VERSLAG over het jaarverslag over de activiteiten van de Europese Ombudsman in 2004

    29.9.2005 - (2005/2136(INI))

    Commissie verzoekschriften
    Rapporteur: Manolis Mavrommatis

    Procedure : 2005/2015(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0276/2005
    Ingediende teksten :
    A6-0276/2005
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het jaarverslag over de activiteiten van de Europese Ombudsman in 2004 (2005/2136(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het jaarverslag over de activiteiten van de Europese Ombudsman in 2004,

    –   gelet op artikel 195 van het EG-Verdrag,

    –   gelet op artikel 43 van het Handvest van de Grondrechten,

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 november 1993 over democratie, doorzichtigheid en subsidiariteit en het interinstitutioneel akkoord over de procedures voor de tenuitvoerlegging van het subsidiariteitsbeginsel, de verordeningen en algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van Ombudsman en de bepalingen voor het optreden van het bemiddelingscomité conform artikel 189 b EG[1],

    –   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de activiteiten van de Europese Ombudsman,

    –   gelet op artikel 112, lid 1 en artikel 195, lid 2 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A6‑0276/2005),

    A. overwegende dat het Handvest van de Grondrechten op 7 december 2000 in Nice officieel is afgekondigd en dat de politieke wens bestaat dit wettelijk bindend te maken,

    B.  overwegende dat artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten bepaalt dat iedereen er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld,

    C. overwegende dat artikel 43 van het Handvest bepaalt dat "iedere burger van de Unie of iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft zich tot de Ombudsman van de Unie te wenden over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak",

    D. overwegende dat in het lopende jaar de huidige Ombudsman, de heer Nikiforos Diamandouros, zijn tweede en volledige mandaat aanvat en dat tegelijk de functie van Europese Ombudsman in september tien jaar bestaat,

    E.  overwegende dat op 8 maart 2005 het jaarverslag van de Ombudsman 2004 officieel werd voorgesteld aan de Voorzitter van het Europees Parlement en dat de Ombudsman, de heer Nikiforos Diamandouros, zijn verslag op 10 mei 2005 heeft ingediend bij de Commissie verzoekschriften in Straatsburg,

    F.  overwegende dat zich in 2004 een aanzienlijke stijging (53 %) heeft voorgedaan van het aantal klachten gericht aan de Ombudsman ten opzichte van het jaar voordien, en dat die stijging slechts voor de helft (51 %) is toe te schrijven aan de integratie tot het Europees burgerschap van de onderdanen van de tien nieuwe lidstaten,

    G. overwegende dat de Europese Ombudsman een onpartijdig orgaan is dat de burgers tegelijk een buitengerechtelijk middel tot bezwaar binnen de Unie verschaft, en dat hij in 2004 in bijna 70 % van alle hem voorgelegde gevallen concreet hulp heeft geboden, ook bij niet-ontvankelijk verklaarde klachten,

    H. overwegende dat in 2004 door de Ombudsman 251 onderzoeken werden afgesloten, waarvan 247 onderzoeken geopend naar aanleiding van klachten en 4 initiatiefonderzoeken, en dat 65 zaken na een ingediende klacht door de instelling of het orgaan zelf werden geschikt en 12 minnelijke schikkingen werden voorgesteld,

    I.   overwegende dat de Ombudsman naar aanleiding van één klacht heeft besloten bij het Europees Parlement een speciaal verslag (0I/2/2003/GG) in te dienen, namelijk inzake een geval waarbij de Ombudsman meende dat de klager onder discriminerende arbeidsomstandigheden voor de Commissie had gewerkt, waarbij deze zaak niet met een minnelijke schikking was afgerond en waarbij de Commissie zijn ontwerpaanbeveling niet had overgenomen,

    J.   overwegende dat de Ombudsman met de mogelijkheid een speciaal verslag bij het Europees Parlement in te dienen over een belangrijk instrument beschikt om steun bij het Europees Parlement en zijn Commissie verzoekschriften te zoeken teneinde in hun rechten aangetaste burgers genoegdoening te geven en binnen het Europese bestuur naar hogere standaarden te streven,

    K. overwegende dat de onderzoeken van de Ombudsman vaak gunstige resultaten voor de klagers opleveren en kunnen bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van de administratieve diensten,

    L.  overwegende dat de talrijke kritische opmerkingen die de Ombudsman in 2004 heeft geformuleerd in zijn verslag over gevallen van wanbeheer ervoor kunnen zorgen dat een foute of slechte werking in de toekomst wordt vermeden door middel van de nodige door EU-instellingen en andere organen te treffen en uit te voeren maatregelen,

    M. overwegende dat kritiek werd geuit aan het adres van het Europees Parlement wegens het gebrek aan afdoende maatregelen om de reglementering over het roken in zijn gebouwen toe te passen,

    N. overwegende dat de Ombudsman constructieve werkrelaties is blijven opbouwen, via gezamenlijke bijeenkomsten en evenementen, met de instellingen en organen van de Unie om synergieën in het licht van gemeenschappelijke doelstellingen tot stand te brengen,

    O. overwegende dat het jaarverslag blijk geeft van de door de Ombudsman geleverde inspanningen om het netwerk van nationale en regionale ombudsmannen in de Unie, de kandidaat-lidstaten, Noorwegen en IJsland uit te breiden en een groter elan te geven door de uitwisseling van informatie en optimale praktijken te bevorderen, aangezien de uitgeoefende bevoegdheden van de ombudsmannen en hun actieterreinen en verantwoordelijkheidsgebieden vaak sterk van elkaar verschillen,

    P.  overwegende dat de deelname van de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement aan dat netwerk de praktische samenwerking tussen de Europese instellingen en de nationale en regionale ombudsmannen zal vergemakkelijken, gelet op de uiteenlopende verantwoordelijkheden die hen zijn toevertrouwd,

    Q. overwegende dat de Ombudsman in 2004 zijn communicatie-initiatieven heeft opgevoerd, met name zijn informatiebezoeken, publieke manifestaties, conferenties en persinterviews om de burgers beter te wijzen op hun rechten tegenover de communautaire overheid,

    R.  overwegende dat het Europees Parlement op 6 september 2001 bij eenparigheid van stemmen is overgegaan tot de goedkeuring van de Code van goed administratief gedrag van de Europese Unie die in april 2000 in een speciaal verslag van de Ombudsman werd aanbevolen en dat de Commissie die code tot op heden niet heeft goedgekeurd,

    S.  overwegende dat de heer Diamandouros onlangs, in een brief aan de Voorzitter van het Europees Parlement en tijdens een ontmoeting met de Voorzitter van de Commissie en het College van Commissieleden, ervoor heeft gepleit dat alle instellingen en organen een gemeenschappelijk standpunt zouden innemen met betrekking tot behoorlijk bestuurlijk gedrag van de Europese Unie,

    T.  overwegende dat de Ombudsman in zijn verslag nogmaals een herziening heeft gevraagd van het Statuut dat zijn activiteiten regelt,

    1.  keurt het jaarverslag over het jaar 2004 goed dat door de Europese Ombudsman is voorgesteld en waardeert zijn nieuwe presentatie en organisatie van de inhoud, die niet alleen een compleet beeld van de in de loop van het jaar behandelde zaken en verrichte onderzoeken, maar ook een thematische, eenvoudige en duidelijke analyse verschaft;

    2.  feliciteert het bureau van de Ombudsman voor het diversifiëren en moderniseren van de jaarlijkse publicaties volgens de diverse behoeften van de klagers, parlementsleden, vaklui en het grote publiek;

    3.  verheugt zich over het sterke publieke optreden van de Ombudsman om het publiek te informeren en oordeelt dat kwalitatieve informatieverstrekking kan bijdragen aan het verminderen van het aantal klachten buiten het mandaat van de Ombudsman;

    4.  moedigt de Europese Ombudsman aan om zijn inspanningen verder te zetten en zijn activiteiten op een efficiënte en soepele manier te ontwikkelen, zodat de burgers hem beschouwen als de beschermer van het behoorlijk bestuur van de Europese instellingen;

    5.  stelt enerzijds vast dat er zich een stijging heeft voorgedaan van het aantal klachten dat door de Ombudsman is ontvangen, en anderzijds dat zowat 75 % van de klachten niet tot zijn bevoegdheid behoort, aangezien de klachten meestal zijn gericht tot de nationale overheden (die verantwoordelijk zijn voor het toepassen van het Gemeenschapsrecht);

    6.  nodigt de Ombudsman uit het concept wanbeheer[2] nader te omschrijven, zowel uit het oogpunt van de instellingen en organen waarop het van toepassing is, via een strikte en exhaustieve lijst van onderwerpen, als op het niveau van de zaken die het voorwerp van de klachten uitmaken, via een categorische uitsluiting van deze die tot het bevoegdheidsdomein van de overheden van de lidstaten behoren;

    7.  spoort de Ombudsman aan de klachten die niet tot zijn bevoegdheid behoren, direct door te blijven verwijzen, via het netwerk dat, op nationaal of lokaal niveau, uit hoofde van het subsidiariteitsbeginsel het meest geschikt is;

    8.  ondersteunt de Ombudsman in zijn doelstelling om naar een zo groot mogelijke stijging van het aantal minnelijke schikkingen te streven;

    9.  moedigt de Ombudsman aan zich te richten tot de Commissie verzoekschriften opdat in een van zijn bijeenkomsten, in voorkomend geval, in tegenspraak met de klager, zou worden beraadslaagd over elk soort weigering tot minnelijke schikking of ontwerpaanbeveling door de instelling of het orgaan;

    10. constateert dat de behandeling van zeven zaken over ontwerpaanbevelingen werd gesloten na de aanvaarding ervan door de betrokken instelling en dat één zaak aanleiding heeft gegeven tot een speciaal verslag (OI/2/2003/GG),

    11.  verwelkomt het speciale verslag (OI/2/2003/GG) van de Ombudsman en raadt de Commissie met het oog op de eerbiediging van de rechten van Europese burgers en de kwaliteit van het Europees bestuur aan de regels voor de benoeming van persvoorlichters bij haar afvaardigingen naar derde landen te herzien;

    12. verzoekt de Ombudsman voor de Commissie verzoekschriften te verschijnen zodra hij een speciaal verslag bij het Parlement indient conform artikel 195 van zijn Reglement, en wijst erop dat het Europees Parlement in het algemeen een standpunt over dergelijke verslagen inneemt door een afzonderlijk verslag met een resolutie aan te nemen;

    13. prijst de inspanningen van de Ombudsman om de Europese instellingen te laten instemmen met een kortere termijn voor klachten over het weigeren van de toegang tot documenten en spoort de Raad aan om dit voorstel te aanvaarden;

    14. nodigt alle communautaire instellingen en organen uit om de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot de documenten[3] van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zo ruim mogelijk te interpreteren; spoort met name de Commissie aan om de verspreiding van haar eigen documenten niet te verbieden op grond van het feit dat ze voor intern gebruik zijn bestemd;

    15. verzoekt de Commissie klachten over een inbreuk binnen een redelijke termijn te behandelen;

    16. spoort de Commissie aan maatregelen te treffen om een einde te stellen aan de huidige situatie waarin de instellingen en organen verschillende gedragscodes hanteren en nodigt haar uit om de Europese Code van goed administratief gedrag goed te keuren;

    17. nodigt de partijen in een onderzoek van de Ombudsman uit om de relevante artikelen uit de Europese Code aan te halen en nodigt alle communautaire instellingen en organen uit mee te werken aan de herziening ervan en krachtens artikel 27 van deze Code aan de Ombudsman verslag uit te brengen over hun tenuitvoerlegging daarvan;

    18. wijst erop dat de Commissie voorbereidende werkzaamheden zou moeten aanvatten met het oog op het voorstellen van een wet inzake behoorlijk bestuur;

    19. bevestigt de noodzaak van een herziening van het statuut van de Ombudsman, dat op 9 maart 1994 werd goedgekeurd, in het licht van de ontwikkelingen die zich in de loop van het laatste decennium hebben voorgedaan, met inbegrip van de onderzoeksbevoegdheden van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 1049/2001;

    20. moedigt de uitbreiding en versterking aan van het buitengerechtelijk beroepsysteem dat burgers een alternatief voor gerechtelijke stappen biedt, in de vorm van uitspraken en aanbevelingen die niet wettelijk bindend zijn en niet dwingend mogen worden opgelegd;

    21. moedigt de Ombudsman aan gebruik te maken van zijn bevoegdheden om aanbevelingen te doen en, in voorkomend geval, om krachtens artikel 195, lid 2 een speciaal verslag op te stellen bij klachten over de schending van rechten die zijn vastgelegd in het Handvest van de Grondrechten en om nauw samen te werken met het Europees Parlement en het toekomstig Europees Bureau voor de Grondrechten, teneinde ze op de meest gepaste wijze te verhelpen;

    22. apprecieert de nauwe samenwerking van de Europese Ombudsman met zijn nationale, regionale en lokale ambtgenoten, met name dankzij het Europees netwerk van ombudsmannen, dat is uitgegroeid tot een operationeel mechanisme om de klachten van de burgers snel en doeltreffend te behandelen;

    23. wijst erop dat de opname van de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement in het netwerk het contact met de verzoekschriftencommissies van de nationale parlementen en met de ombudsmannen van de lidstaten zal intensifiëren en bestendigen;

    24. apprecieert de inspanningen van de Ombudsman om zijn rol bij de bevolking bekend te maken en de burgers over hun rechten te informeren via de verspreiding van informatiedragers, bezoeken aan de lidstaten en conferenties;

    25. doet een dringend beroep op het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) om de regels en praktijken op het vlak van transparantie na te leven tijdens de aanwervingsprocedures, en met name zich te schikken naar artikel 4 van de Europese Code van goed administratief gedrag door zijn besluiten met redenen te omkleden;

    26. verwelkomt de goede werkrelatie tussen het bureau van de Ombudsman en de Commissie verzoekschriften, met inbegrip van een uitwisselingsproces van de zaken;

    27. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ombudsmannen of soortgelijke organen in de lidstaten.

    • [1]  PB C 329 van 6.12.1993, blz. 132.
    • [2]  De Ombudsman heeft in zijn jaarverslag van 1997 de volgende definitie voorgesteld: wanbeheer doet zich voor wanneer een overheidsinstantie niet handelt in overeenstemming met een regel of een beginsel waaraan zij is gehouden.
    • [3]  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

    TOELICHTING

    Historische achtergrond

    Op nationaal niveau werd de eerste ombudsman (Justitie) van de moderne tijd in 1809 door de Zweedse grondwet ingesteld. Op Europees niveau nodigt het Europees Parlement in de loop van de jaren zeventig, iets vóór zijn verkiezing bij algemeen kiesrecht, de Commissie uit de mogelijkheid te onderzoeken om een communautaire ombudsman in het leven te roepen, in een poging de complexiteit van haar bureaucratische structuur te verhelpen. In dat verband denken we natuurlijk aan het verslag van Sir Derek Walker-Smith over de aanstelling van een Ombudsman voor de EG, dat namens de Commissie juridische zaken werd voorgelegd en op 6 april 1979 in plenaire vergadering werd goedgekeurd. In dit baanbrekende document[1] benadrukte de Commissie dat, ook al bestond er reeds een Europese administratie of overheidsfunctie, de Ombudsman er toch in zou kunnen slagen om de Europese bureaucratie in de ogen van de burger een persoonlijk en menselijk gelaat te verschaffen.

    Dit idee wordt overgenomen in het definitieve verslag van het Comité Adonnino, dat in 1985 is gepubliceerd[2], waarin de ombudsman wordt voorgesteld als een van de symbolen, naast de vlag, het embleem en de hymne, van een nieuw Europees burgerschap. Het is echter pas op de Intergouvernementele Conferentie van 1991, waarvan de werkzaamheden uitmonden in het Verdrag van Maastricht, dat het compromis, dat door Luxemburg wordt voorgesteld en betrekking heeft op de instelling van een Europese Ombudsman die bevoegd is voor de gevallen van wanbeheer van de communautaire instellingen en organen, door de twaalf lidstaten wordt goedgekeurd.

    De eerste bekleder van het ambt, de Fin Jacob Söderman, wordt in juli 1995 benoemd. Omdat de heer Söderman besluit om vóór het einde van zijn tweede mandaat met pensioen te gaan, neemt de Griek Nikiforos Diamandouros in april 2003 de fakkel over. Op 11 januari 2005 wordt hij herverkozen door het Europees Parlement, waarna hij zijn functie in de zesde zittingsperiode opneemt.

    De functie van Europees Ombudsman bij zijn tiende verjaardag

    In medio stat virtus (waarde in het Latijn), de zegswijze van de scholastische wijsgeren uit de Middeleeuwen, zou wel eens kunnen uitgroeien tot het motto van de Europese Ombudsman, die dit jaar de 10de verjaardag van zijn activiteiten viert. De rol van de Europese Ombudsman, die aanvankelijk was opgevat als "parlementair commissaris" bekleed met hoofdzakelijk raadgevende en controlefuncties, is op korte tijd geëvolueerd, vooral in de praktijk, zodat de Ombudsman zich vandaag opwerpt als een extern controlemechanisme van de Europese publieke overheid die de herhaalde disfuncties aan de kaak stelt.

    Ziehier enkele cijfers ter illustratie: sinds 1995 en tot in 2002 steeg het aantal klachten gemiddeld met 17,9 %[3]; in 2004 lag het 5 keer hoger dan het jaar voordien (10 %). Wat betreft de relevantie van de klachten die tot de bevoegdheid van de Ombudsman behoren, stelt men van meet af aan vast dat ruim 70 % van de klachten onontvankelijk zijn: 78 % in 1995, 73 % in 1999 en 75 % in 2003. Het aantal ontwerpaanbevelingen en speciale verslagen, ten slotte, bedroeg tot in 2003 respectievelijk 58 en 8, cijfers die vanaf het jaar 2000 onveranderlijk bleven.

    Analyse van de in 2004 onderzochte klachten

    De balans van het voorbije jaar (2004) toont aan dat de instelling reeds rijp en volgroeid is: 3 726 klachten ontvangen in 2004 (dat is een toename met 53 % tegenover 2003), waarvan 3 536 uitgaande van particulieren en 190 van verenigingen en bedrijven. De pijlsnelle stijging van het aantal klachten vloeit niet enkel voort uit de uitbreiding: 657 klachten zijn afkomstig van de 10 nieuwe lidstaten, wat overeenkomt met 51 % van het groeicijfer van 2004, terwijl de resterende 49 % voor rekening komt van de klachten uit de oude lidstaten en van elders uit de wereld.

    De meeste klachten worden ingediend door onderdanen van de volgende landen: 482 uit Spanje (12,9 %), 464 uit Duitsland (12,4 %), 303 uit Frankrijk (8,1 %), 285 uit Polen (7,6 %), 269 uit Italië (7,2 %), 268 uit België (7,2 %) en 195 uit het Verenigd Koninkrijk (5,2 %).

    Als men kijkt naar de bevolking van de EU laat het geografische klassement van de klachten echter een iets ander beeld zien: Duits (18 %), Frans (13,5 %), Brits (13 %), Italiaans (12,6 %), Spaans (9,2 %), Pools (8,3 %) en Nederlands (3,5 %).

    Ontvankelijkheid en behandeling van de klachten

    2 730 klachten (74,8 %) behoren niet tot de bevoegdheid van de Ombudsman, en met name deze die niet gericht zijn tot een communautaire instelling of orgaan (91,4 %) of geen betrekking hebben op een geval van wanbeheer (6,2 %). Daarentegen behoren 919 klachten (25,2 %) tot de bevoegdheid van de Ombudsman; van die klachten, waarvan er 490 ontvankelijk zijn, mondden er 147 niet uit in een onderzoek, wat het aantal klachten die in 2004 zijn ingediend en in een onderzoek uitmondden op 343 -of zo’n 10 % van het totaal- brengt. De meest voorkomende redenen voor het onontvankelijk verklaren van een klacht zijn onder meer het gebrek aan voorafgaande administratieve stappen of de onzekerheid over de auteur of het voorwerp van de klacht.

    In totaal behandelde de Ombudsman 534 onderzoeken in 2004, waarvan 351 nieuwe, waaronder 8 initiatiefonderzoeken, en 183 klachten die uit de voorgaande jaren werden overgedragen.

    Op het totale aantal klachten dat aanleiding gaf tot een onderzoek waren er 375 gericht tegen de Europese Commissie (69 %), 58 tegen het Bureau voor personeelsselectie van de EG (10,7 %), 48 tegen het Europees Parlement (8,9 %) en 22 tegen de Raad van de Europese Unie (7,2 %). Sommige onderzoeken hebben betrekking op meer dan één instelling of orgaan.

    De piramide met de categorieën van gevallen van wanbeheer die een onderzoek rechtvaardigden, omvat de volgende lagen: gebrek aan transparantie of weigering van informatie (22 %), discriminatie (19 %), vermijdbare vertraging (12 %), procedurefouten (9 %), oneerlijke behandeling of machtsmisbruik (7 %), niet-nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit artikel 226 van het EG-Verdrag (7 %), nalatigheid (6 %) en juridische dwaling (5 %).

    Afgezien van de geopende onderzoeken heeft de Ombudsman de klagers advies verleend (in 2117 zaken) om zich te richten tot de nationale of regionale ombudsman (906 gevallen), een verzoek te richten tot het Europees Parlement (179 klagers) of de Europese Commissie te contacteren (359 gevallen); overigens heeft hij een aantal gevallen (71 klachten) zelf doorverwezen naar andere ombudsmannen (54), naar de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement (13) of naar de Europese Commissie (4).

    Tot slot heeft de Ombudsman in 2004 251 onderzoeken afgesloten, waarvan er vier op eigen initiatief waren geopend. Wat de eindbesluiten betreft, de 113- of 44,3 %- besluiten buiten beschouwing gelaten die geen wanbeheer aan het licht brachten, is er in 65 gevallen tot het besluit gekomen dat de zaak door de instelling werd geregeld na het indienen van de klacht, bevatten er 5 een minnelijke schikking, werd er in 36 gevallen -of zowat 1 % van het totaal- een kritische opmerking aan het adres van de instelling geformuleerd, omvatten er 7 een ontwerpaanbeveling die door de instelling werd aanvaard en had er 1 betrekking op een speciaal verslag aan het Europees Parlement bij gebrek aan bevredigend antwoord van de instelling op de ontwerpaanbeveling.

    Thematische analyse

    Het jaarverslag over het jaar 2004 biedt diverse leessleutels. In het bijzonder geven hoofdstukken II en III een volledig overzicht van de klachtenbehandeling en bieden ze voor hun klassement tegelijk een thematisch schema of een indeling op basis van de typologie van de besluiten voor het afsluiten van de onderzoeken. Met name in hoofdstuk III wordt ruim 1/5e van de slotbesluiten in 2004 besproken.

    Zo is een vaak voorkomende bron van bijzondere gevallen waarvoor men een beroep doet op de Ombudsman de verordening inzake de toegang van het publiek tot documenten (1049/2001 van 30 mei 2001). In 2004 loste de Ombudsman 11 klachten in dat domein op, waarvan 9 tegen de Commissie en de overige 2 tegen OLAF en de Raad. Hij heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat de Commissie een minnelijke schikking zou voorstellen in de vorm van een lijst met documenten betreffende de onderhandelingen over de investering in het kader van de WTO om de klager, van wie de vraag naar documenten eerder vaag was, in staat te stellen zijn aanvraag nauwkeuriger te formuleren. Of zo heeft hij, ook al had hij geen wanbeheer vastgesteld, ook opmerkingen gemaakt: zo heeft hij gesuggereerd dat, terwijl hij de Commissie het recht toekende om de toegang te weigeren tot gedeelten van een missierapport van het Voedsel- en Veterinair Bureau, vertrouwelijke informatie in de toekomst gescheiden van de rest van het verslag zou worden behandeld om de gedeeltelijke toegang te vergemakkelijken. In andere gevallen heeft hij uitermate kritische opmerkingen geformuleerd: bijvoorbeeld in verband met de regels van het Europees Parlement inzake stages, die wel kunnen worden gewijzigd met het oog op de bekendmaking van de lijst van geselecteerde personen die het stageaanbod hebben aanvaard, waartoe een klager de wens had geuit.

    Een ander soort klachten betreft het verzuim door de Commissie in de vervulling van haar rol als hoedster van het Verdrag, met name in het kader van het toezicht op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Hoofdstuk III illustreert drie besluiten uit deze categorie, waarvan de thema’s die het vaakst het voorwerp van bezwaren uitmaken betrekking hebben op nalatigheid bij het registreren van de klachten, buitensporige vertragingen en verzuim in de onderzoeksfase van de dossiers. Een voorbeeld: de Ombudsman formuleerde kritische opmerkingen over nalatigheid bij het registreren van klachten. In haar antwoord beloofde de Commissie hem om zich in de toekomst beter te houden aan de regels aangaande duidelijkheid en transparantie, en verbond er zich met name toe de redenen voor het weigeren van de registratie van een klacht mee te delen. Naar aanleiding van een ontwerpaanbeveling stemde ze er voorts mee in om zich te schikken naar de procedureregels die werden vastgelegd in een mededeling aan het Parlement en de Ombudsman over de betrekkingen met de klager omtrent de inbreuk op het Gemeenschapsrecht. In een ander geval formuleerde de Ombudsman een bijkomende opmerking opdat de Commissie de redenen die het besluit tot afsluiten van een klacht op basis van artikel 226 rechtvaardigen, begrijpelijker zou maken. De Commissie heeft zich overigens bij de klager verontschuldigd omdat ze hem geen recht van antwoord had verleend tegen een slotbesluit.

    Een ander type van klachten heeft te maken met de toekenning en het beheer van contracten en subsidies. Hoofdstuk III vermeldt negen besluiten op dit vlak. In een zaak waarin de Commissie in fout was op het gebied van precontractuele verantwoordelijkheid heeft ze een ontwerpaanbeveling aanvaard die de klager een gratis compensatie verleende. In een andere zaak heeft ze, na een klacht bij de Ombudsman, snel een vergissing rechtgezet bij het aflezen van een poststempel waardoor een voorstel van de klager was verworpen aangezien de termijn ten onrechte als verstreken was beschouwd. In een derde zaak, waarbij een contract was opgezegd doordat een bedrijf haar contractuele verplichtingen niet was nagekomen, beschouwde de Ombudsman het als onvoldoende dat enkel was verwezen naar de resultaten van een onderzoek van OLAF in de akte van kennisgeving die door de communautaire instellingen naar de klaagster was gezonden. Overigens vestigde de Ombudsman de aandacht van de Commissie op een algemeen principe met betrekking tot de toekenning van subsidies: het nastreven van een billijk evenwicht tussen de belangen van privé-personen en het algemeen belang.

    De rekrutering en de werkrelaties van de communautaire instellingen en organen geven aanleiding tot een hele reeks klachten van het personeel. Hoofdstuk III somt op dit vlak 15 besluiten op, wat de Ombudsman onder meer de kans heeft geboden om op te treden in kwesties van algemeen belang. Dat geldt voor de kritische opmerkingen gericht aan het Parlement wegens het niet toepassen van de regels over het roken in zijn gebouwen na een klacht uitgaande van het personeel. Meer bepaald heeft de Ombudsman te kennen gegeven dat hij het niet eens was met de opvatting van het Parlement, dat stelt dat de kwestie van de niet-naleving van de samenlevingsregels tussen rokers en niet-rokers afhangt van de verantwoordelijkheidszin van elk individu. En het Bureau van het Europees Parlement heeft zich achter de kritiek van de Ombudsman geschaard met zijn beslissing om het totale rookverbod twee jaar vroeger in te voeren en de waakzaamheid over de naleving van de reeds van kracht zijnde beperkingen te verhogen.

    Interinstitutionele samenwerking

    De samenwerking tussen de Ombudsman en de instelling of het orgaan tot wie de klacht is gericht, is onontbeerlijk om het vertrouwen van de burger over de naleving van de principes van behoorlijk bestuur op Europees niveau te herstellen. Voor het overige bepaalt de Code van goed administratief gedrag die in 2001 door het Parlement werd goedgekeurd, dat de taken die uit die principes voortvloeien zelfs via de Ombudsman kunnen worden verricht (artikel 26). De Ombudsman vraagt dan ook de steun van het Parlement om een goede samenwerking met de Commissie te bewerkstelligen (die bij 70 % van de onderzoeken is betrokken) over alle zaken die in de toekomst het voorwerp zullen uitmaken van bezwaren (blz. 46 van het verslag). De Commissie verzoekschriften deelt die mening en steunt eveneens de Ombudsman in zijn voornemen om het aantal van zijn voorstellen tot minnelijke schikking te verhogen om de goedkeuring van herstelmaatregelen in geval van wanbeheer te vergemakkelijken.

    Toepassing en herziening van de Europese Code

    Deze commissie betreurt dat er, ondanks haar herhaalde vraag aan de bevoegde communautaire overheden om de ontwerpaanbevelingen van de Ombudsman toe te passen en gevolg te geven aan zijn kritische opmerkingen (paragraaf 9 van de resolutie van De Rossa), zich geen tastbare verandering van houding heeft voorgedaan om zich systematisch te wijden aan de strijd tegen daden of gedragingen van wanbeheer. De Commissie houdt trouwens hardnekkig vast aan haar eigen code door te doen alsof ze geen weet heeft van alle oproepen (de laatste in paragraaf 21 van de resolutie van De Rossa) om de Europese Code van goed administratief gedrag te aanvaarden en toe te passen, die krachtens artikel 25 als enige gebruik maakt van de maatregelen tot kennisgeving aan het publiek. Hierdoor vergroot dit Europees uitvoeringsorgaan de onzekerheid en incoherentie van het stelsel van het beheer van de betrekkingen met de burgers.

    Om al die redenen spoort de Commissie verzoekschriften de Commissie aan maatregelen te treffen om een einde te stellen aan de huidige toestand waarin de instellingen en organen verschillende gedragscodes hanteren. Verder nodigt ze de partijen die betrokken zijn in een onderzoek van de Ombudsman, uit om in hun briefwisseling de relevante artikels van de Europese Code te vermelden om elk geval van wanbeheer uit te sluiten. Tot slot maakt ze van de gelegenheid gebruik om alle instellingen uit te nodigen bij te dragen aan de herziening van de Europese Code, zoals voorzien in haar artikel 27.

    Verkorting van de termijnen en omstandige toelichting in geval van niet-naleving van redelijke termijnen

    De Commissie verzoekschriften bekrachtigt de inspanningen van de Ombudsman om de Europese instellingen een kortere termijn in acht te laten nemen bij de behandeling van klachten over een weigering tot toegang tot documenten en spoort de Raad aan om dit voorstel te aanvaarden. Voorts betreurt ze dat sommige instellingen niet in staat zijn om een overtuigende verklaring te geven voor het feit dat ze gedurende lange periodes (van bijna twee jaar: klacht 2185/2002/IP en 2204/2002/MF tegen de Commissie) niets ondernemen. Ze treedt de kritische opmerkingen van de Ombudsman over dit duidelijke gebrek aan ijver bij en pleit ten minste voor de toepassing bij analogie van de maatregelen vastgelegd in artikel 17, lid 2 van de Europese Code in geval van een besluit over complexe aangelegenheden.

    Bedenkingen bij de evolutie van de rol van de Europese Ombudsman

    Na elke lezing van het jaarverslag van de Ombudsman moet men vaststellen dat het aandeel van de klachten die niet onder zijn bevoegdheid vallen hoog ligt (74,8 % in 2004, 75 % in 2003, 72 % in 2002 en 80 % in 1995); overigens is een overweldigende meerderheid daarvan noch tot een communautaire instelling, noch tot een communautair orgaan gericht. In het licht van de huidige bedenkingen over de pedagogische tekortkomingen van de Europese instellingen en nationale regeringen tegenover de volkeren van de Unie, na de dubbele mislukking van de referenda, in Frankrijk en Nederland, over het Europees grondwettelijk verdrag, hebben de Europese Ombudsman en de Commissie verzoekschriften als taak hun roeping ten dienste te stellen van de dialoog met de burgers. In het bijzonder zullen ze op een eenvoudige en duidelijke manier moeten uitleggen wat hun respectieve bevoegdheden zijn en wat de fundamentele criteria (inzake toekenning, subsidiariteit en proportionaliteit) zijn om te erkennen waaruit de “Europese bevoegdheden” voortvloeien en wat hun reikwijdte is, en wat de draagwijdte en bijgevolg de grenzen van het toezicht zijn op de nationale administratieve handelingen die tot het bevoegdheidsdomein van de Unie behoren.

    In dit opzicht kunnen de initiatieven van de Europese Ombudsman met het oog op een proactieve visie op zijn mandaat alleen maar worden toegejuicht. En in die rol heeft de huidige Ombudsman aangetoond dat hij zijn mogelijkheden goed kent door enerzijds voor te stellen om de samenwerking met zijn nationale of regionale ambtsgenoten op te voeren via gezamenlijke onderzoeken of het activeren van één enkele telefoonlijn die toegang verschaft tot het netwerk van ombudsmannen, en anderzijds meer initiatiefonderzoeken te openen en de hoogste standaarden inzake Europees overheidsbestuur te ontwikkelen.

    Het statuut dat de activiteiten van de Ombudsman reglementeert, gaat terug tot het Parlementair besluit van 9 maart 1994. Om die reden verzoekt de heer Diamandouros nogmaals het statuut te herzien, onder meer om de Ombudsman ruimere onderzoeksbevoegdheden toe te kennen, met name wat betreft de toegang tot documenten en het getuigenverhoor.

    Terwijl de Commissie verzoekschriften de noodzaak van dergelijke initiatieven onderschrijft, benadrukt ze ook het fundamentele belang om de onpartijdigheid veilig te stellen van dit drukkings- en verzoeningsorgaan tussen de Europese publieke overheid en de burgers dat buitengerechtelijke oplossingen biedt. Anderzijds lijkt het niet opportuun -ondanks de heersende onzekerheid over het lot van het grondwettelijk verdrag- hem toegang te geven tot de wetgevende bezwaarmiddelen. Het feit dat de Europese Ombudsman steeds blijk heeft gegeven van zijn voorkeur voor de interpretatie van de communautaire normen zoals vastgelegd door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, impliceert immers niet dat hij zich kan beroepen op het oordeel ervan over de meest delicate aspecten van de zaken die hij behandelt, zoals in het geval van principekwesties over de schending van de grondrechten.

    Toch gaf het Parlement onlangs zijn goedkeuring aan het initiatiefverslag Gal[4] over de bescherming van de grondrechten, en in die context maakt het gewag van het bezwaarrecht van de instellingen tegenover het Hof in het belang van de wet, door ervoor te pleiten zich via deze weg zelf te mogen "opwerpen als de verdediger van de rechten van de burgers wanneer de grondrechten door een handeling van de Unie dreigen te worden aangetast ". De Ombudsman zou zijn rol dan kunnen vervullen door via de speciale verslagen de gevallen van wanbeheer aan te klagen die een schending van de grondrechten zouden kunnen vormen, of in zijn jaarverslag speciale aandacht kunnen besteden aan de bijzondere gevallen die tekenend zijn voor een geregelde slechte werking van de Europese bureaucratie, met name in het licht van de principes en procedureregels over behoorlijk bestuur en transparantie die in artikel 41 en 42 van het Handvest van de Grondrechten worden bekrachtigd. In diezelfde optiek zal de Europese Ombudsman succesvol kunnen samenwerken met het toekomstige Bureau voor de Grondrechten en een belangrijke rol kunnen spelen in de structuur met verschillende niveaus, "netwerken van netwerken", die in het genoemde verslag wordt aangekondigd om de overlapping van activiteiten tussen verschillende organen te vermijden.

    Ten slotte steunt de Commissie verzoekschriften de vraag van de Ombudsman aan de Europese Commissie om een wetgeving te voorzien die erop is gericht het goede beheer in de instellingen en organen van de Unie te bevorderen; tegelijk onderstreept ze echter dat een dergelijke stap niet onontbeerlijk is als de Commissie voor haar diensten de Europese Code onderschrijft. Daarom spoort het Europees Parlement de nieuwe Commissie onder het voorzitterschap van de heer Barroso aan onverwijld werk te maken van alle nodige maatregelen om aan te tonen dat -ondanks de politieke onzekerheid over de toekomst van de Unie- ze werkelijk overweegt om het op de plenaire zitting in juni in Straatsburg aangekondigde plan D voor democratie en dialoog met de burgers, op de sporen te zetten om de Unie uit de vertrouwenscrisis van de burgers tegenover hun instellingen te helpen geraken.

    • [1]  Verslag over de benoeming van een communautaire Ombudsman door het Europees Parlement, opgesteld door de Commissie juridische zaken, EG (1979), PB C 29/79
    • [2]  EG-commissie-Adonnino, "A people's Europe" in het Bulletin van de Europese Gemeenschappen, supp. 7/85
    • [3]  The international Ombudsman Yearbook, volume 6/2002, blz.161
    • [4]  Initiatiefverslag (2005/2007(INI)) over Bevordering en bescherming van de grondrechten: de rol van
      de nationale en Europese instellingen, met inbegrip van het Bureau voor de Grondrechten,
      aangenomen op 26.5.2005.

    PROCEDURE

    Titel

    Het jaarverslag over de activiteiten van de Europese Ombudsman in 2004

    Procedurenummer

    2005/2136(INI)

    Reglementsartikel(en)

    art. 112, lid 1 en 195, lid 2

    Commissie ten principale
      Datum bekendmaking toestemming

    PETI
    4.7.2005

     

    Medeadviserende commissie(s)
      Datum bekendmaking

     

     

     

     

     

    Geen advies
      Datum besluit

     

     

     

     

     

    Nauwere samenwerking

            Datum bekendmaking

     

     

     

     

     

    In het verslag opgenomen ontwerpresolutie(s)

     

     

     

    Rapporteur(s)
      Datum benoeming

    Manolis Mavrommatis
    17.3.2005

     

    Vervangen rapporteur

     

     

    Behandeling in de commissie

    14.7.2005

     

     

     

     

    Datum goedkeuring

    13.9.2005

    Uitslag eindstemming

    voor:

    tegen:

    onthoudingen:

    17

    0

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Robert Atkins, Mairead McGuinness, Manolis Mavrommatis, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Andreas Schwab, Richard Seeber, Rainer Wieland, Michael Cashman, Proinsias De Rossa, Alexandra Dobolyi, Maria Matsouka, Janelly Fourtou, Diana Wallis, David Hammerstein Mintz, Marcin Libicki, Roger Helmer

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Marie-Hélène Descamps

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)

     

    Datum indiening – A[6]

    29.9.2005

    A6-0276/2005