bondsdag gaat nader in op deze lacunes in de kennis en het onderzoek en situeert deze met name op het gebied van het pedagogisch en psychologisch onderzoek met betrekking tot kinderen en jongeren in sekten en het onderzoek van de effecten van psychologische en sociaal-psychologische technieken voor gedragsbeïnvloeding.

    Consultatie

    Er is meerdere malen op gewezen dat het wenselijk zou zijn naast de informatie en voorlichting mensen die uit een sekte willen uittreden en hun familieleden concreet met raad en daad bij te staan. Dit wordt echter hoofdzakelijk als een nationale taak gezien.

    Rechtsmiddelen

    De algemeen opinie was dat het nationale recht van de lidstaten voldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen optreden tegen handelwijzen van sekten die in strijd zijn met het recht. Een specifieke wetgeving ter bestrijding van sekten wordt afgewezen. Op grond van de bijzondere cohesie van sekten gaat de toepassing en uitvoering van algemene voorschriften weliswaar in sommige gevallen met problemen gepaard maar deze kunnen slechts worden opgelost door een betere samenwerking en een intensievere voorlichting van de vertegenwoordigers van alle betrokken instanties en een nauwkeuriger toepassing van de bestaande voorschriften. Zoals met name uit de Duitse rechtspraak en het verslag van de Franse Nationale Vergadering blijkt moet in de eerste plaats een vorm van organisatie worden gekozen die is afgestemd op het daadwerkelijke doel en moeten nauwkeurige gegevens over de doelstellingen en de middelen van de organisatie worden verlangd en voortdurend gecontroleerd. In penale en civiele processen wordt vaak slechts de individuele schuld en verantwoording aan het licht gebracht maar wordt dikwijls niet het verband met door sekten georganiseerde activiteiten onderzocht. In de gezamenlijke vergadering werden slechts door de vertegenwoordiger van het Belgische parlement voorstellen tot uitbreiding van de desbetreffende jurisprudentie ter discussie gesteld.

    Terwijl het bestaande recht inzake de consumentenbescherming in vele gevallen ook van toepassing is op de betrekkingen tussen sekten en hun clientèle, doet zich hier echter ook de grootste leemte voor in de regelgeving met betrekking tot de zogenaamde "psychomarkt". De opvulling van deze leemte is niet in de eerste plaats noodzakelijk vanwege de sekten die op deze markt aanbiedingen doen - andere aanbieders hebben er de overhand - maar hierdoor zou ook een betere bescherming van de consument tegen bepaalde sektaire activiteiten die als een probleem worden beschouwd mogelijk worden. Volgens voorlopige inzichten van de onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag zijn er inmiddels op de groeiende "psychomarkt" ongeveer 1000 basisideeën, methoden, technieken en procedures ontstaan. Op het gebied van het esoterisme bereikt de omzet volgens ramingen een jaarcijfer van 18 miljard DM. Veertig grotere esoterische tijdschriften hebben een gezamenlijke oplage van 2,9 miljoen. Het aanbod in de esoterische sector is met 10-20.000 hoog vergeleken met het aantal gevestigde neurologen, psychiaters, medische psychotherapeuten en psychologische therapeuten [5]. De vraag naar aanbiedingen op het gebied van consultatie en beheersing van de levenssituatie is belangrijk (zie hierboven). Voor degene die hulp zoekt, is het aanbod aan therapeutische en met therapie te vergelijken procédés en technieken onoverzichtelijk en oncontroleerbaar geworden. De eis van de consument dat bepaalde beroepsmatige normen in acht worden genomen en hij tegen misleidende of manipulerende technieken en onbevredigende contractvoorwaarden wordt beschermd, zal niet met zekerheid kunnen worden vervuld.

    Reacties van de Raad en de Commissie

    Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties van 22 mei 1984 en 29 februari 1996 de Raad en de Commissie verzocht verschillende maatregelen te treffen. Uit de antwoorden op een vragenlijst die in verband met dit verslag werd verzonden, blijkt dat noch de Raad noch de Commissie de aanbevelingen zijn nagekomen.

    De Raad en de Commissie werden schriftelijk verzocht mede te delen welke concrete stappen zij hebben ondernomen om rekening te houden met de eisen van het Europees Parlement. De Commissie heeft zich in haar antwoord slechts over een van de genoemde punten geuit en geen concrete maatregelen genoemd. De Raad verwees in zijn antwoord naar het standpunt dat de voorzitter van de Raad in het debat van het Europees Parlement op 28 februari 1996 heeft ingenomen waarbij deze verschillende activiteiten had aangekondigd. Maar kennelijk werden sedertdien geen verdere stappen ondernomen.

    Sekten in de MOEL

    In de gezamenlijke vergadering werd gewezen op de belangrijke groei van het aantal sekten in de Midden- en Oost-Europese landen en het onvermogen van de overheidsinstanties om voor dit voor hen nieuwe probleem de juiste benadering te vinden. Dit wordt door de vakliteratuur bevestigd. Nadere gegevens over deze landen konden echter niet worden verkregen.

    • [1] Temas para el Debate, 32, 1997.
    • [2] Interimverslag van de onderzoekscommissie "Sogenannte Sekten und Psychogruppen", Duitse Bondsdag, Drucksache 1⅜170 van juli 1997, blz. 33 e.v.
    • [3] Interimverslag blz. 31.
    • [4] Zie ook de uitvoerige beraadslagingen van de onderzoekscommissie van de Duitse Bondsdag, interimverslag blz. 17.
    • [5] Interimverslag, blz. 37.