VERSLAG over de mededeling van de Commissie tot vaststelling van een actieplan van de Gemeenschap om milieubeschermingseisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid te integreren
(COM(2002) 186 – C5‑0331/2002 – 2002/2175(COS))
24 oktober 2002
Commissie visserij
Rapporteur: Dominique F.C. Souchet
PROCEDUREVERLOOP
Bij schrijven van 28 mei 2002 deed de Commissie haar mededeling tot vaststelling van een actieplan van de Gemeenschap om milieubeschermingseisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid te integreren (COM(2002) 186 – 2002/2175(COS)) toekomen aan het Parlement.
Op 2 september 2002 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van deze mededeling naar de Commissie visserij als commissie ten principale en naar de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid als medeadviserende commissie (C5‑0331/2002).
De Commissie visserij benoemde reeds op haar vergadering van 19 juni 2002 Dominique F.C. Souchet tot rapporteur.
De commissie behandelde de mededeling van de Commissie en het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 19 juni, 9 juli, 11 september en 21 oktober 2002.
Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 16 stemmen voor en 3 tegen bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.
Bij de stemming waren aanwezig: Struan Stevenson (voorzitter), Rosa Miguélez Ramos en Brigitte Langenhagen (ondervoorzitters), Dominique F.C. Souchet (rapporteur), Niels Busk, Yves Butel (verving Nigel Paul Farage), Giovanni Claudio Fava (verving Vincenzo Lavarra), Ian Stewart Hudghton, Salvador Jové Peres, Carlos Lage, Camilo Nogueira Román (verving Patricia McKenna), Juan Ojeda Sanz (verving Arlindo Cunha), Seán Ó Neachtain, Neil Parish (verving Giorgio Lisi), Manuel Pérez Álvarez, Bernard Poignant, Catherine Stihler, Margie Sudre (verving Ioannis Marinos), Daniel Varela Suanzes-Carpegna en Herman Vermeer
De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid heeft op 9 september 2002 besloten geen advies uit te brengen.
Het verslag werd ingediend op 24 oktober 2002.
ONTWERPRESOLUTIE
Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie tot vaststelling van een actieplan van de Gemeenschap om milieubeschermingseisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid te integreren (COM(2002) 186 – C5‑0331/2002 – 2002/2175(COS))
Het Europees Parlement,
– gezien de mededeling van de Commissie (COM(2002) 186 – C5‑0331/2002[1]),
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Parlement over elementen van een strategie ter integratie van milieubeschermingseisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid[2],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2002 over behoud van biologische diversiteit - Actieplannen op het terrein van het behoud van natuurlijke hulpbronnen, landbouw, visserij, alsmede ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking[3],
– onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 januari 2002 over het Groenboek van de Europese Commissie over de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid[4],
– gelet op artikel 47, lid 1 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5‑0360/2002),
A. overwegende dat milieubeschermingseisen volledig in het beheer van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten worden geïntegreerd, zonder afbreuk te doen aan de sociaal-economische doelstellingen van dit beleid, mede op basis van de artikelen 6 en 174 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van de toezeggingen van de Europese Raad na de bijeenkomst van Cardiff van juni 1998,
B. overwegende dat degenen die als eersten te maken krijgen met en zich bewust zijn van deze milieuproblemen diegenen zijn die in de visserij werkzaam zijn en dat zij tevens de eerste slachtoffers zijn van de aantasting van de kwaliteit van het mariene milieu,
C. overwegende dat het noodzakelijk is een duurzame ontwikkeling van de visserij en de aquacultuur te waarborgen, met name daar onlangs op de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling in Johannesburg is besloten te streven naar duurzame visserij,
D. overwegende dat vissers, hun organisaties en onafhankelijke wetenschapsbeoefenaars initiatieven hebben ontplooid, onderzoek hebben verricht, van gedachten hebben gewisseld en proeven hebben uitgevoerd teneinde de milieubescherming te verbeteren,
E. overwegende dat besluiten over het visserijbeheer in de communautaire wateren gefundeerd moeten zijn op een rationele, wetenschappelijke en exacte kennis van de ecosystemen en visbestanden, en eveneens van de gevolgen van de visserij voor deze ecosystemen en visbestanden,
F. overwegende dat geleidelijk een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer moet worden uitgevoerd, in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de rol die degenen die werkzaam zijn in de visserijsector spelen in het ecosysteem,
G. overwegende dat de reeds doorgevoerde vermindering van de vangstcapaciteit van de vissersvloot tot onder het niveau dat noodzakelijk is om duurzame ontwikkeling te waarborgen, de duurzaamheid van vissersgemeenschappen in gevaar kan brengen, met name in gebieden die in sterke mate van de visserij afhankelijk zijn,
H. overwegende dat uit geen enkele milieueffectrapportage is gebleken dat een nieuwe vermindering van de vangstcapaciteit gunstig voor het milieu zou zijn,
I. overwegende dat de overheidssteun die tot doel heeft de arbeids-, hygiënische en levensomstandigheden aan boord, de veiligheid, de energiebesparing, en de conservering en kwaliteit van visproducten te verbeteren, niet mag worden ondermijnd door maatregelen die het milieu zo goed mogelijk beogen te beschermen,
J. overwegende dat technische maatregelen zoveel mogelijk op basis van de reële situatie ter plaatse moeten worden getroffen en niet noodzakelijkerwijs uniform hoeven te zijn of centraal genomen moeten worden, zij het dat in het kader van deze maatregelen de in de hele EU geldende normen voor doelmatigheid moeten worden nageleefd,
K. overwegende dat technische maatregelen die de omvang van bijvangsten, ongewenste vangsten en vangsten van ondermaatse vis verminderen, ook een gunstige invloed hebben op de verbetering van het rendement en de arbeidsomstandigheden,
L. overwegende dat de milieugevolgen van de industriële visserij dringend duidelijk moeten worden gemaakt,
M. overwegende dat de visserij en aquacultuur niet als enige factoren van invloed op het mariene milieu zijn, maar dat ook andere natuurlijke (b.v. klimaatverandering of sterke toename van bepaalde roofvissen) of antropogene factoren (zoals zeevervoer, kiezel- of aardoliewinning, vervuiling tengevolge van activiteiten op het vasteland en de toenemende urbanisatie van de kuststrook) hierbij een rol spelen,
N. overwegende dat de visserijsector direct blootgesteld is aan de gevolgen van de vervuiling van het zeewater, met name door ongelukken met vrachtschepen die gevaarlijke of vervuilende producten vervoeren,
1. benadrukt dat de vissers eveneens streven naar bescherming van het mariene milieu en dat o.a. zij slachtoffers zijn van de degradatie hiervan;
2. overwegende dat de belangrijkste eis op het gebied van milieubescherming die in het GVB moet worden opgenomen een strikte en doelmatige benadering van het visserijbeheer is, waardoor wordt gewaarborgd dat commerciële en niet-commerciële visbestanden en andere in zee levende soorten niet zodanig worden uitgedund dat hun fungeren in het ecosysteem van de zee wordt aangetast;
3. erkent en stimuleert het onderzoek, de gedachtewisselingen en proeven die eveneens door vissers, hun beroepsverenigingen, kustgemeenten en beoefenaars van mariene wetenschappen zijn uitgevoerd om de bescherming van het mariene milieu, al dan niet voor handelsdoeleinden bestemde vissoorten en hun leefmilieu te verbeteren;
4. wenst dat onderzoek dat moet worden uitgevoerd door degenen die in de sector werkzaam zijn, door rechtstreeks betrokken gemeenten en beoefenaars van mariene wetenschappen wordt aangemoedigd en dat fondsen beschikbaar worden gesteld voor dergelijk onderzoek op selectieve basis;
5. verzoekt de Raad de Commissie opdracht te geven een duidelijk actieplan uit te werken teneinde de evaluatie van de visbestanden te verbeteren door hierbij gebruik te maken van de praktische, empirische, pragmatische kennis van de vissers en bij het opstellen van wetenschappelijke adviezen het interdisciplinaire karakter van de hierbij betrokken wetenschappen (m.i.v. economische en sociale wetenschappen) een centrale rol te geven;
6. is van mening dat de door de visserij op de bestanden uitgeoefende druk niet op uniforme en globaliserende wijze moet worden aangepakt, maar deel uitmaakt van een aanpak in het kader waarvan rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van iedere visserijzone en van de diverse soorten en met name hun levenscyclus;
7. dringt aan op dringende maatregelen om per zone een duurzaam evenwicht tot stand te brengen tussen exploitatie en in het water levende bestanden van commerciële en niet-commerciële soorten en de habitats waarvan zij afhankelijk zijn, overeenkomstig het in de duurzame ontwikkelingsstrategie van de EU geformuleerde doel habitats en natuurlijke systemen te beschermen en te herstellen en het verlies aan biodiversiteit uiterlijk in 2010 een halt te hebben toegeroepen, tevens rekening houdend met het in Johannesburg gestelde doel dat alle uitgeputte bestanden uiterlijk in 2015 op een peil zijn dat de grootste duurzame opbrengst kan produceren;
8. stemt in met het door de Commissie voorgestelde richtbeginsel een op het ecosysteem afgestelde benadering na te streven, mits er kennis van wordt genomen dat de visserijactiviteiten van de mens ten volle deel vormen van deze benadering;
9. weigert een negatief beeld van de visserij te accepteren omdat dit haar imago schaadt;
10. is van mening dat het herstel van in problemen verkerende bestanden veeleer moet worden aangepakt via beheersinstrumenten die het mogelijk maken de visserijactiviteiten voortdurend aan te passen aan de toestand waarin het bestand verkeert, zoals TAC's en quota, dan door middel van starre instrumenten met onomkeerbare en maatschappelijk ingrijpende gevolgen zoals het slopen van schepen;
11. stelt voor overheidssteun ten behoeve van de modernisering van de vloot die tot doel heeft de arbeidsomstandigheden, veiligheid, energiebesparingen en de kwaliteit van visproducten te verbeteren, in stand te houden;
12. spreekt zijn waardering uit voor het besluit van de Commissie hoge prioriteit te verlenen aan verbetering van de visserijtechnieken om teruggooi, bijvangsten en de gevolgen hiervan voor het habitat te beperken en ziet met name uit naar de voorstellen om walvisachtige zoogdieren en zeevogels te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van de visserij;
13. stelt voor dat de Commissie samenwerkt met vissers en visserijorganisaties om een actieprogramma op te stellen om de vistechnieken te vinden die het meest verantwoord en voordeliger zijn voor het milieu en het biologisch evenwicht;
14. vestigt nogmaals de aandacht op het specifieke milieueffect van de industrievisserij (schrapping) en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie in paragraaf 9 van zijn resolutie van 17 januari 2002 over de elementen van een strategie ter integratie van milieubeschermingseisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid (A5-457/2001)[5] "diepgaand onderzoek te doen naar de gevolgen van de industriële visserij voor het milieu";
15. geeft uiting aan zijn verontrusting over de eventuele nieuwe bedreiging van het milieu doordat in zee steeds meer uit de aquacultuur voortgekomen genetisch gemodificeerde vissen voorkomen;
16. verzoekt de Commissie de gevolgen te evalueren die de algehele opwarming van de aarde heeft voor visbestanden in EU-wateren en voor de habitat van de belangrijkste vissoorten die binnen de EU worden gevangen, via de verplaatsing of evolutie van bepaalde kenmerken van de voedselketen en met name in gebieden waar het fytoplankton sterk toeneemt;
17. wenst dat alle wetten inzake het mariene milieu daadwerkelijk en op strikte wijze ten uitvoer worden gelegd, met name de bepalingen van het pakket "Erika I" en "Erika II" inzake de veiligheid op zee;
18. dringt aan op naleving van de eisen overeenkomstig de habitat- en vogelrichtlijnen (92/42/EEG en 79/409/EEG), controle op populaties van op zee levende soorten en maatregelen om te waarborgen dat toevallige doding geen schadelijke gevolgen van betekenis heeft voor de in de lijst opgenomen soorten;
19. dringt erop aan dat de ontwikkeling van gezamenlijke milieunormen in de sector aquacultuur hoge prioriteit krijgt;
20. dringt erop aan dat aspecten van het milieubeleid steviger worden verankerd in de visserijovereenkomsten tussen de EU en derde landen
21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regeringen van de lidstaten.
TOELICHTING
Niemand zal ontkennen dat het absoluut noodzakelijk is de milieubeschermingseisen in het visserijbeleid te integreren. De tijden zijn voorbij dat de enorme zeerijkdom onuitputtelijk was en dat de menselijke activiteit slechts marginaal van invloed was in verhouding tot het absorptie- en regeneratievermogen van het mariene ecosysteem. Nu de Raad nieuwe regels voor het GVB moet gaan opstellen is het dus gerechtvaardigd eens grondig bij dit onderwerp stil te staan.
Degenen die als eersten te maken hebben met en zich bewust zijn van het milieuprobleem op zee zijn natuurlijk de vissers. Zij hebben er alle baat bij hun activiteiten duurzaam te kunnen voortzetten en zij zijn de eerste slachtoffers van de schade die aan het mariene milieu wordt aangebracht. De visserij is afhankelijk van een goede milieusituatie en dit milieu omvat niet alleen de visbestanden en de voedselketen van deze visbestanden, maar ook andere onderdelen van het ecosysteem die niets met het visbestand te maken hebben. Het is overigens opmerkelijk dat vissers, hun beroepsverenigingen en kustgemeenten op vele plaatsen in de Europese Unie onderzoeken uitvoeren, van gedachten wisselen en proeven nemen teneinde de bescherming van het milieu, commerciële en niet-commerciële vissoorten en hun habitat te verbeteren. Deze initiatieven hebben betrekking op vier gebieden:
- ○Initiatieven die bedoeld zijn om het vistuig te verbeteren voor een selectievere vangst, niet alleen om bijvangsten te verminderen (en dus de teruggooi in zee) maar ook de vangst van te jonge vissen te beperken.
- ○Uitbreiding van de exploiteerbare biomassa van de belangrijkste vissoorten voor de kustvisserij, met name door de inrichting van biologische rustgebieden, beschermde gebieden en nurseries, via de veelbelovende techniek van kunstmatige riffen.
- ○Verbetering van de kwaliteit van visproducten, met name via de garantie van optimale versheid.
- ○Aanpassing van vissersvaartuigen en vistuig op specifieke milieubeschermingsacties, bijvoorbeeld het gebruik van aangepaste trawlers om olievlekken te verwijderen.
Dit recht van vissers, direct betrokken kustgemeenten en andere betrokkenen om onderzoek uit te voeren moet duidelijk erkend en gestimuleerd worden: proefprojecten op dit gebied moeten in aanmerking voor overheidssteun komen. De rol van de vissers en hun inzet om zich actief bezig te houden met de besluiten over hun activiteiten teneinde de duurzaamheid ervan te garanderen en de negatieve gevolgen voor het milieu ervan te corrigeren, moet worden benadrukt zodat besluiten in overleg met de vissers en niet tegen hen worden genomen. Uit de ervaringen van de afgelopen jaren blijkt namelijk dat besluiten over het visserijbeheer in nauw overleg met de vissers moeten worden genomen: het is van essentieel belang dat zij deze besluiten onderschrijven. Hoewel controles en repressieve middelen van de kant van de autoriteiten noodzakelijk zijn, kunnen ze zich niet in de plaats hiervan stellen. Alleen wanneer wij ons duidelijk rekenschap geven van de rol die de vissers spelen, kunnen wij uit de impasse geraken die het gevolg is van een verkeerde beeldvorming die van vissers milieuagressors maakt.
Het fundamentele probleem ligt bij de ontoereikende wetenschappelijke kennis over de evaluatie van visbestanden. De Commissie heeft dit met name in haar Groenboek formeel erkend, maar in plaats van doelstellingen, een tijdpad en duidelijke financiële middelen voor te stellen om de overcapaciteit van de visserijvloot te vernietigen, stelt zij niets wat hierop lijkt voor om de kennis over de visbestanden op een behoorlijk niveau te brengen. Hoewel de situatie wat betreft de visbestanden en vissoorten sterk uiteenloopt, er bij bepaalde evaluaties ernstige fouten zijn gemaakt die door de wetenschappers zelf zijn toegegeven, uiteenlopende meningen vissers en wetenschappers soms tegenover elkaar stellen en zelfs wetenschappers onderling, stelt de Commissie de algemene diagnose dat de visbestanden afnemen, dat dit geldt voor alle vissoorten en alle visgronden en dat overbevissing hiervoor verantwoordelijk is. Uw rapporteur stelt voor de Raad aan te bevelen de Commissie te belasten met de uitwerking van een duidelijk actieplan om zo spoedig mogelijk een daadwerkelijke infrastructuur op te zetten om visbestanden te kunnen evalueren waarin de praktische, empirische, pragmatische kennis van vissers en controles bij het lossen van de vis deel uitmaken. Bij de formulering van wetenschappelijke adviezen moet het interdisciplinaire karakter van de betrokken wetenschappen (waaronder ook sociaal-economische wetenschappen) voorop staan en deze wetenschappelijke adviezen moeten transparant zijn en gepubliceerd worden. Het is onaanvaardbaar dat ingrijpende besluiten die betrekking hebben op een totale bedrijfssector en die ernstige economische en sociale gevolgen voor de bevolking van kustgebieden kunnen hebben, getroffen worden op basis van onduidelijke criteria die meer met gevoel dan met wetenschap te maken hebben.
Wij kunnen ons dan ook niet scharen achter de prioritaire doelstelling van de Commissie om in het kader van haar ontwerpactieplan de druk die door de visserij op de visbestanden wordt uitgeoefend in het algemeen en op uniforme wijze te reduceren aangezien hierbij geen rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende vissoorten en de diverse visgronden. Uw rapporteur stelt voor dit inadequate voorstel te vervangen door het voorstel van de Europese Raad van Santa Maria de Feira, d.w.z. het streven naar een duurzaam evenwicht tussen visbestanden en exploitatie ervan. Dit evenwicht moet per visgrond en per vissoort tot stand worden gebracht, op basis van solide wetenschappelijke kennis en via een uitbreiding van de visbestanden door middel van gepaste maatregelen en exploitatiebeperkingen als dit nodig mocht blijken.
De negatieve aanpak van de visserij, waarvoor dus de Commissie heeft gekozen, heeft tot gevolg dat een beleid tot vermindering van de vangstcapaciteit van de vissersvloot ongelimiteerd wordt voortgezet zonder dat daarbij gedegen rekening wordt gehouden met de reeds in het verleden doorgevoerde restricties. Een dergelijke aanpak biedt geen enkele garantie voor de toekomst, ook al omdat er geen milieueffectstudie is waaruit blijkt dat nieuwe restricties gunstig voor het milieu zouden zijn.
De Commissie vergist zich ook als zij als milieubeschermingsmaatregel voorrang wil verlenen aan het opheffen van overheidssteun ten behoeve van de modernisering of vernieuwing van de vissersvloot. Overheidssteun die beoogt de arbeidsomstandigheden, hygiëne en levensomstandigheden aan boord, de veiligheid, energiebesparingen, conservering en kwaliteit van visserijproducten te verbeteren, mag niet kunstmatig worden beoordeeld als zijnde in strijd met de doelstelling van het streven naar een optimale milieubescherming.
Desalniettemin schaart de rapporteur zich achter het voorstel van de Commissie om voorrang te verlenen aan maatregelen ter verbetering van de vismethoden teneinde teruggooi, bijvangsten en de gevolgen hiervan voor de habitats te verminderen teneinde de ecosystemen niet te verstoren en de biodiversiteit te verminderen. Er zij hierbij op gewezen dat de technische maatregelen dichter bij de realiteit van de dagelijkse praktijk moeten worden genomen en niet uniform mogen zijn of centraal moeten worden vastgesteld. De vissers hebben diverse programma's ontwikkeld om de selectiviteit van hun vistuig te verbeteren. Dit geldt bijvoorbeeld voor het programma SAUPLIMOR op de Noordzee dat tot doel heeft de vangst van jonge kabeljauw en schol te verminderen, of het programma ASCG in de Golf van Gascogne dat het ontsnappen van ondermaatse heek en langoustines wil bevorderen. Ook is men bezig met een experiment met ontsnappingskleppen voor dolfijnen op pelagische trawlers. Dergelijke technische aanpassingen die bijvangsten, toevallige vangsten en vangst van te jonge vissen verminderen schijnen daarnaast ook van gunstige invloed te zijn op het zowel het kwalitatieve als kwantitatieve rendement als op de arbeidsomstandigheden (minder schiftingen, grotere veiligheid). Dergelijke initiatieven van de vissers moeten door de Commissie sterk worden aangemoedigd, financieel worden gesteund en in overweging worden genomen bij de invoering van technische maatregelen om bedreigde visbestanden te herstellen. Bij een besluit op dit gebied moet men zich laten leiden door de effectieve gevolgen van iedere vismethode en niet door een emotionele fixatie op een of ander vistuig en moet men aan meer verantwoorde technieken die het milieu en het biologisch evenwicht respecteren, de voorkeur geven.
Speciale vermelding verdient nog de gevolgen voor het milieu van de industriële visserij waarvan de vangsten een derde van de communautaire visvangst vertegenwoordigen en die bestemd zijn voor de vervaardiging van meel en olie. Het milieueffect van de industriële visserij is per euro toegevoegde waarde veel ingrijpender dan dat van de visserij van vissoorten die rechtstreeks voor menselijke consumptie zijn bestemd.
De visserij en aquacultuur zijn niet de enige factoren die op het mariene milieu van invloed zijn. Het is derhalve een eerste vereiste onze wetenschappelijke kennis over de andere factoren die een belangrijke invloed op de mariene ecosystemen uitoefenen, te verbeteren. De algehele opwarming van de aarde heeft ook gevolgen voor de commerciële vissoorten, hun prooien, hun roofvijanden en hun concurrenten. Over deze gevolgen is nog maar weinig bekend. Bepaalde visbestanden verplaatsen zich onder invloed van de algemene temperatuurstijging hetgeen aanzienlijke economische consequenties heeft voor de vloten die hiervan afhankelijk zijn. Ook over de sterke toename van bepaalde roofdieren, vogels of zeezoogdieren is nog maar weinig bekend en dit probleem is nauwelijks beheersbaar. De gevolgen van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen die afkomstig zijn van de industrie, van de urbanisatie, de bebouwing van kustzones en bepaalde landbouwactiviteiten moeten worden gemeten en in overweging worden genomen. Ook de wijze waarop de zee wordt geëxploiteerd, bijvoorbeeld bij aardoliewinning, het aanleggen van onderzeese kabels, kiezelwinning, moet ook worden onderzocht.
De visserijsector staat rechtstreeks bloot aan de gevolgen van de vervuiling van de zee, en met name aan de ongelukken met vrachtschepen die gevaarlijke producten vervoeren: de bescherming van de toekomstige visbestanden is dus nauw verbonden aan de daadwerkelijke en strikte tenuitvoerlegging van de voorschriften van "Erika I" en "Erika II" inzake de veiligheid op zee.