VERSLAG over het initiatief van het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, met name ten aanzien van zware misdrijven, zoals terroristische daden
26.5.2005 - (10215/2004 – C6‑0153/2004 – 2004/0812(CNS)) - *
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
Rapporteur: Antoine Duquesne
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het initiatief van het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, met name ten aanzien van zware misdrijven, zoals terroristische daden
(10215/2004 – C6‑0153/2004 – 2004/0812(CNS))
(Raadplegingsprocedure)
Het Europees Parlement,
– gezien het initiatief van het Koninkrijk Zweden (10215/2004)[1],
– gelet op artikel 34, lid 2, letter b) van het EU‑Verdrag,
– gelet op artikel 39, lid 1 van het EU‑Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6‑0153/2004),
– gelet op de artikelen 93 en 51 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6‑0162/2005),
1. hecht zijn goedkeuring aan het initiatief van het Koninkrijk Zweden, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt de Raad de oorspronkelijke tekst dienovereenkomstig te wijzigen;
3. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
4. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van het Koninkrijk Zweden;
5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering van het Koninkrijk Zweden.
| Door het Koninkrijk Zweden voorgestelde tekst | Amendementen van het Parlement |
Amendement 1 Overweging 6 | |
|
(6) Op dit ogenblik wordt een doeltreffende, snelle uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de wetshandhavingsautoriteiten ernstig belemmerd door formele procedures, administratieve structuren en juridische hinderpalen in het nationale recht van de lidstaten; deze toestand is onaanvaardbaar voor de burgers van de Europese Unie die aandringen op grotere veiligheid en een meer doeltreffende wetshandhaving, waarbij tevens de mensenrechten worden beschermd; |
(6) Op dit ogenblik wordt een doeltreffende, snelle uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de wetshandhavingsautoriteiten ernstig belemmerd door formele procedures, administratieve structuren en juridische hinderpalen in het nationale recht van de lidstaten; deze toestand moet worden afgewogen tegen de behoefte aan grotere veiligheid en een meer doeltreffende wetshandhaving, waarbij tevens de mensenrechten worden beschermd, inzonderheid artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten; |
Amendement 2 Overweging 8 bis (nieuw) | |
|
|
(8 bis) Er moet een hoge mate van vertrouwen tot stand worden gebracht tussen de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten enerzijds en Europol en Eurojust anderzijds, daar het ontbreken hiervan een efficiënte uitwisseling van informatie en inlichtingen tot dusver heeft belemmerd. Deze maatregelen zouden moeten bestaan uit: - het opstellen van gemeenschappelijke normen voor gegevensbescherming in de derde pijler, onder gezag van een onafhankelijk gemeenschappelijk toezichthoudend orgaan; - het opstellen van een handboek met goede praktijken voor de politie, dat een eenvoudige en praktische beschrijving van haar verantwoordelijkheid en plichten op het gebied van gegevensbescherming bevat; - het opstellen van minimumnormen voor straf- en procesrecht; - toekenning aan het Hof van Justitie van algemene competentie in de derde pijler; - waarborging van volledige parlementaire controle. |
Amendement 3 Overweging 9 bis (nieuw) | |
|
|
(9 bis) In dit kaderbesluit wordt mutatis mutandis hetzelfde niveau van gegevensbescherming toegepast als in het kader van de eerste pijler is vastgesteld door Richtlijn 95/46/EG en wordt, in het kader van de derde pijler, een volstrekt onafhankelijke gemeenschappelijke controle-autoriteit belast met de bescherming van gegevens van persoonlijke aard ingesteld, dat in het licht van deze specifieke eigenschap de Europese instellingen adviseert en onder meer bijdraagt aan de homogene toepassing van de nationale regels die in toepassing van het onderhavige kaderbesluit zijn aangenomen. |
Amendement 4 Overweging 12 | |
|
(12) De persoonsgegevens die in het kader van de tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit worden verwerkt, worden beschermd overeenkomstig de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. |
(12) De persoonsgegevens die in het kader van de tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit worden verwerkt, worden beschermd overeenkomstig de gemeenschappelijke normen van de Europese Unie voor de bescherming van persoonsgegevens, onder toezicht van de gemeenschappelijke controle-autoriteit belast met de bescherming van gegevens van persoonlijke aard op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. |
Amendement 5 Artikel 1, lid 1 | |
|
1. Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten snel en doeltreffend bestaande informatie en inlichtingen kunnen uitwisselen teneinde strafrechtelijke onderzoeken of criminele-inlichtingenoperaties uit te voeren, met name naar zware misdrijven, met inbegrip van terroristische daden. Het laat gunstiger bepalingen in de nationale wet, in bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen tussen de lidstaten of tussen lidstaten en derde landen onverlet en loopt niet vooruit op instrumenten van de Europese Unie betreffende wederzijdse rechtshulp of wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken. |
1. Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten snel en doeltreffend bestaande informatie en inlichtingen kunnen uitwisselen teneinde strafrechtelijke onderzoeken of criminele-inlichtingenoperaties uit te voeren, met name naar zware misdrijven, met inbegrip van terroristische daden. Het laat gunstiger bepalingen in de nationale wet, in bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen tussen de lidstaten of tussen lidstaten en derde landen alsmede bepalingen en instrumenten inzake het verstrekken van informatie en inlichtingen aan Europol en Eurojust onverlet en loopt niet vooruit op instrumenten van de Europese Unie betreffende wederzijdse rechtshulp of wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken. |
Amendement 6 Artikel 3 | |
|
Uit hoofde van dit kaderbesluit kunnen informatie en inlichtingen worden uitgewisseld over strafbare feiten waarop in de verzoekende lidstaat een maximale vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat van ten minste 12 maanden. De lidstaten kunnen op bilaterale basis besluiten om de krachtens dit kaderbesluit toepasselijke procedures op een bredere basis toepasselijk te maken. |
Uit hoofde van dit kaderbesluit kunnen informatie en inlichtingen worden uitgewisseld over strafbare feiten waarop in de verzoekende lidstaat een maximale vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat van ten minste 12 maanden en over alle strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de bestrijding van het terrorisme (1). De lidstaten kunnen op bilaterale basis besluiten om de krachtens dit kaderbesluit toepasselijke procedures op een bredere basis toepasselijk te maken. ____________ 1 PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3. |
Amendement 7 Artikel 4, lid 2 | |
|
2. De lidstaten zien erop toe dat voor het verstrekken van informatie en inlichtingen aan bevoegde wetshandhavingsinstanties van andere lidstaten geen striktere voorwaarden worden toegepast dan de op nationaal niveau toepasselijke voorwaarden voor het verstrekken van informatie en inlichtingen. |
2. De lidstaten zien erop toe dat voor het verstrekken van informatie en inlichtingen aan bevoegde wetshandhavingsinstanties van andere lidstaten voorwaarden worden toegepast die overeenkomen met de op nationaal niveau toepasselijke voorwaarden voor het verstrekken van informatie en inlichtingen. |
Motivering | |
De voorwaarden voor het ter beschikking stellen van informatie en inlichtingen mogen niet strenger of minder streng zijn dan de voorwaarden die voor de nationale autoriteiten gelden. | |
Amendement 8 Artikel 4, lid 3 bis (nieuw) | |
|
|
3 bis. De lidstaten zien erop toe dat de informatie en inlichtingen die ter toepassing van lid 1 aan de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten van andere lidstaten worden verstrekt eveneens aan Europol en Eurojust worden meegedeeld, voorzover de uitwisseling betrekking heeft op een strafbaar feit of een criminele activiteit vallende onder het mandaat van Europol of Eurojust. |
Motivering | |
Voor een doeltreffend beleid inzake het verstrekken van informatie tussen lidstaten zijn twee dingen noodzakelijk: de mogelijkheid voor snelle bilaterale uitwisseling van informatie tussen gespecialiseerde diensten zonder dat deze uitwisseling dreigt te worden belemmerd door problemen als gevolg van de bijzondere kenmerken van de gerechtelijke organisatie in de lidstaten en de mogelijkheid om stelselmatig de verstrekking van informatie aan Europol en/of Eurojust te waarborgen. | |
Amendement 9 Artikel 4 bis, lid 1 | |
|
1. Informatie en inlichtingen worden onverwijld en in de mate van het mogelijke binnen de gevraagde termijn verstrekt. Indien de informatie of de inlichtingen niet binnen de gevraagde termijn kunnen worden verstrekt, geeft de bevoegde wetshandhavingsautoriteit die een verzoek om informatie of inlichtingen heeft ontvangen, een indicatie van de termijn waarbinnen deze kunnen worden verstrekt. Deze indicatie wordt onmiddellijk gegeven. |
1. Elke lidstaat ziet erop toe dat alle relevante informatie en inlichtingen onmiddellijk worden verstrekt aan de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten van andere lidstaten die daar om verzoeken. |
Amendement 10 Artikel 4 bis, lid 1 bis (nieuw) | |
|
|
1 bis. Indien de informatie of de inlichtingen niet onmiddellijk kunnen worden verstrekt, geeft de bevoegde wetshandhavingsautoriteit die een verzoek om informatie of inlichtingen heeft ontvangen, onmiddellijk een indicatie van de termijn waarbinnen deze kunnen worden verstrekt. |
Amendement 11 Artikel 4 bis, lid 2, inleidende formulering | |
|
2. De lidstaten zien erop toe dat zij beschikken over procedures waarmee zij uiterlijk binnen 12 uur kunnen antwoorden op verzoeken om informatie en inlichtingen indien de verzoekende staat te kennen geeft dat hij een strafrechtelijk onderzoek of een criminele-inlichtingenoperatie verricht in verband met de volgende misdrijven, zoals omschreven in het recht van de verzoekende staat: |
2. De lidstaten zien erop toe dat zij beschikken over procedures waarmee zij uiterlijk binnen 12 uur of, ingeval van informatie of inlichtingen die formaliteiten of voorafgaand contact met andere autoriteiten vereisen, binnen 48 uur in dringende gevallen en binnen 10 werkdagen in andere gevallen, kunnen antwoorden op verzoeken om informatie en inlichtingen indien de verzoekende staat te kennen geeft dat hij een strafrechtelijk onderzoek of een criminele-inlichtingenoperatie verricht in verband met de volgende misdrijven, zoals omschreven in het recht van de verzoekende staat: |
Amendement 12 Artikel 4 bis, lid 2 bis (nieuw) | |
|
|
2 bis. De in lid 2 vastgestelde termijnen beginnen te lopen vanaf de ontvangst van het verzoek om informatie of inlichtingen door de aangezochte bevoegde wetshandhavingsautoriteit. |
Motivering | |
De doeltreffendheid van het onderhavige voorstel is in sterke mate afhankelijk van de termijnen waarbinnen de gevraagde gegevens worden uitgewisseld. Bij de bestrijding van zware criminaliteit, en meer nog bij de bestrijding van terrorisme, is snelheid van fundamenteel belang: te laat verstrekte informatie wordt vaak informatie waar men niets mee kan doen. Voor het verstrekken van gegevens over strafbare feiten moeten derhalve strikte, maar realistische termijnen worden vastgesteld. In dit verband is het nuttig onderscheid te maken tussen gegevens die onmiddellijk beschikbaar zijn bij bevoegde wetshandhavingsautoriteiten, voor de verstrekking waarvan een maximumtermijn van 12 uur voldoende is en gegevens waarvan de verkrijging de vervulling van administratieve formaliteiten of andere formaliteiten hetzij voorafgaand contact met andere diensten of instanties (b.v. gegevens uit het strafregister) vereist is, voor de verstrekking waarvan een termijn van 48 uur in dringende gevallen en van 10 werkdagen in andere gevallen passend lijkt. | |
Amendement 13 Artikel 5, lid 1 | |
|
1. Om informatie en inlichtingen mag worden verzocht ten behoeve van het opsporen, voorkómen of onderzoeken van een misdrijf of een criminele activiteit behorend tot de in artikel 3 genoemde misdrijven, wanneer er reden is om aan te nemen dat relevante informatie en inlichtingen in andere lidstaten beschikbaar zijn. |
1. Om informatie en inlichtingen mag worden verzocht ten behoeve van het opsporen, voorkómen of onderzoeken van een misdrijf of een criminele activiteit behorend tot de in artikel 3 genoemde misdrijven, wanneer er reden is om aan te nemen dat relevante informatie en inlichtingen in andere lidstaten beschikbaar zijn en dat toegang daartoe volgens de deskundigen op het gebied van gegevensbescherming in de Europese Unie verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. |
Amendement 14 Artikel 5, lid 3 bis (nieuw) | |
|
|
3 bis. De informatieverstrekkende lidstaat heeft het recht verstrekking van informatie te weigeren met een beroep op de mensenrechten of het nationale recht, tegen de achtergrond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten, alsook met een beroep op de eerbiediging van de integriteit van natuurlijke personen of de bescherming van bedrijfsgeheimen. |
Motivering | |
Er moet een bepaald "veiligheidsventiel" worden ingebouwd. | |
Amendement 15 Artikel 9, lid 1 | |
|
1. Elke lidstaat ziet erop toe dat de regels en normen inzake gegevensbescherming waarin is voorzien met betrekking tot het gebruik van de in artikel 7, lid 1, bedoelde communicatiekanalen, eveneens worden toegepast bij de procedure inzake de uitwisseling van informatie en inlichtingen waarin dit kaderbesluit voorziet. |
1. Elke lidstaat ziet er met inachtneming van de beginselen als bedoeld in de artikelen 9 bis en 9 ter op toe dat de regels en normen inzake gegevensbescherming waarin is voorzien met betrekking tot het gebruik van de in artikel 7, lid 1, bedoelde communicatiekanalen, eveneens worden toegepast bij de procedure inzake de uitwisseling van informatie en inlichtingen waarin dit kaderbesluit voorziet. |
Amendement 16 Artikel 9, leden 2, 3 en 4 | |
|
2. Elke lidstaat ziet erop toe dat in de vereenvoudigde procedure voor de uitwisseling van informatie en inlichtingen waarin dit kaderbesluit voorziet, de in lid 1 bedoelde gelijkwaardige normen voor gegevensbescherming worden toegepast indien een in artikel 7, lid 2, bedoeld communicatiekanaal wordt gebruikt. 3. De informatie en inlichtingen, zoals persoonsgegevens, die krachtens dit kaderbesluit worden verstrekt, mogen door de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaat waaraan zij werden verstrekt, worden gebruikt ten behoeve van: a) de procedures waarop dit kaderbesluit van toepassing is; b) andere wetshandhavingsprocedures die rechtstreeks verband houden met de onder a) bedoelde procedures; c) de voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid; d) andere doeleinden, zoals vervolging of administratieve procedures, alleen met de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de bevoegde wetshandhavingsautoriteit die de informatie of inlichtingen heeft verstrekt. 4. Bij het verstrekken van informatie en inlichtingen overeenkomstig dit kaderbesluit kan de verstrekkende bevoegde wetshandhavingsautoriteit krachtens haar nationale recht voorwaarden opleggen betreffende het gebruik van de informatie en inlichtingen door de ontvangende bevoegde wetshandhavingsautoriteit. Tevens kunnen voorwaarden worden opgelegd betreffende de rapportage over het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek of de criminele-inlichtingenoperatie in het kader waarvan de uitwisseling van informatie en inlichtingen heeft plaatsgevonden. Deze voorwaarden zijn bindend voor de ontvangende bevoegde wetshandhavingsautoriteit. |
schrappen |
Amendement 17 Artikel 9, lid 2 bis (nieuw) | |
|
|
2 bis. Informatie of inlichtingen die overeenkomstig dit kaderbesluit verstrekt zijn, mogen niet worden gebruikt voor de vervolging van andere misdrijven dan die waarvoor ze zijn verkregen. Overtollige informatie mag geenszins voor vervolging worden gebruikt. |
Motivering | |
Zoals in Zweden gebruikelijk is mogen de lidstaten niet over de mogelijkheid beschikken om gebruik te maken van "aanvullende informatie" om heel andere misdrijven te vervolgen dan die waarvoor de informatie oorspronkelijk is aangevraagd. | |
Amendement 18 Artikel 9 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 9 bis Beginselen inzake inzameling en verwerking van de gegevens |
|
|
1. De informatie en de inlichtingen, met inbegrip van gegevens van persoonlijke aard, die worden uitgewisseld of meegedeeld uit hoofde van deze beschikking moeten: |
|
|
a) juist, adequaat en relevant zijn voor het doel waarvoor zij worden ingezameld en achteraf worden verwerkt; |
|
|
b) uitsluitend worden ingezameld en verwerkt met als doel de uitvoering van wettelijke taken mogelijk te maken. |
|
|
Gegevens betreffende elementen uit het privéleven, alsook gegevens betreffende niet verdachte personen mogen slechts in geval van absolute noodzaak en onder strikte voorwaarden worden ingezameld. |
|
|
2. De integriteit en de vertrouwelijkheid van de uit hoofde van onderhavig kaderbesluit beschikking meegedeelde gegevens moeten in alle fasen van de uitwisseling en de verwerking ervan worden gewaarborgd. |
|
|
De informatiebronnen worden beschermd. |
Amendement 19 Artikel 9 ter (nieuw) | |
|
|
Artikel 9 ter |
|
|
Recht van toegang van de betrokken persoon tot de gegevens |
|
|
De persoon op wie de ingezamelde gegevens betrekking hebben moet: |
|
|
a) worden geïnformeerd over het bestaan van gegevens die op hem betrekking hebben, behalve in geval van ernstig beletsel; |
|
|
b) kosteloos toegang hebben tot de gegevens die op hem betrekking hebben en het recht hebben onjuiste gegevens te corrigeren, behalve wanneer deze toegang een risico inhoudt voor de veiligheid of de openbare orde of inbreuk kan maken op de rechten en de vrijheden van derden, dan wel lopende onderzoeken kan belemmeren; |
|
|
c) in geval van misbruik van de gegevens in de zin van dit artikel, kosteloos over een recht van verzet beschikken dat hem de mogelijkheid biedt de wettelijkheid te herstellen en in voorkomend geval schadevergoeding te ontvangen in geval van niet-naleving van de in dit artikel genoemde beginselen. |
Amendement 20 Artikel 9 quater (nieuw) | |
|
|
Artikel 9 quater |
|
|
Gemeenschappelijke controle-autoriteit belast met de bescherming van de persoonsgegevens |
|
|
1. Er wordt een gemeenschappelijke controle-autoriteit ingesteld, belast met de bescherming van persoonsgegevens, hierna "autoriteit" genoemd. |
|
|
De autoriteit heeft raadgevende bevoegdheid en is onafhankelijk. |
|
|
2. De autoriteit is samengesteld uit een vertegenwoordiger van de door iedere lidstaat aangewezen controle-autoriteit(en), een vertegenwoordiger van de voor de instellingen opgerichte controle-autoriteit(en), de Europese controleur voor gegevensbescherming en de communautaire organen, alsook een vertegenwoordiger van de Commissie. |
|
|
Ieder lid van de autoriteit wordt aangewezen door de instelling of de autoriteit(en) die hij vertegenwoordigt. Wanneer een lidstaat meerdere controle-autoriteiten heeft aangewezen, benoemen deze een gemeenschappelijke vertegenwoordiger. Hetzelfde geldt voor de autoriteiten die voor de communautaire instellingen en organen zijn opgericht. |
|
|
3. De autoriteit neemt haar besluiten bij eenvoudige meerderheid van de vertegenwoordigers van de controle-autoriteiten. |
|
|
4. De autoriteit kiest een voorzitter. De duur van zijn mandaat bedraagt twee jaar. Het mandaat is hernieuwbaar. |
|
|
5. De autoriteit wordt bijgestaan door het Secretariaat voor de gemeenschappelijke controle-autoriteiten belast met gegevensbescherming, ingesteld door het besluit van de Raad van 17 oktober 2000. |
|
|
Het secretariaat wordt binnen de kortst mogelijke termijn overgeheveld naar de Commissie. |
Amendement 21 Artikel 9 quinquies (nieuw) | |
|
|
Artikel 9 quinquies |
|
|
Taken van de gemeenschappelijke controle-autoriteit belast met de bescherming van de persoonsgegevens |
|
|
1. De autoriteit heeft tot taak: |
|
|
a) de behandeling van alle vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van de nationale bepalingen die in toepassing van het onderhavige kaderbesluit worden vastgesteld; |
|
|
b) het adviseren van de Commissie over het beschermingsniveau in de Europese Unie; |
|
|
c) advies te verstrekken over alle voorstellen tot wijziging van het onderhavige kaderbesluit, alle voorstellen voor aanvullende of specifieke maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, alsook over alle andere voorstellen voor Europese wetgeving die een impact hebben op deze rechten en vrijheden; |
|
|
d) advies te verstrekken over de Europese gedragscodes. |
|
|
2. Indien de autoriteit vaststelt dat tussen de wetgevingen en praktijken van de lidstaten verschillen ontstaan die een risico kunnen inhouden voor de gelijkwaardige bescherming van personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de Europese Unie, stelt zij de Commissie hiervan in kennis. |
|
|
3. De autoriteit kan op eigen initiatief aanbevelingen formuleren over alle vraagstukken betreffende de bescherming van personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de derde pijler. |
|
|
4. De autoriteit doet haar adviezen en aanbevelingen toekomen aan de Commissie. |
Amendement 22 Artikel 11, letter c) | |
|
c) de gevraagde informatie en inlichtingen duidelijk niet in verhouding staan tot of relevant zijn voor de doeleinden waarvoor zij werden gevraagd. |
c) de gevraagde informatie en inlichtingen niet in verhouding staan tot of relevant zijn voor de doeleinden waarvoor zij werden gevraagd. |
Amendement 23 Artikel 11 bis (nieuw) | |
|
|
Artikel 11 bis |
|
|
Bevoegdheid van het Hof van Justitie |
|
|
Iedere lidstaat aanvaardt de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de rechtsgeldigheid en de uitlegging van het onderhavige kaderbesluit overeenkomstig artikel 35, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. |
TOELICHTING
1. Inleiding
Na de tragische aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten is de bestrijding van het terrorisme uitgegroeid tot een van de prioriteiten van de Europese Unie. Uit de aanslagen die Spanje op 11 maart 2004 zo zwaar hebben getroffen, is echter gebleken dat de dreiging van terroristische daden op Europees grondgebied of tegen Europese belangen nog volop aanwezig is.
Het drama in Spanje heeft helaas aangetoond dat de op een empirische logica gebaseerde werkmethode die de Europese Unie sinds 2001 heeft toegepast, thans zijn grenzen heeft bereikt. Dit betekent dat het dringend noodzakelijk is van aanpak te veranderen. De Europese Unie moet proactief optreden en niet alleen maar reageren. Zij dient verder stelselmatiger te werk te gaan en permanent toe te zien op de samenhang van haar wetgeving. Dit betekent dat een echte politieke koers moet worden gevolgd die is gebaseerd op duidelijke uitgangspunten.
In dit verband kan men verwijzen naar drie richtsnoeren voor het doen en denken van de Raad en de Commissie.
In de eerste plaats zijn middelen en capaciteit nodig om nauwkeurig de doelen vast te stellen die men wil bestrijden. Terrorisme is namelijk geen homogeen geheel: er bestaan verschillende soorten terrorisme. Wil men deze naar behoren bestrijden, dan moet men deze onderscheiden en kennen.
In de tweede plaats impliceert een doeltreffende reactie eveneens een moderne en realistische benadering van het verschijnsel terrorisme, d.w.z. een aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de vaak zeer nauwe banden tussen de verschillende terroristische organisaties, maar ook tussen het terrorisme en de zware georganiseerde criminaliteit.
In de derde plaats vereist de nagestreefde samenhang dat wildgroei van rechtsinstrumenten ter bestrijding van het terrorisme wordt voorkomen en dat wordt gestreefd naar uniformering en vereenvoudiging van de bestaande normen.
Wildgroei is namelijk een bron van verwarring en ondoeltreffendheid. Zo is bijvoorbeeld bekend dat de onderlinge koppeling tussen en de veelheid van in Europees verband beschikbare instrumenten de zaken veel ingewikkelder maken voor politieagenten die ter plaatse gegevens uitwisselen.
In dit verband zou een stelselmatige evaluatie van het gevoerde beleid en de behaalde resultaten het niet alleen mogelijk maken de tekortkomingen en gebreken te signaleren, maar ook vast te stellen welke maatregelen doeltreffend zijn gebleken.
Wat dit betreft vormt de analyse van de werkzaamheden van Europol en Eurojust sinds hun oprichting zonder meer een goed uitgangspunt. Het is bekend dat het functioneren van deze organen momenteel niet volledig bevredigend is. De Europese Raad van 4 en 5 november 2004 heeft de noodzaak van deze analyse overigens duidelijk onderstreept en uitdrukking gegeven aan de wens dat Eurojust en Europol vaker worden ingeschakeld, waarbij de EU-coördinator voor de bestrijding van het terrorisme - wiens rol en bevoegdheden nauwkeuriger moeten worden omschreven - de opdracht heeft gekregen de vooruitgang op dit gebied te bevorderen en de lidstaten is verzocht toe te zien op volledige samenwerking met Europol en Eurojust..
Tenslotte zal een grotere betrokkenheid van de actoren in het veld bij het uitstippelen van de strategie ongetwijfeld een betere afstemming van de in de toekomst te nemen maatregelen mogelijk maken. Zo zijn goed inzicht in de behoeften en het rekening houden met het verwachtingspatroon van de politiediensten absoluut noodzakelijk voor een goede samenwerking tussen deze diensten, met name in het kader van Europol. De ervaring leert namelijk dat de nationale politiediensten Europol maar al te vaak geen informatie verstrekken zoals dat zou moeten, omdat zij zich niet bewust zijn van de eventuele meerwaarde ervan voor de vervulling van hun taak.
In dit verband zijn derhalve concrete en overtuigende antwoorden noodzakelijk. Met het oog hierop zou het zeker nuttig zijn op basis van de belangrijkste beginselen voor de uitwisseling van informatie ( doelgerichtheid, evenredigheid en weldra ook beschikbaarheid), maar ook rekening houdend met de behoeften van de politiediensten in het veld, de goedkeuring te overwegen van een code of handboek voor goede praktijken ten behoeve van de politieambtenaren waarin hun op eenvoudige en duidelijke wijze wordt uitgelegd hoe zij dienen te handelen, met name op het gebied van gegevensbescherming.
2. Het voorstel voor een beschikking van de Raad en het ontwerpkaderbesluit van het Koninkrijk Zweden
a) Strekking van de desbetreffende teksten
Het initiatief van de Commissie gaat uit van de gedachte dat de aanhoudende dreiging van het terrorisme doeltreffender optreden noodzakelijk maakt. De bestrijding van terrorisme vereist enerzijds dat de lidstaten aan Europol en/of Eurojust stelselmatig inlichtingen in welke vorm dan ook verstrekken over alle personen die in verband worden gebracht met terroristische activiteiten en anderzijds dat de lidstaten onderling informatie terzake uitwisselen, "met inachtneming van de nationale wetgeving en de desbetreffende internationale rechtsinstrumenten".
Het ontwerp van het Koninkrijk Zweden gaat uit van de vaak voorkomende "verticale" benadering van criminaliteitsbestrijding waarbij maatregelen uitsluitend worden genomen naar gelang het soort delict, ongeacht het feit of dit al dan niet onder de georganiseerde criminaliteit valt. Deze benadering kan resulteren in een situatie waarin de verschillen tussen de bevoegdheidsgebieden, de voorwaarden voor samenwerking en de nationale wetgevingen of procedures uiteindelijk reële belemmeringen vormen voor het verzamelen en uitwisselen van informatie op het niveau van de Unie.
Het Koninkrijk Zweden wenst derhalve voorrang te geven aan een horizontale benadering waarbij de nadruk ligt op de bestrijding van criminaliteit als zodanig en minder aandacht wordt besteed aan de specifieke bevoegdheden van de nationale diensten die criminaliteit bestrijden. Het doel is een gemeenschappelijk en vereenvoudigd juridisch kader voor de uitwisseling van informatie te creëren dat van toepassing is op alle nationale wetshandhavingsdiensten. In dit systeem moeten de krachtens de nationale wetgeving aan een dienst verleende bevoegdheden om criminaliteit op te sporen, te voorkomen en te onderzoeken door de overige lidstaten worden erkend en deze dienst moet de mogelijkheid hebben om zonder andere formaliteiten dan die welke in het kaderbesluit zijn bepaald, informatie en inlichtingen bij de andere lidstaten op te vragen en te verkrijgen. Dit gemeenschappelijk juridisch kader heeft enkel betrekking op de uitwisseling van informatie op politieel vlak en niet op de samenwerking op justitieel gebied.
b) Complementariteit tussen de voorstellen van de Commissie en de Zweedse regering
Technisch gezien geeft de tekst van de Commissie de voorkeur aan de centrale verstrekking van informatie aan Europol en Eurojust, terwijl het voorstel van het Koninkrijk Zweden niets over centralisatie zegt, maar de uitwisseling van informatie aanzienlijk sneller wil laten verlopen.
Het voordeel van de tekst van de Commissie is zonder meer dat het toepassingsgebied voor de uitwisseling van informatie wordt uitgebreid tot alle strafbare feiten van terroristische aard in de zin van kaderbesluit 2002/475/JBZ, zonder dat deze wordt beperkt tot de lijst van personen en organen in de bijlage bij het gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB. Men kan zich echter afvragen of deze tekst meerwaarde biedt. Het mechanisme dat de Commissie wil invoeren neemt namelijk in grote lijnen reeds elders bestaande verplichtingen over, met name in het kader van de Europol-overeenkomst en het besluit van de Raad tot oprichting van Eurojust.
Zo wordt in artikel 4 van de Europol-overeenkomst al bepaald dat de lidstaten binnen hun politiediensten een nationale eenheid moeten aanwijzen die dient als verbindingsorgaan tussen de nationale diensten en Europol. Deze nationale eenheid moet toegang hebben tot alle "betrokken nationale gegevens" die zij moet actualiseren en doorgeven aan Europol. Onder de "betrokken nationale gegevens" als bedoeld in artikel 4 vallen zeker ook de strafbare feiten van terroristische aard als bedoeld in het voorstel van de Commissie, aangezien Europol krachtens artikel 2 van de overeenkomst uitdrukkelijk is belast met de behandeling van "strafbare feiten die zijn gepleegd of wellicht zullen worden gepleegd in het kader van terroristische activiteiten die gericht zijn tegen het leven, de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid, alsmede tegen goederen".
Verder wordt in artikel 12 van het besluit van de Raad tot oprichting van Eurojust al bepaald dat iedere lidstaat een of meer nationale correspondenten kan installeren of aanwijzen waarbij het volgende wordt opgemerkt: "Deze installatie of aanwijzing is een zeer belangrijke prioriteit inzake terrorisme". Evenals in het voorstel van de Commissie wordt in de artikelen 9 en 12 van het statuut van Eurojust verwezen naar het nationale recht voor wat betreft de bepaling van de aard en omvang van de gerechtelijke bevoegdheden die aan de nationale leden op eigen grondgebied zijn verleend.
Op het eerste gezicht lijkt het voorstel van het Koninkrijk Zweden bepaald interessant in vergelijking met de systemen die zijn ontwikkeld in de Europol-overeenkomst, het statuut van Eurojust en het initiatief van de Commissie. Aangezien dit voorstel voorziet in direct contact tussen gespecialiseerde diensten zonder aanvullende voorwaarden in vergelijking met die welke intern bestaan voor wat betreft de contacten tussen wetshandhavingsautoriteiten, kunnen een aantal problemen worden opgelost die verband houden met de gerechtelijke organisatie van elke lidstaat. Informatie kan derhalve sneller circuleren, hetgeen uiteraard van fundamenteel belang is voor de bestrijding van elke vorm van criminaliteit.
Zonder twijfel kunnen ook vraagtekens worden geplaatst bij de meerwaarde van de Zweedse tekst, aangezien de overeenkomst tot uitvoering van het akkoord van Schengen reeds voorziet in een mechanisme voor politiële samenwerking dat globaal genomen op dezelfde gedachten stoelt.
Op grond van artikel 39 van deze overeenkomst verbinden de overeenkomstsluitende partijen zich er namelijk toe dat "hun politiediensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten ...". Op grond van artikel 46 kan iedere overeenkomstsluitende partij met inachtneming van het nationale recht in individuele gevallen, zonder een daartoe strekkend verzoek, de betrokken overeenkomstsluitende partij "informatie meedelen die voor de ontvangende overeenkomstsluitende partij ter verlening van bijstand bij de bestrijding van toekomstige strafbare feiten, ter voorkoming van strafbare feiten of ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid van belang kunnen zijn".
Bij de analyse van de teksten komen echter aanzienlijke verschillen naar voren. Zo beperkt artikel 39 de samenwerking tussen politiediensten tot gevallen waarin "het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden", een beperking die niet is opgenomen in de Zweedse tekst die zich in artikel 4 tot het volgende beperkt: "De lidstaten zien erop toe dat de informatie en inlichtingen die berusten bij of zonder het gebruik van dwangmiddelen toegankelijk zijn voor bevoegde wetshandhavingsinstanties, overeenkomstig dit kaderbesluit aan bevoegde wetshandhavingsinstanties van andere lidstaten kunnen worden verstrekt".
Krachtens artikel 46, lid 2 geschiedt de informatie-uitwisseling met een betrokken partij "door de tussenkomst van een aan te wijzen centrale instantie". De directe uitwisseling van informatie, d.w.z. de uitwisseling tussen diensten, het uitgangspunt in het door Zweden voorgestelde systeem, is hier slechts bij hoge uitzondering, namelijk "in bijzonder spoedeisende gevallen" toegestaan, en op voorwaarde dat de centrale instantie hiervan zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.
De in de artikelen 39 en 46 van de overeenkomst van Schengen opgenomen regeling maakt derhalve niet dezelfde flexibiliteit bij het verstrekken van informatie mogelijk als de Zweedse tekst en laat vooral het risico bestaan van belemmeringen die verband houden met het interne rechtsstelsel van de overeenkomstsluitende partijen: zo is zelfs in spoedeisende gevallen directe verstrekking van informatie niet mogelijk als sprake is van "afwijkende bepalingen van het nationale recht".
Het voorstel van het Koninkrijk Zweden lijkt derhalve echte meerwaarde te bieden in vergelijking met het bestaande recht. Verder moet een ander voordeel van het voorgestelde systeem worden onderstreept, namelijk de vaststelling van een termijn (in dit geval twaalf uur) voor het doorgeven van de gevraagde informatie. De excessieve duur van de procedure vormt namelijk een van de obstakels waarmee men in de praktijk wordt geconfronteerd, met name in het kader van Europol.
Zelfs als men ervan uitgaat dat de meerwaarde van de Zweedse tekst in vergelijking met het systeem van de artikelen 39 en 46 van de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen uiteindelijk betrekkelijk gering is, moet worden onderstreept dat de Zweedse tekst tenminste het voordeel biedt dat het beginsel van samenwerking tussen wetshandhavingsdiensten wordt uitgebreid tot de 25 lidstaten die niet alle overeenkomstsluitende partij bij het akkoord van Schengen zijn.
Gezien het bovenstaande en de grote belangen die op het spel staan, lijkt het nuttig gebruik te maken van de voordelen van de twee systemen, nl. het systeem van de Commissie resp. dat van het Koninkrijk Zweden. Een doeltreffend beleid inzake verstrekking van informatie tussen lidstaten vereist zowel de mogelijkheid van snelle bilaterale uitwisseling van informatie tussen gespecialiseerde diensten, zonder dat deze uitwisseling verlamd dreigt te worden door problemen die verband houden met de bijzondere kenmerken van de interne gerechtelijke organisatie van de lidstaten, alsook de mogelijkheid om het doorgeven van de belangrijkste informatie naar Europol en/of Eurojust stelselmatig te waarborgen.
De hier voorgestelde cumulatieve benadering past bij de vooruitzichten welke zijn geschetst door de Europese Raad van 4 en 5 november 2004. Deze heeft expliciet uiting gegeven aan de wens dat de uitwisseling van informatie in het kader van de bestrijding van het terrorisme met ingang van 1 januari 2008 gebaseerd moet zijn op het beginsel van beschikbaarheid op grond waarvan een wetshandhavingfunctionaris in een lidstaat in de gehele Unie informatie die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft, kan verkrijgen van een andere lidstaat en dat de betrokken wetshandhavinginstantie in een andere lidstaat die informatie voor het aangegeven doel beschikbaar stelt, rekening houdend met het belang van lopende onderzoeken in die lidstaat.
De Europese Raad heeft de Commissie overigens verzocht uiterlijk voor eind 2005 voorstellen in te dienen met het oog op de toepassing van het beginsel van beschikbaarheid. Dat is dé gelegenheid om te beginnen met de onontbeerlijke uniformering van de bestaande normen.
c) Verplichting om informatie te verstrekken
In het Zweedse voorstel worden expliciet de redenen genoemd waarom een wetshandhavinginstantie mag weigeren informatie te verstrekken. In de tekst van de Commissie is dit niet het geval.
Als in de teksten geen verplichting wordt opgenomen om informatie aan Europol te verstrekken, zou het zeker passend zijn - wil men ervoor zorgen dat het systeem van uitwisseling van informatie voldoende doeltreffend is - naar het voorbeeld van het Zweedse voorstel te voorzien in een bepaling waarin de nadruk wordt gelegd op de verplichting van de lidstaten om elke weigering om informatie te verstrekken te motiveren.
d) Onderscheid tussen informatie en inlichtingen
Zowel de door de Commissie als door Zweden voorgestelde tekst, zoals deze is opgesteld en beargumenteerd, beperkt zich uitdrukkelijk tot het verstrekken van informatie op politieel en justitieel gebied, d.w.z. bestaande informatie. In dit verband moet echter ook aandacht worden besteed aan het vraagstuk van opsporen van informatie, d.w.z. de activiteit van de inlichtingendiensten ("intelligence"). Het verzamelen en uitwisselen van inlichtingen is namelijk absoluut van fundamenteel belang bij de bestrijding van het terrorisme: informatie welke voortvloeit uit gerechtelijke procedures of politieel onderzoek komt maar al te vaak te laat.
Afgezien van de uitwisseling van informatie op politieel gebied moet derhalve de nadruk worden gelegd op de absolute noodzaak eveneens instrumenten te ontwikkelen waarmee het verstrekken van inlichtingen ("intelligence") kan worden vergemakkelijkt, met name in het kader van de invoering van een systeem van vroegtijdige waarschuwing.
e) Bescherming van persoonsgegevens
In ons huidige positieve recht bestaat een groot aantal bepalingen die kunnen worden toegepast op het gebied van de gegevensbescherming, met name de overeenkomst van de Raad van Europa ter bescherming van personen in verband met de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van 28 januari 1981 die in zekere zin een minimumregeling vormt. Verder bestaat er een aantal bepalingen ter zake in de Europol-overeenkomst of, voor de lidstaten die gebonden zijn aan het akkoord van Schengen, de bepalingen inzake de gegevensbescherming in de overeenkomst van Schengen.
Het voorstel voor een besluit van de Raad bevat geen enkele specifieke maatregel ter zake. De Zweedse tekst bepaalt ter zake het volgende: "Elke lidstaat ziet erop toe dat de regels en normen inzake gegevensbescherming (...) worden toegepast bij de procedure inzake de uitwisseling van informatie ...".
Gezien de algemene doelstelling inzake samenhang moet de aandacht van de Commissie in het bijzonder worden gevestigd op de noodzaak om initiatief te ontplooien met het oog op de harmonisatie van de bestaande regels inzake de bescherming van persoonsgegevens.
3. Het Europees register van strafrechtelijke veroordelingen
Zowel in haar mededeling als in de toelichting bij het voorstel voor een besluit van de Raad verwijst de Commissie naar het nut om een Europees register van strafrechtelijke veroordelingen en ontzettingen van rechten op te zetten (i.e. het Europese strafregister). In dit verband kondigt de Commissie slechts het volgende aan: de Commissie "gaat verder met haar analyse van deze problematiek en zal naar de meest geschikte oplossingen zoeken; op grond daarvan zal zij een voorstel indienen met het oog op de oprichting van een dergelijk register". Vanaf 2004 zal zij hiertoe overleg plegen met de lidstaten. De Commissie heeft deze thematiek echter niet overgenomen in de vier mededelingen over de bestrijding van het terrorisme die zij op 20 oktober 2004 heeft gepubliceerd; de Europese Raad van 4 en 5 november 2004 heeft een en ander evenmin aan de orde gesteld.
Eenieder kent het fundamentele belang van een Europees strafregister - en de actualiteit herinnert ons hier voortdurend aan - zowel voor de bestrijding van het terrorisme als voor de bestrijding van alle vormen van zware criminaliteit. Helaas moet echter worden vastgesteld dat concrete vorderingen op dit gebied uiterst bescheiden zijn, hoewel er alle reden is om zich te verheugen over het feit dat onlangs in het Coreper een politiek akkoord is bereikt over een ontwerptekst om de uitwisseling van informatie tussen strafregisters te vergemakkelijken. Het Luxemburgse voorzitterschap heeft de lidstaten overigens tijdens de Raad JBZ van 25 februari 2005 opgeroepen hun parlementaire reserves ten aanzien van deze tekst te laten varen, zodat deze zo spoedig mogelijk kan worden goedgekeurd.
Het is in ieder geval absoluut noodzakelijk dat de Commissie werkelijk prioriteit verleent aan de verwezenlijking van deze doelstelling en een en ander opneemt in een nauwkeurig en strak tijdschema. Afgezien van het overduidelijke strategische belang ervan zien de burgers van de Unie terecht uit naar deze maatregel.
4. Transparantie ter zake van bankrekeningen en rechtspersonen
In de mededeling van de Commissie wordt gesteld dat de invoering van rechtsinstrumenten die de registratie in de lidstaten van bankrekeningen mogelijk maken om de identiteit van rekeninghouders te achterhalen, samen met de ontwikkeling van maatregelen ter verbetering van de transparantie van rechtspersonen, absoluut noodzakelijk is om de infiltratie van criminele groeperingen en terroristische organisaties tegen te gaan. De Commissie heeft dit punt opnieuw opgenomen in haar mededeling van 20 oktober 2004 inzake de bestrijding van de financiering van het terrorisme. De Commissie stelt in dit verband voor de financiële inlichtingendiensten vrije toegang te verlenen tot de databases van de banken. De informatie blijft gecodeerd, behalve wanneer deze betrekking heeft op een persoon of een groep personen die ervan worden verdacht banden te onderhouden met een terroristische beweging.
Afgezien van de belangrijke vragen die door deze voorstellen worden opgeworpen voor wat betreft de bescherming van persoonsgegevens, zij erop gewezen dat evenals bij de problematiek van het Europees strafregister de precieze modaliteiten en het operationele tijdschema nog niet zijn vastgesteld. Ook in dit geval moet de Commissie werkelijk prioriteit aan dit dossier verlenen en nauwkeurige tijdschema's vaststellen.
PROCEDURE
|
Titel |
Initiatief van het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, met name ten aanzien van zware misdrijven, zoals terroristische daden | ||||||
|
Document- en procedurenummers |
(10215/2004 – C6-0153/2004 – 2004/0812(CNS)) | ||||||
|
Rechtsgrondslag |
Art. 39, lid 1, EG | ||||||
|
Reglementsartikel(en) |
Art. 93 en art. 51 | ||||||
|
Datum raadpleging EP |
22.10.2004 | ||||||
|
Commissie ten principale |
LIBE | ||||||
|
Medeadviserende commissie(s) |
|
|
|
|
| ||
|
Geen advies |
|
|
|
|
| ||
|
Nauwere samenwerking |
|
|
|
|
| ||
|
Rapporteur(s) |
Antoine Duquesne |
| |||||
|
Vervangen rapporteur(s) |
|
| |||||
|
Vereenvoudigde procedure |
| ||||||
|
Betwisting rechtsgrondslag |
|
|
|
|
| ||
|
Wijziging financiële voorzieningen |
|
|
|
|
| ||
|
Raadpleging Europees Economisch en Sociaal Comité |
| ||||||
|
Raadpleging Comité van de regio's |
| ||||||
|
Behandeling in de commissie |
27.7.2004 |
5.10.2004 |
31.3.2005 |
24.5.2005 |
| ||
|
Datum goedkeuring |
24.5.2005 | ||||||
|
Uitslag eindstemming |
voor: tegen: onthoudingen: |
40 | |||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Alexander Nuno Alvaro, Edit Bauer, Mario Borghezio, Mihael Brejc, Maria Carlshamre, Giusto Catania, Charlotte Cederschiöld, Carlos Coelho, Fausto Correia, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Rosa Díez González, Antoine Duquesne, Kinga Gál, Lívia Járóka, Timothy Kirkhope, Ewa Klamt, Magda Kósáné Kovács, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Barbara Kudrycka, Stavros Lambrinidis, Henrik Lax, Sarah Ludford, Edith Mastenbroek, Jaime Mayor Oreja, Claude Moraes, Martine Roure, Amalia Sartori, Inger Segelström, Ioannis Varvitsiotis, Stefano Zappalà, Tatjana Ždanoka | ||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers |
Ignasi Guardans Cambó, Luis Francisco Herrero-Tejedor, Sophia in 't Veld, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Mary Lou McDonald, Antonio Masip Hidalgo, Javier Moreno Sánchez, Bill Newton Dunn, Herbert Reul, Marie-Line Reynaud, Agnes Schierhuber, | ||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2) |
Thijs Berman, Antonio López-Istúriz White | ||||||
|
Datum indiening – A6 |
26.5.2005 |
A6-0162/2005 | |||||
|
Opmerkingen |
... | ||||||
- [1] Nog niet in het PB gepubliceerd.