VERSLAG over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden
(COM(2003) 1 - C5‑0006/2003 - 2003/0001(COD))

5 mei 2003 - ***I

Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme
Rapporteur: Bernard Poignant
Rapporteur voor advies (*): Manuel Pérez Álvarez, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
(*) Nauwere samenwerking tussen commissies overeenkomstig artikel 162 bis van het Reglement

Procedure : 2003/0001(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A5-0152/2003
Ingediende teksten :
A5-0152/2003
Stemmingen :
Aangenomen teksten :

PROCEDUREVERLOOP

Bij schrijven van 13 januari 2003 diende de Commissie, overeenkomstig artikel 251, lid 2, en artikel 80, lid 2, van het EG‑Verdrag, bij het Parlement het voorstel in voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (COM(2003) 1 - 2003/0001(COD)).

Op 16 januari 2003 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van dit voorstel naar de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme als commissie ten principale en naar de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken als medeadviserende commissie (C5‑0006/2003).

De Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme benoemde op haar vergadering van 21 januari 2003 de heer Bernard Poignant tot rapporteur.

Op 10 april 2003 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de nauwere samenwerking overeenkomstig artikel 162 bis van het Reglement tussen de ten principale bevoegde Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de medeadviserende Commissie werkgelegenheid en sociale zaken.

De Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme behandelde het commissievoorstel en het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 19 maart en 30 april 2003.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 37 stemmen voor bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de ontwerpwetgevingsresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: Rijk van Dam (ondervoorzitter en waarnemend voorzitter), Gilles Savary, (ondervoorzitter), Bernard Poignant, (rapporteur), Sylviane H. Ainardi, Pedro Aparicio Sánchez (verving Rosa Miguélez Ramos), Philip Charles Bradbourn, Christine de Veyrac, Jan Dhaene, Garrelt Duin, Alain Esclopé, Giovanni Claudio Fava, Jacqueline Foster, Mathieu J.H. Grosch, Konstantinos Hatzidakis, Georg Jarzembowski, Dieter-Lebrecht Koch, Giorgio Lisi, Toine Manders (verving Dirk Sterckx overeenkomstig artikel 153, lid 2, van het Reglement), Emmanouil Mastorakis, Enrique Monsonís Domingo (verving Herman Vermeer overeenkomstig artikel 153, lid 2, van het Reglement), Josu Ortuondo Larrea, Wilhelm Ernst Piecyk, Samuli Pohjamo, Alonso José Puerta, John Purvis (verving James Nicholson overeenkomstig artikel 153, lid 2, van het Reglement), Reinhard Rack, Carlos Ripoll y Martínez de Bedoya, Ingo Schmitt, Brian Simpson, Ulrich Stockmann, Margie Sudre, Hannes Swoboda (verving Danielle Darras), Joaquim Vairinhos, Daniel Varela Suanzes-Carpegna (verving José Javier Pomés Ruiz), Christian Ulrik von Boetticher (verving Rolf Berend), Mark Francis Watts, Brigitte Wenzel-Perillo (verving Renate Sommer) en Jan Marinus Wiersma (verving Juan de Dios Izquierdo Collado).

Het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken is bij dit verslag gevoegd.

Het verslag werd ingediend op 5 mei 2003.

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (COM(2003) 1 - C5‑0006/2003 - 2003/0001(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003) 1)[1],

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 80, lid 2, van het EG‑Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5‑0006/2003),

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A5‑0152/2003),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, zoals geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of het door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekstAmendementen van het Parlement
Amendement 1
OVERWEGING 1 BIS (NIEUW)
 

(1 bis)    Teneinde maritieme kennis en vaardigheden binnen de EU op peil te houden en uit te breiden, is het van belang passende aandacht aan de positie van maritieme opleidingen en zeevarenden binnen de EU te geven.

Motivering

In toenemende mate hebben bemanningen van schepen onder de vlag van een van de lidstaten de nationaliteit van een derde land. Dit wordt ten dele veroorzaakt door het gebrek aan gekwalificeerde bemanning uit de EU. Het is voor het handhaven van de kwaliteit van EU-vlaggen noodzakelijk een goed opgeleide en samenwerkende bemanning op schepen te hebben. Daarom zal binnen de EU aandacht besteed moeten blijven worden aan opleidingen voor nautische beroepen en de werving van leerlingen daarvoor. Het huidige voorstel maakt het inzetten van bemanning uit derde landen gemakkelijker. Dat kan echter haaks staan op een positieve ontwikkeling van zowel het aanbod als de opleiding van gekwalificeerd EU-personeel. Een verzoek om erkenning van de opleidingen in een derde land dient daarom vooraf gegaan te worden door een bewijs van onvoldoende aanbod van EU-personeel voor de desbetreffende posten.

Amendement 2
OVERWEGING 5

(5)   Of derde landen voldoen aan de bepalingen van het STCW-Verdrag kan efficiënter worden beoordeeld als dat op een geharmoniseerde wijze geschiedt. De Commissie dient derhalve namens de gehele Gemeenschap met deze taak te worden belast.

(5)   Of derde landen die opleidingen verzorgen voldoen aan de bepalingen van het STCW-Verdrag kan efficiënter worden beoordeeld als dat op een geharmoniseerde wijze geschiedt. De Commissie dient derhalve namens de gehele Gemeenschap met deze taak te worden belast.

Motivering

Zoals de IMO zelf aangeeft in haar commentaar op de gepubliceerde "witte-landenlijst", zijn er landen op deze lijst opgenomen die de facto geen of slechts een zeer beperkte opleiding verzorgen. Deze landen behoren niet door de Gemeenschap te worden erkend. Dit sluit echter niet uit dat onderdanen van deze landen wel erkend kunnen worden op basis van een diploma dat is behaald aan een erkend opleidingsinstituut. Zulks tevens om fraude tegen te gaan.

Amendement 3
OVERWEGING 6

(6)   Teneinde te waarborgen dat een erkend land volledig blijft voldoen aan de eisen van het STCW-Verdrag, dient de erkenning op gezette tijdstippen opnieuw te worden bezien en in voorkomend geval te worden verlengd. De erkenning van een derde land dat niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, dient te worden ingetrokken totdat de tekortkomingen zijn verholpen.

(6)   Teneinde te waarborgen dat een erkend land volledig blijft voldoen aan de eisen van het STCW-Verdrag, dient de erkenning op gezette tijdstippen opnieuw te worden bezien en in voorkomend geval te worden verlengd. De erkenning van een derde land dat niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, dient te worden ingetrokken totdat de tekortkomingen zijn verholpen. Hoewel het beginsel van erkenning van een land de algemene regel zal zijn, moet worden voorzien in de mogelijkheid de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven door individuele maritieme opleidingsinstellingen die "de facto" niet voldoen aan de vereisten van het STCW-Verdrag, in te trekken.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 4
OVERWEGING 11

(11)   Het STCW-Verdrag bevat voorschriften inzake de taal van vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen betreffende de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs. De bestaande bepalingen van Richtlijn 2001/25/EG dienen te worden afgestemd op de desbetreffende voorschriften van het STCW-Verdrag.

(11)   Het STCW-Verdrag bevat voorschriften inzake de taal van vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen betreffende de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs. De bestaande bepalingen van Richtlijn 2001/25/EG dienen te worden afgestemd op de desbetreffende voorschriften van het STCW-Verdrag. Ter wille van een grotere transparantie met betrekking tot de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen dient een fraudebestendige Europese conformiteitsverklaring te worden opgesteld.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 5, lid 9 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 5
ARTIKEL 1, PUNT 1, LETTER a)
Artikel 5, lid 3 (Richtlijn 2001/25/EG)

3.   Vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven overeenkomstig voorschrift I/2, lid 1, van het STCW-Verdrag.

3.   Vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven overeenkomstig voorschrift I/2, lid 1, van het STCW-Verdrag of gaan vergezeld van een Europese conformiteitsverklaring overeenkomstig lid 9 bis (nieuw).

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 5, lid 9 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 1, LETTER b) BIS (nieuw)
Artikel 5, lid 9 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

b bis)    Het volgende lid 9 bis (nieuw) wordt toegevoegd:

 

“9 bis. Het Agentschap is bevoegd om een meertalige Europese conformiteitsverklaring af te geven voor alle overeenkomstig dit artikel afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen. Deze verklaring komt niet in de plaats van de genoemde vaarbevoegdheidsbewijzen en verklaringen en wordt gebruikt om de verificatie daarvan als aanvullende kennisgeving te vergemakkelijken.

Motivering

In het voorstel van de Commissie wordt bepaald dat alle vaarbevoegdheidsbewijzen in overeenstemming met het STCW-Verdrag in het Engels moeten worden vertaald. Dit Verdrag wordt niet in twijfel getrokken, maar een alternatief zou kunnen zijn dat er een Europese conformiteitsverklaring in het leven wordt geroepen, die door het Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart zou kunnen worden afgegeven. Een dergelijke conformiteitsverklaring zou in meerdere talen kunnen worden gesteld en zou de controle in het kader van de havencontrole aanzienlijk vereenvoudigen.

Amendement 7
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 18, lid 3, letter a) (Richtlijn 2001/25/EG)

a)   een lidstaat die voornemens is door middel van een officiële verklaring een door een derde land afgegeven passend vaarbevoegdheidsbewijs voor kapiteins, officieren of radio-operators te erkennen voor dienst op een schip dat zijn vlag voert, dient bij de Commissie een verzoek om erkenning van dat derde land in met alle informatie en bewijzen met betrekking tot de naleving van de in bijlage II vermelde criteria.

a)   een lidstaat die voornemens is door middel van een officiële verklaring een door een derde land afgegeven passend vaarbevoegdheidsbewijs voor kapiteins, officieren of radio-operators te erkennen voor dienst op een schip dat zijn vlag voert, dient bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek om erkenning van dat derde land in.

De Commissie, bijgestaan door het agentschap, beoordeelt de opleidings- en diplomeringssystemen in het derde land waarvoor het verzoek om erkenning werd ingediend, teneinde na te gaan of het betrokken land aan alle eisen van het STCW-Verdrag voldoet;

De Commissie, bijgestaan door het agentschap en eventueel de betrokken lidstaten, beoordeelt de opleidings- en diplomeringssystemen in het derde land waarvoor het verzoek om erkenning werd ingediend, teneinde na te gaan of het betrokken land aan alle eisen van het STCW-Verdrag voldoet, zoals vermeld in bijlage II, en tevens of het afdoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van fraude met vaarbevoegdheidsbewijzen;

Motivering

Zoals blijkt uit onderzoek van de IMO zijn er op dit moment veel valse vaarbevoegdheidsbewijzen in omloop. Fraude met vaarbewijzen verschilt van staat tot staat. Derde landen die volgens het onderzoek de aanbevelingen ter voorkoming van fraude niet of slecht uitvoeren, zouden extra geviseerd moeten worden.

Amendement 8
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 18, lid 3, letter b) (Richtlijn 2001/25/EG)

b)   de Commissie neemt het besluit tot erkenning van een derde land overeenkomstig de procedure van artikel 23, lid 2), binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om erkenning. De verleende erkenning blijft vijf jaar geldig. De lidstaat die het verzoek heeft ingediend, neemt de nodige maatregelen om het besluit ten uitvoer te leggen;

b)   de Commissie neemt het besluit tot erkenning van een derde land overeenkomstig de procedure van artikel 23, lid 2), binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om erkenning. De verleende erkenning blijft vijf jaar geldig en wordt automatisch verlengd, tenzij blijkt dat het betrokken derde land niet voldoet aan alle eisen van het STCW-Verdrag;

Motivering

Gedurende de vijf jaar dat de erkenning geldig is, heeft de Commissie voldoende tijd om een erkenning opnieuw te beoordelen. Zie ook amendement nr. 5.

Amendement 9
ARTIKEL 1, LID 3
Artikel 18, lid 3, letter b bis) (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

b bis)    Indien er binnen de in lid 3, punt b, vastgelegde termijn geen besluit wordt genomen over de erkenning van het betrokken derde land, wordt de erkenning geacht te zijn verleend en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, Serie C.

Motivering

De termijn van drie maanden dient strikt te worden toegepast. Indien dit om enigerlei reden niet gebeurt, dient het verzoek om erkenning te worden goedgekeurd.

Amendement 10
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 18, lid 3, letter c bis) (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

c bis)    De lidstaten zorgen ervoor dat aan onderdanen van derde landen die werkzaam zijn op een schip varend onder de vlag van een lidstaat ten aanzien van vervolgopleidingen en later gestelde nieuwe, hogere eisen dezelfde faciliteiten worden geboden als aan bemanningsleden die onderdaan zijn van de betrokken lidstaat;

Motivering

Om ongelijke behandeling te voorkomen en tegelijkertijd aan de hoogste veiligheidsnormen te voldoen, is het evident dat alle bemanningsleden gelijke toegang hebben tot vervolgopleidingen.

Amendement 11
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 18, lid 3, letter d) (Richtlijn 2001/25/EG)

d)   wanneer een derde land door de Commissie is erkend en indien de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO na voltooiing van haar evaluatie niet heeft kunnen vaststellen dat het derde land heeft aangetoond volledige uitvoering te hebben gegeven aan de bepalingen van het STCW-Verdrag, leidt de Commissie de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure in met het oog op een herbeoordeling van de erkenning van dat land. De betrokken lidstaat neemt alle passende maatregelen ter uitvoering van het overeenkomstig die procedure genomen besluit;

d)   Erkenningen van vaarbevoegdheidsbewijzen die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, Serie C, zijn gepubliceerd, blijven geldig;

Motivering

In december 2002 bevatte de "witte lijst" 109 landen. Daaronder bevonden zich alle landen die erom bekend staan dat zij leveranciers zijn van arbeidskrachten. De procedures voor de landen die nog niet op de "witte lijst" zijn opgenomen, zijn meteen gestart omdat de "witte lijst" ten tijde van de inwerkingtreding van richtlijn 98/35/EG i.e. 25 mei 1998 nog moest worden opgesteld. Het is nu dus niet meer nodig deze procedures te handhaven.

De erkenningen van landen op basis van het "oude" systeem dienen geldig te blijven. Zij kunnen echter worden ingetrokken krachtens artikel 18 ter.

Amendement 12
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 18, lid 3, letter e) (Richtlijn 2001/25/EG)

e)   door de Commissie wordt een lijst van de erkende derde landen opgesteld en bijgewerkt. De lijst wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, serie C.”

e)   door de Commissie wordt een lijst van de erkende derde landen inclusief de goedgekeurde opleidingsinstituten, opgesteld en bijgewerkt. De lijst wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, serie C.

Motivering

Op de witte lijst van de IMO komen een aantal landen voor die geen eigen opleidingsinstituten hebben of een zeer beperkte opleiding verzorgen. Het is dan ook van belang om met name ter verificatie van "afgegeven diploma's" alle erkende opleidingsinstituten op deze lijst op te nemen.

Amendement 13
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 bis, alinea 1 (Richtlijn 2001/25/EG)

Voor het einde van de in artikel 18, lid 3, onder b) bedoelde geldigheidsperiode onderwerpt de Commissie, bijgestaan door het agentschap, de erkenning van het betrokken derde land aan een nieuwe beoordeling, teneinde na te gaan of dat land nog steeds aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet en te bepalen of de erkenning zal worden verlengd.

Voor het einde van de in artikel 18, lid 3, onder b) bedoelde geldigheidsperiode onderwerpt de Commissie, bijgestaan door het agentschap, de erkenning van het betrokken derde land aan een nieuwe beoordeling, teneinde na te gaan of dat land nog steeds aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet en afdoende maatregelen heeft genomen tegen fraude met vaarbevoegdheidsbewijzen en te bepalen of de erkenning zal worden verlengd.

Motivering

Zoals blijkt uit onderzoek van de IMO zijn er op dit moment veel valse vaarbevoegdheidsbewijzen in omloop. Fraude met vaarbewijzen verschilt van staat tot staat. Derde landen die volgens het onderzoek de aanbevelingen ter voorkoming van fraude niet of slecht uitvoeren, zouden extra geviseerd moeten worden.

Amendement 14
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 bis, alinea 3 (Richtlijn 2001/25/EG)

Het besluit over de verlenging van de erkenning wordt uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheidsperiode van de erkenning genomen overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure.

Het besluit over de verlenging van de erkenning wordt uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de geldigheidsperiode van de erkenning genomen overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure. Indien er vóór het verstrijken van de geldigheidsperiode geen besluit is genomen, wordt de erkenning automatisch tijdelijk verlengd tot het moment waarop al dan niet tot hernieuwde erkenning wordt besloten.

Motivering

Lidstaten mogen niet worden gedupeerd door mogelijke vertraging in de beoordeling door de Commissie. Daarom zal bij niet tijdige besluitvorming de bestaande erkenning moeten worden verlengd totdat er een besluit is genomen. Gelet op het belang van een goede opleiding is het automatisch verlengen van de erkenning voor een volledige periode niet correct. Er dient een beoordeling plaats te vinden. Een bestaande erkenning moet geldig blijven tot deze beoordeling is voltooid.

Amendement 15
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG)

1.   Wanneer een lidstaat of de Commissie, ongeacht de in bijlage II, deel A vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land niet langer aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, verwijst de Commissie de zaak naar het in artikel 23 bedoelde comité.

1.   Wanneer een lidstaat of de Commissie, ongeacht de in bijlage II, deel A vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land of een individuele maritieme opleidingsinstelling in dat land niet langer aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, verwijst de Commissie de zaak naar het in artikel 23 bedoelde comité.

Motivering

Met name in het geval van federale staten, waar de bevoegdheden voor het onderwijs geheel of gedeeltelijk zijn gedecentraliseerd, kan er sprake zijn van aanzienlijke kwaliteitsverschillen tussen de vaarbevoegdheidsbewijzen binnen hetzelfde land. In dergelijke gevallen, en in het algemeen in alle gevallen waarin individuele opleidingsinstellingen de voorschriften van het STCW-Verdrag op flagrante wijze de facto niet naleven, dient in afwijking van het beginsel van de algemene erkenning van alle vaarbevoegdheidsbewijzen van een derde land de mogelijkheid te blijven bestaan de erkenning van individuele vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken. Daartoe is het noodzakelijk ad hoc-bepalingen met betrekking tot individuele opleidingsinstellingen in de richtlijn op te nemen. Zie dienaangaande ook de amendementen op overweging 6, artikel 18 ter, lid 3, artikel 18 ter, lid 4 bis (nieuw) van Richtlijn 2001/25/EG, alsmede punt 6 van de bijlage.

Amendement 16
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 ter, lid 2 (Richtlijn 2001/25/EG)

2.   Wanneer een lidstaat de officiële verklaringen van door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen intrekt, stelt hij onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van zijn met redenen omklede besluit.

2.   Wanneer een lidstaat voornemens is de officiële verklaringen van door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken, stelt hij onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van zijn met redenen omklede besluit.

Motivering

Het voorstel van de Commissie heeft tot doel de procedure voor de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen uit derde landen in die zin te vereenvoudigen dat met een enkel besluit de erkenning in alle lidstaten wordt verwezenlijkt. Hetzelfde beginsel moet ook gelden voor het intrekken van de erkenning. Op grond van dit amendement moeten de lidstaten de daartoe voorziene comitologieprocedure voor de intrekking van de erkenning (in alle lidstaten) volgen in plaats van unilateraal op te treden.

Amendement 17
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 ter, lid 3 (Richtlijn 2001/25/EG)

3.   De Commissie, bijgestaan door het agentschap, herbeoordeelt de erkenning van het betrokken derde land, teneinde na te gaan of dat land inderdaad niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet.

3.   De Commissie, bijgestaan door het agentschap, herbeoordeelt de erkenning van het betrokken derde land, of, indien noodzakelijk, die van de individuele maritieme opleidingsinstelling, teneinde na te gaan of dat land of deze instelling inderdaad niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 18
ARTIKEL 1, LID 3
Artikel 18 ter) lid 4 bis) (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

4 bis)    Officiële verklaringen inzake de erkenning van door de betrokken derde landen verstrekte vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven vóór de datum van intrekking van een erkenning blijven geldig.

Motivering

De zeevarenden die op het moment van intrekking van een erkenning werkzaam zijn in de zeevaart hebben hun opleiding afgemaakt en beschikken over ten minste over de op hun vaarbevoegdheidsbewijs vermelde vaardigheden. Het feit dat hun land van herkomst niet langer voldoet aan de eisen van het STCW-Verdrag heeft geen enkele invloed op hun vaardigheidsniveau.

Amendement 19
ARTIKEL 1, PUNT 4 BIS
Artikel 18 ter, lid 4 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

4 bis.    Aan artikel 18 ter wordt het volgende lid 4 bis toegevoegd:

 

“4 bis. Indien het besluit tot intrekking van de erkenning betrekking heeft op één of verscheidene individuele maritieme opleidingsinstellingen van een derde land, brengt de Commissie dat besluit ter kennis van het derde land en verzoekt zij dit land de noodzakelijke maatregelen te nemen met het oog op volledige naleving van de eisen van het STCW-Verdrag. De Commissie voert een herbeoordeling uit op basis van de door het derde land verstrekte informatie over de genomen maatregelen."

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 20
BIJLAGE, PUNT 6

6.   Indien een lidstaat de beoordeling van de naleving door een derde land wenst aan te vullen met een evaluatie van bepaalde maritieme opleidingsinstellingen, gaat hij te werk overeenkomstig de bepalingen van deel A-I/6 van het STCW-Verdrag.

6.   Indien een lidstaat de beoordeling van de naleving door een derde land wenst aan te vullen met een evaluatie van bepaalde maritieme opleidingsinstellingen of in het geval van artikel 18 ter, lid 4 bis (nieuw), gaat hij te werk overeenkomstig de bepalingen van deel A-I/6 van het STCW-Verdrag.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 21
ARTIKEL 1, PUNT 6
Bijlage II, letter B (Richtlijn 2001/25/EG)

B.   Derde landen waarvan de Maritieme Veiligheidscommissie niet heeft bevestigd dat zij informatie hebben verstrekt die aantoont dat volledige uitvoering is gegeven aan de relevante bepalingen van het STCW-Verdrag

Schrappen

1.   Indien de Maritieme Veiligheidscommissie nog bezig is met het vaststellen dat het derde land heeft aangetoond volledige uitvoering te hebben gegeven aan de bepalingen van het STCW-Verdrag, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

 

Het derde land moet aan de lidstaat die door dat derde land of in opdracht van dat derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen wenst te erkennen, de volgende informatie verstrekken:

 

(i)   teksten van wetten, decreten, beschikkingen, verordeningen en instrumenten die verband houden met de uitvoering van het STCW-Verdrag;

 

(ii)   een uitvoerige beschrijving van de inhoud en de duur van studiecursussen, met inbegrip van een duidelijke verklaring omtrent het beleid dat gevolgd wordt op het gebied van onderwijs, opleiding, examinering, beoordeling van de bekwaamheid en vaarbevoegdheidsverlening;

 

(iii)   nationale examinerings- en andere voorschriften voor elk soort vaarbevoegdheidsbewijs dat in overeenstemming met het STCW-Verdrag wordt afgegeven;

 

(iv)   een toereikend aantal voorbeelden van in overeenstemming met het STCW-Verdrag afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen;

 

(v)   informatie over de organisatie van het landsbestuur;

 

(vi)   een beknopte uiteenzetting van de voorziene en bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die ervoor moeten zorgen dat aan de voorschriften wordt voldaan, met name op het gebied van opleiding en beoordeling alsmede afgifte en registratie van vaarbevoegdheidsbewijzen;

 

(vii)   een beknopt overzicht van de procedures voor het machtigen, erkennen of goedkeuren van opleidingen en examineringen alsook de door het STCW-Verdrag voorgeschreven beoordelingen van bekwaamheid, de daaraan verbonden voorwaarden en een lijst van de verleende machtigingen, erkenningen en goedkeuringen.

 

2.   De lidstaat moet de verstrekte informatie vergelijken met alle relevante voorschriften van het STCW-Verdrag om zich ervan te vergewissen dat volledige uitvoering is gegeven aan de bepalingen van het STCW-Verdrag.

 

3.   De lidstaat moet zich via alle nodige maatregelen, die onder meer de inspectie van voorzieningen en procedures kunnen omvatten, ervan vergewist hebben dat de voorschriften betreffende bekwaamheidsnormen, de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen en de registratie daarvan volledig worden nageleefd, en dat er een stelsel van kwaliteitsnormen is vastgesteld in overeenstemming met voorschrift I/8 van het STCW-Verdrag.

 

De punten A. 4, 5 en 6 zijn eveneens van toepassing bij deze procedure.

 

Motivering

In december 2002 bevatte de "witte lijst" 109 landen. Daaronder bevonden zich alle landen die erom bekend staan dat zij leveranciers zijn van arbeidskrachten. De procedures voor de landen die nog niet op de "witte lijst" zijn opgenomen, zijn meteen gestart omdat de "witte lijst" ten tijde van de inwerkingtreding van richtlijn 98/35/EG i.e. 25 mei 1998 nog moest worden opgesteld. Het is nu dus niet meer nodig deze procedures te handhaven.

Amendement 22
ARTIKEL 2 ALINEA 1

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [...] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 12 maanden na de inwerkingtreding ervan aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Motivering

In het voorstel van de Commissie ontbreekt de termijn van inwerkingtreding. Een periode van 12 maanden is voldoende om de lidstaten in staat te stellen hun wetgeving aan te passen.

Amendement 23
ARTIKEL 2, ALINEA 2 BIS (NIEUW)
 

Vijf jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn legt de Commissie de Raad en het Europees Parlement een evaluatieverslag voor dat is opgesteld op basis van een grondige analyse en evaluatie van de IMO-verdragsbepalingen, de uitvoering daarvan, en de verworven nieuwe inzichten in de correlatie tussen veiligheid en het opleidingsniveau van scheepsbemanningen.

Motivering

Gezien de recente ongelukken met een aantal schepen, het vernieuwde beleid t.a.v. erkende landen en hun opleidingen via het nieuwe instrument van de "witte lijst" en de nog te nemen maatregelen ter verdere verbetering van de veiligheid op zee, is het noodzakelijk de richtlijn na vijf jaar te herzien, teneinde een maximale veiligheid te waarborgen, althans wat betreft de opleidingen van bemanningen.

  • [1] Nog niet in het PB gepubliceerd.

TOELICHTING

Het onderhavige voorstel van de Commissie voorziet in een herziening van de huidige regeling voor de erkenning van zeevarenden afkomstig uit landen buiten de Europese Unie. Deze herziening is erop gericht dubbel werk te voorkomen, administratieve lasten te beperken en een eenvormige Europese erkenning van maritieme opleidingen van zeevarenden uit derde landen mogelijk te maken.

De mogelijkheid om zeevarenden van buiten de Unie aan te trekken, is van wezenlijk belang voor de Europese scheepvaart. Van de circa 140.000 zeevarenden op schepen onder EU-vlag is ongeveer een derde (circa 47.000 zeevarenden) afkomstig uit derde landen[1]. Het aantal zeevarenden van buiten de Unie is in vergelijking met de voorliggende periode toegenomen. In veel lidstaten kunnen reders moeilijk nationaal geschoold personeel vinden, hetgeen de nog steeds stijgende vraag naar zeevarenden van buiten de EU verklaart.

De huidige procedure: erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen door de lidstaat

Volgens de huidige procedure moet een lidstaat de Commissie in kennis stellen wanneer hij een door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs wil erkennen. Hierbij moet de lidstaat controleren of het land in kwestie voldoet aan de eisen van het internationale STCW-Verdrag[2]. De Commissie brengt vervolgens de overige lidstaten op de hoogte van deze kennisgeving. Op basis van de kennisgeving moeten de Commissie en de lidstaten de zaak beoordelen en kunnen zij bezwaar maken tegen het besluit tot erkenning. In dat geval wordt de zaak behandeld door een door de Commissie voorgezeten comité van deskundigen (comitologie) uit de lidstaten.

Omdat niet omschreven is wat er precies in de genoemde kennisgevingen moet staan, verschillen zij per lidstaat en zijn de door de Commissie en de lidstaten verrichte beoordelingen niet altijd gebaseerd op dezelfde grondslag.

Bovendien is volgens de huidige regeling voor iedere lidstaat die een door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs wil erkennen, een afzonderlijk besluit nodig. Dit individuele besluit bindt alleen de aanvragende lidstaat. Dat betekent dat een andere lidstaat die een door datzelfde land afgegeven bewijs wenst te erkennen een eigen beoordeling moet uitvoeren en het verzoek via de procedure ter goedkeuring moet voorleggen. Dit is een onnodige administratieve belasting voor de Commissie en de lidstaten.

De voorgestelde procedure: erkenning van derde landen door de Gemeenschap

De door de Commissie voorgestelde nieuwe procedure voorziet in de erkenning van een derde land na beoordeling van zijn maritieme opleidings- en diplomeringssysteem, in plaats van erkenning van afzonderlijke vaarbevoegdheidsbewijzen, zoals nu gebeurt. De beoordelingen van de erkenningsverzoeken van lidstaten zullen worden uitgevoerd door de Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart (EAVM). Nadat de beoordeling is uitgevoerd, neemt de Commissie volgens de "comitéprocedure" een besluit over de erkenning, die geldt voor vijf jaar. De volgens de huidige procedure genomen besluiten tot erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen blijven van kracht.

De erkenning wordt dus een algemene erkenning door de gehele Gemeenschap van de systemen en procedures van een derde land. Deze aanpak van de Gemeenschap houdt in dat de lidstaten op grond van een op communautair niveau genomen besluit een uit een derde land afkomstig vaarbevoegdheidsbewijs zonder verdere beoordeling erkennen door middel van een officiële verklaring.

Het voorstel voorziet ook in invoering van specifieke procedures voor de verlenging en intrekking, in de gehele Gemeenschap, van erkenningen van derde landen en voor permanente controle op de naleving door derde landen van de van toepassing zijnde eisen van het STCW‑Verdrag.

Naast de wijziging van de erkenningsprocedure stelt de Commissie voor de richtlijn in lijn te brengen met de internationale verdragen, waarin taaleisen worden gesteld voor de opleiding van zeelieden. In deze verdragen wordt bijvoorbeeld bepaald dat officiële verklaringen in het Engels beschikbaar dienen te zijn. Ook de communicatie tussen het schip en de autoriteiten aan de wal dient in het Engels plaats te vinden, tenzij de betrokkenen een gemeenschappelijke andere taal spreken.

Het standpunt van de rapporteur

Een aantal ernstige scheepsongevallen voor de Europese kust, zoals het zinken van de "Prestige" en de "Tricolor", heeft het belang van een veilige zeescheepvaart nog eens duidelijk onderstreept. Bij scheepsongelukken en de reactie daarop spelen menselijke fouten vaak een belangrijke rol. Het is dan ook van essentieel belang een hoog opleidingsniveau van zeevarenden op Europese schepen te kunnen waarborgen, ook als deze zeevarenden van buiten de Unie komen. Uw rapporteur is dan ook ingenomen met het Commissievoorstel, dat bijdraagt tot de gewenste uniforme en strenge beoordeling van maritieme opleidingen in landen buiten de Unie.

Uw rapporteur juicht het initiatief van de Commissie om de huidige erkenningsprocedure te vereenvoudigen toe, maar doet een aantal voorstellen ter verduidelijking en aanscherping van het voorstel. Deze amendementen hebben ten doel:

-   dubbel werk te voorkomen. Ook in het huidige voorstel overlappen de activiteiten van de lidstaten en de Commissie elkaar nog. De beoordeling van derde landen dient voortaan uitsluitend door de Commissie en het EAMV te worden uitgevoerd;

-   de procedure voor de verlenging van erkenningen te vereenvoudigen en te verduidelijken (ams. 8 en 9);

-   duidelijk vast te leggen dat vaarbevoegdheidsbewijzen die vóór de inwerkingtreding van de richtlijn zijn erkend hun geldigheid behouden (am. 11);

-   duidelijk vast te leggen dat ook vaarbevoegdheidsbewijzen die verstrekt zijn voor de intrekking van een erkenning hun geldigheid behouden (am. 18);

-   zeker te stellen dat alleen landen die voldoen aan de eisen van het STCW-Verdrag een erkenning krijgen (ams. 11 en 21);

-   een duidelijke termijn vast te leggen voor de inwerkingtreding in de lidstaten van de desbetreffende wettelijke bepalingen (am. 22).

  • [1] ECSA jaarverslag 2001-2002.
  • [2] In 1978 gesloten verdrag van de International Maritieme Organisatie (IMO) inzake opleiding, diplomering en wachtdienst.

ADVIES VAN DE COMMISSIE WERKGELEGENHEID EN SOCIALE ZAKEN

aan de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden

(COM(2003) 1 - C5‑0006/2003 - 2003/0001(COD))

Rapporteur voor advies(*): Manuel Pérez Álvarez

(*) Nauwere samenwerking tussen commissies overeenkomstig artikel 162 bis van het Reglement

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken benoemde op haar vergadering van 12 februari 2003 de heer Manuel Pérez Álvarez tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 20 maart en 23 en 24 april 2003.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met algemene stemmen haar goedkeuring aan de hierna volgende amendementen.

Bij de stemming waren aanwezig: Theodorus J.J. Bouwman (voorzitter), Winfried Menrad (ondervoorzitter), Marie-Thérèse Hermange (ondervoorzitter), Manuel Pérez Álvarez (rapporteur voor advies), Jan Andersson, Regina Bastos, Johanna L.A. Boogerd-Quaak (verving Elspeth Attwooll), Hans Udo Bullmann (verving Alejandro Cercas), Philip Bushill-Matthews, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Carlo Fatuzzo, Fiorella Ghilardotti (verving Marie-Hélène Gillig), Anne-Karin Glase, Ioannis Koukiadis (verving Anna Karamanou), Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Mario Mantovani, Claude Moraes, Bartho Pronk, Herman Schmid, Miet Smet, Gabriele Stauner (verving Rodi Kratsa-Tsagaropoulou), Ieke van den Burg, Barbara Weiler en Sabine Zissener (verving Lennart Sacrédeus).

BEKNOPTE MOTIVERING

1.   Achtergrond

Richtlijn 2001/25/EEG inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden is gebaseerd op het STCW‑Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Hierin zijn de minimumnormen vastgelegd met betrekking tot de duur en de inhoud van de opleiding van zeevarenden (met name het leidinggevend personeel). In de richtlijn is bovendien een procedure vastgelegd voor de afgifte en de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen, alsmede minimumnormen voor communicatie aan boord.

2.   Het voorstel van de Commissie

2.1   Vereenvoudiging van de procedure voor de erkenning van door derde landen afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen

Op grond van de thans geldende bepalingen kan een lidstaat een door een derde landen afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs slechts erkennen met toestemming van alle andere lidstaten, zonder echter dat dit automatisch inhoudt dat het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs ook in de overige lidstaten wordt erkend. De administratieve rompslomp wordt nog verder vergroot door het feit dat er geen sprake is van algemene erkenning van de vaarbevoegdheidsbewijzen en dat derhalve de bewijzen van alle opleidingscentra de erkenningsprocedure moeten doorlopen.

De Commissie stelt voor de procedure zodanig te vereenvoudigen dat alle door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen op grond van één enkel besluit in het kader van de daarvoor voorziene comitologieprocedure worden erkend en dat deze erkenning vervolgens geldt voor alle lidstaten.

2.2   Taaleisen voor de verstrekking van vaarbevoegdheidsbewijzen en de communicatie tussen het schip en de autoriteiten aan de wal

De Commissie stekt voor Engels als werktaal te gebruiken als de bemanning en de autoriteiten aan de wal geen andere gemeenschappelijke taal spreken. Hetzelfde beginsel moet ook van toepassing zijn op de vertaling van vaarbevoegdheidsbewijzen.

3.   De voorstellen van de rapporteur voor advies

De opleiding van zeevarenden is van essentieel belang voor de verhoging van de veiligheid in de scheepvaart en ter voorkoming van ongevallen. Elk voorstel dat tot doel heeft te zorgen voor een zo hoog mogelijk kwalificatieniveau van zeevarenden moet daarom worden toegejuicht. Zowel de vereenvoudiging van de veel te gecompliceerde erkenningsprocedure als de invoering van één werktaal zijn zinvolle maatregelen.

Toch zouden nog een aantal verbeteringen kunnen worden aangebracht in de voorstellen van de Commissie. Er zou met name een campagne moeten worden gevoerd om het imago van de beroepsgroepen in de zeevaart te verbeteren. Europa kent een gebrek aan gekwalificeerde Europese zeelieden. Een pakket van maatregelen waarmee het beroep van zeevarenden aantrekkelijker zou kunnen worden gemaakt, zou niet alleen een belangrijke bijdrage leveren tot de bestrijding van de werkloosheid, maar ook positieve gevolgen hebben voor de veiligheid van de zeevaart. Uw rapporteur voor advies herinnert de Commissie en de Raad eraan dat het Europees Parlement reeds meerdere malen heeft aangedrongen op een actieprogramma ter bevordering van de uitoefening van beroepen in de zeevaart.

De door uw rapporteur voor advies ingediende tien amendementen hebben betrekking op vier prioriteiten.

3.1   Behoud van de mogelijkheid van een selectieve procedure bij de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen

Daar er binnen één lidstaat aanzienlijke verschillen kunnen bestaan tussen de kwaliteitscriteria voor vaarbevoegdheidsbewijzen en omdat problemen in verband met afzonderlijke opleidingsinstellingen niet automatisch moeten leiden tot intrekking van de erkenning van alle vaarbevoegdheidsbewijzen van het betrokken land, stelt uw rapporteur voor advies voor intrekking van de erkenning van individuele vaarbevoegdheidsbewijzen in uitzonderingsgevallen mogelijk te maken (amendementen 1, 6, 8, 9 en 10).

3.2   Invoering van een Europese conformiteitsverklaring voor vaarbevoegdheidsbewijzen

In het voorstel van Commissie wordt bepaald dat alle vaarbevoegdheidsbewijzen in het Engels moeten worden vertaald. Uw rapporteur voor advies stelt voor, bij wijze van alternatief, het nieuw opgerichte Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart opdracht te geven een Europese conformiteitsverklaring te ontwerpen. Een dergelijke (meertalige) verklaring zou niet alleen het taalprobleem oplossen, maar ook de werkzaamheden van de controlerende instanties vereenvoudigen (amendementen 2, 3 en 4).

3.3   Termijn voor de verlenging van de erkenning

Volgens het voorstel van Commissie moet het besluit van een land om de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs te verlengen uiterlijk een maand voor het verstrijken van de geldigheidstermijn ervan worden genomen. Gezien de juridische consequenties van niet-verlenging voor de betrokken zeevarende en zijn werkgever is deze termijn mogelijk te kort. Zowel de werkgever als de werknemer heeft er een gerechtvaardigd belang bij, en recht op, om binnen een redelijke termijn te worden geïnformeerd over de verlenging van hun erkenning. Uw rapporteur voor advies stelt derhalve voor de termijn te verdubbelen (amendement 5).

3.4   Gemeenschappelijke procedure voor intrekking van een erkenning

In het voorstel van Commissie heeft elke afzonderlijke lidstaat het recht om zonder ruggespraak met de andere lidstaten de officiële erkenning van individuele vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken. Daar het voorstel is bedoeld om te komen tot een uniform beleid voor de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen, pleit uw rapporteur voor advies voor gemeenschappelijke in plaats van unilaterale besluitvorming (amendement 7).

AMENDEMENTEN

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Door de Commissie voorgestelde tekst[1]Amendementen van het Parlement
Amendement 1
OVERWEGING 5

(5)   Of derde landen voldoen aan de bepalingen van het STCW-Verdrag kan efficiënter worden beoordeeld als dat op een geharmoniseerde wijze geschiedt. De Commissie dient derhalve namens de gehele Gemeenschap met deze taak te worden belast.

(5)   Of derde landen die opleidingen verzorgen voldoen aan de bepalingen van het STCW-Verdrag kan efficiënter worden beoordeeld als dat op een geharmoniseerde wijze geschiedt. De Commissie dient derhalve namens de gehele Gemeenschap met deze taak te worden belast.

Motivering

Zoals de IMO zelf aangeeft in haar commentaar op de gepubliceerde "witte-landenlijst", zijn er landen op deze lijst opgenomen die de facto geen of slechts een zeer beperkte opleiding verzorgen. Deze landen behoren niet door de Gemeenschap erkend te worden. Dit sluit niet uit dat onderdanen van deze landen wel erkend kunnen worden op basis van een diploma behaald aan een erkend opleidingsinstituut. Zulks tevens om fraude tegen te gaan.

Amendement 2
OVERWEGING 6

(6)   Teneinde te waarborgen dat een erkend land volledig blijft voldoen aan de eisen van het STCW-Verdrag, dient de erkenning op gezette tijdstippen opnieuw te worden bezien en in voorkomend geval te worden verlengd. De erkenning van een derde land dat niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, dient te worden ingetrokken totdat de tekortkomingen zijn verholpen.

(6)   Teneinde te waarborgen dat een erkend land volledig blijft voldoen aan de eisen van het STCW-Verdrag, dient de erkenning op gezette tijdstippen opnieuw te worden bezien en in voorkomend geval te worden verlengd. De erkenning van een derde land dat niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, dient te worden ingetrokken totdat de tekortkomingen zijn verholpen. Hoewel het beginsel van erkenning van een land de algemene regel zal zijn, moet worden voorzien in de mogelijkheid om de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven door individuele maritieme opleidingsinstellingen die "de facto" niet voldoen aan de vereisten van het STCW-Verdrag, in te trekken.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG)

Amendement 3
OVERWEGING 11

(11)   Het STCW-Verdrag bevat voorschriften inzake de taal van vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen betreffende de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs. De bestaande bepalingen van Richtlijn 2001/25/EG dienen te worden afgestemd op de desbetreffende voorschriften van het STCW-Verdrag.

(11)   Het STCW-Verdrag bevat voorschriften inzake de taal van vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen betreffende de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs. De bestaande bepalingen van Richtlijn 2001/25/EG dienen te worden afgestemd op de desbetreffende voorschriften van het STCW-Verdrag. Ter wille van een grotere transparantie met betrekking tot de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen dient een fraudebestendige Europese conformiteitsverklaring te worden opgesteld.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 5, lid 9 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 4
ARTIKEL 1, PUNT 1, LETTER a)
Artikel 5, lid 3 (Richtlijn 2001/25/EG)

3.   Vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven overeenkomstig voorschrift I/2, lid 1, van het STCW-Verdrag.

3.   Vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven overeenkomstig voorschrift I/2, lid 1, van het STCW-Verdrag of gaan vergezeld van een Europese conformiteitsverklaring overeenkomstig lid 9 bis (nieuw).

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 5, lid 9 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 5
ARTIKEL 1, PUNT 1, LETTER b) BIS (nieuw)
Artikel 5, lid 9 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

b bis)    Het volgende lid 9 bis (nieuw) wordt toegevoegd:

 

“9 bis. Het Agentschap is bevoegd om een meertalige Europese conformiteitsverklaring af te geven voor alle overeenkomstig dit artikel afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen. Deze verklaring komt niet in de plaats van de genoemde vaarbevoegdheidsbewijzen en verklaringen en wordt gebruikt om de verificatie daarvan als aanvullende kennisgeving te vergemakkelijken.

Motivering

In het voorstel van de Commissie wordt bepaald dat alle vaarbevoegdheidsbewijzen in overeenstemming met het STCW-Verdrag in het Engels moeten worden vertaald. Dit Verdrag wordt niet in twijfel getrokken, maar een alternatief zou kunnen zijn dat er een Europese conformiteitsverklaring in het leven wordt geroepen, die door het Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart zou kunnen worden afgegeven. Een dergelijke conformiteitsverklaring zou in meerdere talen kunnen worden gesteld en zou de controle in het kader van de havencontrole aanzienlijk vereenvoudigen.

Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 18, lid 3, letter e) (Richtlijn 2001/25/EG)

e)   door de Commissie wordt een lijst van de erkende derde landen opgesteld en bijgewerkt. De lijst wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, serie C.”

e)   door de Commissie wordt een lijst van de erkende derde landen opgesteld en bijgewerkt, inclusief de goedgekeurde opleidingsinstellingen. De lijst wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, serie C.”

Motivering

Op de lijst van de IMO komen een aantal landen voor die geen eigen opleidingsinstelling hebben of slechts een zeer beperkte opleiding verzorgen. Het is daarom van belang voor een goede verificatie van diploma's om alle erkende opleidingsinstellingen op de lijst op te nemen.

Amendement 7
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 bis, alinea 3 (Richtlijn 2001/25/EG)

Het besluit over de verlenging van de erkenning wordt uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheidsperiode van de erkenning genomen overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure.

Het besluit over de verlenging van de erkenning wordt uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de geldigheidsperiode van de erkenning genomen overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure.

Motivering

Voor een onderneming die personeel uit derde landen in dienst neemt waarvan de vaarbevoegdheidsbewijzen niet zijn erkend, dreigen gerechtelijke sancties. De werkgever moet daarom de mogelijkheid krijgen de samenstelling van de bemanning naar behoren te plannen. De werknemer daarentegen heeft er recht op in een vroegtijdig stadium te vernemen of zijn vaarbevoegdheidsbewijs ook in de toekomst erkend blijft.

Amendement 8
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG)

1.   Wanneer een lidstaat of de Commissie, ongeacht de in bijlage II, deel A vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land niet langer aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, verwijst de Commissie de zaak naar het in artikel 23 bedoelde comité.

1.   Wanneer een lidstaat of de Commissie, ongeacht de in bijlage II, deel A vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land of een individuele maritieme opleidingsinstelling in dat land niet langer aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet, verwijst de Commissie de zaak naar het in artikel 23 bedoelde comité.

Motivering

Met name in het geval van federale staten, waar de bevoegdheden voor het onderwijs geheel of gedeeltelijk zijn gedecentraliseerd, kan er sprake zijn van aanzienlijke kwaliteitsverschillen tussen de vaarbevoegdheidsbewijzen binnen hetzelfde land. In dergelijke gevallen, en in het algemeen in alle gevallen waarin individuele opleidingsinstellingen de voorschriften van het STCW-Verdrag op flagrante wijze de facto niet naleven, dient in afwijking van het beginsel van de algemene erkenning van alle vaarbevoegdheidsbewijzen van een derde land de mogelijkheid te blijven bestaan de erkenning van individuele vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken. Daartoe is het noodzakelijk ad hoc-bepalingen met betrekking tot individuele opleidingsinstellingen in de richtlijn op te nemen. Zie dienaangaande ook de amendementen op overweging 6, artikel 18 ter, lid 3, artikel 18 ter, lid 4 bis (nieuw) van Richtlijn 2001/25/EG, alsmede punt 6 van de bijlage.

Amendement 9
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 ter, lid 2 (Richtlijn 2001/25/EG)

2.   Wanneer een lidstaat de officiële verklaringen van door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen intrekt, stelt hij onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van zijn met redenen omklede besluit.

2.   Wanneer een lidstaat voornemens is de officiële verklaringen van door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken, stelt hij onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van zijn met redenen omklede besluit.

Motivering

Het voorstel van de Commissie heeft tot doel de procedure voor de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen uit derde landen zodanig te vereenvoudigen dat met een enkel besluit de erkenning in alle lidstaten wordt verwezenlijkt. Hetzelfde beginsel moet ook gelden voor het intrekken van de erkenning. Op grond van dit amendement moeten de lidstaten de daartoe voorziene comitologieprocedure voor de intrekking van de erkenning (in alle lidstaten) op gang brengen in plaats van een unilateraal op te treden.

Amendement 10
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 18 ter, lid 3 (Richtlijn 2001/25/EG)

3.   De Commissie, bijgestaan door het agentschap, herbeoordeelt de erkenning van het betrokken derde land, teneinde na te gaan of dat land inderdaad niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet.

3.   De Commissie, bijgestaan door het agentschap, herbeoordeelt de erkenning van het betrokken derde land, of, indien noodzakelijk, die van de individuele maritieme opleidingsinstelling, teneinde na te gaan of dat land of die instelling inderdaad niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 11
ARTIKEL 1, PUNT 4 BIS
Artikel 18 ter, lid 4 bis (nieuw) (Richtlijn 2001/25/EG)
 

4 bis.    Aan artikel 18 ter wordt het volgende lid 4 bis toegevoegd:

 

“4 bis. Indien het besluit tot intrekking van de erkenning betrekking heeft op één of verscheidene individuele maritieme opleidingsinstellingen van een derde land, brengt de Commissie dat besluit ter kennis van het derde land en verzoekt zij dit land de noodzakelijke maatregelen te nemen met het oog op volledige naleving van de eisen van het STCW-Verdrag. De Commissie voert een herbeoordeling uit op basis van de door het derde land verstrekte informatie over de genomen maatregelen."

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

Amendement 12
BIJLAGE, PUNT 6

6.   Indien een lidstaat de beoordeling van de naleving door een derde land wenst aan te vullen met een evaluatie van bepaalde maritieme opleidingsinstellingen, gaat hij te werk overeenkomstig de bepalingen van deel A-I/6 van het STCW-Verdrag.

6.   Indien een lidstaat de beoordeling van de naleving door een derde land wenst aan te vullen met een evaluatie van bepaalde maritieme opleidingsinstellingen of in het geval van artikel 18 ter, lid 4 bis (nieuw), gaat hij te werk overeenkomstig de bepalingen van deel A-I/6 van het STCW-Verdrag.

Motivering

Zie motivering bij het amendement op artikel 18 ter, lid 1 (Richtlijn 2001/25/EG).

  • [1] Nog niet in het PB gepubliceerd.