Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

Procedure : 2002/2038(COS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A5-0152/2002

Ingediende teksten :

A5-0152/2002

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P5_TA(2002)0222

VERSLAG     
PDF 201kWORD 52k
25 april 2002
PE 301.883 A5-0152/2002
over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme
(COM(2001) 665 – C5‑0077/2002 – 2002/2038(COS))
Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme
Rapporteur: Helena Torres Marques
PROCEDUREVERLOOP
 ONTWERPRESOLUTIE
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN EN INTERNE MARKT
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, EXTERNE HANDEL, ONDERZOEK EN ENERGIE
 ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN
 ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN CONSUMENTENBELEID

PROCEDUREVERLOOP

Bij schrijven van 15 november 2001 deed de Commissie haar mededeling aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme (COM(2001) 665 – 2002/2038(COS)) toekomen aan het Parlement.

Op 27 februari 2002 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van deze mededeling naar de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme als commissie ten principale en naar de Commissie juridische zaken en interne markt, de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid als medeadviserende commissies (C5‑0077/2002).

De Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme benoemde reeds op haar vergadering van 19 december 2001 Helena Torres Marques tot rapporteur.

De commissie behandelde de mededeling van de Commissie en het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 21 maart en 18 april 2002.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 40 stemmen voor en 3 tegen haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden Luciano Caveri (voorzitter), Helmuth Markov, Gilles Savary en Rijk van Dam (ondervoorzitters), Helena Torres Marques (rapporteur), Luigi Cocilovo, Christine de Veyrac, Fernando Fernández Martín (verving Rolf Berend, overeenkomstig artikel 153, lid 2, van het Reglement), Carlos Bautista Ojeda (verving Daniel Marc Cohn-Bendit), Danielle Darras, Garrelt Duin, Giovanni Claudio Fava, Jacqueline Foster, Mathieu J.H. Grosch, Konstantinos Hatzidakis, Ewa Hedkvist Petersen, Roger Helmer (verving Philip Charles Bradbourn), Georg Jarzembowski, Dieter-Lebrecht Koch, Brigitte Langenhagen (verving Felipe Camisón Asensio), Sérgio Marques, Emmanouil Mastorakis, Erik Meijer, Rosa Miguélez Ramos, Bill Miller (verving Michel J.M. Dary), Francesco Musotto, Wilhelm Ernst Piecyk, Samuli Pohjamo, Bernard Poignant, Adriana Poli Bortone, Alonso José Puerta, Reinhard Rack, Carlos Ripoll i Martínez Bedoya, Isidoro Sánchez García, Marieke Sanders-ten Holte (verving Herman Vermeer), Ingo Schmitt, Brian Simpson, Renate Sommer, Dirk Sterckx, Ulrich Stockmann, Joaquim Vairinhos, Ari Vatanen, Mark Francis Watts.

De adviezen van de Commissie juridische zaken en interne markt, de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie zijn bij dit verslag gevoegd.

Het verslag werd ingediend op 25 april 2002.

De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld.


ONTWERPRESOLUTIE

Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme (COM(2001) 665 – C5‑0077/2002 – 2002/2038(COS))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie (COM(2001) 665 – C5‑0077/2002),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's: "In navolging op de Europese Raad van 21 september: de situatie in de Europese toeristische sector" (COM2001) 668),

–   gelet op artikel 3, letter u) van het EG-Verdrag,

–   gezien de conclusies van de voorzitter van de Raad na de bijeenkomst van 18 september 2001 in Brugge (document 11894/2001),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 februari 2000 over de mededeling van de Commissie voor een uitbreiding van het toeristisch potentieel in het belang van de werkgelegenheid(1),

–   gelet op artikel 47, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie juridische zaken en interne markt, de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5‑0000/2002),

A.   gezien het bijzonder groot belang van de toeristische sector in de Europese Unie, die ongeveer 5% van het BBP en de werkgelegenheid vertegenwoordigt ( 12% van het BBP met inbegrip van de werkgelegenheid die het toerisme creëert in andere sectoren zoals vervoer en distributie) en een stevige groei kent, die zich zal voortzetten,

B.   overwegende dat Europa nog altijd de voornaamste bestemming van het toerisme in de wereld is, maar dat zijn belang de laatste jaren verhoudingsgewijs afneemt en overwegende dat een toenemend aantal Europeanen kiest voor een toeristische bestemming in landen buiten de EU,

C.   overwegende dat de steeds grotere toegankelijkheid van toeristische producten voor de consument een goede zaak is,

D.   overwegende dat het toerisme een economische sector is die op Europees en mondiaal vlak een voortdurende groei laat zien, zowel wat de productie als de werkgelegenheid betreft, en dat toerisme voor een groot aantal steden, regio's en landen van de Unie een financieel en cultureel uitermate belangrijke sector is,

E.   gezien de positieve weerslag van de euro - na het vrij verkeer - op het dagelijks leven van de Europese burgers en het feit dat er andere ingrijpende elementen ingevoerd moeten worden die het leven in Europa een echt gemeenschappelijke dimensie geven,

F.   overwegende dat de sector toerisme zowel mannen als vrouwen een groot aantal en verschillende mogelijkheden op het vinden van werk biedt en in de toekomst zal blijven bieden en dat het werkgelegenheidsbeleid in de sector toerisme gericht moet zijn op ondersteuning van strategieën ter verbetering van de arbeidskwaliteit en op vermindering van de arbeidsonzekerheid,

G.   overwegende dat het in Europees perspectief noodzakelijk is de inspanningen te bundelen en acties te coördineren die de initiatieven van elk van de vijftien lidstaten versterken,

H.   overwegende dat een bijzonder groot aantal maatregelen van de Europese Unie rechtstreeks of onrechtstreeks gevolgen hebben voor het toerisme en dat in de communautaire besluitvormingsprocessen steeds rekening moet worden gehouden met toeristische aspecten,

I.   overwegende dat in het kader van de herziening van het beleid inzake economische en sociale samenhang meer aandacht moet worden besteed aan de rol van het toerisme als economische bedrijvigheid, die niet alleen kan bijdragen tot het herstel van het sociaal-economisch evenwicht in bepaalde gebieden, maar zich ook aandient als een ontwikkelingsfactor door het multiplicatoreffect van de landbouwproductie en de ambachtelijke en industriële activiteit;

J.   overwegende dat het toerisme voor bepaalde regio's van de Unie met een ontwikkelingsachterstand, en met name de ultraperifere regio's, qua inkomsten de belangrijkste industrie is en in grote mate bijdraagt tot de convergentie-inspanningen van hun economieën naar het gemiddelde communautaire ontwikkelingspeil,

K.   overwegende dat een weldoordachte ontwikkeling van het toerisme op lange termijn voor de plaatselijke economieën een duurzame bron van inkomsten en werkgelegenheid moet vormen en moet bijdragen tot de instandhouding en valorisatie van de landschappelijke, culturele, historische en ecologische rijkdommen van de regio's van de Unie,

L.   overwegende dat de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten in de zin van een verlaagd BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten, met name in het restaurantbedrijf, nog veel te wensen overlaat,

M.   overwegende dat geografische, cultuurhistorische en milieuverschillen een rijkdom zijn en de reden dat de regio's van de Europese Unie veel toeristen aantrekken, en dat de Europese Unie steun moet verlenen aan activiteiten die deze specifieke kenmerken bevorderen en benutten,

N.   overwegende dat massatoerisme in kwetsbare gebieden, zoals kust- en berggebieden, een bedreiging vormt voor het plaatselijk milieu en de cultuurschatten wanneer de toestroom van toeristen en de stedelijke ontwikkeling niet in goede banen worden geleid,

O.   overwegende dat toerisme in onze samenleving hoe langer hoe meer als een sociaal recht beschouwd wordt, hetgeen van de ene kant inhoudt dat de behoeften van bepaalde sociale categorieën als gehandicapten of de armste lagen van de bevolking erkend moeten worden, en hetgeen daarnaast een groot bijkomend potentieel vertegenwoordigt dat tot ontwikkeling gebracht moet worden voor ouderen en jongeren, en toeristische activiteiten die op dit moment marginaal zijn maar een grote toekomst hebben, zoals plattelandstoerisme, milieutoerisme, kuuroorden, sociale werkkampen voor jongeren, enz., die de seizoensgebondenheid van de toeristische activiteit kunnen helpen doorbreken en de wederzijdse kennismaking tussen van onze volkeren kunnen bevorderen,

P.   overwegende dat het toerisme een belangrijke factor kan zijn voor vrede en een fundamentele rol speelt in de economische ontwikkeling van een aantal perifere regio's van de Europese Unie,

Q.   overwegende dat de communicatie tussen de diverse actoren, met name het MKB op regionaal, nationaal en vooral internationaal vlak zeer gering is, waardoor een uniforme aanpak wordt bemoeilijkt of de actoren elkaar zelfs hinderen,

R.   gezien de moeilijke conjunctuur van het ogenblik, vooral na 11 september 2001, als gevolg van verschillende negatieve elementen die voor het eerst gelijktijdig optreden en elkaar versterken: de crisistoestand in de voornaamste staatshuishoudingen in de wereld, namelijk de Europese Unie, de Verenigde Staten en Japan, de crisis in het luchtverkeer, de crisis in het vertrouwen van de burgers en in de toeristische sector, die tegelijk te maken krijgt met een aarzelende houding van de verbruikers en de macht van een aantal zeer grote touroperators die voordeel proberen te halen uit de probleemsituatie van dit ogenblik,

S.   gezien de gegevens die de Wereldorganisatie voor het toerisme onlangs bekend heeft gemaakt in haar verslag over 2001, dat een krachtige relancebeweging vraagt om het vertrouwen te herstellen (uit de gegevens blijkt een zorgwekkende terugval van de toeristische activiteiten in de wereld in de drie laatste maanden van het jaar: -24% voor Amerika en Zuid-Azië, -30% voor het Midden-Oosten, -6% voor Europa en -11% op wereldniveau),

Een Europese strategie voor het toerisme

1.   neemt met genoegen de twee documenten van 13 november 2001 van de Commissie in ontvangst en beschouwt ze als concrete signalen voor haar bereidheid om op Europees niveau een relancebeleid te voeren voor een sector die van grote betekenis is voor de economie en het sociaal leven;

2.   verwelkomt de integratie van het toerisme in het beleid en de maatregelen van de Gemeenschap en spreekt de hoop uit dat deze integratie snel een feit zal zijn;

3.   wijst op de behoefte aan een alomvattend en coherent kaderprogramma voor het toerisme in Europa; vraagt derhalve, gelet op het vertikaal karakter van de problematiek van het toerisme, dat de betrokken directoraten-generaal (vervoer, regionaal beleid, werkgelegenheid, milieu, sociaal beleid, consumentenbescherming, onderwijs en cultuur, enz.) alles in het werk stellen om een einde te maken aan de versnippering van de huidige programma's en de communautaire programma's beter op elkaar af te stemmen om een duurzame ontwikkeling van de sector en verticale samenhang tussen regio's, nationale regeringen en communautaire instellingen mogelijk te maken; met dit doel moeten economische-effect-evaluaties worden uitgevoerd van alle EU-maatregelen die het toerisme in belangrijke mate beïnvloeden, zodat alle beleidsdaden die een weerslag op het toerisme hebben het duurzaam en verantwoord toerisme ten goede komen;

4.   acht het absoluut noodzakelijk dat bij de nieuwe procedure voor de bespreking van het jaarprogramma van de Europese Commissie met het Europees Parlement alle lopende en voorgestelde maatregelen die direct of indirect betrekking hebben op het toerisme aan de orde worden gesteld;

5.   verzoekt de Commissie en de Raad de belangrijke rol van het Europees Parlement in de open coördinatiemethode te waarborgen;

6.   spreekt zich met nadruk uit voor de oprichting van een Europees forum voor het toerisme, dat een Europees schakelpunt kan vormen waar samenwerking tussen de toeristische vakkringen en alle andere belanghebbenden gestimuleerd en verbeterd wordt, in een geest van een coöperatieve inzet voor de toekomst van het toerisme, zoals voorgesteld door de Commissie; wenst verder een uitbreiding van de rol van het Raadgevend Comité voor het toerisme op Europees niveau, met medewerking van o.a de Europese consumentenorganisaties en verenigingen ter bescherming van het cultureel en ecologisch erfgoed;

7.   vraagt dat het Raadgevend Comité voor het toerisme en het Forum minstens eenmaal per jaar in het openbaar bijeenkomen en dat de commissarissen die bevoegd zijn voor sectoren die van invloed zijn op het toerisme en de beslissingen treffen die het toerisme direct of indirect aanbelangen, van gedachten kunnen wisselen met de vertegenwoordigers van de toeristische industrie en de toeristische beroepsverenigingen;

8.   wenst dat binnen het jaarlijks Europees Forum voor het toerisme naast de debatten over de belangrijkste prioriteiten van de sector, zoals de Commissie voorstelt, ook discussieforums worden gecreëerd voor uitwisseling van informatie (communautaire initiatieven ten behoeve van het toerisme in het kader van andere beleidsvormen zoals Cultura 2000, Interreg, enz.), vergelijking van goede beleidspraktijken en proefprojecten;

9.   benadrukt het belang van uniforme evaluatieprocedures en labels met het oog op gemakkelijke toegang tot vergelijkbare gegevens binnen de gehele Europese Unie, en vraagt de Commissie om zich in te zetten voor de opstelling van voorschriften in die zin, door initiatieven vanuit de sector te stimuleren en aan te moedigen, zonder daarbij echter in de plaats te treden van de sector; wijst erop dat dit aspect van bijzonder groot belang wordt in het vooruitzicht van de uitbreiding van de Unie met de Midden- en Oost-Europese landen, en dat het nu al mogelijk is om in overleg met hen op te treden;

10.   meent dus dat de kwaliteit van de verstrekte informatie en de gehanteerde indicatoren verder moet worden verbeterd door de betrouwbaarheid van de gegevens in de verf te zetten en ze volledig te integreren in de nationale rekeningen met als doel een volledig beeld te krijgen van de toerisme-industrie en de activiteiten die ermee gepaard gaan;

11.   is van mening dat de komende uitbreiding van de Europese Unie nieuwe mogelijkheden biedt voor het toerisme in Europa, niet alleen vanwege de toename van het aantal toeristen uit deze landen dat de Europese Unie zal bezoeken, maar ook vanwege het belang van de toeristische industrie, nu en in de toekomst, voor hun sociaal-economische ontwikkeling;

12.   kijkt met belangstelling naar de vorderingen voor de vaststelling van maatregelen die een doeltreffend antwoord kunnen bieden op de uitdagingen waarmee de sector wordt geconfronteerd en die het terrein kunnen effenen voor een toekomstig beleid waardoor Europa de belangrijkste toeristische bestemming ter wereld kan blijven; vraagt daarom dat geijverd wordt voor de totstandbrenging van een kaderprogramma voor het toerisme op EU-niveau en de opneming van een bijzondere begrotingslijn om de voorgestelde maatregelen op coherente wijze ten uitvoer te leggen, met name op het gebied van opleiding en bevordering van innovatie;

13.   wenst dat bij het debat over de harmonisatie van de belastingstelsels in de EU ook een analyse wordt verricht van de belastingregelingen in de toeristische sector;

14.   dringt erop aan dat de regeringsdiensten die verantwoordelijk zijn voor het toerisme en de instanties die de banksystemen coördineren alle nodige maatregelen treffen om vanaf 1 juli 2002 de verordening op het grensoverschrijdend betaalverkeer in euro daadwerkelijk te laten toepassen zodat alle toeristen van de euro-zone de waarborg van absolute transparantie hebben voor betalingen per bankkaart, en verzoekt de Commissie alle instrumenten te blijven inzetten die haar ter beschikking staan en de noodzakelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de kosten van grensoverschrijdende transacties zorgvuldig in overeenstemming gebracht worden met die voor binnenlandse transacties, zodat het concept van de eurozone als gebied van binnenlandse betalingen voor toeristen tastbaar en doorzichtig wordt;

15.   wenst voor de toekomst, in overeenstemming met de fundamentele opties voor de beleidsvoering van de Gemeenschap en de conclusies van de Topconferentie van Göteborg, dat er gewerkt wordt aan een duurzaam kwaliteitstoerisme dat competitief is en open staat voor iedereen en dat rekening houdt met de opvangcapaciteit van natuur- en cultuursites; benadrukt daarbij dat de particuliere actoren bewuster moeten worden gemaakt van de sociale en milieugevolgen van het toerisme door kennis en goede praktijken uit te wisselen via de uitbouw van informatienetwerken;

16.   wijst erop dat toerisme een doorslaggevende rol kan vervullen bij het herstel van een hele gemeenschap, verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat de rol van lokale en regionale overheden bij de uitvoering van strategieën voor duurzame economische ontwikkeling in overweging wordt genomen;

17.   is overtuigd van de noodzaak om de ontwikkeling van het toerisme hand in hand te laten gaan met maatregelen gericht op benutting, promotie en opwaardering van de natuurlijke, artistieke, historische en culturele rijkdommen;

18.   bepleit steunverlening aan programma's en maatregelen om alle belanghebbenden van de toeristische sector, inclusief de lokale en regionale overheden, te stimuleren om eigen programma's voor een duurzaam toerisme op te stellen, daarbij in elk geval rekening houdende met de mogelijkheden van elke plaats, de aanwezige natuurlijke rijkdommen, beschermde gebieden, het cultureel erfgoed en tekens van identiteit; bepleit tevens de vaststelling van programma's die leiden tot hoogwaardiger gebruik en betere marketing van de mogelijkheden van minder bekende gebieden;

19.   herinnert aan de noodzaak een efficiënte en duurzame vervoersinfrastructuur te ontwikkelen, mede ter verbetering van de bereikbaarheid van afgelegen gebieden, zoals berggebieden en eilanden;

20.   is in dit verband van mening dat in het Witboek over vervoer onvoldoende aandacht wordt geschonken aan de gevolgen van intensivering van het verkeer ten bate van het toerisme;

21.   verzoekt de Commissie de noodzakelijke maatregelen ter waarborging van de bereikbaarheid van de voornaamste toeristenoorden in de lidstaten te verzamelen en te evalueren en de resultaten voor haar onderzoek bekend te maken;

22.   verwelkomt het initiatief van de Commissie om Agenda 21 toe te passen voor de bevordering van de duurzame ontwikkeling van toeristische activiteiten en wenst dat alle belanghebbenden hierbij ten volle worden betrokken; wenst dat het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) dat sinds 2001 openstaat voor lokale bestuursinstanties, ook voor toeristische activiteiten gaat gelden;

23.   spreekt zich duidelijk uit voor concrete initiatieven in het kader van Agenda 21 die een duurzaam toerisme bevorderen, zoals kenmerken voor toeristische diensten en dienstverleners (touroperators, hotelwezen, reisbureaus, gidsen, gemeentelijke diensten, enz.), belastingsmaatregelen voor de financiering van maatregelen om de negatieve gevolgen van het toerisme te corrigeren, geïntegreerd beheer van kwetsbare gebieden (kusten, berggebieden, enz.), en integratie van het toerisme in andere economische activiteiten;

24.   verzoekt de Commissie na te gaan wat de gevolgen zijn van het Europees toerisme in de ontwikkelingslanden en acties en toeristische praktijken te stimuleren die de economische en sociale cohesie in de landen van bestemming ten goede komen;

25.   is van mening dat bij de vaststelling van indicatoren voor een duurzaam toerisme rekening gehouden moet worden met de criteria en aanbevelingen van het Europees Handvest voor een duurzaam toerisme, dat door alle lidstaten is ondertekend;

26.   wenst dat er een derde handboek wordt opgesteld dat als richtsnoer geldt voor de vaststelling en toepassing van de basiscriteria van een duurzaam toerisme en voor het risicobeheer ter plekke;

27.   benadrukt nogmaals de rol en bijdrage van het toerisme, in het perspectief van het streefdoel van de Top van Lissabon om van Europa een regio van volledige tewerkstelling met een levenskrachtige en competitieve economie te maken, vooral de regio's met ontwikkelingsachterstand, en meer in het bijzonder de ultraperifere regio's; wijst er daarbij op dat toeristische activiteiten gekenmerkt worden door ruime gebruikmaking van arbeidskrachten vooral tijdens het toerismeseizoen die alsmaar sterker gespecialiseerd moeten zijn, hetgeen een beleid voor betere technologische beroepsvorming, taalkennis en grote mobiliteit van toeristische dienstverleners vergt;

28.   spreekt zijn waardering uit voor het voorstel van de Commissie om nieuwe soorten toerisme te beschrijven en dringt erop aan dat ze nagaat welke rol sporttoerisme kan spelen om werkgelegenheid tot stand te brengen en het aantal bezoekers op te voeren;

29.   pleit voor financiële steun van de Gemeenschap ter bevordering van nieuwe vormen van toerisme die de seizoensgebondenheid van de sector helpen opheffen, zoals plattelandstoerisme, gezondheidstoerisme, met name thermaal toerisme, of sociaal toerisme, niet alleen voor de werkende klasse maar ook voor jongeren en gepensioneerden, die een potentieel grote groeimarkt vertegenwoordigen; onderstreept de noodzaak om het sekstoerisme en zijn uitwassen te bestrijden en vraagt om sancties te nemen tegen personen die dergelijke praktijken steunen door op dergelijk toerisme gerichte producten te verkopen;

30.   vraagt meer aandacht voor de kwaliteit van de arbeidsplaatsen die in de sector toerisme worden gecreëerd, met de nadruk op opleiding, loopbaanstructuren, erkenning van diploma's, bescherming van werknemers met onzeker werk en bestrijding van zwart werk;

31.   verzoekt de lidstaten om het toerisme een belangrijke rol te geven in hun nationale actieplannen voor werkgelegenheid, zodat alle mogelijkheden van de ontwikkeling van het toerisme worden gebruikt voor het tot stand brengen van kwalitatief hoogwaardige, duurzame arbeidsplaatsen en om de negatieve gevolgen van de huidige economische en politieke conjunctuur in te perken;

32.   benadrukt de noodzaak om de voorgestelde acties te koppelen aan die van het meerjarige programma voor de KMO's, met name op het gebied van opleiding en innovatie, twee terreinen die centraal staan in de conclusies van de Europese Raad van Lissabon maar die in de mededeling van de Commissie slechts zijdelings aan de orde komen;

33.   verwelkomt het inzicht van de Commissie dat het ontbreken van voldoende mankracht in bepaalde beroepen en kwalificaties een uitdaging is voor de toeristische sector; betreurt dat er geen duidelijke voorstellen zijn voor de aanpak hiervan; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de behoefte aan personeel per sector en per regio, met inachtneming van de bestaande en toekomstige uitdagingen en het algemeen toeristisch beleidskader op nationaal en regionaal niveau; vraagt de lidstaten om alle mogelijkheden van het Europees Sociaal Fonds te benutten voor dergelijke beroepsvorming en het aanleren van vreemde talen;

34.   wijst er ook op dat de Europese toerismesector in vergelijking met het internationale spectrum gekarakteriseerd wordt door kleinschaligheid (micro-ondernemingen, gezinsbedrijven, KMO), hetgeen mede door het ontbreken van juridische en fiscale harmonisatie op Europees niveau de concurrentiepositie van de sector verzwakt;

35.   verzoekt de Commissie om in samenwerking met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) voorstellen te doen voor kwaliteits- en controlemodellen voor de opleiding van personeel aan de hand van de behoeften van de plaatselijke arbeidsmarkten en de technologische ontwikkelingen; verzoekt het Cedefop om partnerschappen en de dialoog tussen de opleidingscentra en de toeristische sector te vergemakkelijken opdat er synergie ontstaat tussen het leerproces en de beroepservaring;

36.   verzoekt de Commissie om een mededeling op te stellen over de erkenning van de beroepskwalificaties van de werknemers in de toeristische sector, op Europees en internationaal niveau;

37.   betreurt dat er geen overeenstemming is bereikt tussen de sociale partners over de invoering van een richtlijn ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in tijdelijk dienstverband, maar verheugt zich over het voorstel van de Europese Commissie en behoudt zich het recht voor om nar aanleiding van zijn acties op de bijzondere behoeften van de werknemers in de toeristische sector te wijzen;

38.   gelooft met alle kracht in de voordelen van een promotiebeleid op Europees niveau voor Europa als toeristische bestemming, met steun aan het MKB, met name voor hun aansluiting op netwerken, met bijzondere aandacht voor nieuwe vormen van toerisme op plaatsen die nog niet zo druk worden bezocht en om de Europeanen van het vasteland kennis te laten maken met de toeristische mogelijkheden van de Europese eilanden en uiterste randgebieden; stelt voor om Europa als toeristische bestemming zichtbaarder te promoten door degelijk gebruik te maken van het systeem van EU-vertegenwoordigingen in de wereld;

39.   verzoekt de Europese Commissie een voorstel te doen voor een promotieprogramma buiten de Europese Unie met deelname van de lidstaten en eventueel de geïnteresseerde kandidaatlanden;

40.   verzoekt de Europese Commissie haar europromotiecampagnes buiten de Europese Unie aan te wenden om toeristen te wijzen op de voordelen van het gebruik van dezelfde munteenheid in de meeste landen van de Unie;

41.   acht de invoering van zogenaamde satellietrekeningen voor het toerisme, zoals voorgesteld in de mededeling van de Commissie, en volgens de aanwijzingen van de Wereldorganisatie voor het toerisme, de OESO en Eurostat, van wezenlijk belang om de ontwikkeling van de toeristische activiteiten in de lidstaten zo goed mogelijk te kennen en te beoordelen; is voorts van mening dat een belangrijk instrument als dit niet zomaar mag worden overgelaten aan de nationale beheerders, maar via een kaderinitiatief op communautair niveau moet worden geregeld;

42.   verzoekt de Commissie te verzekeren dat de plaatselijke overheden en de particuliere sector volledig betrokken worden bij de invoering van maatregelen en plannen voor een optimaal gebruik van de financiële en niet-financiële instrumenten van de Gemeenschap (maatregel 6);

43.   acht het noodzakelijk dat de instellingen van de Unie een strategisch antwoord vinden op de crisis in het luchtverkeer (de luchtvaartmaatschappijen van de Gemeenschap hebben hun bedrijfsactiviteiten de 111 laatste dagen van vorig jaar met 17,5% zien teruglopen in vergelijking met het jaar 2000, en hun omzet met € 3,4 miljard);

44.   vraagt dat de administratieve middelen van de Gemeenschap de juiste omvang aannemen voor de taken die hun wachten (momenteel bestaat er maar één enkele eenheid toerisme) en dat Europa ervoor zorgt dat het zichzelf een kans geeft om zijn ambities te verwezenlijken; meent dat de versterking van de structuren en mankracht en andere middelen van de Commissie haar in staat zal stellen om:

- doeltreffend en snel op te treden in het overleg tussen de diensten om ervoor te zorgen dat de door de verschillende directoraten-generaal voorgestelde maatregelen op andere beleidsterreinen van de Europese Gemeenschap terdege rekening houden met de factor toerisme en het eigen karakter van de toeristische bedrijven (KMO), ook aan de hand van een grondige kosten-batenanalyse,
- op doeltreffende wijze betrekkingen te onderhouden met de toeristische instanties en de representatieve beroepsverenigingen van de sector, zowel op Europees als op nationaal niveau;

45.   verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk voorstellen te formuleren zodat ook het restaurantbedrijf, en eventuele andere toeristische diensten die momenteel niet in aanmerking komen, worden toegevoegd aan de lijst van activiteiten waarvoor blijvend een verlaagd BTW-tarief geldt, teneinde de werkgelegenheid te bevorderen, de bewuste beroepscategorieën te moderniseren en de positie van het Europees toerisme tegenover de internationale concurrentie te verstevigen;

46.   vraagt de Conventie die zich over de toekomst van Europa buigt om zorgvuldig na te denken over de behoefte aan een stevige rechtsgrondslag voor de toeristische sector, die de beleidsvoering van de Gemeenschap krachtdadiger kan maken, door in het Verdrag een echt gemeenschappelijk toeristisch beleid op te nemen dat de wezenlijke verschillen tussen landen en streken in het licht stelt, en waarmee gecoördineerde maatregelen voor de ontwikkeling van het toerisme in Europa mogelijk worden, met inachtneming van het subsidiariteitsprincipe, en ook om Europees toerisme in derde landen te bevorderen;

47.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de regio's en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)PB C 339 van 29.11.2000, blz. 286.


TOELICHTING

Een sector in volle verandering

De toeristische sector vertegenwoordigt in de Europese Unie ongeveer 2 miljoen ondernemingen, voornamelijk kleine en middelgrote, en ongeveer 5% van het BBP en de werkgelegenheid. Het is ook een van de sectoren in de Europese economie met de beste vooruitzichten voor de toekomst, namelijk een constante groei die krachtiger is als de gemiddelde economische groei. Dat komt door de toename van de vrije tijd, de algemene economische groei, de betere levensomstandigheden van de bevolking in het algemeen (beter gezondheidspeil), en vooral van de ouderen.

Aan voordelen bezit Europa een hele reeks rijkdommen, een grote verscheidenheid en dichtheid aan toeristische aantrekkingspolen, zodat het het best bezochte toeristisch gebied in de wereld is, zelfs in vergelijking met een aantal opkomende gebieden overzee, en er gehoopt mag worden dat het toerisme in Europa de eerstvolgende 20 à 25 jaar in omvang verdubbelt, met een netto weerslag, in termen van uitgaven en productie, in de orde van grootte van 3% per jaar. De werkgelegenheid neemt de eerstkomende 10 jaar met ongeveer 15% toe.

Een van de voornaamste factoren voor de groei van het toerisme in de komende jaren is de ontwikkeling van de demografische structuur van de bevolking: over 20 jaar zal de bevolking in de leeftijd van 65 jaar en meer met 17 miljoen eenheden toegenomen zijn. Aangezien de mensen in die leeftijdsgroep in betere gezondheid verkeren, een hogere levensverwachting hebben en meer kunnen besteden, worden ze meer dan vroeger uitgenodigd om op reis te gaan. Tegelijk vindt er in de toeristische sector een ontwikkeling van de vraag plaats: cultureel en natuurtoerisme zullen een betekenisvolle uitbreiding te zien geven.

Andere elementen die een dynamiek op gang brengen zijn de liberalisering van het vervoer en de uitbreiding van de verkeersnetten, de stimulans vanwege de eenheidsmarkt (meer dat de eenheidsmunt daadwerkelijk een feit is), de aanzienlijke ontwikkelingen en uitzichten van de informatiemaatschappij, die de beweeglijkheid en internationalisering van de toeristenstromen zullen blijven vooruit schuiven. En niet te vergeten: ook de uitbreiding van de Europese Unie zal de toeristische vraag in de richting van de nieuwe lidstaten, en van de nieuwe EU-burgers in de richting van onze huidige landen helpen vergroten (een verschijnsel dat zich trouwens nu al voordoet).

Toerisme en werkgelegenheid

Het inzicht dat het toerisme een rol kan spelen om in de Europese Unie de volledige tewerkstelling te helpen tot stand brengen, is van zeer recente datum: uit het feit dat de Europese economie tegenover andere delen van de wereld zoals de Verenigde Staten een achterstand in te halen heeft, vooral in de meest vernieuwende sectoren, volgt de vaststelling dat het toerisme grote mogelijkheden in zich bergt, en vooral dat er geïnvesteerd kan worden in zijn ontwikkeling op lange termijn, ook in een moeilijke fase in de wereldeconomie zoals we die vandaag doormaken.

Gezien de crisis is er in november 1997 in Luxemburg een conferentie over toerisme en werkgelegenheid georganiseerd, die de hele ontwikkeling ingezet heeft die in 1998 uitgelopen is op de publicatie van de mededeling van de Commissie over de uitbouw van het toeristisch potentieel in het belang van de werkgelegenheid.

Vervolgens vragen de conclusies van de Raadsvergadering van 21 juni 1999 de Commissie en de lidstaten om samen te werken voor een ruimere bijdrage van het toerisme tot de groei en de werkgelegenheid, vooral op vier thema's waarvoor er werkgroepen op hoog niveau opgericht zijn (informatie, vorming, kwaliteit en duurzaamheid).

Nog recenter, in november 2000 in Rijsel, heeft Frankrijk als voorzitter meer overleg voorgesteld, meer bepaald om een net van modelgebieden op te richten, toerisme met duurzaam karakter te ontwikkelen en de uitwisseling van informatie aan te moedigen.

België als voorzitter heeft op 2 juli 2001 in Brugge, vanuit het streven om de toeristische activiteiten open te stellen voor bepaalde doelgroepen (jongeren, ouderen, mensen die onder de armoededrempel leven, werklozen en gehandicapten), het idee van een toerisme voor iedereen gelanceerd (vgl. de conclusies van het voorzitterschap over het toerisme voor iedereen, die bevestigd zijn op de vergadering van 27 september 2001 van de Raad).

De toestand na 11 september

Het is niet te verwonderen dat de toeristische sector op de aanslagen van 11 september met ongerustheid gereageerd heeft. Sociaal gezien is toerisme namelijk een activiteit die zelfs in een lange periode van stabiliteit meer dan andere sectoren op korte tijd verstoord kan worden door onverwachte gebeurtenissen, omdat de toeristische activiteit voor het grootste deel niet aan een vitale behoefte beantwoordt, het gedrag van de toerist bijzonder vatbaar is voor en onderhevig aan psychologische en sociale beïnvloeding, persoonlijke gevoeligheden en impulsieve reacties. Daar komt bij dat de terreuraanslagen in de Verenigde Staten zich voorgedaan hebben in een situatie die al verzwakt was door de economische conjunctuurproblemen en andere recente gebeurtenissen, zoals de mond- en klauwzeerepidemie of de vervuiling van de kuststreken met olie.

In eerste instantie heeft de Commissie gereageerd door de weerslag van de gebeurtenissen op 11 september op het toerisme niet te overdrijven, maar in de loop van de volgende maanden is er een zekere onrust gegroeid in de sector zelf en in politieke en economische kringen; de crisis, of toch minstens een algemeen somber gevoel, lijken hun intrede gedaan te hebben en de vooruitzichten zijn niet zo geruststellend als verhoopt. Het verslag 2001 van de Wereldorganisatie voor het toerisme, dat in januari verschenen is, stelt de vakmensen van de sector niet op hun gemak; het bevestigt om te beginnen dat er op de markt van het toerisme veranderingen aan de gang zijn, en niet alleen als gevolg op de gebeurtenissen in New York: de toeristen kiezen andere vervoermiddelen (vermijden zoveel mogelijk het vliegtuig), veranderen hun bestemming (blijven over het algemeen liever in Europa) en vertonen de neiging om dichter bij huis te blijven.

Maar de voornaamste gegevens wijzen op de terugval van de toeristische activiteit, overal en zonder uitzonderingen, maar wel op verschillende manieren, in de loop van de drie laatste maanden van vorig jaar. Die tendens blijkt zich dit voorjaar door te zetten. Er is wel hoop op herstel in de naaste toekomst, maar de conjunctuur is hard voor vel bedrijven die zitten te wachten op reserveringen voor de komende maanden en intussen geconfronteerd worden met een ernstig gebrek aan liquide middelen om zich op de markt te kunnen handhaven. Tegelijk dreigt de concurrentie verstoord te worden in het voordeel van de grootste touroperators, die misschien de markt proberen te veroveren door de prijzen af te breken. Daar komt bij de moeilijke economische situatie waarin zich bepaalde landen bevinden (zoals Duitsland) die een bijzonder groot gewicht in de schaal leggen voor de vraag in de toeristische sector, en de crisis in het luchtverkeer.

Er staat tegenover dat de terreuraanslagen in de Verenigde Staten zich zeer zeker negatief uitwerken op het toerisme in Europa dat van buiten de Europese Unie komt, meer bepaald omdat ze het toerisme van standing ondermijnen dat afhankelijk is van een welgestelde clientèle, dikwijls uit Amerika of Japan.

Doeltreffend optreden

Wat de toeristische vakkringen vragen na de dramatische gebeurtenissen in New York, is een optreden dat op Europees niveau ontworpen en doorgevoerd wordt om het hoofd te bieden aan de aankomende crisis, en op de eerste plaats een promotiecampagne voor Europa als toeristische bestemming. Maar wat te zien gekregen hebben, zijn ongecoördineerde antwoorden, promotie-initiatieven op nationaal niveau, die als resultaat dreigen te hebben dat ze elkaar wederzijds opheffen.

Het antwoord van de Commissie op de vraag van de vakkringen neigt ertoe om allereerst het subsidiariteitsbeginsel in herinnering te brengen, als basisidee van elk initiatief, aangezien de verdragen geen juridische grondslag voor het toerisme gelegd hebben. De beleidsvoering van de Commissie blijft bijgevolg beperkt tot wat genoemd wordt een nieuwe dynamiek voor een samenhangende markt, die het toerisme integreert in de verschillende beleidsonderdelen en ‑maatregelen van de Gemeenschap.

Concreet gesproken komt dat neer op een aantal maatregelen waarvan de doeltreffendheid op zijn minst twijfelachtig is: de Commissie stelt in samenwerking en gecoördineerd met de lidstaten en de toeristische beroepskringen mechanismen in om de belangen en behoeften van alle belanghebbenden in de toeristische sector te integreren in de beleidsonderdelen en initiatieven van de Gemeenschap die het toerisme raken. Een tweede interessante maatregel stelt voor om beter in voeling te blijven met de toeristische beroepswereld en de andere groepen belanghebbenden, wat concreet vertaald zou moeten worden in de oprichting van een jaarlijks Europees toeristisch forum.

Niet zeer ambitieuze strategie

Ook al is de bereidheid van de Commissie om met een beleidsplan te voorschijn te komen dat een van de meest veelbelovende sectoren van de Europese economie een grotere dynamiek kan geven, een vaststaand feit, toch blijkt er nog zo veel duidelijker uit dat de voorgestelde maatregelen ondoeltreffend blijven en geen uitzicht bieden op een nieuwe strategie voor een echte ontwikkeling van het toerisme in Europa.

Heel het economisch ontwikkelingspotentieel dat het toerisme kan vertegenwoordigen, vooral voor de achtergestelde streken, vergt een krachtiger optreden op Europees niveau: de Europese Unie, die juist een nieuwe eenheidsmunt ingevoerd heeft en voor de toekomst aan een eengemaakt economisch beleid denkt, kan niet volkomen inactief blijven in de toeristische sector. Zowel de mogelijkheden als de middelen om een gemeenschappelijk toeristisch beleid te voeren zijn voorhanden, en wel in grotere omvang als wat aan de hand van de huidige juridische grondslag verwezenlijkt zou kunnen worden.

Om te beginnen kan er gebruik gemaakt worden van de kans die het reëel voorhanden zijn van de eenheidsmunt biedt om de Europese Unie als toeristische bestemming aan te prijzen door de waarde van het onschatbaar erfgoed te benadrukken dat het resultaat is van het vreedzaam samenwonen en de integratie in verscheidenheid en democratie die door een halve eeuw gemeenschappelijke Europese geschiedenis verwezenlijkt zijn kunnen worden. Een informatie- en promotiecampagne zou de nadruk moeten leggen op het feit dat het meest bezochte continent van de wereld, met zijn verscheidenheid aan culturen, tradities en talen, vandaag de dag voor elk toerist een homogeen en eengemaakt geheel vormt.

Wel verdient het aanbeveling om te streven naar meer harmonisering op Europees niveau voor de normen in de toeristische dienstverlening, zowel uit het oogpunt van de kwaliteit van de dienstverlening als de beschrijving van de mogelijke bestemmingen.

Eén van de prioriteiten voor een Europees toeristisch beleid zou aandacht voor milieuaspecten moeten zijn. De toeristische sector is volledig afhankelijk van de bescherming van het natuurlijk, historisch en architectonisch erfgoed. Er kan voor de toekomst geen toeristische activiteit gepland worden die niet volgehouden kan worden, m.a.w. die de duurzaamheid van de activiteit niet in de beleidsvoorwaarden opneemt.

Geïntegreerde beleidsvoering

De Europese Unie streeft hoe langer hoe meer naar een beleidsvoering die aan een geïntegreerd ontwikkelingsproject beantwoordt en de maatregelen in de verschillende onderdelen van het beleid in één en dezelfde richting kan sturen. Ook de toeristische sector kan zijn voordeel doen met een dergelijke strategie: voor elk Europees programma zou de weerslag op het toerisme in aanmerking genomen en geëvalueerd moeten worden met het oog op de ontwikkeling van het toeristisch potentieel.

Toerisme is in wezen een sector die leeft van de voordelen die andere beleidsonderdelen afwerpen: dat is vanzelfsprekend voor de programma's van de structuurfondsen, die betere voorwaarden voor toeristische activiteiten tot stand brengen door gebieden beter bereikbaar te maken en er de economische activiteiten te stimuleren. Toerisme moet beter naar waarde geschat worden in de regio's van doelstelling 1 en de landen die onder het cohesiebeleid vallen.

De ontwikkeling van Lissabon en haar ambitieus streefdoel van volledige tewerkstelling, vooral in de meest innoverende sectoren, kan in het toerisme en de troeven die het vertegenwoordigt, wel degelijk een van de beste actieterreinen vinden, op de eerste plaats omdat de nieuwe technologieën aanwezig zijn in het kerngebied van de toeristische activiteit, zowel voor het beheer van potentieel en structuren als voor promotie en commercialisering van de plaatsen van bestemming.

Daarnaast levert het toerisme een aanzienlijke bijdrage tot de vorming en mobiliteit van het menselijk potentieel: het is ongetwijfeld in de toeristische sector dat de meest uitgebreide taalkennis te vinden is, hetgeen natuurlijk niet betekent dat er qua mobiliteit en opleidingsniveau geen hogere eisen meer gesteld kunnen worden.


ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN EN INTERNE MARKT

16 april 2002

aan de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme

inzake de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme

(COM(2001) 665 – C5‑0077/2002 – 2002/2038(COS))

Rapporteur voor advies: Philip Charles Bradbourn

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie juridische zaken en interne markt benoemde op haar vergadering van 19 februari 2002 Philip Charles Bradbourn tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 26-27 maart 2002 en 16 april 2002.

Op dezelfde vergadering hechtte zij met 18 stemmen voor en 12 tegen bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de hierna volgende conclusies.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden Giuseppe Gargani (voorzitter), Willi Rothley, Ioannis Koukiadis en Bill Miller (ondervoorzitters), Philip Charles Bradbourn (rapporteur), Paolo Bartolozzi, Maria Berger, Ward Beysen, Brian Crowley, Bert Doorn, Janelly Fourtou, Marie-Françoise Garaud, Evelyne Gebhardt, Fiorella Ghilardotti, José María Gil-Robles Gil-Delgado, Malcolm Harbour, Heidi Anneli Hautala, Othmar Karas, Kurt Lechner, Klaus-Heiner Lehne, Toine Manders, Arlene McCarthy, Manuel Medina Ortega, Ana Palacio Vallelersundi, Francesco Enrico Speroni, Marianne L.P. Thyssen, Rijk van Dam, Rainer Wieland, Joachim Wuermeling, Matti Wuori, Stefano Zappalà, Hannes Swoboda (verving François Zimeray), Véronique De Keyser (verving Carlos Candal, overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement).

BEKNOPTE MOTIVERING

Uw rapporteur voor advies erkent het belang van de toeristen- en reisindustrie voor de plaatselijke en nationale economie en hun rol bij het bevorderen van de werkgelegenheid. Hij is zich terdege bewust van het grote aantal kleine en middelgrote ondernemingen dat hierbij op het platteland op basisniveau betrokken is.

Hoewel artikel 3u) van het EG-Verdrag inderdaad "maatregelen op het gebied van […] toerisme" noemt bij de activiteiten van de Gemeenschap moeten dergelijke maatregelen expliciet gericht zijn op de doelen genoemd in artikel 2, hetgeen het communautaire optreden duidelijk inperkt. Bovendien moet ieder optreden slagen voor het subsidiariteitsexamen - en dat is niet makkelijk op een gebied als dit dat duidelijk een kwestie is van nationale - of vaak eerder regionale of plaatselijke - bevoegdheden, gezien de verscheidenheid van toeristische bestemmingen, faciliteiten en accommodatie, zelfs binnen een bepaald gebied. Europa als één toeristische bestemming te beschouwen heeft geen zin: zelfs binnen een lidstaat wordt toerisme meestal afgehandeld op regionaal en lokaal niveau, en vindt mededinging plaats op het niveau van de verschillende vakantieplaatsen. Uw rapporteur is daarom van mening dat wat deze commissie betreft deze mededeling een in hoge mate onnodige en onwenselijke poging is om de bevoegdheden van de Gemeenschap uit te breiden. Met name dient de Commissie geen wetgevende rol op dit gebied te krijgen, behalve wat betreft de structuurfondsen en het Cohesiefonds.

In haar Witboek "Hervorming van de Commissie"(1) verklaart de Commissie dat zij een effectievere methode nodig heeft om haar prioriteiten te bepalen en er middelen voor toe te wijzen. "Haar beperkte personele middelen zijn te sterk versnipperd geraakt over een breed scala van activiteiten en taken, dat haar effectiviteit en geloofwaardigheid schaadt. Wij moeten bij de Commissie opnieuw een centrale plaats geven aan haar kernactiviteiten en haar essentiële politieke doelstellingen." De onderhavige mededeling doet vermoeden dat deze boodschap nog niet is overgekomen.

Voorts is uw rapporteur van mening dat de Commissie met het oog op het thans onderbenutte beleid voor plattelandsontwikkeling en de specifieke problemen waar het platteland thans mee kampt haar aandacht moet richten op deregulering, aangezien de meeste ondernemingen op plaatselijk niveau in deze sector klein of middelgroot zijn. Waar de Commissie echter wel een rol kan spelen, is bij het bevorderen van de vrijwillige uitwisseling van beste praktijken tussen toeristische ondernemingen in Europa.

CONCLUSIES

De Commissie juridische zaken en interne markt verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme onderstaande suggesties in de goed te keuren ontwerpresolutie op te nemen:

1.   benadrukt dat de rol van de Commissie wat betreft voorgestelde maatregel 1 beperkt moet blijven tot het verzamelen en uitwisselen van informatie binnen de toeristische sector, en de ontwikkeling van beleid op Europees niveau uitdrukkelijk uit moet sluiten; stipt tegelijk aan dat toerisme voor een groot aantal streken van de Gemeenschap een levensbelangrijke economische activiteit is en een wezenlijk onderdeel van de interne markt uit het oogpunt van het vrij verkeer van personen en de vrijheid van dienstverlening;

2.   is van mening dat het optreden van de Commissie wat betreft voorgestelde maatregel 3 zich moet beperken tot het eerder aanmoedigen dan bevorderen van iedere vorm van interface tussen de industrie en de eindgebruiker en de hoofdrolspelers in deze sector, en dat dit slechts op een zuiver vrijwillige basis dient plaats te vinden;

3.   is van mening dat duidelijk moet worden gesteld dat de toegenomen interactie tussen aandeelhouders en bestemmingen, en dat bij het bevorderen van partnerschappen, zoals genoemd in voorgestelde maatregel 4, uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met het inschakelen van de particuliere sector en de plaatselijke overheden als belanghebbende actoren om te voorkomen dat zij aan de kant komen te staan;

4.   wijst erop dat de rol van de Commissie strikt beperkt dient te blijven tot het verschaffen van initiële stimulansen in het geval van voorgestelde maatregel 4 en dat gezien de beschikbaarheid van de bestaande financiële instrumenten van de Gemeenschap geen verdere specifieke middelen nodig zullen zijn;

5.   verwelkomt de voorgestelde rol van de Commissie als facilitator van netwerkdiensten en bij het bieden van steun, maar waarschuwt voor het oprichten van waarnemingsposten op EU-niveau (maatregel 5);

6.   verzoekt de Commissie te verzekeren dat de plaatselijke overheden en de particuliere sector volledig betrokken worden bij de invoering van maatregelen en van plannen voor een optimaal gebruik van de financiële en niet-financiële instrumenten van de Gemeenschap (maatregel 6);

7.   is van mening dat voorgestelde maatregel 7 een ongepast gebruik van schaarse Gemeenschapsmiddelen zou inhouden, met name gezien het in wezen nationale, regionale en plaatselijke karakter van het toerisme en de noodzaak om het subsidiariteitsbeginsel na te leven, en dat deze zou kunnen leiden tot meer bureaucratische regels voor ondernemingen, met name het MKB; stelt derhalve voor deze maatregel te vervangen door een maatregel op grond waarvan de Commissie en de lidstaten met systemen moeten komen om het gebruik van de beste praktijken te vergemakkelijken;

8.   is van mening dat voorgestelde maatregel 8 moet luiden "aanmoedigen van de duurzame ontwikkeling van toeristische activiteiten in Europa, waarbij het subsidiariteitsbeginsel te allen tijde wordt gewaarborgd";

9.   verzoekt de Commissie voorgestelde maatregel 9 te schrappen, omdat deze veel te bureaucratisch is en indruist tegen het subsidiariteitsbeginsel;

10.   is van mening dat hoewel benchmarking en kwaliteitsindicatoren inderdaad nodig zijn bij de uitwisseling van beste praktijken, het onnodig is dat de Commissie een meer dan faciliterende rol speelt, met name gezien het standpunt dat de Commissie zelf in haar Witboek "Hervorming van de Commissie" inneemt.

(1)COM(2000) 200.


ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, EXTERNE HANDEL, ONDERZOEK EN ENERGIE

16 april 2002

aan de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme

inzake de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's: Een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme

(COM(2001) 665 – C5‑0077/2002 – 2002/2038(COS))

Rapporteur voor advies: Willy C.E.H. De Clercq

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie benoemde op haar vergadering van 23 januari 2002 Willy C.E.H. De Clercq tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 18 maart en 16 april 2002.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met algemene stemmen haar goedkeuring aan de hierna volgende conclusies.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden Carlos Westendorp y Cabeza (voorzitter), Yves Piétrasanta (ondervoorzitter), Willy C.E.H. De Clercq (rapporteur voor advies), Sir Robert Atkins, María del Pilar Ayuso González (verving Guido Bodrato), Felipe Camisón Asensio (verving Werner Langen), Massimo Carraro, Giles Bryan Chichester, Harlem Désir, Carlo Fatuzzo (verving Peter Michael Mombaur), Concepció Ferrer, Francesco Fiori (verving Godelieve Quisthoudt-Rowohl), Colette Flesch, Christos Folias (verving Christian Foldberg Rovsing), Per Gahrton (verving Nuala Ahern), Neena Gill (verving Luis Berenguer Fuster), Norbert Glante, Michel Hansenne, Roger Helmer (verving Jaime Valdivielso de Cué), Hans Karlsson, Bashir Khanbhai, Peter Liese (verving Umberto Scapagnini), Rolf Linkohr, Caroline Lucas, Eryl Margaret McNally, Erika Mann, Marjo Matikainen-Kallström, Elizabeth Montfort, Angelika Niebler, Paolo Pastorelli, Elly Plooij-van Gorsel, Samuli Pohjamo (verving Nicholas Clegg), John Purvis, Daniela Raschhofer, Imelda Mary Read, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Ilka Schröder (verving Konstantinos Alyssandrakis), Konrad K. Schwaiger, Esko Olavi Seppänen, W.G. van Velzen, Alejo Vidal-Quadras Roca, Dominique Vlasto, Myrsini Zorba en Olga Zrihen Zaari.

BEKNOPTE MOTIVERING

Het toerisme is als economische sector goed voor 5% van de banen in de Europese Unie indirecte werkgelegenheid niet inbegrepen. Deze werkgelegenheid is verspreid over verschillende dienstensectoren (vervoer, hotelwezen, cultureel erfgoed), zowel in de openbare als de particuliere sector. Voorts is het toerisme een bron van netto-inkomsten voor de betalingsbalans van de Unie.

Ofschoon het toerisme niet het voorwerp vormt van specifiek beleid binnen de Unie, worden de hiermee verband houdende activiteiten (behalve het vervoer) gedekt door de artikelen 49 en 50 van het EG-Verdrag betreffende de diensten en hebben zij voorts raakvlakken met andere bepalingen, zoals die inzake de structuurfondsen of het milieu.

Ondanks de conjuncturele moeilijkheden waarmee de sector te kampen heeft als gevolg van de gebeurtenissen van 11 september 2001, is de toeristensector springlevend en bevindt hij zich in een fase van expansie. Het merendeel van de activiteiten en van de werkgelegenheid komt voor rekening van ongeveer 2 miljoen KMO's, meestal kleine bedrijfjes. Ook het verenigingsleven is van groot belang en speelt op sociaal en economisch gebied een niet te verwaarlozen rol.

Tenslotte gaan achter de generieke groep van marktsegmenten als het zakentoerisme, het streekvervoer, georganiseerde reizen van touroperators of individuele reizen in het kader van "groentoerisme", sterk uiteenlopende activiteiten schuil waarbij niet alleen toeristen, maar ook de commerciële partners in de sector en verschillende openbare instanties bij zijn betrokken.

Deze mededeling heeft niet tot doel een communautair toerismebeleid uit te werken zoals dit reeds bestaat voor het milieu en voor de landbouw. Het valt trouwens moeilijk in te zien wat in dit stadium precies onder een dergelijk beleid zou komen te vallen.

Dit neemt niet weg dat er gemeenschappelijke behoeften bestaan en dat deze behoeften moeten worden geïdentificeerd. Ook zijn er nationale of regionale initiatieven die moeten worden uitgebreid of navolging verdienen. Vanuit dit oogpunt moeten acties op het gebied van netwerkvorming, "benchmarking" of ondersteuning van de totstandkoming van de geharmoniseerde labels worden aangemoedigd. Onze commissie verbaast zich in dit verband over het ontbreken van verwijzingen in de mededeling van de Commissie naar het meerjarig programma voor ondernemingen, dat toch een natuurlijke basis zou kunnen bieden.

CONCLUSIES

De Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme onderstaande suggesties in de goed te keuren ontwerpresolutie op te nemen:

1.   hecht zijn goedkeuring aan de doelstelling om een communautaire dimensie te geven aan het strategisch onderzoek naar toerisme, als eerste pas op weg naar een strategische reactie van de instellingen van de Unie; nodigt de betrokken actoren uit bij dit onderzoek een langetermijnvisie te ontwikkelen, die niet is gebaseerd op de huidige conjuncturele situatie als gevolg van de recente internationale gebeurtenissen;

2.   verwelkomt het initiatief van de Commissie om met de oprichting van een Europees forum voor toerisme, dat weliswaar geen uitvoerende taak zal hebben, maar een faciliteit biedt voor discussie, debatten en ideeën voor de toekomst van de sector, de eerste stap te zetten op weg naar een communautaire aanpak van de sector in zijn geheel, doch vestigt de aandacht op de noodzaak de specifieke kenmerken van de verschillende marktsegmenten in het toerisme niet te veronachtzamen;

3.   benadrukt het belang van uniforme evaluatieprocedures en labels met het oog op gemakkelijke toegang tot vergelijkbare gegevens binnen de gehele Europese Unie, en nodigt de Commissie uit zich in te zetten voor de opstelling van voorschriften in deze zin, door initiatieven vanuit de sector te stimuleren en aan te moedigen, zonder hierbij echter in de plaats te treden van deze sector; wijst erop dat dit aspect van bijzonder groot belang wordt in het vooruitzicht van de uitbreiding van de Unie met de Midden- en Oost-Europese landen; meent dat dit beleid met onmiddellijke ingang en in overleg met deze landen ten uitvoer kan worden gelegd;

4.   herinnert aan de betekenis van het verenigingsleven - niet alleen als klant maar ook als operator - voor de toeristensector, erkent zijn zin voor ondernemerschap en zijn flexibiliteit en aanpassingsvermogen en beveelt aan rekening te houden met de specifieke kenmerken van deze sector, en deze met name in staat te stellen zijn sociale rol te behouden;

5.   schaart zich achter het initiatief van de Commissie om jaarlijks een Europees forum voor toerisme bijeen te roepen waarop de branche zelf haar prioriteiten kan vaststellen, in overleg met de openbare instanties en met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; is van oordeel dat voor dit forum een belangrijke rol is weggelegd bij het waarborgen dat de elders in de mededeling voorgestelde acties op het gebied van netwerkvorming en informatievergaring op basis van deze prioriteiten en niet op basis van bureaucratische veronderstellingen worden gevoerd;

6.   wijst op de essentiële rol van het toerisme in sommige perifere regio's van EU-lidstaten en merkt op dat het toerisme vaak een belangrijke bron van inkomsten en een instrument voor economische groei vormt, en dringt er dan ook op aan dat ieder toerismebeleid de maximale inbreng van de regionale actoren mogelijk maakt;

7.   benadrukt de noodzaak de voorgestelde acties te koppelen aan acties in het kader van het meerjarige programma voor de KMO's, met name op het gebied van opleiding en innovatie, twee terreinen die centraal staan in de conclusies van de Europese Raad van Lissabon maar die in de mededeling van de Commissie slechts zijdelings aan de orde komen;

8.   dringt er bij de Commissie op aan zich andermaal te buigen over de gevolgen van de voorgestelde richtlijn inzake uitzendkrachten voor de sector deeltijdwerk en kortlopende arbeidscontracten die kenmerkend is voor de toerismebranche;

9.   erkent de betekenis van het toerisme voor de structuur van het bedrijfsleven, als een van de wereldwijd grootste economische sectoren;

10.   onderstreept de bijzondere positie van het toerisme als branche die een cruciale rol speelt in de Europese werkgelegenheid, de economische groei en de ontwikkeling van dunbevolkte gebieden, waar het bedrijfsleven moet samenwerken ten behoeve van de ontwikkeling van de reis-, bezoeks- en evenementensector;

11.   onderstreept de betekenis van duurzaam toerisme, waarbij de nieuwe reis- en evenementensector rekening houdt met en op de lange termijn gunstig is voor het milieu en blijvende werkgelegenheid schept.


ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN

16 april 2002

aan de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme

inzake de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme

(COM(2001) 665 – C5‑0077/2002 – 2002/2038(COS))

Rapporteur voor advies: Rodi Kratsa-Tsagaropoulou

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken benoemde op haar vergadering van 12 december 2001 Rodi Kratsa-Tsagaropoulou tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 19 maart en 16 april 2002.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 29 stemmen tegen bij 2 onthoudingen haar goedkeuring aan de hierna volgende conclusies.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden Theodorus J.J. Bouwman (voorzitter), Marie-Hélène Gillig (ondervoorzitter), Winfried Menrad (ondervoorzitter), Marie-Thérèse Hermange (ondervoorzitter), Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (rapporteur voor advies), Sylviane H. Ainardi, Jan Andersson, Elspeth Attwooll, Regina Bastos, André Brie (verving Arlette Laguiller), Philip Bushill-Matthews, Alejandro Cercas, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Jillian Evans, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Anne-Karin Glase, Koldo Gorostiaga Atxalandabaso, Lisbeth Grönfeldt Bergman, Stephen Hughes, Ioannis Koukiadis, Thomas Mann, Mario Mantovani, Manuel Pérez Álvarez, Bartho Pronk, Lennart Sacrédeus, Gerhard Schmid, Miet Smet, Helle Thorning-Schmidt, Ieke van den Burg en Barbara Weiler.

BEKNOPTE MOTIVERING

Het voorstel van de Commissie is deels een antwoord op de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten van 11 september 2001, en deels de follow-up van de procedure "Toerisme en werkgelegenheid" die op gang werd gebracht met de conclusies van de Raad van 21 juni 1999, waarbij het Europees Parlement een belangrijke rol heeft gespeeld.

Wat betreft de gevolgen van de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten is de Commissie het eens met de conclusies van de Wereldorganisatie voor toerisme en is zij van mening dat de gevolgen hiervan voor het toerisme in economisch opzicht van beperkte invloed en duur zullen zijn indien geen nieuwe dramatische gebeurtenissen plaatsvinden. Dit staat tegenover de bezorgdheid van bevoegde instanties en bepaalde regio's over de vermindering van het vreemdelingenverkeer.

De mededelingen van de Commissie concentreren zich op het uitstippelen van een strategie voor de toeristische sector in Europa, die een reactie moet zijn op de politieke en economische uitdagingen voor de middellange en lange termijn. Deze strategie wordt verwezenlijkt door middel van de open coördinatiemethode tussen alle instanties op dit gebied en een minimale deelname van de Commissie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel.

De voorgestelde acties zijn weliswaar gebaseerd op de conclusies van de werkgroepen die begin 2000 zijn gevormd in het kader van samenwerking binnen het Raadgevend Comité inzake toerisme(1), maar zijn vaak onduidelijk en bevatten vaak geen concrete rechtstreekse doelstellingen.

Het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken moet dus concrete acties aangeven die beogen de dynamiek van het toerisme in te zetten voor het scheppen van werkgelegenheid en de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon. Uit onderzoek blijkt dat de dienstensector en met name het toerisme de economische sector zijn met het hoogste percentage continue ontwikkeling.

Uw rapporteur is van mening dat van deze troef gebruik kan worden gemaakt door middel van:

-   het vaststellen en gebruiken van de mogelijkheden voor toeristische ontwikkeling door de lidstaten door middel van het aangaan van concrete verplichtingen ten behoeve van de werkgelegenheid in de toeristische sector in de nationale actieplannen voor werkgelegenheid,

-   het bevorderen van de toeristische ontwikkeling door middel van de verbetering van de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden in de toeristische sector en gebruik van het menselijk potentieel,

-   de ontwikkeling van sociaal toerisme,

-   de versterking van de activiteiten van het MKB.

De verbetering van de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden kan worden verwezenlijkt door middel van acties op het gebied van de beroepsopleiding, de ontwikkeling van loopbaanstructuren, de erkenning van diploma's en de bescherming van de werknemers tegen onveilig, seizoens-, tijdelijk en zwart werk. Uw rapporteur steunt het voorstel van de toeristische instanties inzake de instelling van een permanente waarnemingspost voor opleiding en werkgelegenheid en verlangt dat er kwaliteits- en controlemodellen komen voor de opleiding van personeel en de erkenning van beroepskwalificaties van de werknemers in deze sector, alsmede het opstellen van een studie over de behoefte aan personeel per sector en regio, waarin ook rekening wordt gehouden met de uitdagingen van de toekomst.

Uw rapporteur is van mening dat speciale aandacht moet worden besteed aan de mogelijkheden die sociaal toerisme biedt voor een duurzame toeristische ontwikkeling en de maatschappelijke cohesie. Op de ministersconferentie van 1 en 2 juli 2001 in Brugge werd het volgende vastgesteld:

-   de toeristische activiteiten moeten zoveel mogelijk toegankelijk zijn voor bepaalde doelgroepen, met name voor jongeren en ouderen, gezinnen in behoeftige omstandigheden, werklozen en personen met bijzondere behoeften,

-   in het kader van de communautaire programma's moet bijzondere aandacht worden besteed aan de plannen die de deelname van verschillende maatschappelijke groepen aan het toerisme direct of indirect bevorderen,

-   de systemen voor de erkenning moeten worden vereenvoudigd om de toegankelijkheid en de harmonisatie ervan te bevorderen.

Uw rapporteur verlangt dat gevolg wordt gegeven aan deze conclusies van de ministeriële conferentie, die op 27 september 2001 door de Raad werden goedgekeurd.

Uw rapporteur is van mening dat alle mogelijkheden moeten worden gebruikt voor vernieuwende benaderingen van de ontwikkeling van sociaal toerisme. Sociaal toerisme kan wanneer dit plaatsvindt met deelname van de toeristische sector en niet slechts een subsidiebeleid is, bijdragen aan de economische ontwikkeling, het tot stand brengen van nieuwe arbeidsplaatsen, de regionale cohesie en de culturele communicatie van de burgers van Europa.

CONCLUSIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme onderstaande suggesties in de goed te keuren ontwerpresolutie op te nemen:

1.   verzoekt de lidstaten de belangrijke rol van het toerisme vast te leggen in hun nationale actieplannen voor werkgelegenheid, zodat alle mogelijkheden van de ontwikkeling van het toerisme worden gebruikt voor het tot stand brengen van kwalitatief hoogwaardige, duurzame arbeidsplaatsen en om de negatieve gevolgen van de huidige economische en politieke conjunctuur in te perken;

2.   wijst erop dat toerisme een doorslaggevende rol kan vervullen bij het herstel van een hele gemeenschap, verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat de rol van lokale en regionale overheden bij de uitvoering van strategieën voor duurzame economische ontwikkeling in overweging wordt genomen;

3.   verzoekt de lidstaten de noodzaak te erkennen van de ontwikkeling van een duurzaam toerisme dat beschikt over competente beroepsbeoefenaren, toegankelijk is voor de doelgroepen, sociale integratie bevordert en kansgelijkheid toelaat; en verlangt dat rekening wordt gehouden met deze conclusies bij de vaststelling van Agenda 21 over het toerisme en verzoekt de Commissie een mededeling op te stellen over de verschillende vormen van sociaal toerisme en de bijdrage ervan aan de mobiliteit van de Europese burgers, alsmede aan de sociaal-economische ontwikkeling van de regio's van Europa;

4.   verwelkomt het inzicht van de Commissie dat het ontbreken van voldoende personeel in bepaalde beroepen en met bepaalde kwalificaties een uitdaging is voor de toeristische sector; betreurt dat er geen duidelijke voorstellen zijn voor de aanpak hiervan; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de behoefte aan personeel per sector en per regio, rekening houdende met de bestaande en toekomstige uitdagingen en het algemeen toeristisch beleidskader op nationaal en regionaal niveau; vraagt de lidstaten om alle mogelijke taken van het Europees Sociaal Fonds te benutten voor dergelijke beroepsvorming en het aanleren van vreemde talen;

5.   beklemtoont de noodzaak van benutting van alle menselijke hulpbronnen en de goedkeuring van beleidsmaatregelen die de integratie op de arbeidsmarkt in de sector toerisme bevorderen van gehandicapten, bejaarden en vrouwen, meer bepaald door infrastructuren voor vrouwelijke werknemers in het leven te roepen die kinderen van 0 tot 3 jaar hebben;

6.   steunt het voorstel tot oprichting van een permanente waarnemingspost voor opleiding en werkgelegenheid in de toeristische sector, die het evenwicht kan garanderen tussen vraag en aanbod, de transparantie van de arbeidsmarkt in de toeristische sector op Europees niveau en de vergemakkelijking van mobiliteit van seizoenspersoneel op Europees en nationaal niveau;

7.   vraagt meer aandacht voor de kwaliteit van de arbeidsplaatsen die in de sector toerisme worden gecreëerd, met de nadruk op opleiding, loopbaanstructuren, erkenning van diploma's, bescherming van werknemers met onzeker werk en bestrijding van zwart werk;

8.   verzoekt de Commissie in samenwerking met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) voorstellen te doen voor kwaliteits- en controlemodellen op het gebied van de opleiding van personeel, aan de hand van de behoeften van de plaatselijke arbeidsmarkten en de technologische ontwikkelingen; verzoekt het Cedefop om partnerschappen en een dialoog tussen de opleidingscentra en de toeristische sector te vergemakkelijken opdat er synergie ontstaat tussen het leerproces en de beroepservaring;

9.   verzoekt de Commissie een mededeling op te stellen over de erkenning van de beroepskwalificaties van de werknemers in de toeristische sector op Europees en internationaal niveau;

10.   betreurt dat er geen overeenstemming is bereikt tussen de sociale partners over de invoering van een richtlijn ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in tijdelijk dienstverband, maar verheugt zich over het voorstel van de Europese Commissie en behoudt zich het recht voor om naar aanleiding van zijn acties op de bijzondere behoeften van de werknemers in de toeristische sector te wijzen;

11.verzoekt de lidstaten gunstige fiscale maatregelen te nemen voor vrouwelijke en jonge ondernemers, familiebedrijven, microbedrijven en het midden- en kleinbedrijf en hun toegang tot nieuwe technologieën en beroepsscholingfaciliteiten te bevorderen; verzoekt de Commissie om in het kader van maatregel 1 te zorgen voor daadwerkelijke toepassing van de mededingingsregels om de neiging tot concentratie die thans kan worden waargenomen tegen te gaan;

12.   beklemtoont dat voorlichting aan het bedrijfsleven van essentieel belang is voor de uitvoering van maatregel 6 in verband met de toegang tot de communautaire middelen; verzoekt de lidstaten geëigende maatregelen en mechanismen in te voeren voor een zo breed mogelijke verspreiding van informatie en voor technische bijstand aan de perifere regio's en het MKB;

13.   verzoekt de Commissie en de Raad de belangrijke rol van het Europees Parlement in de open coördinatiemethode te waarborgen.

(1)Besluit 1986/664/EEG van de Raad van 22 december 1986 houdende instelling van een overleg- en coördinatieprocedure op het gebied van het toerisme, PB L 384 van 31.12.1986, blz. 52.


ADVIES VAN DE COMMISSIE MILIEUBEHEER, VOLKSGEZONDHEID EN CONSUMENTENBELEID

27 maart 2002

aan de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme

inzake de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's "Een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme"

(COM(2001) 665 – C5-0077/2002 – 2002/2038(COS))(COS))

Rapporteur voor advies: Emmanouil Bakopoulos

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid benoemde op haar vergadering van 23 januari 2002 Emmanouil Bakopoulos tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 26 februari en 27 maart 2002.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 26 stemmen voor en 1 tegen bij 3 onthoudingen haar goedkeuring aan de hierna volgende conclusies.

Bij de stemming waren aanwezig: Caroline F. Jackson (voorzitter), Alexander de Roo (ondervoorzitter), Emmanouil Bakopoulos (rapporteur voor advies), Per-Arne Arvidsson, María del Pilar Ayuso González, Hans Blokland, David Robert Bowe, John Bowis, Philip Bushill-Matthews (verving Martin Callanan), Raffaele Costa, Anne Ferreira, Christel Fiebiger (verving Pernille Frahm), Karl-Heinz Florenz, Cristina García-Orcoyen Tormo, Laura González Álvarez, Robert Goodwill, Jutta D. Haug (verving Rosemarie Müller), Marie Anne Isler Béguin, Christa Klaß, Paul A.A.J.G. Lannoye (verving Patricia McKenna), Giorgio Lisi (verving Giuseppe Nisticò), Jules Maaten, Marit Paulsen, Encarnación Redondo Jiménez (verving Cristina Gutiérrez Cortines), Dagmar Roth-Behrendt, Guido Sacconi, Jonas Sjöstedt, Renate Sommer (verving Peter Liese), María Sornosa Martínez en Kathleen Van Brempt.

BEKNOPTE MOTIVERING

Het toerisme is een belangrijke economische activiteit in de Europese Unie (EU). De sector heeft de afgelopen jaren een sterke groei gekend, die verband hield met een verbeterd aanbod, zeer aantrekkelijke prijzen voor een groter aantal bestemmingen en een verbetering van de levensstandaard van de Europese bevolking (een lichte daling van de werkloosheid, een positieve economische groei). Het toerisme is zelf ook een werkgelegenheidsscheppende sector.

Een van de doelstellingen van de sector is een grotere toegankelijkheid voor de meerderheid van de bevolking, ongeacht leeftijd. Het toerisme moet zich aanpassen aan een sterk seizoensgebonden piek in de vraag, zoals bijvoorbeeld in de schoolvakanties. De toegenomen mobiliteit die onze generatie kenmerkt, zal naar verwachting niet afnemen. De toekomstige generaties moeten ook kunnen genieten van de plaatsen die wij voor onze ontspanning zo sterk waarderen.

De hierboven geschetste ontwikkeling heeft in een aantal gevallen evenwel vergaande gevolgen voor het milieu, zowel het natuurlijk, als het historisch en het cultureel milieu. Hierbij valt te denken aan afvalbeheer en de instandhouding van het landschap in de buurt van toeristische plaatsen (op stedebouwkundig en architectuurvlak, alsook betreffende de begroeiing) tot het betreden van bepaalde plaatsen voor het meenemen van een klein 'aandenken', enz.

De duurzame ontwikkeling van het toerisme past dan ook binnen de Europese strategie voor duurzame ontwikkeling - inspelen op de behoeften van het heden zonder die van de toekomstige generaties in gevaar te brengen -, zoals die in juni 2001 door de Europese Raad van Göteborg werd versterkt door middel van de erkenning van de milieudimensie, naast de sociale en de economische dimensie.

De tenuitvoerlegging van een Agenda 21, en de organisatie van een jaarlijks Europees Forum over toerisme, zoals door de Commissie voorgesteld, zouden een stevige bijdrage kunnen leveren aan een duurzame ontwikkeling van het toerisme. Voorwaarde is wel dat aan een dergelijk forum wordt deelgenomen door lokale, regionale en nationale milieu-organisaties.

CONCLUSIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme onderstaande suggesties in de goed te keuren ontwerpresolutie op te nemen:

A.   overwegende dat de sector toerisme wordt gekenmerkt door een stevige groei, die zich zal voortzetten,

B.   overwegende dat de sector toerisme zowel mannen als vrouwen een groot aantal en verschillende mogelijkheden op het vinden van werk biedt en in de toekomst zal blijven bieden en dat het werkgelegenheidsbeleid in de sector toerisme gericht moet zijn op ondersteuning van strategieën ter verbetering van de arbeidskwaliteit en op vermindering van de arbeidsonzekerheid,

C.   overwegende dat het toerisme een economische sector is die op Europees en mondiaal vlak een voortdurende groei laat zien, zowel wat de productie als de werkgelegenheid betreft, en dat toerisme voor een groot aantal steden, regio's en landen van de Unie een financieel en cultureel uitermate belangrijke sector is,

D.   overwegende dat de ontwikkeling van het communautaire toerisme nauw verband houdt met de duurzaamheid ervan, tegen de achtergrond van de communautaire doelstellingen, de rechten van de plaatselijke bevolkingsgroepen, de kwaliteit van het leven en het milieu,

E.   overwegende dat geografische, politiek-historische en milieuverschillen een element van rijkdom zijn en de reden dat de communautaire regio's veel toeristen aantrekken, en dat de Europese Unie steun moet verlenen aan die activiteiten die deze specifieke kenmerken bevorderen en benutten,

F.   overwegende dat massatoerisme in kwetsbare gebieden, zoals kust- en berggebieden, een bedreiging vormt voor het plaatselijke milieu en de cultuurschatten wanneer de toestroom van toeristen en de stedelijke ontwikkeling niet in goede banen worden geleid,

1.   verwelkomt de integratie van het toerisme in het beleid en de maatregelen van de Gemeenschap en spreekt de hoop uit dat deze integratie snel een feit zal zijn;

2.   herinnert eraan dat het toerisme een belangrijk instrument voor ontwikkeling vormt; dat in het kader van het regionaal beleid van de Unie steun verleend moet worden aan activiteiten ter ontwikkeling van een duurzaam kwaliteitstoerisme;

3.   is overtuigd van de noodzaak de ontwikkeling van het toerisme hand in hand te laten gaan met maatregelen gericht op benutting, promoting en opwaardering van de natuurlijke, artistieke, historische en culturele rijkdommen;

4.   vestigt de aandacht op het feit dat eventuele verstoringen van het ecologisch evenwicht als gevolg van een onjuiste ruimtelijke ordening van gebieden voor toeristische activiteiten tot het faillissement van het toerismebeleid zullen leiden;

5.   bepleit steunverlening aan programma's en maatregelen om alle belanghebbenden van de toeristische sector, inclusief de lokale en regionale overheden, te stimuleren eigen programma's voor een duurzaam toerisme op te stellen, daarbij rekening houdende met de mogelijkheden van elke plaats, de aanwezige natuurlijke rijkdommen, beschermde gebieden, het cultureel erfgoed en tekens van identiteit; bepleit tevens de vaststelling van programma's die leiden tot een hoogwaardiger gebruik en een betere marketing van de mogelijkheden van minder bekende gebieden;

6.   verzoekt de Commissie meer steun te verlenen aan het plattelandstoerisme als middel om werkgelegenheid te scheppen en een hoogwaardiger gebruik van het platteland te maken, met name in achterstandsgebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens om een gediversifieerd toerisme te bevorderen en meer nadruk te leggen op het plattelandstoerisme en berggebieden;

7.   herinnert aan de noodzaak een efficiënte en duurzame vervoersinfrastructuur te ontwikkelen, mede ter verbetering van het vervoer voor de betere bereikbaarheid van met name afgelegen gebieden, zoals berggebieden en eilanden;

8.   is van mening dat de milieu-organisaties recht hebben op deelname aan het Raadgevend Comité voor toerisme;

9.   verzoekt de Europese Commissie op zo kort mogelijke termijn een Europees Forum over toerisme te organiseren;

10.   is van mening dat bij de vaststelling van indicatoren voor een duurzaam toerisme rekening gehouden moet worden met de criteria en aanbevelingen van het Europees Handvest voor een duurzaam toerisme, dat door alle lidstaten is ondertekend;

11.   wenst dat er een derde handboek wordt opgesteld dat als richtsnoer geldt voor de vaststelling en toepassing van de basiscriteria van een duurzaam toerisme en voor het risicobeheer ter plekke;

12.   verwelkomt het initiatief van de Commissie om Agenda 21 toe te passen voor de bevordering van de duurzame ontwikkeling van toeristische activiteiten en wenst dat alle belanghebbenden hierbij ten volle worden betrokken; wenst dat het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) dat sinds 2001 openstaat voor lokale bestuursinstanties, ook voor toeristische activiteiten gaat gelden;

13.   is van mening dat, binnen het kader van Agenda 21, ook moeten worden opgenomen natuur- en cultuurgebieden, de opwaardering van de plaatselijke mogelijkheden en de vaststelling van indicatoren voor het meten van de gevolgen van het toerisme voor het milieu, van een mogelijk verlies van identiteit, van de belasting- en opvangmogelijkheden van kustgebieden en historisch en visueel gezien belangrijke plaatsen;

14.   wijst op het grote belang van de vaststelling en verspreiding van methoden en werktuigen voor het meten van kwaliteit en vergelijkende evaluatie; meent dat milieuoverwegingen een belangrijke rol moeten spelen, vooral ten aanzien van het grondgebruik, de exploitatie van hulpbronnen, de verwerking van afval en afvalwater en het behoud van het landschap;

15.   wijst erop dat het gemeenschappelijk Europees luchtruim niet alleen de vertraging in het luchtverkeer kan verminderen, maar ook het brandstofverbruik en de emissies; verzoekt de Commissie daarom spoed te zetten achter de behandeling van de voorstellen op dit gebied.

Juridische mededeling - Privacybeleid