AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op EG-instellingen en organisaties

30.11.2005 - (6273/2/2005 – C6‑0297/2005 – 2003/0242(COD)) - ***II

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Rapporteur: Eija-Riitta Korhola


Procedure : 2003/0242(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0381/2005
Ingediende teksten :
A6-0381/2005
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op EG‑instellingen en organisaties

(6273/2/2005 – C6‑0297/2005 – 2003/0242(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (6273/2/2005 – C6‑0297/2005),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[1] inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003)0622)[2],

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6‑0381/2005),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Gemeenschappelijk standpunt van de RaadAmendementen van het Parlement

Amendement 1

Overweging 1

(1) De communautaire milieuwetgeving beoogt onder meer bij te dragen tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de menselijke gezondheid.

(1) De communautaire milieuwetgeving beoogt onder meer bij te dragen tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bevordering van duurzame ontwikkeling en de bescherming van de menselijke gezondheid.

Motivering

Het begrip duurzame ontwikkeling speelt niet alleen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van milieuwetgeving in de Gemeenschap; artikel 6 van het EG-Verdrag bepaalt ook dat de milieubescherming geïntegreerd moet worden in het communautair beleid om duurzame ontwikkeling tot stand te brengen.

Amendement 2

Overweging 8

(8) De definitie van milieu-informatie in deze verordening omvat informatie in ongeacht welke vorm over de toestand van het milieu. Deze definitie, die afgestemd is op die van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie, heeft dezelfde inhoud als de definitie die in het Verdrag van Aarhus wordt gehanteerd. De definitie van "document" in Verordening (EG) nr. 1049/2001 omvat ook milieu-informatie als omschreven in de onderhavige verordening.

(8) De definitie van milieu-informatie in deze verordening omvat informatie in ongeacht welke vorm over de toestand van het milieu. Deze definitie is afgestemd op die van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en omvat informatie over de stand van de procedures met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht. De definitie van "document" in Verordening (EG) nr. 1049/2001 omvat ook milieu-informatie als omschreven in de onderhavige verordening.

Motivering

Het is van vitaal belang dat het niet of gebrekkig uitvoeren van communautaire wetgeving bestraft wordt. Het publiek moet toegang hebben tot informatie over inbreukprocedures om te kunnen zien in hoeverre dit ook gebeurt.

Amendement 3

Overweging 9

(9) Het is passend dat in deze verordening een definitie wordt gegeven van "plannen en programma's" die rekening houdt met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, die ook spoort met de aanpak die ten aanzien van de verplichtingen van de lidstaten krachtens de vigerende EG-wetgeving wordt gehanteerd. Bij de definitie van "plannen en programma's betreffende het milieu" moet rekening worden gehouden met hun bijdrage tot, of vermoedelijk significant effect op, het bereiken van de doelstellingen van het communautaire milieubeleid. Het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap stelt de doelstellingen van het communautaire milieubeleid en de acties die voor het bereiken van die doelstellingen worden gepland, vast voor de periode van 10 jaar die ingaat op 22 juli 2002. Na het verstrijken van deze periode dient een volgend milieuactieprogramma te worden vastgesteld.

(9) Het is passend dat in deze verordening een definitie wordt gegeven van "plannen en programma's" die rekening houdt met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, die ook spoort met de aanpak die ten aanzien van de verplichtingen van de lidstaten krachtens de vigerende EG-wetgeving wordt gehanteerd. Bij de definitie van "plannen en programma's betreffende het milieu" moet rekening worden gehouden met hun bijdrage tot, of vermoedelijk significant effect op, het bereiken van de doelstellingen en prioriteiten van het communautaire milieubeleid. Het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap stelt de doelstellingen van het communautaire milieubeleid en de acties die voor het bereiken van die doelstellingen worden gepland, vast voor de periode van 10 jaar die ingaat op 22 juli 2002. Na het verstrijken van deze periode dient een volgend milieuactieprogramma te worden vastgesteld.

Motivering

Naast de doelstellingen van het milieubeleid spitst de Europese Unie zich toe op het verrichten van prioritaire taken die met dit beleid verbonden zijn. Het Zesde Kaderprogramma (2002-2006) bijvoorbeeld bevordert onder meer voedselkwaliteit en -veiligheid, duurzame ontwikkeling en wereldklimaatverandering en ecosystemen, en dus ook subprogramma's die nauw verbonden zijn met milieubescherming en volksgezondheid.

De prioriteiten van het huidige Britse voorzitterschap van de EU zijn onder meer klimaatverandering en milieubescherming en duurzame ontwikkeling met betrekking tot het leven en de gezondheid van de mens.

Amendement 4

Overweging 15

(15) Waar Verordening (EG) nr. 1049/2001 in uitzonderingen voorziet, dienen deze van overeenkomstige toepassing te zijn op verzoeken om toegang tot milieu-informatie uit hoofde van de onderhavige verordening. De gronden voor weigering met betrekking tot de toegang tot milieu-informatie moeten in beperkende zin worden uitgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met het met de openbaarmaking gediende openbaar belang, alsmede met de vraag of de gevraagde informatie betrekking heeft op emissies in het milieu. De woorden "commerciële belangen" hebben betrekking op overeenkomsten ter bescherming van geheime informatie welke zijn gesloten door instellingen of organen die optreden in de hoedanigheid van bankinstelling.

(15) Op het punt van uitzonderingen op de regels inzake de toegang tot milieu-informatie dienen de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 2003/4/EG ook te gelden voor instellingen en organen van de Gemeenschap. De gronden voor weigering met betrekking tot de toegang tot milieu-informatie moeten in beperkende zin worden uitgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met het met de openbaarmaking gediende openbaar belang, alsmede met de vraag of de gevraagde informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

Motivering

Richtlijn 2003/4/EG zorgt voor de omzetting van het Verdrag van Aarhus op het gebied van toegang tot milieu-informatie in het nationaal recht van de lidstaten en er is geen reden waarom de communautaire instellingen niet dezelfde regels zouden toepassen. De toevoeging van "bankinstelling" wijkt af van het Verdrag van Aarhus, dat ondertussen geratificeerd is door de Gemeenschap. Het Verdrag bepaalt dat uitzonderingen strikt moeten worden geïnterpreteerd. De toevoeging van "bankinstelling" betekent evenwel een verruiming van het begrip van vertrouwelijkheid en is derhalve niet toegestaan. Richtlijn 2003/4/EG legt geen specifieke voorschriften voor banken vast, ook al zijn er in vele lidstaten banken die vergelijkbaar zijn met de EIB (zie amendement 56 eerste lezing).

Amendement 5

Artikel 1, lid 1, letter c)

c) te voorzien in inspraak voor het publiek ten aanzien van plannen en programma's betreffende het milieu;

c) te voorzien in inspraak voor het publiek ten aanzien van plannen, programma's en beleid betreffende het milieu;

(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst.)

Motivering

Het Verdrag van Aarhus bepaalt dat er toegang moet zijn tot inspraak in beleidsvorming op milieugebied.

Amendement 6

Artikel 2, lid 1, inleidende formule

deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. In deze verordening wordt verstaan onder:

Motivering

Technisch amendement om een vertaalfout te corrigeren. Alleen van toepassing op de Nederlandse versie.

Amendement 7

Artikel 2, lid 1, letter d), punt iv bis) (nieuw)

 

iv bis) de stand van de procedures met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht;

Motivering

Heropneming van amendement 9 uit de eerste lezing, aangenomen op 31 maart 2004 (PB C 103 E van 29.4.2004). Het is van vitaal belang dat het niet of gebrekkig uitvoeren van communautaire wetgeving bestraft wordt. Het publiek moet toegang hebben tot informatie over inbreukprocedures om te kunnen zien in hoeverre dit ook gebeurt.

Amendement 8

Artikel 2, lid 1, letter e), punt i)

i) die door een communautaire instelling of communautair orgaan worden voorbereid en, indien van toepassing, aangenomen,

i) die door een communautaire instelling of communautair orgaan worden voorbereid, gefinancierd en, indien van toepassing, aangenomen,

Motivering

Door de EU gefinancierde programma's kunnen belangrijke gevolgen hebben voor het milieu (amendement 10 van de eerste lezing van het EP).

Amendement 9

Artikel 2, lid 1, letter e), alinea 3

Deze definitie bestrijkt niet financierings-, bank- of begrotingsplannen en ‑programma's, meer bepaald de plannen en programma's die betrekking hebben op de voorgestelde jaarlijkse begrotingen of die aangeven hoe bepaalde projecten of activiteiten gefinancierd moeten worden, interne werkprogramma's van een communautaire instelling of communautair orgaan, en noodplannen en -programma's met als enig doel civiele bescherming;

Deze definitie bestrijkt niet financierings- of begrotingsplannen en ‑programma's, meer bepaald de plannen en programma's die betrekking hebben op de voorgestelde jaarlijkse begrotingen of die aangeven hoe bepaalde projecten of activiteiten gefinancierd moeten worden, interne werkprogramma's van een communautaire instelling of communautair orgaan, en noodplannen en -programma's met als enig doel civiele bescherming;

Motivering

De toevoeging van "bank-" wijkt af van het Verdrag van Aarhus, dat ondertussen geratificeerd is door de Gemeenschap. Het Verdrag bepaalt dat uitzonderingen strikt moeten worden geïnterpreteerd. De toevoeging van "bankinstelling" betekent evenwel een verruiming van het begrip van vertrouwelijkheid en is derhalve niet toegestaan. Richtlijn 2003/4/EG legt geen specifieke voorschriften voor banken vast, ook al zijn er in vele lidstaten banken die vergelijkbaar zijn met de EIB.

Amendement 10

Artikel 2, lid 1, letter f)

f) "milieurecht": communautaire wetgeving die, ongeacht de rechtsgrondslag, bijdraagt tot het nastreven van de doelstellingen van het communautaire milieubeleid volgens het Verdrag: behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de gezondheid van de mens, behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen;

f) "milieurecht": communautaire wetgeving die, ongeacht de rechtsgrondslag, bijdraagt tot het nastreven van de doelstellingen van het communautaire milieubeleid volgens het Verdrag: behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de gezondheid van de mens, behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan lokale, regionale of mondiale milieuproblemen;

Motivering

De bevordering van maatregelen om milieuproblemen op te lossen op lokaal niveau leidt tot verdere actie om de kwaliteit van het milieu te beschermen en te verbeteren, de gezondheid van de mens te beschermen en te zorgen voor behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Dit optreden wordt dan overgenomen op hogere niveaus (regionaal, nationaal en, tenslotte, internationaal). Milieubescherming op internationaal niveau is onmogelijk zonder alle maatregelen die op lokaal niveau worden genomen.

Amendement 11

Artikel 4, lid 1, alinea 2

De door middel van computertelecommunicatie en/of elektronische technologie beschikbaar gestelde informatie behoeft geen informatie te omvatten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening is verzameld, tenzij deze reeds in elektronische vorm beschikbaar is.

De door middel van computertelecommunicatie en/of elektronische technologie beschikbaar gestelde informatie behoeft geen informatie te omvatten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening is verzameld, tenzij deze reeds in elektronische vorm beschikbaar is. Indien dit niet het geval is, wordt duidelijk aangegeven waar deze informatie kan worden gevonden en hoe zij kan worden verkregen.

Motivering

Heropneming van een gedeelte van amendement 16 uit de eerste lezing, aangenomen op 31 maart 2004 (PB C 103 E van 29.4.2004). Dit maakt deel uit van de verplichting het publiek van advies te dienen en bij te staan, zoals bepaald in artikel 1, lid 2.

Amendement 12

Artikel 4, lid 2, letter b bis) (nieuw)

 

b bis) de stand van de procedures met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht;

Motivering

Sluit aan bij het amendement waarmee de definitie van "milieu-informatie" is uitgebreid.

Amendement 13

Artikel 5, lid 1

1. De communautaire instellingen en organen zorgen er in de mate van het mogelijke voor dat de door hen samengestelde informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

1. De communautaire instellingen en organen zorgen er in de mate van het mogelijke voor dat de door hen of namens hen samengestelde informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

Motivering

Communautaire instellingen en organen die werk uitbesteden, mogen de verantwoordelijkheid voor samengestelde documenten niet op anderen afwentelen. Dankzij de formulering "in de mate van het mogelijke" is dit geen onredelijke opgave.

Amendement 14

Artikel 6, lid 1

1. Met betrekking tot artikel 4, lid 2, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, wordt een hoger openbaar belang geacht openbaarmaking te gebieden indien de gevraagde informatie betrekking heeft op uitstoot in het milieu. Wat betreft de overige uit­zonderingen krachtens artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, wordt bij het beoordelen of een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt, bijzonder belang gehecht aan het feit dat de gevraagde informatie betrekking heeft op uitstoot in het milieu.

1. Communautaire instellingen en organen mogen uitsluitend de toegang tot milieu-informatie weigeren, of besluiten niet over te gaan tot de verspreiding van milieu-informatie op grond van een van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG, of lid 2 van dit artikel.

Motivering

Richtlijn 2003/4/EG implementeert het Verdrag van Aarhus met betrekking tot de toegang tot milieu-informatie in de lidstaten. De communautaire instellingen moeten inzake uitzonderingen op de toegang tot informatie dezelfde regels toepassen als de lidstaten. In Verordening 1049/2001 wordt niet voldoende rekening gehouden met de bijzondere status die wordt verleend aan de toegang tot milieu-informatie in het kader van het Verdrag van Aarhus.

Amendement 15

Artikel 6, lid 3

3. Indien een communautaire instelling of een communautair orgaan milieu-informatie heeft die afkomstig is van een lidstaat, overlegt de instelling of het orgaan met die lidstaat en past de toe­passelijke uitzonderingen krachtens het Gemeenschapsrecht toe. De instelling of het orgaan in kwestie verstrekt de informatie indien er geen uitzondering geldt.

schrappen

Motivering

Overbodig. De in Richtlijn 2003/4 genoemde uitzonderingen moeten zowel op de lidstaten als op de communautaire instellingen en organen van toepassing zijn.

Amendement 16

Artikel 7

Wanneer een communautaire instelling of een communautair orgaan een verzoek om toegang tot milieu-informatie ontvangt en deze informatie niet bij die communautaire instelling of communautair orgaan berust, laat de instelling of het orgaan de aanvrager zo snel mogelijk weten bij welke communautaire instelling, communautair orgaan of overheidsinstantie in de zin van Richtlijn 2003/4/EG volgens de instelling of het orgaan de gevraagde informatie kan worden opgevraagd, of stuurt de instelling of het orgaan het verzoek door aan de betrokken communautaire instelling, het betrokken communautair orgaan of de betrokken overheidsinstantie en stelt zij de aanvrager hiervan in kennis.

Wanneer een communautaire instelling of een communautair orgaan een verzoek om toegang tot milieu-informatie ontvangt en deze informatie niet bij die communautaire instelling of communautair orgaan berust, laat de instelling of het orgaan de aanvrager zo snel mogelijk , maar uiterlijk binnen 15 werkdagen, weten bij welke communautaire instelling, communautair orgaan of overheidsinstantie in de zin van Richtlijn 2003/4/EG volgens de instelling of het orgaan de gevraagde informatie kan worden opgevraagd, of stuurt de instelling of het orgaan het verzoek door aan de betrokken communautaire instelling, het betrokken communautair orgaan of de betrokken overheidsinstantie en stelt zij de aanvrager hiervan in kennis.

Motivering

Gedeeltelijke heropneming van amendement 18 uit de eerste lezing, aangenomen op 31 maart 2004 (PB C 103 E van 29.4.2004), want "zo snel mogelijk" is te vaag.

Amendement 17

Artikel 7 bis (nieuw)

 

Artikel 7 bis

Kostenvergoeding

 

Communautaire instellingen en organen die niet vallen onder Verordening (EG) nr. 1049/2001 kunnen in gevallen waarin artikel 10 van die verordening niet van toepassing is, een redelijke kostenvergoeding voor het verschaffen van informatie verlangen. Zij publiceren en verstrekken de aanvrager een overzicht van de tarieven die in rekening kunnen worden gebracht, waarbij zij aangeven onder welke omstandigheden deze tarieven al dan niet in rekening kunnen worden gebracht en of de informatie alleen wordt verstrekt wanneer vooruitbetaling plaatsvindt.

Motivering

Heropneming van amendement 19 uit de eerste lezing. Het amendement is bedoeld om de voorschriften inzake vergoedingen te laten aansluiten bij Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. Daarom mogen onder bepaalde voorwaarden kosten in rekening worden gebracht door andere communautaire instellingen en organen dan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Laatstgenoemde instellingen worden van deze bepalingen uitgezonderd om een situatie te voorkomen waarin andere informatie die deze drie instellingen verstrekken, op grond van Verordening 1049/2001 wel kosteloos is, maar milieu-informatie niet.

Amendement 18

Artikel 8, alinea 1

De communautaire instellingen en organen werken in het geval van een onmiddellijke bedreiging van de menselijke gezondheid of het milieu, hetzij veroorzaakt door menselijke activiteiten hetzij ten gevolge van natuurlijke oorzaken, op verzoek van overheidsinstanties in de zin van Richtlijn 2003/4/EG met die overheidsinstanties samen en verlenen hun assistentie teneinde die instanties in staat te stellen, onmiddellijk en terstond onder het publiek dat getroffen kan worden alle milieu-informatie te verspreiden die het publiek in staat kan stellen maatregelen te nemen om de uit de bedreiging voortvloeiende schade te voorkomen of te beperken, voorzover deze informatie berust bij de communautaire instellingen en organen en/of de bedoelde overheidsinstanties of deze voor hen wordt beheerd.

De communautaire instellingen en organen werken in het geval van een onmiddellijke bedreiging van de gezondheid en het leven van de mens of het milieu, hetzij veroorzaakt door menselijke activiteiten hetzij ten gevolge van natuurlijke oorzaken, op verzoek van overheidsinstanties in de zin van Richtlijn 2003/4/EG met die overheidsinstanties samen en verlenen hun assistentie teneinde die instanties in staat te stellen, onmiddellijk en terstond onder het publiek dat getroffen kan worden alle milieu-informatie te verspreiden die het publiek in staat kan stellen maatregelen te nemen om de uit de bedreiging voortvloeiende schade te voorkomen of tot een minimum te beperken, voorzover deze informatie berust bij de communautaire instellingen en organen en/of de bedoelde overheidsinstanties of deze voor hen wordt beheerd.

Motivering

In vele gevallen waar risico's ontstaan voor de gezondheid van de mens, is er ook een bedreiging voor het leven van de mens. Dit amendement moet de aandacht vestigen op het feit dat dergelijke situaties levens kunnen kosten. De woorden "tot een minimum" wordt gebruikt om te benadrukken dat de uit de bedreiging voortvloeiende schade tot een strikt minimum moet worden beperkt.

Amendement 19

Artikel 9

1. De communautaire instellingen en organen zorgen er middels passende en/of andere voorzieningen voor dat het publiek vroegtijdig en effectief inspraak krijgt tijdens de voor voorbereiding, wijziging of herziening van plannen of -programma's betreffende het milieu wanneer alle opties nog open zijn. Met name dient de Commissie, wanneer zij een voorstel voor een dergelijk plan of programma voorbereidt dat aan andere communautaire instellingen en organen voor een besluit wordt voorgelegd, voor dit voorbereidende stadium voorzieningen voor inspraak van het publiek te treffen.

1. Wanneer de communautaire instellingen en organen een plan, een programma of beleid in verband met het milieu voorbereiden, wijzigen of herzien, stellen zij het publiek op de hoogte door middel van een openbare bekendmaking of andere passende middelen, zoals elektronische media. Deze informatie omvat, voorzover beschikbaar, het ontwerpvoorstel en de milieu-informatie of milieueffectbeoordeling voor het plan, het programma of het beleid dat wordt voorbereid, gewijzigd of herzien.

2. De communautaire instellingen en organen wijzen aan welk publiek wordt of kan worden getroffen door of het belang heeft bij een plan of programma als bedoeld in lid 1, waarbij rekening wordt gehouden met de doelstellingen van deze Verordening.

2. De communautaire instelling die, of het communautaire orgaan dat het plan, het programma of het beleid in verband met het milieu voorbereidt, wijzigt of herziet, stelt het publiek op de hoogte van de praktische inspraakregelingen, en met name van de administratieve eenheid van de communautaire instelling of het communautaire orgaan waarbij de betrokken informatie kan worden verkregen en waaraan commentaar of vragen kunnen worden voorgelegd, en van het tijdschemavoor de toezending van commentaar.

3. De communautaire instellingen en organen zorgen ervoor dat het in lid 2 bedoelde publiek door middel van een openbare kennisgeving of andere passende middelen, zoals elektronische media, indien beschikbaar, op de hoogte wordt gebracht over:

3. De communautaire instellingen en organen zorgen voor de praktische regelingen waarmee het publiek in een vroegtijdig stadium zijn commentaar en zienswijze kenbaar kan maken voordat besluiten over het plan, het programma of het beleid worden genomen. Afhankelijk van de aard van het plan, het programma of het beleid wordt het publiek in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren in de diverse stadia van voorbereiding, wijziging of herziening.

a) het ontwerpvoorstel, indien beschikbaar.

Tot dergelijke praktische regelingen behoren redelijke termijnen voor de diverse stadia, zodat het publiek voldoende tijd heeft om zich te informeren en zich voor te bereiden op en doeltreffend deel te nemen aan het besluitvormingsproces op milieugebied. In het algemeen geldt bij schriftelijke raadplegingen over een plan, een programma of beleid in verband met het milieu een termijn van acht weken waarin commentaar kan worden geleverd. Indien bijeenkomsten of hoorzittingen worden georganiseerd, moet hiervan tenminste acht weken vooraf kennis worden gegeven. Deze termijnen kunnen worden verkort in spoedgevallen of in gevallen waarin het publiek reeds in de gelegenheid is gesteld commentaar te leveren op het plan of het programma in kwestie.

b) de milieu-informatie of -beoordeling die behoort bij het plan of het programma dat wordt voorbereid, indien beschikbaar, en

 

c) de praktische inspraakregelingen, zoals:

 

i) de administratieve eenheid waarbij de betrokken informatie kan worden verkregen,

 

ii) de administratieve eenheid waaraan commentaar, zienswijzen of vragen kunnen worden voorgelegd, en

 

iii) redelijke termijnen, zodat het publiek voldoende tijd heeft om zich te informeren en doeltreffend voor te bereiden, en effectief inspraak krijgt in het besluitvormingsproces op milieugebied.

 

4.Voor het indienen van commentaar wordt een termijn van ten minste vier weken gesteld. Indien bijeenkomsten of hoorzittingen worden georganiseerd, moet hiervan tenminste vier weken vooraf kennis worden gegeven. Deze termijnen kunnen worden verkort in spoedgevallen of in gevallen waarin het publiek reeds in de gelegenheid is gesteld commentaar te leveren op het plan of het programma in kwestie.

 

Motivering

De communautaire instellingen en organen dienen de resultaten van de raadpleging in aanmerking te nemen en hierover te rapporteren.

Amendement 20

Artikel 9 bis (nieuw)

 

Artikel 9 bis

Resultaten van de inspraak van het publiek

 

Bij het nemen van een besluit over het plan, programma of beleid in verband met het milieu houden de communautaire instellingen en organen terdege rekening met de resultaten van het inspraakproces.

 

De communautaire instellingen en organen stellen het publiek op de hoogte van dat plan, programma of beleid, waaronder de tekst daarvan, en van de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd, waaronder informatie over het inspraakproces.

Motivering

De communautaire instellingen en organen moeten rekening houden met de resultaten van inspraakproces van het publiek en moeten daarover verslag uitbrengen (amendement 23 van de eerste lezing van het EP).

Amendement 21

Artikel 10, lid 1, alinea 2

Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste vier weken nadat de administratieve handeling werd gesteld, bekendgemaakt of er kennis van is gegeven, afhankelijk van wat het meest recentelijk is gebeurd, of, in het geval van beweerde nalatigheid, binnen vier weken te rekenen vanaf de dag waarop de administratieve handeling had moeten zijn gesteld. In het verzoek moeten de redenen voor herziening worden gespecificeerd.

Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste acht weken nadat de administratieve handeling werd gesteld, bekendgemaakt of er kennis van is gegeven, afhankelijk van wat het meest recentelijk is gebeurd, of, in het geval van beweerde nalatigheid, binnen acht weken te rekenen vanaf de dag waarop de administratieve handeling had moeten zijn gesteld. In het verzoek moeten de redenen voor herziening worden gespecificeerd.

Motivering

Compromis tussen het gemeenschappelijk standpunt en de eerste lezing van het Parlement, aangenomen op 31 maart 2004 (PB C 103 E van 29.4.2004). De voorgestelde termijn van vier weken lijkt nogal kort, gezien de omvang van de milieuwetgeving die in de Europese Gemeenschap wordt vastgesteld.

Amendement 22

Artikel 10, lid 2

2. De in lid 1 bedoelde communautaire instelling of het communautair orgaan neemt het verzoek in overweging, tenzij het duidelijk ongegrond is. De communautaire instelling of het communautair orgaan geeft zo snel mogelijk, en niet later dan twaalf weken na ontvangst van het verzoek, schriftelijk de redenen van haar of zijn reactie aan.

2. De in lid 1 bedoelde communautaire instelling of het communautair orgaan neemt het verzoek in overweging, tenzij het duidelijk ongegrond is. De communautaire instelling of het communautair orgaan geeft zo snel mogelijk, en niet later dan twaalf weken na ontvangst van het verzoek, schriftelijk kennis van haar of zijn besluit over de maatregelen die worden genomen om de naleving van het milieurecht te garanderen, dan wel tot afwijzing van het verzoek. Het besluit wordt gericht aan de niet-gouvernementele organisatie die het verzoek heeft ingediend; het licht de motivering voor het genomen besluit toe.

Motivering

De Commissie stelde oorspronkelijk een procedure voor die bepaalde milieuorganisaties toegang zou geven tot justitie en dit in de lijn met het Verdrag van Aarhus. Om dit te kunnen realiseren is het begrip "besluit" onontbeerlijk. In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad wordt dit begrip vervangen door een schriftelijke reactie die geen enkele betekenis heeft in de zin van het EU-Verdrag.

Amendement 23

Artikel 11, lid 1, letter b)

b) haar uitdrukkelijk hoofddoel het bevorderen is van de milieubescherming in de context van het milieurecht;

b) haar uitdrukkelijk hoofddoel het bevorderen is van de milieubescherming in de context van het milieurecht en/of het bevorderen van duurzame ontwikkeling;

Motivering

Gezien de brede definitie van "milieurecht" zijn administratieve handelingen en nalatigheden niet alleen van invloed op niet-gouvernementele organisaties die zich voor het milieu inzetten, maar ook op veel andere organisaties, zoals vakbonden.

Amendement 24

Artikel 10, lid 3

3. Wanneer de communautaire instelling of het communautair orgaan ondanks al haar of zijn inspanningen er niet in slaagt te handelen in overeenstemming met lid 2, stelt de instelling of het orgaan de niet-gouvernementele organisatie die het verzoek heeft ingediend zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de in lid 2 genoemde termijn in kennis van de redenen van het niet-handelen en deelt mee wanneer de instelling of het orgaan voornemens is wel te handelen.

3. Wanneer de communautaire instelling of het communautair orgaan ondanks al haar of zijn inspanningen er niet in slaagt te handelen in overeenstemming met lid 2, stelt de instelling of het orgaan de niet-gouvernementele organisatie die het verzoek heeft ingediend zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de in lid 2 genoemde termijn in kennis van de redenen waarom zij/het geen besluit heeft kunnen nemen, en deelt mee wanneer zij/het voornemens is een besluit over het verzoek te nemen.

De communautaire instelling of het communautair orgaan handelt in elk geval binnen de achttien weken na ontvangst van het verzoek.

De communautaire instelling of het communautair orgaan neemt een besluit over verzoeken tot interne herziening, rekening houdend met de aard, de omvang en de ernst van de betrokken inbreuk op het milieurecht, binnen een redelijke termijn die een periode van achttien weken vanaf de ontvangst van het verzoek niet overschrijdt. Zij/het stelt de betrokken niet-gouvernementele organisatie onverwijld in kennis van haar besluit over het verzoek.

Motivering

Ook hier moet, zoals in artikel 10, lid 2, verwezen worden naar een "besluit" van de communautaire instelling of het communautair orgaan om de toegang tot justitie te vrijwaren.

Amendement 25

Artikel 12, lid 1

1. Een niet-gouvernementele organisatie die in overeenstemming met artikel 10 een verzoek tot interne herziening heeft ingediend, kan overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het EG-verdrag een procedure voor het Hof van Justitie beginnen.

1. Een niet-gouvernementele organisatie die in overeenstemming met artikel 10 een verzoek tot interne herziening heeft ingediend en van mening is dat een door de communautaire instelling of het communautair orgaan naar aanleiding van dat verzoek genomen besluit ontoereikend is om de naleving van het milieurecht te garanderen, kan overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het EG-verdrag een procedure voor het Hof van Justitie beginnen ter toetsing van de inhoudelijke en procedurele rechtmatigheid van het besluit bedoeld in artikel 10.

Motivering

In het oorspronkelijke Commissievoorstel werd veel duidelijker aangegeven wat het onderwerp van de procedure bij het Hof betreft.

Amendement 26

Artikel 13

Waar nodig passen de communautaire instellingen en organen hun reglement van orde aan de bepalingen van deze verordening aan. Deze aanpassingen treden in werking op ...*.

* pm

Waar nodig passen de communautaire instellingen en organen hun reglement van orde aan de bepalingen van deze verordening aan. Deze aanpassingen treden in werking op ...*.

* de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Motivering

Heropneming van amendement 37 uit de eerste lezing, aangenomen op 31 maart 2004 (PB C 103 E van 29.4.2004).

Amendement 27

Artikel 14, alinea 2

Zij is van toepassing vanaf ...**.

Zij is van toepassing vanaf ...**.

** pm

** drie maanden na de in de eerste alinea vermelde datum.

Motivering

Het is belangrijk dat deze verordening zo vlug mogelijk van toepassing is. Drie maanden is een haalbare termijn.

  • [1]  PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 612.
  • [2]  Nog niet in het PB gepubliceerd.

TOELICHTING

I. Algemene context

"De bescherming van het recht van een ieder van de huidige en toekomstige generaties te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn" is het uiteindelijke doel van het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), dat de Europese Gemeenschap samen met de 15 lidstaten in 1998 heeft ondertekend. Dit doel moet worden bereikt door het publiek de gelegenheid te geven sterker betrokken te raken bij milieukwesties en een actieve bijdrage te leveren aan een betere instandhouding en bescherming van het milieu. Het verdrag, dat in oktober 2001 in werking is getreden, berust op drie pijlers: toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

De Europese Gemeenschap heeft al diverse wetgevingsinstrumenten goedgekeurd om te voldoen aan haar verplichting tot uitvoering van het Verdrag van Aarhus, met name Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie[1] en Richtlijn 2003/35/EG tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu[2].

Het voorstel voor een verordening betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus op EG‑instellingen en organisaties[3] - dat de Commissie samen met voorstel voor een besluit betreffende het sluiten van het Verdrag van Aarhus[4] heeft ingediend - is een horizontaal instrument dat de toepassing van alle drie de pijlers van het verdrag beoogt en bedoeld is aan aanvulling op bestaande wetgeving (zoals Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie[5]). Tegelijkertijd heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden[6] ingediend.

De Commissie stelt dat de verdragsbepalingen gedetailleerder zijn en een breder toepassingsgebied hebben dan de bestaande communautaire wetgeving en dat de Gemeenschap daarom, alvorens het Verdrag van Aarhus te ratificeren, de verordening moet goedkeuren om de voorschriften van het Verdrag van Aarhus integraal toe te passen op de communautaire instellingen en organen[7].

Maar omdat de Raad deze visie niet deelde, heeft de Europese Gemeenschap het verdrag op 17 februari 2005 geratificeerd en is op de tweede bijeenkomst van de partijen (MOP-2) in Almaty (Kazachstan) in mei 2005 verdragspartij geworden. Drie leden van het EP, onder wie de rapporteur, namen als leden van de EG-delegatie aan de bijeenkomst in Almaty deel.

II. Eerste lezing

In het Europees Parlement vond de stemming in eerste lezing plaats op 31 maart 2004. Nadat op 20 december 2004 een politiek akkoord was bereikt, heeft de Raad op 18 juli 2005 zijn gemeenschappelijk standpunt[8] vastgesteld.

Het Parlement wilde in eerste lezing de tekst van de ontwerpverordening op de punten waar dit nodig werd geacht, verder aanpassen aan het Verdrag van Aarhus en Verordening 1049/2001. De leden waren vooral van mening dat de bepalingen over inspraak bij plannen en programma's niet gedetailleerd genoeg waren en een breder toepassingsgebied moesten krijgen. De bevordering van duurzame ontwikkeling is toegevoegd als belangrijke doelstelling van de Gemeenschap in haar milieuwetgeving en als criterium om te bepalen of een organisatie het recht heeft te verzoeken om een interne herziening van administratieve handelingen of nalatigheden.

Verder moesten volgens het Parlement de termijnen evenwichtiger worden; daarom zijn de termijnen voor beantwoording door communautaire instellingen en organen ingekort en die voor een verzoek om een interne herziening verlengd.

Ten aanzien van de derde pijler is het recht van de burger op een interne herziening en vervolgens een rechtzaak expliciet gecodificeerd.

III. Gemeenschappelijk standpunt en aanbeveling voor de tweede lezing

Van de 35 in eerste lezing aangenomen amendementen zijn er slechts 5 - althans gedeeltelijk - in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad opgenomen.

De Milieucommissie is van mening dat het gemeenschappelijk standpunt niet ver genoeg gaat om uitvoering te geven aan de bepalingen van het Verdrag van Aarhus.

· Eerste pijler

De commissie is gekant tegen toepassing van twee regelingen voor de toegang tot informatie. Met name waar het gaat om uitzonderingen moet door de communautaire instellingen en organen Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie worden toegepast, omdat dit een specifieker wetgevingsinstrument is. In Verordening 1049/2001 wordt onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere status die door het verdrag wordt toegekend aan de toegang tot milieu-informatie.

· Tweede pijler

De commissie is verheugd over de veel gedetailleerdere procedurevereisten waaraan de communautaire instellingen en organen moeten voldoen, maar zij is niet geheel tevreden met alle aspecten van de procedure. Daarom dient zij amendement 22 uit eerste lezing opnieuw in en dringt aan op ruimere termijnen voor het publiek om een werkelijk inspraakrecht bij de besluitvorming te garanderen.

De term "beleid" moet worden toegevoegd aan "plannen en programma's betreffende het milieu", om volledig uitvoering te geven aan artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Onder de definitie moeten ook de plannen en programma's vallen die alleen door de EG worden gefinancierd, omdat zij grote gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Verder is de commissie van mening dat uitsluiting van bankprogramma's in strijd is met het Verdrag van Aarhus, dat bepaalt dat uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd.

· Derde pijler

Naar de mening van de Milieucommissie beperkt het gemeenschappelijk standpunt de toegang tot interne herzieningen op ongerechtvaardigde wijze. Ten eerste moet een bredere groep organisaties het recht krijgen om een verzoek tot interne herziening in te dienen. Daartoe heeft de commissie een amendement goedgekeurd om niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bevordering van duurzame ontwikkeling, zoals vakbonden, in deze groep op te nemen.

Ten tweede neemt de commissie de formulering uit het voorstel van de Commissie weer op met betrekking tot de verplichting voor de communautaire instellingen en organen een besluit te doen uitgaan over de maatregelen die genomen moeten worden om naleving van het milieurecht te waarborgen. Met het woord "besluit" (tegenover "schriftelijk de redenen van haar of zijn reactie aangeven", zoals in het gemeenschappelijk standpunt staat) is verzekerd dat de indiener een aan hem geadresseerd antwoord ontvangt en op grond daarvan een gerechtelijke procedure uit hoofde van artikel 230, lid 4 van het EG-Verdrag kan instellen.

Ten slotte betreurt de commissie het dat er in de Raad geen verdere vooruitgang is geboekt met het voorstel voor een richtlijn inzake toegang tot de rechter, die van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus.

  • [1]  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad, PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.
  • [2]  Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.
  • [3]  COM(2003)622.
  • [4]  COM(2003)625.
  • [5]  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
  • [6]  COM(2003)624.
  • [7]  COM(2003)622, blz. 2.
  • [8]  Doc. 6273/05.

PROCEDURE

Titel

Gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op EG-instellingen en organisaties

Document- en procedurenummers

6273/2/2005 – C6‑0297/2005 – 2003/0242(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

31.3.2004

P5_TA(2004)0238

Voorstel van de Commissie

COM(2000)0622 – C5-0505/2003

Gewijzigd voorstel van de Commissie

 

Datum bekendmaking ontvangst gemeenschappelijk standpunt

26.9.2005

Commissie ten principale
Datum bekendmaking

ENVI
29.9.2005

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Eija-Riitta Korhola
3.10.2005

Vervangen rapporteur(s)

 

Behandeling in de commissie

10.10.2005

 

 

 

 

Datum goedkeuring

22.11.2005

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

30

13

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Irena Belohorská, Johannes Blokland, Frederika Brepoels, Chris Davies, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Karl-Heinz Florenz, Matthias Groote, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Mary Honeyball, Marie Anne Isler Béguin, Caroline Jackson, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Urszula Krupa, Marie-Noëlle Lienemann, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Péter Olajos, Vittorio Prodi, Guido Sacconi, Carl Schlyter, Richard Seeber, Kathy Sinnott, Jonas Sjöstedt, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Anders Wijkman

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Margrete Auken, David Casa, Milan Gaľa, Vasco Graça Moura, Erna Hennicot-Schoepges, Caroline Lucas, Robert Sturdy, Andres Tarand

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid  2)

Christopher Heaton-Harris

Datum indiening

30.11.2005

A6-0381/2005

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

...