AANBEVELING over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds
(10820/2002 - COM(2002) 170 – C5‑0395/2002 – 2002/0083(AVC))

29 november 2002 - ***

Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid
Rapporteur: Gerardo Galeote Quecedo

Procedure : 2002/0083(AVC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A5-0410/2002
Ingediende teksten :
A5-0410/2002
Debatten :
Stemmingen :
Aangenomen teksten :

PROCEDUREVERLOOP

Bij schrijven van 29 augustus 2002 verzocht de Raad het Parlement, overeenkomstig artikel 300, lid 3, tweede alinea juncto artikel 310 van het EG‑Verdrag, om instemming met het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds (10820/2002 - COM(2002) 170 – 2002/0083(AVC)).

Op 23 september 2002 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van dit voorstel naar de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid als commissie ten principale en naar de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie als medeadviserende commissie (C5‑0395/2002).

De Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid benoemde op haar vergadering van 23 september 1999 Gerardo Galeote Quecedo tot rapporteur.

De commissie behandelde het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie en de ontwerpaanbeveling op haar vergaderingen van 8 oktober, 5, 26 en 27 november 2002.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 38 stemmen voor en 1 tegen haar goedkeuring aan de ontwerpwetgevingsresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: Elmar Brok (voorzitter), Baroness Nicholson of Winterbourne (ondervoorzitter), Christos Zacharakis (ondervoorzitter), Gerardo Galeote Quecedo (rapporteur), Ole Andreasen, Per-Arne Arvidsson, Alexandros Baltas, André Brie, John Walls Cushnahan, Véronique De Keyser, Rosa M. Díez González, Hélène Flautre (verving Joost Lagendijk), Michael Gahler, Per Gahrton, Alfred Gomolka, Vasco Graça Moura (verving Jas Gawronski), Ulpu Iivari (verving Glyn Ford), Marie Anne Isler Béguin (verving Reinhold Messner), Catherine Lalumière, Hugues Martin, Miguel Angel Martínez Martínez (verving Klaus Hänsch), Philippe Morillon, Pasqualina Napoletano, Raimon Obiols i Germà, Reino Paasilinna (verving Magdalene Hoff), Doris Pack (verving Alain Lamassoure), Jacques F. Poos, Amalia Sartori, Jürgen Schröder, Ioannis Souladakis, Ursula Stenzel, Ilkka Suominen, Hannes Swoboda, Maj Britt Theorin (verving Linda McAvan), Bob van den Bos, Karl von Wogau, Matti Wuori y María Izquierdo Rojo (verving Emilio Menéndez del Valle, overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement).

De Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie heeft op 22 mei 2002 besloten geen advies uit te brengen.

De aanbeveling werd ingediend op 29 november 2002.

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds (10820/2002 - COM(2002) 170 – C5‑0395/2002 – 2002/0083(AVC))

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

-   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2002) 170[1]),

–   gezien het ontwerp voor een Euromediterrane associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds (10820/2002),

-   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 300, lid 3, tweede alinea juncto artikel 310 van het EG‑Verdrag (C5‑0395/2002),

-   gelet op de artikelen 86 en 97, lid 7 van zijn Reglement,

-   gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid (A5‑0410/2002),

1.   stemt in met de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Libanon.

  • [1] Nog niet in het PB gepubliceerd.

TOELICHTING

Er bestaan nauwe banden tussen de EU en Libanon sedert in 1978 de samenwerkingsovereenkomst is ondertekend. De EU is de voornaamste handelspartner van Libanon: volgens cijfers uit het jaar 2000 komt 44% van de Libanese invoer uit de EU, terwijl EU goed is voor 20% van de Libanese export.

Dit land lijdt evenwel nog steeds onder de gevolgen van een tragische verwoestende burgeroorlog die 16 jaar heeft geduurd. Het speelt een belangrijke rol in het complexe tableau van het Midden-Oosten. Bij de terugtrekking van de Israëlische troepen uit het zuiden van het land in mei 2000 is een stap gezet in de richting van normalisering. Toch spelen er nog enkele kwesties zoals de definitieve markering van de grenzen met Israël, vooral de boerderijen van Shebaa, en de 200.000 tot 300.000 Palestijnse vluchtelingen, van wie de helft gevestigd is in twaalf vluchtelingenkampen. Over al deze dingen bestaat grote verontrusting. De Islamitische Hezbollah-beweging zit met 12 afgevaardigden in de Libanese nationale vergadering. Syrië is met instemming van de Libanese regering present met in de Libanon gestationeerde troepen.

In de binnenlandse politiek is de eerste minister Rafik Hariri in september 2000 begonnen aan zijn tweede ambtsperiode. Hij streeft ernaar economische hervormingen door te voeren in een ingewikkelde politieke context. Het machtsevenwicht om te garanderen dat de verschillende groepen vreedzaam met elkaar kunnen samenleven, levert een complex binnenlands politiek panorama op dat voor de nodige rust moet zorgen. Economisch gezien gaat het land gebukt onder een openbare schuld die begroot wordt op ongeveer € 30 mrd, d.w.z. 160% van het BNP en de aflossingsrente schrokken een groot deel van de publieke middelen op. De werkloosheid wordt op 8,5% geschat. De door de huidige regering op de rails gezette hervormingen hebben al enkele resultaten opgeleverd zoals de financiering van dit enorme tekort, de invoering van een belasting op de toegevoegde waarde (BTW) in februari 2002 en een privatiseringsprogramma.

Hoewel de onderhandelingen in 1995 zijn gestart, is pas tussen eind 2000 en december 2001 intensief gesproken over de overeenkomst waarmee het tijdpad werd ingevuld dat de eerste minister Hariri en Voorzitter Prodi hadden afgesproken. De overeenkomst is door Libanon en de Europese Commissie op 10 januari 2002 geparafeerd en op 17 juni ondertekend.

De op 22 en 23 april van dit jaar in Valencia gehouden Euromediterrane Ministersconferentie heeft geconstateerd dat het nodig was het proces van Barcelona nieuw leven in te blazen door concrete maatregelen die moeten leiden tot een grotere institutionalisering van het proces. Het in Valencia goedgekeurde actieplan omvat belangrijke voorstellen zoals de oprichting van een stichting voor de dialoog tussen culturen, de onmiddellijke inwerkingtreding van de versterkte faciliteit van de Europese Investeringsbank (EIB) terwijl de EU nadenkt over het opzetten van een mediterrane ontwikkelingsbank en een parlementaire Euromediterrane vergadering. De parlementaire dimensie van het proces ontbreekt nog op veel punten van de associatieovereenkomsten; daarom moet een Euromediterrane parlementaire vergadering hier voor de follow-up zorgen en voor een alomvattende uniforme controle op de toepassing van de overeenkomsten. Dankzij deze vergadering moet het Euromediterraan proces de noodzakelijke parlementaire dekking krijgen en aldus de thans bestaande lacune opvullen.

Politieke dialoog en bestrijding van het terrorisme

Wat het politieke hoofdstuk van de overeenkomst betreft: de opgenomen democratiseringsclausule moet een voortkabbelende intensieve dialoog mogelijk maken tussen de ondertekenaars over mensenrechten en democratie, met inbegrip van de bestrijding van corruptie en witwassen. Deze dialoog tussen partners moet tevens de prikkel geven opdat Libanon doorgaat op de weg die zij is ingeslagen met internationale conventies om de mensenrechten te beschermen (op 31 december 2000 heeft zij dit gedaan met de ondertekening van de internationale Conventie over de rechten van de vrouw) door ondertekening van alle internationale conventies in het bijzonder de Conventie tegen foltering.

Een van de meest relevante gebeurtenissen bij de ondertekening van de overeenkomst was een briefwisseling tussen de beide partijen over samenwerking bij de bestrijding van het terrorisme waarover men zich aan beide kanten zeer grote zorgen maakt, vooral na de terroristische aanslagen van 11 september die door beide partijen krachtig zijn veroordeeld. In deze brieven zeggen de partijen samenwerking toe bij de preventie en repressie van terroristische handelingen, in het bijzonder door toepassing van resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Bij uitwisseling van gegevens over terroristische groeperingen en hun steunnetwerken en over de middelen en methodes die moeten worden ingezet tegen het terrorisme alsook de toezegging dat uitwisseling zal plaatsvinden van ervaringen met terrorismepreventie. De in deze brieven aangegane toezeggingen (dit geldt trouwens ook voor de bepalingen van de overeenkomst), moeten bij de toepassing worden geëvalueerd. Deze briefwisseling moet uitlopen op een voorlopige goede oplossing van de bezorgdheid die tot uiting is gekomen in de Verklaring van de Europese Raad over de bijdrage van het gemeenschappelijk buitenlands beleid, met inbegrip van het defensiebeleid aan de terrorismebestrijding plus de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Sevilla met de noodzaak om antiterroristische clausules op te nemen in de overeenkomsten die de EU met derde landen sluit.