VERSLAG over de rol van "Euroregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid

19.10.2005 - (2004/2257(INI))

Commissie regionale ontwikkeling
Rapporteur: Kyriacos Triantaphyllides

Procedure : 2004/2257(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0311/2005
Ingediende teksten :
A6-0311/2005
Debatten :
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de rol van "Euroregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid

(2004/2257(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 87, lid 3 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 158 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (COM(2004)0628),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (COM(2004)0495),

–   gezien het voorstel voor een verordening van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (COM(2004)0492),

–   gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van het Cohesiefonds (COM(2004)0494),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van een Europese groepering voor grensoverschrijdende samenwerking (EGGS) (COM(2004)0496),

–   gezien de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten van de Raad van Europa (Madrid, 21 mei 1980) en de bijbehorende Aanvullende Protocollen, en het Europees Handvest inzake lokale autonomie van de Raad van Europa (Straatsburg, 15 oktober 1985),

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0311/2005),

A. overwegende dat de uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei 2004 tot 25 lidstaten heeft geleid tot grotere verschillen tussen Europese regio’s, dat de komende uitbreidingen die verschillen nog verder kunnen vergroten, en overwegende dat de uitbreiding tevens heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het aantal grensregio’s; voorts overwegende dat de Euroregio’s een beslissende bijdrage hebben geleverd aan het slechten van de grenzen in Europa, het opbouwen van goede burenrelaties, het bijeenbrengen van mensen aan weerszijden van de grenzen en het wegnemen van vooroordelen, met name via grensoverschrijdende samenwerking op plaatselijk en regionaal niveau,

B.  overwegende dat de onderlinge regionale verschillen in de uitgebreide Unie moeten worden verminderd en moeten worden aangepakt met behulp van een doelmatig cohesiebeleid, ten behoeve van een harmonieuze ontwikkeling binnen de EU,

C. overwegende dat ontwikkeling van grensoverschrijdende samenwerking onderdeel is van een doelmatig cohesiebeleid, evenals het definitief overwinnen van de huidige moeilijkheden bij het financieren van gezamenlijke projecten waarvan plaatselijke autoriteiten en regio’s aan beide zijden van een grens gelijkelijk profiteren,

D. overwegende dat Euroregio’s en vergelijkbare structuren belangrijke instrumenten van grensoverschrijdende samenwerking zijn, doch niettemin verder moeten worden ontwikkeld en verbeterd, en dat ze een zekere juridische status moeten bezitten,

E.  overwegende dat het uiteindelijke doel van Euroregio's de bevordering is van grensoverschrijdende samenwerking tussen grensregio's of plaatselijke instanties en regionale autoriteiten, alsmede sociale partners of andere actoren, die niet noodzakelijkerwijs lidstaat hoeven zijn van de Europese Unie, inzake aspecten als cultuur, onderwijs, toerisme, economische vraagstukken, of andere aspecten van het dagelijks leven,

F.  overwegende dat de Vereniging van Europese grensregio’s diverse verslagen heeft opgesteld over de stand van de grensoverschrijdende samenwerking in Europa en studies heeft verricht naar een grensoverschrijdend wettelijk instrument voor de decentrale samenwerking tussen de Europese Commissie en het Comité van de Regio’s,

1.  is van oordeel dat grensoverschrijdende samenwerking van fundamenteel belang is voor de Europese cohesie en integratie, en derhalve breed moet worden ondersteund;

2.  verzoekt de lidstaten zich in te zetten voor het gebruik van Euroregio’s als een van de instrumenten voor grensoverschrijdende samenwerking;

3.  wijst erop dat Euroregio’s en vergelijkbare structuren belangrijke grensoverschrijdende taken vervullen, zoals:

     -    voorlichting van en dienstverlening aan de burger, institutionele besparingen, regionale en plaatselijke autoriteiten,

     -    verzamelpunt voor gemeenschappelijke waarden, doelstellingen en strategieën,

     -    drijvende kracht voor de oplossing van grensoverschrijdende problemen, en

     -    politieke spreekbuis voor alle grensoverschrijdende aangelegenheden;

4.  merkt op dat de Euroregio’s een spilfunctie voor alle grensoverschrijdende betrekkingen, contacten, kennisoverdrachten, operationele programma’s en projecten vervullen. Zij moeten een duidelijke juridische status bezitten om hun werk te kunnen verrichten;

5.  benadrukt dat grensoverschrijdende samenwerking een passende benadering is voor het oplossen van dagelijkse problemen aan weerszijden van de grens, met name op economisch, maatschappelijk, cultureel en milieugebied;

6.  benadrukt dat grensoverschrijdende samenwerking een aanzienlijke bijdrage levert aan de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon, te weten door:

     -    gezamenlijke vernieuwing en onderzoek,

     -    grensoverschrijdende O&O-netwerken, en

     -    de uitwisseling van beste praktijken en ervaringen;

7.  merkt op dat Euroregio’s de proximiteitsbanden versterken door projecten rond de uitwisseling van plaatselijke beste praktijken; acht het daarom van bijzonder belang dat steun in de vorm van microprojecten, waarin de thans geldende Interreg-verordening[1], voorziet, onder de Structuurfondsen blijft gehandhaafd;

8.  wijst op de lopende wetgevingsinitiatieven met het oog op een EGGS, waarmee beoogd wordt de instrumenten voor grensoverschrijdende samenwerking te vereenvoudigen (de activiteiten vergemakkelijken, de procedures rationaliseren en de exploitatiekosten reduceren), en zo een platform voor Euroregio’s te ontwikkelen;

9.  benadrukt de noodzaak prioriteit toe te kennen aan het wegnemen van de onderlinge verschillen tussen regio’s in de nieuwe lidstaten en die in de oude lidstaten;

10. benadrukt de noodzaak het concept van Euroregio’s en soortgelijke, niet noodzakelijkerwijs met wetgevende bevoegdheden toegeruste structuren, uit te breiden met talloze facetten van samenwerking, bijvoorbeeld op terreinen van gemeenschappelijk belang als cultuur, onderwijs, toerisme en economische aangelegenheden alsmede, in bepaalde gevallen, de bestrijding van georganiseerde misdaad, drugshandel en fraude, in nauwe samenwerking met de desbetreffende nationale instanties;

11. wijst op de noodzaak van integratie tussen geprogrammeerde projecten in landen die aan elkaar grenzen;

12. verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de instrumenten van grensoverschrijdende samenwerking te vereenvoudigen;

13. wenst dat Euroregio’s en vergelijkbare structuren, zoals voorgesteld in het juridische kader van de EGGS, met ingang van 2007 en in samenwerking met de nationale instanties, ook de mogelijkheden krijgen voor de uitwerking, de tenuitvoerlegging en het beheer van grensoverschrijdende programma’s binnen de EU, evenals programma’s in de sfeer van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsprogramma respectievelijk het Instrument voor Pre-toetredingssteun (IPA-programma);

14. benadrukt het belang van grensoverschrijdende samenwerking in Euroregio's voor lidstaten met natuurlijke handicaps, met inbegrip van kleine eilandstaten;

15. benadrukt de noodzaak van steun voor grensoverschrijdende samenwerking en van de oprichting van Euroregio’s, waaronder regio’s in het gevoelige Midden-Oosten, een coördinerende rol kan vervullen met het oog op de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen, stabiliteit, veiligheid en economische belangen in een geest van wederzijds respect en voordeel;

16. vestigt de aandacht op paragraaf 1(xxvii) van de resolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van het Cohesiefonds[2] en verzoekt de Commissie met voorstellen te komen voor een op hetzelfde beginsel gebaseerd premiestelsel in de vorm van een ‘communautaire kwaliteits- en effectiviteitsreserve’ die zich specifiek richt op prikkels ter bevordering van maatregelen die grensoverschrijdende effecten hebben of die aansluiten op de bestaande infrastructuur in de Euroregio’s;

17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

TOELICHTING

DEFINITIE VAN EUROREGIO'S - Een door de Raad van Europa ontwikkeld concept

De bestaande Euroregio's zijn initiatieven van grensregio's of andere plaatselijke entiteiten van meerdere landen (niet noodzakelijkerwijs lidstaten van de EU) en hebben in EU-verband geen duidelijke status. In de meeste gevallen hebben Euroregio's geen rechtspersoonlijkheid en zijn zij vrij klein. De kwalificatie "Euroregio" is niet beschermd. Euroregio's concentreren zich op grensoverschrijdende samenwerking, waarbij culturele aspecten maar ook het bevorderen van toerisme en andere vormen van economische activiteit centraal staan.

De juridische status van Euroregio's verschilt van geval tot geval. Een Euroregio kan een belangengemeenschap zijn zonder rechtspersoonlijkheid, een Europese economische belangengroep, een vereniging zonder winstoogmerk, een werkgemeenschap zonder rechtspersoonlijkheid of een publiekrechtelijk orgaan. Euroregio's en andere vormen van grensoverschrijdende samenwerkingsstructuren leiden niet tot een nieuw soort bestuur op grensoverschrijdend niveau. Zij hebben geen politieke macht en hun werk blijft beperkt tot de bevoegdheden van de plaatselijke en regionale autoriteiten die hierin zijn verenigd. Binnen de beperkingen van de geografische omvang van de samenwerking, berusten de grensoverschrijdende structuren op afspraken of samenwerking tussen entiteiten op plaatselijk of regionaal bestuurlijk niveau over de grenzen heen, ter bevordering van gemeenschappelijke belangen en ter verbetering van het welvaartsniveau van de bevolking in de grensstreek.

De Vereniging van Europese grensregio's heeft voor Euroregio's de volgende criteria vastgesteld:

–         Een associatie van plaatselijke en regionale autoriteiten aan weerszijde van een nationale grens, soms met een eigen parlementaire assemblee;

–         Een grensoverschrijdende associatie met een permanent secretariaat en een technisch en administratief team dat over eigen middelen beschikt;

–         De Euroregio valt onder het privaatrecht, is gebaseerd op niet op winst gerichte associaties of stichtingen aan weerszijden van de grens, in overeenstemming met de respectieve nationale wetgevingen;

–         De Euroregio is van publiekrechtelijke aard, gebaseerd op interstatelijke overeenkomsten, en houdt zich onder andere bezig met de participatie van territoriale overheden.

Vandaag de dag zijn er meer dan 70 grensoverschrijdende regio's in Europa, die soms onder de naam van Euroregio's opereren en soms onder het predikaat van werkgemeenschappen. Ofschoon sommige van deze initiatieven teruggaan tot de vijftiger jaren hebben vooral de negentiger jaren een grote toename te zien gegeven van grensoverschrijdende regio's overal in Europa. Op dit moment zijn er vrijwel nergens plaatselijke of regionale autoriteiten in grensregio's die niet op de een of andere manier betrokken zijn bij grensoverschrijdende samenwerking.

Juridisch gezien is het concept van een administratief orgaan dat het voor het zeggen heeft in sub-nationale grensoverschrijdende regio's, moeilijk ten uitvoer te leggen. De eerste grensoverschrijdende regio's waren gebaseerd op overeenkomsten waarvan de formele verankering nogal eens verschilde en de meeste waren vooral gebaseerd op een goede onderlinge verstandhouding.

In 1980 sloten een reeks Europese landen op initiatief van de Raad van Europa een internationaal verdrag, het zogeheten Verdrag van Madrid, als eerste stap in de richting van grensoverschrijdende publiekrechtelijke samenwerkingsstructuren. De overeenkomst is getekend door 20 landen en werd onlangs aangevuld met twee protocollen. De overeenkomst biedt een juridisch kader voor de sluiting van bi- en multinationale overeenkomsten voor publiekrechtelijke grensoverschrijdende samenwerking tussen NCG's. Een voorbeeld van dergelijke overeenkomsten is het Duits-Nederlandse grensoverschrijdende verdrag van 1991, dat sinds 1993 is uitgemond in een grensoverschrijdend publiekrechtelijk lichaam. Besluiten van dergelijke instanties zijn echter alleen bindend voor de autoriteiten binnen de betrokken grensregio.

GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING IN DE EU: Horizon 2006

De meest kenmerkende eigenschap van grensoverschrijdende activiteiten van de EU is dat deze vooral financieel van aard zijn. Veel grensoverschrijdende initiatieven komen in aanmerking voor ondersteuning uit hoofde van het communautaire initiatief Interreg, dat door de Europese Commissie in 1990 werd gelanceerd, zoals Interreg III in 1999. Voor de periode 2000-2006 is hiervoor de begroting uitgetrokken 4.875 miljoen € oftewel ongeveer 2,3% van de cohesiebegroting. Het programma dat van belang is voor grensoverschrijdende samenwerking is Interreg IIIA, waarin alle regio's aan externe en interne landsgrenzen worden vermeld, alsmede sommige maritieme regio's die in aanmerking komen voor steun.

Via het communautaire initiatief INTERREG IIIA financiert het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) grensoverschrijdende samenwerkingsactiviteiten in NUTS III-regio's die worden gedefinieerd op communautair niveau. Gehele landen die op NUTS I-niveau zitten maken geen deel uit van Euroregio's en komen nooit in aanmerking voor cofinanciering uit het EFRO uit hoofde van het INTERREG IIIA-programma. In hun voorstellen voor in het kader van INTERREG te cofinancieren programma's zullen EU-lidstaten voorstellen indienen voor de mate waarin Euroregio's moeten participeren in de tenuitvoerlegging van INTERREG IIIA-programma's. Zo zullen bijvoorbeeld sommige landen optreden als beheersautoriteiten van een programma of als projecteigenaars als het gaat om specifieke projecten, en zullen andere lidstaten diensten verlenen als contactpunt voor INTERREG.

Symptomatisch voor de wijze waarop de Europese integratie in de periode na de oorlog is verlopen, is het feit dat de tamelijk juridische benadering van de Raad van Europa - waarin grensoverschrijdende regio's als formeel politiek/bestuurlijke entiteiten werden voorgesteld - later werd vervangen door een meer pragmatische en meer economisch georiënteerde aanpak in de context van het regionaal beleid van de EU.

Men kan twisten over de vraag of de Europese Unie moet worden beschouwd als een stuwende kracht achter het ontstaan en de uitbreiding van grensoverschrijdende samenwerking in Europa. Op het eerste gezicht zou de EU kunnen worden beschouwd als een belangrijke katalysator, met name doordat grenzen geleidelijk aan hun betekenis verloren hebben, doordat regio's steeds beter op supranationaal niveau werden vertegenwoordigd en vanwege het Interreg-programma. Het effect van de EU wordt echter vaak overschat, omdat voorbijgegaan wordt aan het feit dat de grensoverschrijdende samenwerking vooral het resultaat is van een bottom-up aanpak. Bij de eerste initiatieven waren landen als Zwitserland betrokken, een land dat geen lid is van de EU. In het Duitse gedeelte van het zuidelijke stroomgebied van de Rijn is 80% van de DBI van Zwitserse herkomst, en is een grensoverschrijdende arbeidsmarkt ontstaan. Soortgelijke verschijnselen zijn waar te nemen in het gebied rond Genève.

De buitengewone groei van de grensoverschrijdende samenwerking sinds 1988 kan echter zeker niet los worden gezien van de start van EU-ondersteuningsregelingen ten behoeve van grensoverschrijdende initiatieven in West-Europa en, sinds de negentiger jaren, steeds meer ook in Oost- en Midden-Europa. Van de 26 initiatieven in 1988, toen het directoraat-generaal zijn eerste proefprojecten lanceerde, is dit aantal bijna verdrievoudigd tot 70 in 1999. Kwalitatieve indicatoren tonen aan dat de onlangs gevormde Euroregio's, bijvoorbeeld de Euroregio's aan de Oost- en Zuid-Duitse grenzen, over het algemeen nauw zijn betrokken bij de tenuitvoerlegging van Interreg-initiatieven. Vóór de toetreding van Oostenrijk tot de EU waren er geen Euroregio's aan de Oostenrijks-Duitse grens, maar tussen 1994 en 1998 zijn hier vijf nieuwe Euroregio's opgericht. Soortgelijke voorbeelden bieden talrijke Oost- en Centraal-Europese grensoverschrijdende initiatieven.

Sinds hun oprichting zijn veel van de werkgemeenschappen gestagneerd in termen van politiek belang en begroting, doch is aan de bloei van de kleinere Euroregio's geen einde gekomen, gedeeltelijk omdat zij nauwer betrokken zijn bij het Interreg-programma, dat uitsluitend van toepassing is op eng gedefinieerde grensregio's. Kennelijk is de institutionele vorm van de Euroregio beter geschikt voor het spelen van een actieve rol in de tenuitvoerlegging van EU-beleidsmaatregelen dan de grotere werkgemeenschappen.

EU-grensoverschrijdende samenwerking 2007-2013.

1) Een intern instrument

Overeenkomstig de logica van haar derde cohesieverslag heeft de Europese Commissie haar prioriteiten beperkt tot drie doelstellingen, namelijk: convergentie, regionaal concurrentievermogen en territoriale samenwerking. In deze context zijn de communautaire initiatieven gestroomlijnd.

Om tegemoet te komen aan de behoefte van de uitgebreide Europese Unie heeft de Commissie voorgesteld over te gaan tot oprichting van een Europese groepering voor grensoverschrijdende samenwerking (EGGS), waarin een kader wordt gecreëerd voor het beheer van samenwerkingsprogramma's door een grensoverschrijdende autoriteit. Dit voorstel maakt deel uit van het cohesie-wetgevingspakket dat bestaat uit een algemene verordening; een verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Regionaal Ontwikkeling (EFRO). De nieuwe voorstellen zijn gericht op rationalisering van procedures en vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende en regionale samenwerking.

De EGGS heeft twee facetten. In de eerste plaats is zij een instrument voor grensoverschrijdende samenwerking in gevallen waar alleen de regeringen de entiteit kunnen aanwijzen die kan beschikken over kredieten. Deze kan alleen begunstigde van kredieten zijn maar niet het beheer hierover voeren. Zij is tevens een nieuw wetgevingsinstrument dat gemeenschappen in staat stelt samen te werken zonder interventie van de structuurfondsen[3]1.

Uit de aard van territoriale samenwerking vloeit regionale en plaatselijke participatie voort zonder betrokkenheid van de lidstaten. De leden kunnen een EGGS opzetten als afzonderlijke juridische entiteit of de taken daarvan toewijzen aan een van de leden. De EGGS moet het voorwerp zijn van een door de leden opgestelde overeenkomst, waarin functies, taken, de duur en de voorwaarde voor ontbinding, de jurisdictie, enz. worden vastgelegd. De overeenkomst moet ter kennis worden gegeven aan de relevante lidstaten en het Comité van de regio's. Bovendien is het de bedoeling dat de lidstaat met jurisdictie en onder wiens wetgeving de overeenkomst is geregistreerd, het beheer voeren over de overheidsfondsen[4]2 en informatie verschaffen aan andere lidstaten over de resultaten van controles.

De EGGS moet haar statuten opstellen op basis van de overeenkomst. De statuten bevatten een lijst van haar leden, omschrijving van de doelstellingen en taken, de naam en het adres van de hoofdzetel, de constituerende organen, met inbegrip van de ledenraad en het bestuur, door wie en hoe de EGGS wordt vertegenwoordigd, de besluitvormingsprocedure, de vaststelling van werktalen of de werktaal, de wijze van het functioneren, met name voor wat betreft personeelsbeheer, aanwervingsprocedures, de aard van personeelscontracten, het waarborgen van de stabiliteit van samenwerkingsacties, bepalingen inzake de financiële bijdragen van leden en de van toepassing zijnde boekhoudkundige en begrotingsbepalingen, en bevatten tenslotte bepalingen betreffende een onafhankelijke organisatie voor financiële controle en externe audit autoriteiten.

Bestaande bilaterale overeenkomsten over grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en/of regionale en plaatselijke autoriteiten, bijvoorbeeld de Karlsruhe-overeenkomst, zullen van kracht blijven.

23 lidstaten van de 25 hebben hun twijfels geuit over dit instrument. Deze landen zijn ervoor beducht dat in hun landen supranationale structuren worden gecreëerd. Deze angst vloeit voort uit het feit dat regionale en plaatselijke autoriteiten geen goedkeuring van de centrale overheid nodig zouden hebben om een EGGS op te richten.

Gezien de kwetsbare aard van de EGGS en proximiteitsbanden die dit instrument versterkt, is het echter van het allergrootste belang dat dit instrument wel degelijk van de grond komt, met name met het oog op verdere uitbreidingen. Dergelijke instrumenten zijn van vitaal belang voor de nieuwe lidstaten, die kunnen profiteren van uitwisseling van beste praktijken.

Het concept van Euroregio's kan worden uitgebreid tot meerdere facetten van samenwerking. De ondertekening van de "Maastricht-resolutie" door de Euroregio Rijn-Maas is een duidelijke indicatie van het belang van grensoverschrijdende samenwerking inzake gevoelige kwesties als drugs en georganiseerde misdaad. Voor verscheidene lidstaten is derhalve een actieve rol weggelegd bij de versterking van grensoverschrijdende samenwerking. Zo zou bijvoorbeeld Cyprus, een eiland met directe banden met het Midden-Oosten, een pijler kunnen worden voor het Europees partnerschaps- en nabuurschapsinstrument (ENPI), en een actieve rol kunnen spelen in de strijd tegen georganiseerde misdaad en drugshandel.

Een ander potentieel aspect van grensoverschrijdende samenwerking betreft onderwijsvraagstukken. Het uitbreiden van vroegere studentenuitwisselingen tussen aangrenzende regio's zou een belangrijke steun in de rug geven voor culturele compatibiliteit van aangrenzende regio's.

2) Een instrument voor externe betrekkingen

Het nieuwe instrument Europees Nabuurschaps-en Partnerschapsinstrument (ENPI) zal de bestaande geografische en thematische programma's in betrokken landen vervangen. Een specifiek kenmerk van het ENPI is de grensoverschrijdende samenwerkingscomponent. Zo zal het ENPI "gezamenlijke programma's" financieren die regio's van lidstaten en partnerlanden die een gemeenschappelijke grens hebben, samenbrengt. Het zal een aanpak volgen die grotendeels is ontleend aan structuurfondsbeginselen zoals meerjarige programmering, partnerschap en cofinanciering, doch aangepast aan de specifieke kenmerken van externe betrekkingen. De component van grensoverschrijdende samenwerking van het ENPI zal worden gecofinancierd door het EFRO. De partnerlanden die door dit instrument worden gedekt, zijn landen die momenteel geen uitzicht hebben op toetreding en voor wie het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) is bedoeld.

PROCEDURE

Titel

De rol van "Euroregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid

Procedurenummer

2004/2257(INI)

Basisontwerpresolutie

Art. 45

 

 

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

REGI
13.1.2005

 

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

 

 

 

 

 

Nauwere samenwerking
  Datum bekendmaking

 

 

 

 

 

Overige in het verslag op genomen ontwerpresoluties(s)

 

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Kyriacos Triantaphyllides
19.1.2005

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

11.7.2005

 

 

 

 

Datum goedkeuring

6.10.2005

Uitslag eindstemming

voor:
tegen:
onthoudingen:

42
2
0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Elspeth Attwooll, Jean Marie Beaupuy, Rolf Berend, Jana Bobošíková, Graham Booth, Bernadette Bourzai, Bairbre de Brún, Gerardo Galeote Quecedo, Iratxe García Pérez, Eugenijus Gentvilas, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Ambroise Guellec, Gábor Harangozó, Marian Harkin, Konstantinos Hatzidakis, Jim Higgins, Alain Hutchinson, Carlos José Iturgaiz Angulo, Mieczysław Edmund Janowski, Gisela Kallenbach, Tunne Kelam, Miloš Koterec, Constanze Angela Krehl, Sérgio Marques, Francesco Musotto, Lambert van Nistelrooij, Jan Olbrycht, Markus Pieper, Francisca Pleguezuelos Aguilar, Christa Prets, Elisabeth Schroedter, Grażyna Staniszewska, Catherine Stihler, Margie Sudre, Kyriacos Triantaphyllides, Oldřich Vlasák, Vladimír Železný

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Giusto Catania, Jillian Evans, Louis Grech, Stanisław Jałowiecki, Toomas Savi, Thomas Ulmer, Manfred Weber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)

 

Datum indiening – A6

19.10.2005

A6-0311/2005

Opmerkingen

...

  • [1]  Mededeling van de Commissie van 2/9/2004 aan de lidstaten, tot vaststelling van richtsnoeren voor een communautair initiatief betreffende Trans-Europese samenwerking ter stimulering van een harmonieuze en evenwichtige ontwikkeling van de Europese ruimte — INTERREG III (PB C 226, 10.9.2004, blz.2)
  • [2]  Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0278).
  • [3] 1 (Artikel 159 van het EG-Verdrag).
  • [4] 2 Zowel nationale als communautaire kredieten.