Procedure : 2003/0184(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0003/2005

Ingediende teksten :

A6-0003/2005

Debatten :

PV 07/03/2005 - 15

Stemmingen :

PV 08/03/2005 - 9.3

Aangenomen teksten :

P6_TA(2005)0062

ONTWERPAANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 150kWORD 51k
24.1.2005
PE 350.167v02-00 A6-0003/2005

betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71

(12062/3/2004 – C6‑0189/2004 – 2003/0184(COD))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Proinsias De Rossa

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71

(12062/3/2004 – C6‑0189/2004 – 2003/0184(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (12062/3/2004 – C6‑0189/2004),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003)0468)(2),

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2004)0314)(3),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6‑0003/2005),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.  verzoekt de Commissie de passende wettelijke maatregelen te treffen, teneinde zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verkrijgen over de punten als vermeld in haar bij het gemeenschappelijk standpunt van de Raad gehechte verklaring bij Bijlage II bis(4), en het Europees Parlement uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van onderhavige verordening op de hoogte te stellen van de resultaten;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

5.   verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris‑generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

TOELICHTING

Algemene opmerkingen

Verordening 1408/71 wordt jaarlijks bijgewerkt om de ontwikkeling van de nationale socialezekerheidsregelingen in aanmerking te nemen, wijzigingen in nationale wetgeving op te nemen, en rekening te houden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

De rapporteur stelt voor het gemeenschappelijk standpunt van de Raad te ondersteunen aangezien alle door het Europees Parlement in eerste lezing aangenomen amendementen met betrekking tot jaarlijkse wijzigingen van de verordening voor 2003 naar tevredenheid zijn overgenomen.

Bovendien worden in het gemeenschappelijk standpunt, dat met algemene stemmen werd aangenomen, de wezenlijke aspecten van het Commissievoorstel gehandhaafd. Daarbij komt dat de Commissie instemt met het gemeenschappelijk standpunt.

Sinds 1971 heeft verordening 1408/71 de basis gelegd op grond waarvan burgers die zich van de ene naar de andere lidstaat verplaatsen recht hebben op prestaties. Bij de herziening en consolidatie waar het hier thans om gaat, worden verschillende nieuwe bepalingen ingevoerd ter verbetering van de socialezekerheidsrechten. De verordening bepaalt zoals tevoren of de burger recht blijft houden op specifieke prestaties, als bepaald door hun lidstaat van herkomst, welke bijgevolg exporteerbaar zijn, of dat er een gelijkwaardige prestatie beschikbaar is in de nieuwe lidstaat waar de persoon in kwestie verblijft. De verordening vervult een belangrijke rol bij de verwerkelijking van een van de vier fundamentele vrijheden van de wetgeving van de EU: het vrije verkeer van Europese burgers. De mogelijkheid om te leven, te werken en zich vrijelijk in de EU te verplaatsen - met zo min mogelijk financiële en administratieve obstakels - is een tastbaar voordeel dat het lidmaatschap van de EU aan haar burgers verstrekt.


Herziening van de huidig verordening, die meer dan 30 jaar geleden werd ingevoerd, hangt wezenlijk af van de aanneming van onderhavig verslag, dat orde op zaken stelt in deze materie teneinde het standpunt van de lidstaten ten aanzien van de specifieke niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen duidelijk uiteen te zetten.

Specifieke opmerkingen over het gemeenschappelijk standpunt

Een bijzondere opmerking geldt het feit dat de Raad het voorstel van de Commissie om de lijst van Bijlage II bis te herzien niet helemaal heeft aanvaard. De Raad is het niet eens met de opneming van de volgende specifieke prestaties: uitkering voor kinderverzorging (Finland); uitkering voor gehandicapten en zorguitkering voor gehandicapte kinderen (Zweden); onderhoudsuitkering voor gehandicapten; verzorgingstoelage voor gehandicapten; zorgtoelage (Verenigd Koninkrijk).

In een aan het gemeenschappelijk standpunt gehechte verklaring stelt de Commissie dat zij van mening blijft dat deze herziening noodzakelijk is om de voldoen aan de criteria van de jurisprudentie van het Hof en aan de in het gemeenschappelijk standpunt overeengekomen criteria.

Alle 25 lidstaten hebben ertoe bijgedragen de compromissen te bereiken die nodig zijn om de exporteerbaarheid van de prestaties voor de burgers te verbeteren. Een van die compromissen is ook de opname op een lijst, in bijlagen, van die nationale prestaties waarvan lidstaten vonden dat zij niet exporteerbaar behoorden te zijn. Op de lijst van deze prestaties in Bijlage II bis staan de 5 bovengenoemde prestaties, waarvan de Commissie meent dat zij zouden moeten worden geschrapt om te voldoen aan de criteria van het Europese Hof van Justitie. De Commissie heeft zich het recht voorbehouden verdere juridische stappen te nemen in deze kwestie.

Desalniettemin zijn de Commissie en de Raad het eens over de tekst in het algemeen en ook bestaat overeenstemming over het feit dat het voorgestelde gemeenschappelijk standpunt een zo spoedig mogelijke voortgang van de verduidelijking van het standpunt met betrekking tot de 5 specifieke prestaties vergemakkelijkt, zonder dat het uiterst belangrijke voortgangsproces om een hoge mate van coördinatie te bereiken tussen de lidstaten over alle andere relevante prestaties, wordt verstoord.

De rapporteur is van mening dat de benodigde opheldering ten aanzien van deze vijf specifieke prestaties het beste door het Hof van Justitie kan worden geleverd. Tevens ben ik van mening dat het Parlement de goedkeuring van dit verslag niet moet uitstellen zolang nog geen opheldering gegeven is, en evenmin moet worden getracht de door de Raad bereikte compromissen, waarin in ieder geval de door het Parlement in eerste lezing aangenomen amendementen zijn overgenomen, weer open te breken.

Conclusie

De procedure van de herziening van de verordening over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels is afgesloten, maar de nieuwe toepassingsverordening (ex-574/72) is nog niet helemaal afgerond. Daarom is het van belang om door te gaan met dit jaarlijkse verslag van 2003 om de wetszekerheid voor de verordeningen te garanderen en te zorgen voor betere bescherming van de rechten van de betrokkenen.

De rapporteur is het er mee eens dat met de goedkeuring van deze aanbeveling voor de 2e lezing, in deze vorm, de beste bescherming wordt geboden voor het standpunt van het Europees Parlement en voor dat van de burgers die erop rekenen dat zij toegang hebben tot sociale zekerheid op de plaats waar zij zich binnen de EU opnieuw hebben gevestigd.

Tevens wordt hiermee wetszekerheid geboden totdat de nieuwe verordening en de toepassingsverordening volledig in werking treden.

Dat is de reden waarom ik heb voorgesteld een nieuwe paragraaf in te lassen in de wetgevingsresolutie van de aanbeveling voor de 2e lezing, waarin het Parlement verklaart dat het de noodzaak van wetszekerheid ondersteunt en aandringt op aanwending van alle wettelijke instrumenten die de Commissie ter beschikking staan om deze wetszekerheid zo spoedig mogelijk te garanderen. Het amendement verwijst impliciet ook naar de nietigverklaringsprocedure van artikel 230 van het EG-Verdrag. De aanwending van de procedure wegens schending van het Gemeenschapsrecht kan een lastige en langdurige

kwestie zijn en mijns inziens moet in dit geval de procedure tot nietigverklaring worden gebruikt die slechts uit een enkele fase bestaat.

Tot slot is de rapporteur van mening dat zowel de Commissie als de Raad alles hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de meest effectieve maatregelen worden genomen om de exporteerbaarheid van prestaties voor gehandicapten en gezinnen te garanderen. Over een aanzienlijk aantal van deze prestaties is al door de Commissie en de Raad overeenstemming bereikt en de resterende vijf prestaties waarover nog een besluit moet worden genomen, zouden nog eens extra de sociale rechten kunnen verbeteren van mensen die recht hebben op kinderverzorging, gehandicapten- en zorguitkeringen in Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Desalniettemin stemt de rapporteur in met de leden van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken die hebben aangevoerd dat de Commissie en de Raad moeten bestuderen hoe het vrije verkeer van gezinnen en gehandicapten nog verder kan worden bevorderd. Dit onderwerp moet worden behandeld in de Bijlagen van de herziene verordening 1408/71 die momenteel worden voorbereid.

PROCEDURE

Titel

Gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71

Document- en procedurenummers

12062/3/2004 – C6-0189/2004 – 2003/0184(COD)

Rechtsgrondslag

Artikel 251, lid 2, EG

Reglementsartikel(en)

Artikel 67

 

Datum eerste lezing EP – P[5]

11.3.2004               P5_TA(2004)0175

Voorstel van de Commissie

COM(2003)0468 – C5-0368/2003

Gewijzigd voorstel van de Commissie

COM(2004)0314

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

18.11.2004

Commissie ten principale
Datum bekendmaking

EMPL
1.9.2003

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Proinsias De Rossa
16.11.2004

Vervangen rapporteur(s)

Marie-Hélène Gillig

Behandeling in de commissie

2.12.2004

18.1.2005

 

 

 

Datum goedkeuring

18.1.2005

Uitslag eindstemming

voor:

tegen:

onthoudingen:

30

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Roselyne Bachelot-Narquin, Jean-Luc Bennahmias, Philip Bushill-Matthews, Milan Cabrnoch, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Ottaviano Del Turco, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Richard Falbr, Ilda Figueiredo, Stephen Hughes, Ona Juknevičienė, Jan Jerzy Kułakowski, Sepp Kusstatscher, Jean Lambert, Raymond Langendries, Bernard Lehideux, Jan Tadeusz Masiel, Mary Lou McDonald, Thomas Mann, Jiří Maštálka, Ana Mato Adrover, Csaba Őry, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard James Ashworth, Elspeth Attwooll, Edit Bauer, Françoise Castex, Marian Harkin, Elisabeth Schroedter, Marc Tarabella, Yannick Vaugrenard

Datum indiening – A6

24.1.2005

A6-0003/2005

(1)

Aangenomen teksten van 11.3.2004, P5_TA(2004)0175.

(2)

Nog niet in het PB gepubliceerd.

(3)

Nog niet in het PB gepubliceerd.

(4)

13940/2004 ADD 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid