Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

Procedure : 2003/2164(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A5-0219/2004

Ingediende teksten :

A5-0219/2004

Debatten :

Stemmingen :

PV 31/03/2004 - 6.9

Aangenomen teksten :

P5_TA(2004)0232

VERSLAG     
PDF 134kWORD 27k
24 maart 2004
PE 326.790 A5-0219/2004
over bestuur in het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie
(2003/2164(INI))
Commissie ontwikkelingssamenwerking
Rapporteur: Marieke Sanders-ten Holte
PROCEDUREVERLOOP
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING

PROCEDUREVERLOOP

Op 4 september 2003 deelde de Voorzitter van het Parlement mede dat de Commissie ontwikkelingssamenwerking, overeenkomstig artikel 163 van het Reglement, toestemming was verleend tot het opstellen van een initiatiefverslag over bestuur in het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie.

De commissie benoemde reeds op haar vergadering van 9 juli 2003 mevrouw Marieke Sanders-ten Holte tot rapporteur.

Zij behandelde het ontwerpverslag op haar vergadering van 20 januari 2004.

Op de vergadering van 16 maart 2004 hechtte zij met algemene stemmen haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: Margrietus J. van den Berg (ondervoorzitter en waarnemend voorzitter), Marieke Sanders-ten Holte (ondervoorzitter en rapporteur), Anders Wijkman (ondervoorzitter), John Alexander Corrie, Nirj Deva, Glenys Kinnock, Karsten Knolle, Nelly Maes (verving Paul A.A.J.G. Lannoye), Miguel Angel Martínez Martínez, Linda McAvan, Didier Rod, Ulla Margrethe Sandbæk, Francisca Sauquillo Pérez del Arco en Maj Britt Theorin.

Het verslag werd ingediend op 24 maart 2004.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over bestuur in het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie

(2003/2164(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie (COM(2003) 615)(1),

–   gezien de conclusies van de vergadering van de Raad van 17 november 2003 over deze mededeling(2),

–   gelet op de artikelen 177, 178, 179, 180, 181 en 181 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

–   gezien het Human Development Report 2003 van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Democratisering, rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en een behoorlijk bestuur: de inzet van het nieuwe partnerschap tussen de Europese Unie en de ACS"(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 1999 over de mededeling van de Commissie "Democratisering, rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en een behoorlijk bestuur: de inzet van het nieuwe partnerschap tussen de Europese Unie en de ACS"(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - "Actieprogramma voor de horizontale integratie van het gender-gelijkheidsaspect ("mainstreaming of gender equality") in de ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap"(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - "De rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen"(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 mei 2003 over capaciteitsopbouw in de ontwikkelingslanden(7),

–   gezien het Witboek van de Commissie over Europees bestuur(8),

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van de Europese Unie inzake mensenrechten, democratische beginselen, rechtsstaat en goed bestuur in Afrika(9),

–   gelet op Verordening (EG) nr. 976/1999 van de Raad van 29 april 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van niet onder de ontwikkelingssamenwerking vallende communautaire acties die binnen het kader van het communautaire samenwerkingsbeleid een bijdrage leveren tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en de rechtsstaat, alsmede tot de doelstelling van eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in derde landen(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2003 over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité - "Participatie van niet-overheidsactoren in het EG-ontwikkelingsbeleid"(11),

–   gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen en streefdoelen zoals omschreven in de Millenniumverklaring van de VN, aangenomen op de VN-millenniumtop van 6 tot 8 september 2000, waarin werd verklaard dat verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen in een land onder meer afhangt van goed bestuur, en waarin voorts de inzet voor goed bestuur, ontwikkeling en vermindering van de armoedevermindering - nationaal en internationaal - tot uitdrukking werd gebracht;

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Europese Commissie van 10 november 2000 over het EG-ontwikkelingsbeleid, waarin de opbouw van institutionele capaciteit in een sfeer van goed bestuur als een van de zes prioriteitsgebieden van het EG-ontwikkelingsbeleid werd aangemerkt,

–   gezien het OESO-rapport over de wijze waarop de mondialisering bestuur verbetert(12),

–   onder verwijzing naar de Conclusies van de Raad van 22 maart 2002 over de internationale conferentie van Monterrey inzake de financiering van ontwikkeling, waarin werd benadrukt dat de ontwikkelingslanden primair verantwoordelijk zijn voor het scheppen van een gezond macro-economisch klimaat en een passend kader voor investeringen,

–   onder verwijzing naar het implementatieplan van Johannesburg, waarin onder meer wordt gesteld dat goed bestuur op nationaal en internationaal niveau van essentieel belang is voor duurzame ontwikkeling,

–   onder verwijzing naar de Conclusies van de Raad van 30 mei 2002, waarin de Raad zich ingenomen toont met het voorstel van de Commissie om haar werkzaamheden op het gebied van goed bestuur te intensiveren als zijnde een van de belangrijkste werkterreinen van het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap, en zich in het bijzonder verheugt over het voornemen van de Commissie om samen met de lidstaten een werkgroep op te richten die tot taak zal hebben een consistente gemeenschappelijke aanpak van deze kwesties door de EU vast te stellen, teneinde samen met de partnerlanden en niet-overheidsactoren een op het nauwe verband tussen democratie, goed bestuur en ontwikkeling gebaseerd beleidskader tot stand te brengen,

–   gelet op artikel 9, lid 3, van de op 23 juni 2003 in Cotonou ondertekende Partnerschapsovereenkomst, dat voorziet in een effectieve benadering van goed bestuur(13),

–   gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A5‑0219/2004),

A.   overwegende dat het begrip goed bestuur een bepalende factor is voor het vermogen van een land om te komen tot een economisch, sociaal en in milieuopzicht duurzame ontwikkeling; overwegende dat dit verder gaat dan de begrippen mensenrechten, rechtsstaat en democratie, ook efficiënt overheidsbestuur en corruptiebestrijding omvat en uiteindelijk betrekking heeft op de capaciteit van een staat om zijn burgers te dienen door middel van een doelmatig en transparant beheer van de natuurlijke en menselijke hulpbronnen,

B.   overwegende dat de Commissie goed bestuur in ontwikkelingslanden wenst te steunen via dialoog en capaciteitsopbouw; overwegende dat er geen uniforme oplossing bestaat en dat goed bestuur voor elk land specifiek dient te worden geanalyseerd en bevorderd,

C.   overwegende dat het overheidsbeleid en de bestuurssystemen in veel ontwikkelingslanden in slechte staat verkeren en grote beperkingen vormen voor duurzame ontwikkeling;

D.   overwegende dat goed bestuur een kernelement is van de ontwikkelingsstrategie van zowel de internationale donorgemeenschap als de ontwikkelingsagenda van de EU, en integrerend onderdeel is van de processen in het kader van de armoedebestrijdingsstrategie,

E.   overwegende dat de opneming van het begrip bestuur op de ontwikkelingsagenda aan het eind van de jaren '80 de weerspiegeling was van de groeiende zorg over de effectiviteit van hulpverlening en duidelijk is geworden dat het ontwikkelingshulpbeleid hoognodig moet worden hervormd,

F.   overwegende dat ontwikkelingshulp in het verleden te vaak werd verstrekt zonder naar behoren rekening te houden met de prioriteiten van het ontvangende land en de actoren ter plaatse, en soms ten goede kwam aan ondemocratische regimes; overwegende dat dit heeft geleid tot macro-economische onevenwichtigheden, verspilling van hulpbronnen, te grote afhankelijkheid van hulp, verzwakking van prikkels om economische hervormingen door te voeren, en de mogelijkheid voor corrupte regimes om aan de macht konden blijven door de ontwikkelingshulp voor hun eigen doeleinden te gebruiken,

G.   overwegende dat conditionaliteit grotendeels heeft gefaald als instrument om de gewenste doelstelling van duurzame politieke hervormingen te verwezenlijken,

H.   overwegende dat enigerlei vorm van conditionaliteit niettemin noodzakelijk is, daar de donorgemeenschap verantwoording moet afleggen aan de EU-burgers, die een doelgerichtere hulpverlening en betere controle eisen,

I.   overwegende dat nieuwe ideeën over hulpverlening reeds hebben gezorgd voor wijzigingen in het beleid van de internationale donoren, die hun hulp nu meer richten op landen die een goede staat van dienst hebben op het gebied van macro-economisch beleid en goed bestuur,

J.   overwegende dat hulp het effectiefst is wanneer zij of systematischer wordt gericht op arme landen met deugdelijke economische-hervormingsprogramma's, of wordt ingezet om goed beleid te bevorderen,

K.   overwegende dat sinds het begin van de jaren '90 systematisch een mensenrechtenclausule als "essentieel element" wordt opgenomen in EG-overeenkomsten met derde landen, met inbegrip van handels- en samenwerkingsakkoorden en associatie-overeenkomsten,

L.   overwegende dat democratie en goed bestuur nauw verband met elkaar houden en dat elke samenleving zijn eigen, zelfontworpen modaliteiten dient te creëren om democratische vooruitgang te boeken,

M.   overwegende dat gender-gelijkheid en empowerment van vrouwen essentiële bestanddelen zijn van goed bestuur,

N.   overwegende dat de EU zich met het bevorderen van goed bestuur richt op een van de grondoorzaken van migratie, marginalisering, ongeregeldheden en gewapende conflicten,

O.   overwegende dat armoedebestrijding onmogelijk is zonder dat de armen zelf actie ondernemen en dat hun participatie van essentieel belang is voor het soort bestuur dat de internationale gemeenschap nastreeft,

P.   overwegende dat lokale overheden en de politieke besluitvormers het dichtst bij de bevolking staan en betrokken dienen te worden bij het proces van de versterking van bestuur en democratie,

1.   is ingenomen met de brede, open en pragmatische benadering van de Europese Commissie ten aanzien van wat een bepalende factor is voor het vermogen van een land om armoede uit te bannen en duurzame ontwikkeling te bevorderen;

2.   is ingenomen met het standpunt van de Commissie dat goed bestuur gekenmerkt dient te worden door dialoog en capaciteitsopbouw;

3.   is van mening dat inhouding van bijstand beperkt dient te blijven tot gevallen waarin aanhoudende schendingen van de universele rechten van mannen, vrouwen en kinderen niet door de overheid worden aangepakt, of deze rechten door de overheid zelf worden geschonden;

4.   benadrukt in dit verband dat de dialoog moet worden voortgezet en dat de verstrekking van humanitaire en voedselhulp in alle gevallen dient te worden gehandhaafd;

5.   acht het van belang de inspanningen te concentreren op specifieke, pragmatische en concrete manieren om deze beginselen om te zetten in programma's, beleid en maatregelen op basis van de eigen nationale ervaringen van ontwikkelingslanden en actieve participatie van maatschappelijke organisaties, met inbegrip van netwerken van samenwerkende gemeentelijke instanties;

6.   roept de Commissie ertoe op de follow-up van deze mededeling te waarborgen, de beginselen om te zetten in beleidsrichtsnoeren en in het jaarverslag uiteen te zetten hoe het thema goed bestuur is aangepakt;

7.   beschouwt de verschillende scenario's in de mededeling van de Commissie als een goed kader bij het bestuderen en nader uitwerken van een beleidskader voor meer consistentie in de wijzen waarop goed bestuur wordt benaderd door de EG en de lidstaten;

8.   is van mening dat het EG-beleid inzake goed bestuur geïntegreerd moet worden in ontwikkelingssamenwerking en daarmee verband houdende instrumenten, met inbegrip van projecten, sectorale programma's, begrotingssteun en handelsakkoorden; benadrukt in dit verband het grote belang van betere beoordelingen van de effectiviteit van programma's van afzonderlijke ontwikkelingslanden om de buitenlandse handel te versterken en een einde te maken aan ondoelmatig gebruik of verspilling van hulpbronnen en onnodige schulden;

9.   is van mening dat donoren, in het kader van overeengekomen doelstellingen en mits transparantie en adequate controle zijn gewaarborgd, de leiding kunnen overdragen aan het ontvangende land; is in verband hiermee van opvatting dat begrotingssteun, waar passend, een waardevol instrument kan zijn om goed bestuur te bevorderen via verbeteringen van zowel het beheer van overheidsmiddelen als het functioneren van overheidsdiensten;

10.   benadrukt dat indicatoren van goed bestuur moeten zijn toegesneden op de specifieke behoeften van het partnerland;

11.   is van opvatting dat een flexibele aanpak vereist is, omdat de door de Commissie genoemde scenario's elkaar in bepaalde gevallen kunnen overlappen; verzoekt om adequate aanpassing van het EU-beleid aan het betrokken land;

12.   beschouwt het werk met moeilijke partnerschappen als een bijzonder belangrijke uitdaging voor de EU; benadrukt dat speciale aandacht moet worden geschonken aan het uitwerken van effectieve strategieën voor deze partnerschappen alsook voor post-conflictsituaties;

13.   is ingenomen met het standpunt van de Commissie dat donoren het zich niet kunnen veroorloven zwak presterende landen totaal in de steek te laten, omdat het niet zo mag zijn dat de bevolking de prijs betaalt voor het gebrek aan inzet van de regering;

14.   verzoekt de Commissie zich specifieker te richten op kwesties zoals verantwoording en transparantie, daar zwakke verantwoordingsmechanismen corruptie vergemakkelijken en goed bestuur ondermijnen;

15.   is van mening dat het beginsel van maatschappelijk verantwoord ondernemen duidelijker gestalte moet krijgen, in het bijzonder met betrekking tot kinderarbeid, teneinde een gezond investeringsklimaat te scheppen;

16.   is van mening dat specifieke sociale indicatoren moeten worden ontworpen, teneinde exactere gegevens te verkrijgen over de mate waarin er sprake is van goed bestuur in de betrokken landen; wenst dat het maatschappelijk middenveld daarbij in hogere mate wordt betrokken;

17.   is van mening dat bredere opvattingen over mensenrechten en fundamentele vrijheden noodzakelijk zijn;

18.   roept de Commissie ertoe op bijzondere aandacht te besteden aan de vrijheid van meningsuiting en vergadering, teneinde politieke partijen van de oppositie in staat te stellen vrijelijk hun standpunten uit te dragen en onafhankelijke media mogelijk te maken;

19.   is van opvatting dat er meer nadruk moet worden gelegd op noodzaak voor de EU het besef van versterking van de democratie op lokaal, provinciaal en nationaal niveau te verbreden; benadrukt het belang van decentralisatie en lokale overheidsinstellingen, teneinde het overheidsbestuur dichter bij de bevolking te brengen; dringt aan op strategieën om de ontwikkeling van effectief bestuur op lokaal niveau mogelijk te maken;

20.   benadrukt in dit verband het belang van electorale en parlementaire hervormingen die verder gaan dan de invoering van verkiezingsstelsels met meer partijen, teneinde te zorgen voor meer en effectievere politieke activiteit onder de bevolking; is zich ervan bewust dat dit in sommige landen een lange-termijndoel is;

21.   wijst op fundamentele rol die de Europese Unie kan spelen bij het begeleiden en controleren van verkiezingsprocessen, als een manier om bij te dragen tot democratische groei in de betrokken landen;

22.   onderstreept dat het in de context van goed bestuur van essentieel belang is dat een einde wordt gemaakt aan straffeloosheid;

23.   wijst erop dat het derhalve van essentieel belang is een onafhankelijk gerechtelijk apparaat op te bouwen en te zorgen voor gemakkelijke toegang tot de rechter en tot openbare informatie voor burgers;

24.   wijst erop dat onderwijs van zeer groot belang is om het maatschappelijk middenveld in staat te stellen deel te nemen aan het bevorderen van goed bestuur en democratie op alle bestuursniveaus;

25.   benadrukt dat integratie van het gender-aspect in het beleid, een belangrijk instrument van goed bestuur, in de mededeling niet de juiste prioriteit heeft gekregen; verlangt dat de EU een op gender-aspecten gebaseerde benadering in haar analyse van goed bestuur opneemt, omdat het in verband met de uitroeiing van de armoede van essentieel belang is dat de gender-aspecten van de oorzaken van armoede expliciet worden opgenomen in de analyse van het armoedeprobleem;

26.   benadrukt dat er meer aandacht moet worden besteed aan de rol van de particuliere sector bij het bevorderen van goed bestuur en de vrijwillige corruptiecontrole, daar het aanpakken van corruptie een essentieel element is van een kader waarin economieën kunnen gedijen en volledig kunnen worden opgenomen in het multilaterale handelsstelsel;

27.   wijst erop dat een goed immigratiebeleid een belangrijke factor is bij het waarborgen van goed bestuur in het algemeen; dringt in verband hiermee aan op verbetering van de dialoog met ontwikkelingslanden;

28.   roept de EU ertoe op capaciteitsopbouw voor overheden en het maatschappelijk middenveld te steunen, versterking van de organisatorische, institutionele en netwerkcapaciteit van NGO's in ontwikkelingslanden te benadrukken, en onafhankelijke media te ondersteunen;

29.   is van mening dat er bij de delegaties behoefte is aan goed opgeleid personeel om de noodzakelijke steun te verlenen bij het opbouwen van capaciteit;

30.   roept op tot betere samenwerking met de VN, de OESO, de Wereldbank en andere internationale donoren in verband met steun voor programma's voor goed bestuur en dringt met name aan op verbetering van de samenhang tussen het beleid van donoren en macro-economisch beleid;

31.   benadrukt dat het NEPAD-programma, een eigen Afrikaans initiatief, een belangrijk instrument is om goed bestuur in de Afrikaanse landen te beoordelen;

32.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)Nog niet gepubliceerd in het PB.
(2)DEVGEN 144/Doc. 14773/03.
(3)COM(1998) 146 van 12.3.1998.
(4)PB C 104 van 1999, blz. 185.
(5)COM(2001) 295 (PB C 131 E van 5.6.2003, blz. 153).
(6)PB C 131 van 2003, blz 147.
(7)P5_TA(2003)0212.
(8)PB C 287 van 12.10.2001.
(9)PB L 158 van 25.5.1998, 98/350/GBVB.
(10)PB L 120 van 1999, blz. 1
(11)P5_TA(2003)0380.
(12)CD/DOC (2001)13
(13)PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.


TOELICHTING

Algemene opmerkingen

Hoewel er geen internationaal overeengekomen definitie van "bestuur" (governance) bestaat, heeft het begrip de afgelopen tien jaar wel aan belang gewonnen.

"Bestuur" is een begrip met veel facetten, dat opkwam aan het einde van de jaren '80 en oorspronkelijk beperkt was tot de economische dimensie. In die tijd groeide ook het besef dat de kwaliteit van het bestuurssysteem van een land van doorslaggevend belang is voor de mogelijkheid om een beleid van duurzame economische en sociale ontwikkeling te voeren. In een later stadium werd met de verschuiving van het begrip "bestuur" naar "goed bestuur" een normatieve dimensie geïntroduceerd ten aanzien van de kwaliteit van het bestuur. De belangrijkste dimensies van goed bestuur zijn gedefinieerd, bijvoorbeeld door de Wereldbank in 1991, en betreffen verantwoording, effectiviteit van de regering, het ontbreken van regelgevingsdruk, de rechtsstaat, onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat en corruptiecontrole.

De belangrijkste actoren van de donorgemeenschap worstelen ook met het scheiden van de economische en politieke aspecten van goed bestuur en richten zich alleen op de deugdelijkheid van het economisch beleid. Uw rapporteur is echter van mening dat goed bestuur, hoewel in theorie iets anders dan democratie, daar in de praktijk toch in aanzienlijke mate mee samenvalt.

Uw rapporteur wijst erop dat strategieën voor economische hervormingen en armoedevermindering niet zullen slagen zonder effectieve democratische instellingen. Ook is bekend dat nieuwgekozen regeringen in het algemeen meer succes hebben met hervormingen dan autoritaire regeringen die reeds lang aan de macht zijn. Wij weten bovendien dat de kwaliteit van democratische instellingen bepalend is voor het vermogen van regeringen om te reageren op financiële crises.

De opneming van het begrip bestuur op de ontwikkelingsagenda aan het eind van de jaren '80 weerspiegelde de groeiende bezorgdheid over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp. Het koppelen van hulp aan voorwaarden, de zogeheten conditionaliteit, was een poging van donoren om ontwikkelingshulp te gebruiken als prikkel voor hervormingen van het beleid en de instellingen in ontwikkelingslanden. Tegenwoordig wordt echter in brede kring erkend dat conditionaliteit heeft gefaald als instrument om de gewenste doelen te bereiken en duurzame beleidshervormingen op gang te brengen. Toch is ontwikkelingshulp zonder enige vorm van conditionaliteit ondenkbaar en politiek niet haalbaar, omdat donorregeringen verantwoording moeten afleggen over het gebruik van het geld van hun belastingbetalers.

Standpunt van de Commissie

In de visie van de Commissie, zoals gepresenteerd in de onlangs aangenomen mededeling, wordt het begrip bestuur breed en open gedefinieerd en is het een zinvol en praktisch begrip. Voor de Commissie is de werkelijke waarde van het begrip bestuur gelegen in het feit dat het voorziet in een terminologie die een pragmatischer benadering biedt van een bepalende factor in het vermogen van staten om armoede uit te bannen en een duurzame ontwikkeling te bevorderen, dan begrippen zoals democratie, mensenrechten, enz.

De Commissie wil goed bestuur in ontwikkelingslanden bevorderen via dialoog en capaciteitsopbouw. Zij benadrukt dat er geen uniforme oplossing bestaat. Goed bestuur moet specifiek per land worden geanalyseerd en bevorderd. De Commissie noemt echter wel een aantal maatregelen die moeten worden uitgevoerd om goed bestuur te bevorderen en hanteert hierbij drie verschillende scenario's:

(i) doeltreffende partnerschappen;
(i i) moeilijke partnerschappen;
(i ii) post-conflictsituaties.

De weg naar goed bestuur is dus niet eenduidig.

Zoals de meeste andere donoren, richt ook de Commissie haar steun op goed presterende landen, teneinde de doeltreffendheid van de hulp te vergroten. De Commissie is echter van opvatting dat donoren niet moeten terugschrikken voor moeilijker partnerschappen. Het mag niet zo zijn dat de bevolkingen in deze bijzonder kwetsbare landen de prijs betaalt voor hun slechte leiders.

De Commissie verzuimt echter aan te geven wat de criteria zijn die zij heeft gebruikt voor het vaststellen van deze scenario's en zij gaat ook niet in op de mogelijkheid dat bepaalde scenario's elkaar kunnen overlappen. Post-conflictsituaties kunnen immers leiden tot zowel een doeltreffend partnerschap als een moeilijk partnerschap.

Uw rapporteur steunt het idee dat "goed bestuur" niet beperkt blijft tot mensenrechten, de rechtsstaat en democratie, maar ook betrekking heeft op een efficiënte overheid, corruptiebestrijding en een volwassen onafhankelijk rechtssysteem. Uiteindelijk heeft het begrip ook betrekking op de mate van verantwoordelijkheid die elk land heeft voor zijn eigen hulpbronnen en ontwikkeling. Uw rapporteur is dan ook ingenomen met de land-specifieke benadering die de Commissie voorstelt. Deze kan echter alleen worden toegepast door een pragmatischer en minder formele visie te ontwikkelen op de mogelijkheid van een politiek systeem om de basiselementen en diensten te leveren die ervoor zorgen dat een samenleving goed functioneert. Deze situatie moet worden bereikt met behulp van dialoog en capaciteitsopbouw, en niet door te preken, voor te schrijven of te dicteren.

Het is in dit verband van cruciaal belang dat wij streven naar continuïteit. Er moet een follow-up zijn in de vorm van richtsnoeren waar in de toekomst op kan worden teruggegrepen, of zelfs een handboek.

Staat versus belanghebbenden

In haar mededeling concentreert de Commissie zich voornamelijk op de activiteiten en de opstelling van de staat, met andere woorden op de aanbodzijde. Bij goed bestuur en democratie wordt echter de gehele bevolking betrokken. Uw rapporteur wenst derhalve meer nadruk te leggen op een bottom-up-benadering. Armoedebestrijding heeft alleen kans van slagen als het gehele maatschappelijke middenveld en de particuliere sector erbij betrokken worden. Mannen en vrouwen uit alle geledingen van de maatschappij moeten de middelen krijgen om hun rol bij goed bestuur te spelen. Onderwijs is hiervoor het krachtigste instrument.

De mensenrechten en de fundamentele vrijheden moeten worden gewaarborgd. Versterking van de democratie, niet alleen via het ondersteunen van een efficiënt parlementair systeem, maar ook via het bevorderen van goed lokaal en regionaal bestuur is van essentieel belang. Er moet met name speciale aandacht worden besteed aan de gelijkheid van mannen en vrouwen en versterking van de rol van vrouwen in besluitvormingsprocessen, zoals herhaaldelijk door het Europees Parlement is bepleit.

De strijd tegen aanhoudende schendingen van de rechten van mannen, vrouwen en kinderen, alsook de bestrijding van corruptie zijn van het allerhoogste belang. Ontwikkelingslanden die niet bereid zijn de fundamentele rechten van de mens te beschermen, moeten rekenen op repercussies. Tegelijkertijd moet echter worden voorkomen dat een hele bevolking moet lijden voor het wangedrag van haar leiders, en daarom moet de EU humanitaire en voedselhulp blijven verstrekken.

De Commissie is voorstander van begrotingssteun als middel om duurzame ontwikkeling te bevorderen. Dit is echter alleen mogelijk in gevallen waarin de mogelijkheid bestaat van een efficiënt partnerschap. Zelfs in gevallen waarin begrotingssteun effectief zou kunnen zijn, is het van cruciaal belang dat de procedures transparant zijn en naar behoren kunnen worden gecontroleerd, teneinde te waarborgen dat het geld wordt besteed aan de vooraf vastgestelde doelstellingen. Een randvoorwaarde voor begrotingssteun is goed bestuur in het desbetreffende land. Begrotingssteun als instrument om goed bestuur te bevorderen in moeilijke partnerschappen of post-conflictsituaties, moet dus worden uitgesloten.

Uw rapporteur pleit voorts voor een grotere rol voor de particuliere sector. Goed ondernemingsbestuur, bestrijding van kinderarbeid en gelijke rechten voor mannen en vrouwen op het werk zijn factoren die goed bestuur op lokaal niveau versterken. Via een grotere betrokkenheid van de particuliere sector zouden regeringen nuttige inbreng kunnen verkrijgen voor het scheppen van een gunstig investeringsklimaat en meer werkgelegenheid, alsook voor het bestrijden van de armoede.

Conclusie

De Commissie heeft een zeer nuttige mededeling gepubliceerd over bestuur en ontwikkeling. Zij besteedt echter voornamelijk aandacht aan de aanbodzijde, terwijl ook de belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld in de breedste zin, een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot goed bestuur. Door maatschappelijke organisaties erbij te betrekken, via een bottom-up-benadering, zal de bevolking ontdekken waar het om draait en zich gestimuleerd voelen om deel te nemen aan het proces. Onderwijs is hierbij een belangrijk instrument en moet meer aandacht krijgen. Opneming van het gender-aspect in het beleid zorgt ervoor dat vrouwen, de grootste groep onder de arme bevolkingen in ontwikkelingslanden, kunnen deelnemen aan de besluitvorming. Zo is toegang tot micro-kredieten voor hen van essentieel belang. Corruptie moet worden uitgeroeid, en mensenrechten, fundamentele vrijheden alsmede toegang tot een onafhankelijk rechtssysteem moeten worden bevorderd. Pas wanneer dit is bereikt, kunnen we hopen op duurzame ontwikkeling en uitbanning van de armoede.

Juridische mededeling - Privacybeleid