VERSLAG over het effect van leningsactiviteiten van de Europese Gemeenschap in de ontwikkelingslanden

9.6.2005 - (2004/2213(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking
Rapporteur: Gabriele Zimmer

Procedure : 2004/2213(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0183/2005
Ingediende teksten :
A6-0183/2005
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het effect van leningsactiviteiten van de Europese Gemeenschap in de ontwikkelingslanden

(2004/2213(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de leningsactiviteiten van de Europese Gemeenschappen in 2003 (SEC(2004)1073) en het bijgevoegde werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2004)1074),

–   gezien het jaarverslag 2004 over het ontwikkelingsbeleid en de externe bijstand van de EG (COM(2004)0536 en SEC(2004)1027),

–   gezien het onderzoek "The European Investment Bank and the ACP Countries: An Effective Partnership?" van het Commonwealth-secretariaat,

–   gezien het document van de Europese Investeringsbank (EIB) "Development Impact Assessment Framework of IF Projects",

–   gezien de lopende onderhandelingen met betrekking tot de "Review of the External Lending Mandate of the European Investment Bank",

–   gezien het externe onderzoek "The Development Impact of European Investment Bank (EIB) Lending Operations in the Cotonou and ALA Framework[1]" waartoe door de Commissie ontwikkelingssamenwerking opdracht is gegeven,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 januari 2000 over de schendingen van de mensenrechten in verband met het aardolie- en pijplijnproject in Tsjaad en in Kameroen[2],

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 februari 2002 over het jaarverslag van de Europese Investeringsbank voor 2000[3],

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 november 2002 over het jaarverslag van de Europese Investeringsbank voor 2001[4],

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2004 over het verslag over de werkzaamheden van de Europese Investeringsbank voor 2002[5],

–   gezien de resultaten van de raadpleging in de Commissie ontwikkelingssamenwerking van 18 januari 2005,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6‑0183/2005),

A.  overwegende dat de Europese Investeringsbank (EIB) de grootste mondiale publieke kredietverstrekker is met een volume aan leningen van 40 miljard euro,

B.  overwegende dat de EIB in ruim honderd ontwikkelingslanden, in het Middellandse-Zeegebied, in de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), in Latijns-Amerika en in Azië opereert en belangrijke ontwikkelingsprogramma‘s van de EU in het Middellandse-Zeegebied en in de ACS-landen uitvoert, de modaliteiten van de kredietverstrekking aan ontwikkelingslanden echter niet door een modern politiek mandaat gedefinieerd zijn,

C.  overwegende dat de EIB zich in de afgelopen jaren grote inspanningen heeft getroost om te handelen naar de constructieve suggesties van het Europees Parlement,

D.  overwegende dat de EIB momenteel haar beleid over de toegankelijkheid van informatie voor het publiek herziet, dat rekening moet houden met de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van het Verdrag van Aarhus op de Europese instellingen betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieu-aangelegenheden;

E.  overwegende dat de EIB als onafhankelijke bank handelt, die echter verantwoording aan de aandeelhouders – de 25 EU-lidstaten – is verschuldigd,

F.  overwegende dat de EIB met betrekking tot het verstrekken van kredieten buiten de EU de in haar Environmental Statement 2004 uitgedrukte ondersteuning voor het “UNEP Statement by Financial Institutions on Environment and Sustainable Development” en voor de “Equator Principles“ in haar nieuwe Development Impact Assessment Framework, ten minste voor projecten in het kader van de Cotonou-investeringsfaciliteit van de Overeenkomst van Cotonou, op verheugende wijze concretiseert,

G.  overwegende de uitzonderlijke risico-omstandigheden voor kredietverstrekking in vele ontwikkelingslanden, waartegen het EIB-management offensieve maatregelen moet kunnen nemen,

H.  overwegende de inspanningen van de Europese Unie en de staten van de wereld om met de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG) eindelijk een beslissende wending in het ontwikkelingsbeleid te bereiken,

1.  spreekt zijn dank uit aan de EIB voor de uitzonderlijke bereidheid tot dialoog en informatieverstrekking;

2.  is erover verheugd dat de EIB de doelstellingen op het gebied van ontwikkelingsbeleid die in het Akkoord van Cotonou en met de overeenkomst van de acht MDG's op het gebied van ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie werden gedefinieerd, ondersteunt, en als voorwaarde voor de kredietverstrekking een relevantie van de gesubsidieerde projecten voor het bereiken van de MDG met de nieuwe Development Impact Assessment voor projecten in het kader van de investeringsfaciliteit als grondslag neemt; verlangt evenwel de uitbreiding van deze criteria op alle door de EIB in ontwikkelingslanden begunstigde projecten;

3.  roept de EIB op om zich voor de evaluatie van de projectsuccessen ook de door de Commissie met betrekking tot de MDG gedefinieerde sleutelindicatoren eigen te maken en in haar Development Impact Assessment Framework te integreren; beveelt de EIB aan een onafhankelijke evaluatie-eenheid op te richten die slechts aan de raad van bestuur verantwoording dient af te leggen, om daardoor te voldoen aan de door multilaterale ontwikkelingsbanken gestelde normen;

4.  verzoekt de Commissie de EIB en de projectplanning daarvan beter in de planning van de Commissie en de lidstaten te integreren, in overeenstemming met de in Barcelona aangegane verplichting tot betere coördinatie en harmonisatie van de maatregelen met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid;

5.  prijst de EIB voor de ondertekening van het Memorandum of Understanding van mei 2004 met de Commissie en de Wereldbank en roept de EIB op om de coördinatie van doelstellingen, criteria en methodiek ook met de European Development Finance Institutions (EDFI) en de medewerking in het Interact-netwerk te intensiveren, om de complementariteit van de inzet van financiële middelen van de EIB ten opzichte van de maatregelen van de Commissie en lidstaten te waarborgen;

6.  prijst de oprichting van European Financing Partners S.A. door de EIB en tien van de EDFI-partners en roept de EIB op extra projecten uit de communautaire financiële middelen te organiseren met andere instellingen voor ontwikkelingsfinanciering en in het bijzonder modellen voor de risicodeling door de overname van een First Loss Tranche te controleren;

7.  beveelt de Commissie en de EIB aan om aan de Raad en het Parlement een nieuwe geïntegreerde benadering en organisatie voor te stellen voor de programmering en de verstrekking van de externe bijstand van de EU in het kader van de voorbereiding van de toekomstige financiële vooruitzichten van de EU en van de volgende generatie van externe EIB-mandaten; dit voorstel moet een optimale benutting van een mogelijke synergie tussen de personele en financiële middelen van de Commissie, de EIB en bilaterale ontwikkelingsorganisaties mogelijk maken, en moet gericht zijn op de verhoging van de algemene efficiëntie, coherentie, transparantie en zichtbaarheid van de externe bijstand van de EU, met name voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

8.  prijst de EIB daarvoor dat in de follow-up van de projectbewaking reeds rekening is gehouden met standpunten van NGO’s en het publiek, verzoekt de EIB echter deze consultatie ter verhoging van de plaatselijke participatie en aanvaarding al in de fase van de controle van de krediettoekenning (pre-appraisal) te houden en de resultaten voor de Commissie en de lidstaten te documenteren;

9.  spreekt waardering uit voor de integratie van "Environmental Impact Assessment" en "Environmental Impact Statement" in de projectcyclus van de EIB, beveelt echter dringend aan om ook een op de MDG-indicatoren georiënteerde visie op de sociale gevolgen en de gevolgen met betrekking tot het werkgelegenheidsbeleid van de investering in de catalogus van documenten voor de toekenningsanalyse op te nemen;

10.  verzoekt de lidstaten als eigenaars van de bank deze voor de ALA-regio (landen in Azië en Latijns-Amerika) te voorzien van een voor het bereiken van de MDG noodzakelijk mandaat voor ontwikkelingsbeleid en afstand te nemen van het tot nu toe gehanteerde primaat van de economische hulp voor het buitenland;

11.  verzoekt de Raad het volume voor activiteiten van de EIB in de ALA-regio te verhogen; verwacht van de EIB de toekenning van een prioriteit aan de economisch zwakkere landen bij de inzet voor deze regio;

12.  beveelt de EIB aan om een uitbreiding van het strategische document "Funding of Reconstruction and Restoration Projects following Natural Disasters" tot regio’s buiten de Unie en de toetredingskandidaten en beveelt de Raad en de Commissie aan om een mandaat voor noodhulp voor de EIB uit te werken, dat de EIB in staat stelt om bijvoorbeeld in de ALA-regio efficiënt en regionaal stimulerend opbouwsubsidies te verstrekken, onafhankelijk van de nu door de economische hulp aan het buitenland vastgestelde criteria;

13.  verzoekt de Raad en de Commissie de noodzakelijke middelen beschikbaar te stellen om de door de EIB ter beschikking gestelde kredietmiddelen voor wederopbouwhulp na de tsunami volgens criteria van de International Development Agency (IDA) te kunnen verstrekken;

14.  verzoekt de Commissie samen met de EIB onderhandelingen met het IMF aan te knopen met de bedoeling om de financiering van projecten voor bestaansvoorziening in de publieke sector in ontwikkelingslanden mogelijk te maken, om vooruitgang in de publieke bestaansvoorziening te boeken en aldus de basis voor investeringen in de particuliere sector te creëren;

15.  roept de EIB op om het in het Verdrag van Cotonou voorziene instrument van rentevermindering in grotere mate aan te wenden om met schulden belaste ontwikkelingslanden in staat te stellen investeringen uit te voeren in de openbare dienstensector;

16.  verzoekt de EIB de sectorale doelstellingen voor het kredietbeleid ten opzichte van ontwikkelingslanden met name op de gebieden energie, bosbouw, vervoer, water en afvalmanagement te vernieuwen en rekening te houden met de analyse van de redenen voor terugtrekking van privé-investeerders;

17.  beveelt aan om een EIB-begrotingslijn voor kennisoverdracht en technische ondersteuning in te stellen;

18.  verwacht van de EIB op basis van de positieve ervaringen van de eerste projecten, dat de inzet van de EIB op het gebied van microfinanciering duidelijk wordt versterkt en dat daarbij met name vrouwen worden aangemoedigd een eigen bedrijf op te starten; roept de EIB op om zich te richten naar de met medewerking van de Commissie opgestelde aanbevelingen van de Consultative Group to Assist the Poor (CGAP);

19.  eist van de EIB dat kredieten in een grotere mate in plaatselijke valuta worden verstrekt en dat de mogelijkheden worden onderzocht om met de hulp van de EIB plaatselijke valuta te ondersteunen;

20.  verzoekt de Commissie nog in 2005 in een studie te onderzoeken of via de uitgifte van Eurobonds door de EIB, vergelijkbaar met de US Treasury Bonds, aanzienlijke middelen voor een versterkte betrokkenheid van de EIB bij doelstellingen op het gebied van ontwikkelingsbeleid kunnen worden vrijgemaakt;

21.  verzoekt de EIB op korte termijn een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren, of via een startfinanciering in euro en aandeelhouderschap van de EIB in Afrika, Azië en Latijns-Amerika regionale fondsen kunnen worden opgericht, analoog aan de door de Japanse regering voorgestelde oprichting van een Asian Development Fund (Aziatisch ontwikkelingsfonds);

22.  verwacht dat de EIB de beleidslijnen voor de verstrekking van kredieten aan de particuliere sector verder ontwikkelt, die op het respect voor mensenrechten, de nakoming van milieu- en sociale normen in overeenstemming met de bestaande internationale normen, de nakoming van de ILO-arbeidsnormen en eventueel de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen moeten voortbouwen, en verwacht dat de naleving van de beleidslijnen door de EIB wordt gecontroleerd;

23.  roept de EIB op om haar “Development Impact Assessment Framework of Investment Facility Projects” aan te passen aan internationale normen op het vlak van ontwikkelingsbeoordeling, en om de opname van standpunten van het Parlement en de internationale burgermaatschappij in dit herzieningsproces te vergemakkelijken;

24. verzoekt de EIB met klem geen projecten te subsidiëren die tot vernietiging van het natuurlijke habitat leiden, aan de illegale exploitatie van natuurlijke rijkdommen bijdragen, de productie van in de EU verboden stoffen of stoffen waarvan het verbod voorgenomen is, inhouden, de bouw van stuwdammen die niet aan de criteria van de World Commission on Dams (WCD) voldoen, financieren; doet een beroep op de EIB om de aanbevelingen van de "Extractive Industry Review" (januari 2004) van de Wereldbank te volgen;

25.  roept de EIB op om zich ervan te vergewissen dat haar kredieten in de ALA en ACS-regio’s gepaard gaan met maatregelen ter verbetering van de duurzaamheid uit milieuoogpunt van leningen, onder meer door:

    -  de financiering van projecten in alle vier EIB-categorieën van “milieu” met inbegrip van, in het bijzonder, projecten ter bescherming van het natuurlijk milieu;

    -  een beoordeling van alle waterkrachtprojecten in een vroege fase van de projectcyclus, in het licht van de richtlijnen van de Wereldcommissie voor dammen (WCD);

    -  in overeenstemming met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, een verhoging van de kredieten in de sector van het water van de huidige 3% voor ACS‑landen en 8% voor ALA‑landen tot minimaal 20% van haar regionale kredietportefeuille, in het bijzonder door kredieten aan plaatselijke ondernemingen voor duurzame microprojecten te verlenen;

    -  een verhoging van de kredieten voor projecten van hernieuwbare energie in ACS‑ en ALA‑landen, die de globale verplichting van de EIB weerspiegelt om 15% van de kredieten van zijn totale energieportefeuille te verwezenlijken in hernieuwbare energie tegen 2006 en 50% tegen 2010;

26.  roept de Commissie op om toenemende EIB-kredieten aan milieuprojecten in de ALA- en ACS-landen te ondersteunen door de toekenning van renteverminderingen van 3 procent, zoals met succes in de Meda-kaderovereenkomsten wordt toegepast, en door de toekenning van renteverminderingen van 5 procent voor nieuwe projecten van hernieuwbare energiebronnen;

27.  eist dat de EIB effectieve maatregelen tegen corruptie en het witwassen van geld neemt en zich in het kader van een grondig anticorruptiebeleid ertoe verbindt om alleen overeenkomsten te ondersteunen die uit een open en transparant onderhandelingsproces voortkomen alsmede EIB-cliënten in ontwikkelingslanden ertoe verplichten om aan te tonen dat zij over adequate systemen van interne revisie voor het ophelderen van omkoping en corruptie beschikken; eist voorts dat de EIB alle verwijten met betrekking tot corruptie onderzoekt en aan de bevoegde justitiële autoriteiten doorgeeft en adequate sancties tegen de verdachten initieert;

28.  verzoekt de EIB om haar afdeling Inspectorate General verder te ontwikkelen tot een onafhankelijke klachtenprocedure, die met betrekking tot alle projectaanvaardingscriteria en zonder omweg via de Europese ombudsman kan worden aangesproken en zo ook beschikbaar is voor personen die door projecten getroffen zijn die door de EIB zijn gesubsidieerd in ontwikkelingslanden, en niet alleen voor EU-onderdanen;

29.  verzoekt de EIB bij het verstrekken van kredieten in ontwikkelingslanden een minder conservatief risicobeheer toe te passen, dat zij zou kunnen afschermen wanneer zij winsten uit projecten, die zij financiert uit door de lidstaten ter beschikking gestelde ontwikkelingsgelden, laat toevloeien naar een risicofonds, om meer projecten met zeer hoog risico te kunnen financieren; verzoekt de EIB bij gemeenschappelijk te financieren projecten met hoge risico’s het instrument van de tranches van lagere rang aan te wenden;

30.  verzoekt de EIB zich met betrekking tot transparantie van de gesubsidieerde projecten naar de International Finance Corporation (IFC) te oriënteren;

31.  verzoekt de EIB met het oog op de optimale stimulering van kleine en middelgrote ondernemingen een rechtstreekse aanwezigheid ter plaatse op te bouwen en hiervoor de middelen die haar voor het beheer van de investeringsfaciliteit ter beschikking worden gesteld, voortaan volledig uit te putten, en bovendien te overwegen om de kredietbemiddeling aan deze klantenkring te organiseren via instellingen die als Clearing House fungeren en uit externe deskundigen bestaan, om de kredietnemers in de eigenlijke geest van een investeringsbank in het risicokapitaalsegment in grotere mate van de gunstige voorwaarden van de bank te laten profiteren en tegelijkertijd een aparte kredietlijn voor stimulering van de lokale privé-banksector te ontwikkelen;

32.  beveelt aan om een continue dialoog tussen zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking en de EIB op gang te brengen;

33.  verzoekt de Commissie hem en de Raad eenmaal per jaar te informeren over de resultatenbalans, die de in coördinatie met de EIB uitgevoerde programma's met betrekking tot de MDG behalen;

34.  verzoekt de Commissie tegen september 2005 een tussentijds verslag voor te leggen over de stand van de besprekingen van de Review of the External Lending Mandate of the EIB;

35.  roept de Commissie op om voor het einde van 2005 een studie uit te werken over de financiële, politieke en juridische mogelijkheden om het ontwikkelingsmandaat en de kredietoperaties van de EIB te versterken door de creatie van een afzonderlijke kredietfaciliteit, als een specifieke entiteit van de EIB-groep, zonder uit het oog te verliezen dat het noodzakelijk is om de AAA-rating van de EIB-groep te behouden;

36.  verzoekt de Raad en de Commissie de eisen van het Parlement jegens de EIB te ondersteunen;

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Europese Investeringsbank, de ACS-EU-Raad, de Verenigde Naties en de Wereldbank.

  • [1]  Project nr. EP/ExPol/B/2004/09/06.
  • [2]  PB C 304 van 21.10.2000, blz. 211.
  • [3]  PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 111.
  • [4]  PB C 25 E van 29.1.2004, blz. 390.
  • [5]  Aangenomen teksten van deze datum, P5_TA(2004)0371.

TOELICHTING

In het jaarverslag 2004 over het ontwikkelingsbeleid en de externe bijstand van de EG wijst de Europese Commissie erop dat de Europese Unie en haar lidstaten zich in hun doelstellingen met betrekking tot ontwikkelingsbeleid duidelijk uitspreken ten gunste van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de Verenigde Naties. Naast de andere instrumenten van de ontwikkelingsfinanciering hebben de lidstaten van de Unie in de Europese Investeringsbank (EIB) een instrument in de kredietsector tot hun beschikking, waarom de hele wereld hen kan benijden.

Met trots noemt de EIB zich in zijn documenten naar buiten toe "EU's policy driven bank". In de activiteiten van de EIB buiten de Europese Unie komen de meest recente ontwikkelingen in de doelstellingen met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid van de landen die eigenaars van de bank zijn, echter onvoldoende tot uiting.

Het feit dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in september 2000 gemeenschappelijk overeengekomen zijn, zou een historische bijdrage aan harmonisatie en verhoging van de efficiency van mondiale inspanningen ten behoeve van ontwikkelingshulp zijn. Bij een evaluatie in september 2005 tijdens een conferentie van de Verenigde Naties van hetgeen tot nu toe bereikt is, zal ook de EIB zich moeten bezighouden met de vraag welke bijdrage hij aan het bereiken van de overeengekomen doelstellingen heeft geleverd.

Weliswaar neemt de EIB zijn bijdrage aan het bestrijden van de armoede, waarvoor hij in het Akkoord van Cotonou voor de ACS-staten een mandaat ontving, voor zijn rekening, met name door het stimuleren van investeringen in de particulier sector. Terecht wijst hij erop dat hij voor de ALA-regio (landen in Azië en Latijns-Amerika) niet eens over een mandaat voor ontwikkelingsbeleid beschikt, maar daar met name volgens criteria van de stimulering van buitenlandse economieën actief is.

Het komt echter overeen met de wil van de staten die in de akkoorden van de MDG tot uiting is gebracht om de activiteiten voor stimulering van de particuliere sector niet meer geïsoleerd uit te voeren, maar in de context van het bereiken van de totale doelstellingen te plaatsen. Momenteel ontbreekt het de EIB aan de instrumenten om de efficiency van de kredietverstrekking ten opzichte van deze doelstellingen te meten. De EIB waardeert daarmee niet de inspanningen van Commissie, die 10 hoofdindicatoren voor de evaluatie van de doelgerichtheid van projecten in navolging van de MDG uit de aldaar vastgelegde 48 indicatoren heeft aangewezen.

Tegelijkertijd is er niet voldoende coördinatie van de activiteiten van de EIB die voor ontwikkeling relevant zijn met die van de Commissie en de lidstaten. In de praktijk werken de ongecoördineerde activiteiten daarom soms contraproductief. De Bank, de Commissie, de lidstaten, het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de beoogde landen en NGO´s horen voortaan aan één tafel te zitten om het belangrijke doel, namelijk de harmonisatie en de verhoging van de efficiency van maatregelen op het gebied van ontwikkelingsbeleid, te bereiken.

Hierbij is ook een aanpassing van de maatregelen aan hetgeen sinds de ondertekening van het Akkoord van Cotonou bekend is geworden, noodzakelijk. De inzet op alleen de ontwikkeling van de particuliere opbrengst uit investeringen, zoals in het Akkoord nog tot uiting wordt gebracht, is met name in de bestaansvoorziening ondoeltreffend gebleken. De EIB maakt zelf de balans op, waaruit blijkt dat investeerders zich inmiddels op de gebieden water en elektriciteit grotendeels hebben teruggetrokken. De millenniumdoelstelling om tot 2015 het aandeel van de mensen zonder toegang tot veilig drinkwater te halveren, blijkt alleen dan bereikbaar te zijn, indien de publieke sector opdracht krijgt om dit beschikbaar te stellen en hiertoe financieel in staat wordt gesteld.

De bank wijst er terecht op dat hij door de eisen van het IMF in de regel niet in de mogelijkheid verkeert om projecten van de publieke sector te financieren. Daarom bestaat de dringende noodzaak om de voor de bestaansvoorziening bestemde investeringen via het IMF uit het budget van de landen te verwijderen. Indien de mensen die door gebrek aan toegang tot drinkwater sterven, een aanzienlijke levensverzekering zouden hebben, dan zou de bereidheid om de balanscriteria te overwegen, mogelijk al groter zijn.

Met name in de watersector is – ook volgens de deskundigen van de EIB – een gemengde financiering uit kredieten en cofinanciering door de donorlanden als koninklijke weg aan te bevelen. Positieve ervaringen hierover zijn door de deutsche Kreditanstalt für Wiederaufbau gemeld.

Zo´n mengvorm van terug te betalen en niet terug te betalen middelen, analoog aan de projectsubsidies volgens IDA-criteria, zou ook noodzakelijk zijn om met maximale efficiency de EIB-activiteiten in uitzonderingssituaties zoals de maatregelen voor wederopbouw na natuurrampen mogelijk te maken. De taak om na de tsunamiramp solidariteit te tonen en te laten zien dat men tot handelen in staat is, heeft zowel actuele waarde als een voorbeeldfunctie. Volgens de wil van de Europese Unie moet de EIB voor maximaal 1 miljard euro projectmiddelen voor de noodzakelijke wederopbouw in de getroffen regio beschikbaar stellen. Grote structurele belemmeringen verhinderen echter dat deze middelen thans effectief kunnen worden ingezet. Het mandaat ALA III staat de EIB weliswaar toe om in de regio in actie te komen; gesubsidieerde projecten moeten echter Europese economische belangen dienen of met medewerking van Europese ondernemingen worden uitgevoerd. Het zou een politiek schandaal zijn als de EU, in het aangezicht van het publiek, door maatregelen van stimulering van buitenlandse economieën zelf beter zou worden van kredieten aan de regio. Alleen een uitbreiding van het ALA-mandaat met doelstellingen op het gebied van ontwikkelingsbeleid of het tot stand brengen van een speciaal mandaat voor noodhulp kan een dergelijk schandaal voorkomen.

De tweede centrale belemmering voor het gebruik van de in de EIB klaarstaande middelen in de getroffen landen is de wantoestand dat landen die van deze kredietmiddelen gebruik zouden maken, in een lagere internationale credit rating zouden terechtkomen, waardoor in de toekomst noodzakelijke kredieten voor hen duurder zouden worden. Dit verslag beveelt daarom aan om in rampsituaties in het algemeen een gemengde financiering volgens IDA-criteria toe te passen, om de beoogde transfer van middelen zelfs maar mogelijk te maken. De daarvoor vereiste gelden mogen natuurlijk niet door de Commissie ter beschikking worden gesteld door verschuiving van voor andere arme regio´s bedoelde middelen.

Om de tsunamicrisis tot kans om te buigen, dienen de in deze context als noodzakelijk aangewezen middelen en stappen in een nieuw noodhulpmandaat voor de EIB te worden samengevat, dat zich de kennis en ervaringen van de EIB uit het verleden, zoals vastgelegd in het strategische document "Funding of Reconstruction and Restoration Projects Following Natural Disasters", eigen maakt.

Verbeteringen zijn echter ook met betrekking tot de huidige projectcyclus van de EIB mogelijk en noodzakelijk, ook al neemt dit verslag er welwillend nota van dat de EIB zich hier in de afgelopen jaren sterk heeft ingespannen en duidelijke vooruitgang heeft geboekt. Als lovend dient hier met name te worden gemeld de integratie van het Environmental Impact Assessment en de Environmental Impact Statements in het proces van de projecttoekenning, alsmede de voorgenomen confrontatie met vragen die door NGO’s en het publiek naar voren worden gebracht. Het laatste punt schijnt echter in de praktijk van een nog te geringe betekenis te zijn. In het algemeen dient de consultatie met de mensen in de regio en hun structuren, evenals met supraregionaal opererende vakmensen uit NGO’s, reeds vroeger in de projectcyclus plaats te vinden.

Dit zou bevorderlijk zijn voor het aspect van de participerende projectopzet en -evaluatie, die in de ontwikkelingshulp algemeen als van doorslaggevende betekenis worden beschouwd. Zo zouden ook vragen rondom de inschatting van de sociale gevolgen en de gevolgen die van belang zijn voor de werkgelegenheid, vroegtijdig kunnen worden meegenomen. Daaronder wordt in dit verslag nadrukkelijk ook aparte inschatting van de gevolgen voor de werkgelegenheid en de sociale gevolgen voor vrouwen en de sociale gevolgen en de gevolgen op het gebied van opleidingsbeleid voor kinderen begrepen. Een statement over deze gevolgen ontbreekt in de projectcyclus van de EIB totnogtoe volledig, maar is in de context van de MDG-criteria echter absoluut noodzakelijk. Door meer rekening te houden met de regionale participatie aan de uit een investering voortvloeiende winsten, zou de EIB gerechtvaardigde kritiek, zoals het Europees Parlement bijvoorbeeld ten aanzien van de stimulering van het pijplijnproject Tsjaad-Kameroen heeft geuit, kunnen voorkomen.

Dergelijke projecten dienen echter met name volgens de inzichten van het rapport van de wereldbank "Extractive Industry Reviews" van januari 2004 volledig van de financieringslijst van de EIB te verdwijnen.

Want het zijn niet alleen de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling waaruit criteria voor de financieringsactiviteiten van de EIB in de 21ste eeuw kunnen worden verkregen. De rijkdom aan kennis van deskundigengroepen zoals de World Commission on Dams (WCD) en instellingen zoals de International Labor Organisation (ILO), de regionale commissies van de VN (UNECA en andere) of van de OESO met hun richtlijnen voor multinationale ondernemingen of van de Verenigde Naties en de agentschappen ervan, zou in de richtsnoeren voor kredietverstrekking van een moderne EIB tot uiting moeten komen. Als de EIB niet de weg wil bewandelen om eigen personeel met competentie voor de hier beschreven onderwerpen in dienst te nemen, dan dient de EIB te overwegen om externe vakkennis in te huren om zijn richtsnoeren dienovereenkomstig opnieuw te bewerken.

De samenwerking met externe deskundigen schijnt bij de EIB in vergelijking tot commerciële banken of ook andere ontwikkelingsbanken momenteel in het algemeen onderbelicht te zijn. Dat stelt de bank voor aanzienlijke problemen met betrekking tot de evaluatie van zijn projecten volgens de in dit verslag vermelde maatstaven. Met name het instrument van de globale stimulering schijnt zich grotendeels aan evaluatie te onttrekken. Zo ontstaat in de beoogde landen soms de indruk dat het instrument weliswaar voor financiering van de ontwikkeling van een sector van privé-banken geschikt zou zijn, maar niet om kleine en middelgrote ondernemingen bijvoorbeeld in de Caraïbische regio investeringsmiddelen tegen de oorspronkelijk beoogde gunstige voorwaarden ter beschikking te stellen. Mocht het laatstgenoemde doel in de toekomst met meer succes worden nagestreefd, dan is het aan te bevelen om een door regionale en onafhankelijke deskundigen op een hoger plan gebracht Clearing House in de respectievelijke te stimuleren regio´s op te bouwen, dat vanaf het begin van de projectcyclus tot de evaluatie van het resultaat begeleidt. Dit kantoor zou ook een rol van grote betekenis kunnen spelen op het belangrijke gebied van de bestijding van corruptie.

In het streven om de efficiency van de kredietactiviteiten van de Europese Gemeenschap in de ontwikkelingslanden en van hun voor dit doel belangrijkste instrument, de EIB, te verhogen, spreekt dit verslag vreugde uit over de uitstekende dialoog met de EIB en de grote bereidheid om informatie te delen tijdens raadplegingen en wordt eenduidig een pleidooi uitgesproken om de samenwerking tussen het Europees Parlement en de EIB bij taken met betrekking tot ontwikkelingsbeleid consequent uit te breiden.

Nabijgelegen stadia van deze samenwerking zouden moeten zijn: de MDG-evaluatieconferentie in september 2005, maar ook de planning van de communautaire activiteiten voor de Noord-Zuid-samenwerking voor de begrotingsperiode 2007-2013. Bovendien zou het aan te bevelen zijn om de academische deskundigheid in versterkte mate in deze constructieve dialoog te betrekken, alsook de deskundigheid van NGO´s die gespecialiseerd zijn op het gebied van de ontwikkeling. Zo zou dit verslag het begin van een toenemende samenwerking tussen de EIB en andere belangrijke partijen van de internationale ontwikkelingssamenwerking kunnen zijn.

PROCEDURE

Titel

Het effect van leningsactiviteiten van de Europese Gemeenschap in de ontwikkelingslanden

Procedurenummer

2004/2213(INI)

Reglementsartikel(en)

Art. 45

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

DEVE
18.11.2004

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

 

 

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

BUDG
31.1.2005

 

 

 

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

 

 

In het verslag opgenomen ontwerpresolutie(s)

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Gabriele Zimmer
6.10.2004

 

Vervangen rapporteur

 

 

Behandeling in de commissie

18.1.2005

15.3.2005

6.6.2005

 

 

Datum goedkeuring

6.6.2005

Uitslag eindstemming

voor:

tegen:

onthoudingen:

26
1
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Danutė Budreikaitė, Alexandra Dobolyi, Michael Gahler, Hélène Goudin, Jana Hybášková, Filip Andrzej Kaczmarek, Glenys Kinnock, Ģirts Valdis Kristovskis, Maria Martens, Miguel Angel Martínez Martínez, Gay Mitchell, Józef Pinior, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Margrietus van den Berg, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

John Bowis, Milan Gaľa, Ana Maria Gomes, Bernard Lehideux, Manolis Mavrommatis, Karin Scheele, Zbigniew Zaleski, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)

Syed Salah Kamall, Carl Schlyter

Datum indiening – A6

9.6.2005

A6-0183/2005