VERSLAG over Europese politieke partijen

    27.2.2006 - (2005/2224(INI))

    Commissie constitutionele zaken
    Rapporteur: Jo Leinen


    Procedure : 2005/2224(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A6-0042/2006
    Ingediende teksten :
    A6-0042/2006
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over Europese politieke partijen (2005/2224(INI))

    Het Europees Parlement,

    - gelet op artikel 191 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 12, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook artikel 6, lid 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

    - gelet op artikel I-45, lid 4 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,

    - gezien Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau[1], met name artikel 12 daarvan (hierna “de verordening”),

    - gezien het verslag van zijn secretaris-generaal aan het bureau van 21 september 2005 inzake de financiering van politieke partijen op Europees niveau op grond van artikel 15 van het besluit van het bureau van 29 maart 2004 houdende uitvoeringsbepalingen voor de verordening[2],

    - gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

    - gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken, alsook het standpunt van de Commissie juridische zaken (A6-0042/2006),

    A.     overwegende dat het volstrekt noodzakelijk is dat er wordt verder gewerkt aan een Unie die dicht bij de mensen staat en democratische principes hanteert, zodat de burgers gesteund worden om verder te bouwen aan de Europese integratie, en dat de realisatie van de Europese democratie derhalve hoog in het vaandel moet worden gedragen,

    B.     overwegende dat de politieke partijen een cruciale inbreng hebben in de vorming van één Europese politieke ruimte, wat de democratie op Europees niveau ten goede komt,

    C.     overwegende dat politieke partijen een belangrijke inbreng hebben bij de bevordering van democratische waarden zoals vrijheid, verdraagzaamheid, solidariteit en gendergelijkheid,

    D.     overwegende dat een uitvoerige dialoog met de burgers noodzakelijk is voor een diepgaande reflectie over de toekomst van Europa, en dat de politieke partijen hierbij op Europees niveau een sleutelrol moeten vervullen,

    E.     overwegende dat in verschillende EU-landen de taken van politieke partijen op het gebied van politieke informatie en wilsvorming door de overheid worden gefinancierd,

    F.     overwegende dat verwante politieke strekkingen zich in Europese politieke partijen hebben verenigd en dat hun taken met behulp van communautaire middelen werden gefinancierd,

    G.     overwegende dat de financiering van Europese politieke partijen met communautaire middelen op Europees niveau op grond van artikel 191 van het EG-Verdrag gebeurt,

    H.     overwegende dat het de Europese politieke partijen niet is toegestaan reserves op te bouwen door subsidiegelden of eigen financiële middelen opzij te leggen; overwegende dat, wanneer de jaarbalans van politieke partijen een positief financieel resultaat (winst) laat zien, een bedrag ter hoogte van het overschot van de uiteindelijke subsidie wordt afgetrokken,

    I.      overwegende dat door deze verordening een eerste stap werd gezet voor een wettelijk kader voor de Europese politieke partijen,

    J       overwegende dat de politieke partijen een reeks voorstellen hebben ingediend betreffende hun voorkeur voor de toekomstige organisatie van de financiering van de politieke partijen op Europees niveau[3],

    K.     overwegende dat de secretaris-generaal van het Europees Parlement een verslag over de toepassing van de verordening heeft overgelegd[4],

    L.     overwegende dat met de financiering van politieke partijen met communautaire middelen volgens de verordening niet wordt beoogd om het de Europese politieke partijen moeilijk of zelfs onmogelijk te maken om hun vermogen op te bouwen uit eigen middelen (giften, ledenbijdragen, vergoedingen voor verrichte diensten) en dat het verboden is dat ze op het einde van het begrotingsjaar met deze financiële steun een overschot creëren,

    M.    overwegende dat een Europese politieke partij, net als elke andere organisatie met of zonder winstoogmerk, bij het maken van haar langetermijnplannen een minimum aan financiële zekerheid moet hebben, met name omdat zij haar verplichtingen ten opzichte van werknemers, leveranciers en contractanten voor een langere periode moet nakomen,

    N.     overwegende dat de Europese politieke partijen krachtens de bestaande regelgeving geen financiële garanties krijgen voor een periode langer dan één jaar; overwegende dat de subsidies voor de politieke partijen elk jaar opnieuw worden vastgelegd en dat de hoogte van die subsidies afhankelijk is van het aantal partijen dat erkenning aanvraagt en van het aantal Europese Parlementsleden per partij die een zetel in het parlement hebben; overwegende dat de desbetreffende subsidies van jaar tot jaar grote veranderingen kunnen ondergaan, wanneer nieuwe politieke partijen op het toneel verschijnen of een verschuiving optreedt met betrekking tot het aantal parlementsleden per partij,

    O.     overwegende dat twee nieuwe partijen onlangs verzoeken om erkenning en subsidieaanvragen bij het Europees Parlement hebben ingediend waardoor het aantal Europese politieke partijen van 8 tot 10 zou stijgen,

    P.     overwegende dat de politieke partijen in de huidige situatie financieel gezien in grote mate afhankelijk zijn van het Europees Parlement, omdat zij hun langetermijnverplichtingen slechts kunnen financieren zolang er sprake is van een gestage en gegarandeerde subsidiëring door het Parlement,

    Q.     overwegende dat de huidige situatie de Europese politieke partijen niet aanmoedigt om een behoorlijk financieel beheer te voeren, voorzover er geen echte stimulans bestaat om bij het uitgavenbeheer beginselen van economische efficiëntie te betrachten,

    R.     overwegende dat de Europese politieke partijen ertoe verplicht zijn een jaarlijkse begroting in te dienen die in vijf categorieën is onderverdeeld; overwegende dat deze begrotingsstructuur door het Europees Parlement is voorgeschreven,

    S.     overwegende dat uit hoofde van artikel I.3.3 van het standaardformulier van de subsidieovereenkomst tussen het Europees Parlement en een Europese politieke partij[5] overschrijvingen tussen begrotingsrubrieken niet meer dan 20 % van het totale bedrag van de afzonderlijke categorieën mogen omvatten,

    T.     overwegende dat de beperking van de overschrijvingen tussen verschillende begrotingsrubrieken de Europese politieke partijen belet hun politieke prioriteiten in de loop van het begrotingsjaar te wijzigen,

    U.     overwegende dat de Europese politieke partijen nu de mogelijkheid hebben om een juridische status te hebben met de rechtspersoonlijkheid in het land waar zij zijn gevestigd; overwegende dat sommige partijen voor de rechtsvorm van een Belgische vereniging zonder winstoogmerk en andere voor de rechtsvorm van een internationale non-profit organisatie hebben gekozen,

    V.     overwegende nochtans dat er een brede kloof blijft bestaan tussen de fiscale behandeling van de Europese politieke partijen en die van de Europese instellingen,

    W.    overwegende dat het Europees Parlement volgens de verordening een verslag dient te publiceren over de toepassing van de verordening en dat dit verslag erop moet wijzen in hoeverre de verordening aanvulling behoeft,

    De politieke achtergrond

    1.      stelt vast dat er een kloof bestaat tussen verscheidene burgers en de Europese instellingen, omdat tot dusver o.a. een gebrekkige politieke communicatie en informatie over het Europees beleid aan de dag werd gelegd;

    2.      is ervan overtuigd dat afgezien van hun taak als overkoepelende organisatie, de politieke partijen op Europees niveau actieve actoren moeten worden op het gebied van Europese beleidsopties, die in alle lagen van de maatschappij zijn verankerd en die niet enkel via de Europese verkiezingen, maar ook op alle andere gebieden van het Europese politieke leven ijveren voor een grotere betrokkenheid van de burgers;

    3.      is van mening dat het proces van vorming en verwoording van de publieke opinie het best wordt vertolkt door de politieke partijen op Europees niveau en dat zonder deze de verdere ontwikkeling van de Unie geen kans op slagen heeft;

    4.      benadrukt dat het noodzakelijk is dat via de regelingen inzake de financiering van politieke partijen op Europees niveau een echt Europees statuut voor partijen wordt bereikt, dat de rechten en plichten van de partijen bepaalt en hen de mogelijkheid biedt om het statuut van rechtspersoon te verwerven, dat op het communautair recht berust en in de EU-lidstaten effect sorteert; verzoekt zijn Commissie constitutionele zaken de kwestie van een Europees statuut voor Europese politieke partijen te beschouwen uit juridisch en fiscaal oogpunt en specifieke voorstellen in die zin op te stellen;

    5.      dringt erop aan dat in dit statuut regelingen worden opgenomen over individueel lidmaatschap in partijen op Europees niveau, over hun leiding, de kandidaatstelling en verkiezingen, alsmede over de modaliteiten en ondersteuning van de congressen en vergaderingen van de partijen;

    Ervaringen en voorstellen tot verbetering

    6.      merkt op dat tegen de verordening drie aanklachten werden ingediend, die op 11 juli 2005 door het Gerecht van eerste aanleg niet-ontvankelijk werden verklaard en waarbij tegen een uitspraak in hoger beroep is gegaan;

    7.      verwelkomt dat sedert het begin van de zittingsperiode na de verkiezingen van het Europees Parlement in juni 2004 acht politieke partijen uit de EU-lidstaten werden gevormd, die zich op Europees niveau hebben verenigd en uit hoofde van de bepalingen van de verordening financiële steun mochten ontvangen;

    8.      stelt vast dat de toekenning van financiële steun voor het begrotingsjaar 2004 voor een bedrag van 4 648 miljoen euro op 18 juni 2004 gepaard ging met een verzoek tot het indienen van voorstellen, en op 6 juli 2005 met het besluit van het Bureau over de uiteindelijke vastlegging van de financiële steun zoals voorgeschreven werd afgesloten;

    9       merkt op dat in de EU-begroting voor 2005 in een bedrag van 8,4 miljoen euro voor de financiering van politieke partijen was voorzien, dat het Bureau volgens de verdelingsvoorwaarden uit de verordening onder de acht partijen die een verzoek hebben ingediend, heeft verdeeld;

    10.    merkt op dat de politieke partijen op Europees niveau, die volgens de verordening van het Europees Parlement gebruik kunnen maken van technische ondersteuning mits betaling van een financiële tegenprestatie, in 2004 voor een totaalbedrag van 20 071 euro moesten instaan wegens het gebruik van zalen en van de diensten van technici en tolken;

    11.    acht het op basis van de opgedane praktijkervaring en rekening houdend met de budgettaire bepalingen nodig dat het financieringssysteem als volgt wordt aangepast:

    a) In de verordening is de manier waarop het verzoek moet worden ingediend te algemeen beschreven. Om overbodige inspanningen bij de verzoekers te vermijden, zou een tweestappenplan moeten worden verwezenlijkt, dat er in eerste instantie moet over beslissen of een partij in principe aan de voorwaarden voldoet om voor financiering in aanmerking te komen, en in tweede instantie het bedrag aan financiering moet bepalen.

    b) Het tijdschema van de toekenning van financiële steun is niet optimaal op de werkwijze van de partijen afgestemd. Het zou moeten worden aangepast, zodat 80 % van de financiële steun direct na ondertekening van de financieringsovereenkomst wordt uitbetaald en het overige gedeelte op basis van de jaarrekening aan het einde van het begrotingsjaar wordt uitgekeerd.

    c) Opdat de ontvangende partijen in het kader van de in het Financieel Reglement bindende vastgelegde begrotingsbeginselen van een betere voorspelbaarheid qua financiering kunnen genieten, dienen de betrokken instellingen, waaronder het Bureau en de Begrotingscommissie, bij de opstelling van de jaarlijkse begrotingsramingen bij het begin van de zittingsperiode een akkoord te bereiken over meerjarige financiële planning, zowel met betrekking tot het basisbedrag per partij (15 % van het totaalbudget) als tot het aanvullende bedrag per Europees parlementslid dat door de partijen wordt opgegeven (85 % van het totaalbudget), en zo meer flexibiliteit biedt indien nieuwe partijen worden opgericht.

    d) De Europese politieke partijen moeten in staat worden gesteld om hun financiële situatie op de lange termijn te plannen. Het is derhalve noodzakelijk dat ze hun eigen middelen, met name afkomstig uit giften en ledenbijdragen, die het voorgeschreven percentage eigen financiering van 25 % van hun uitgaven overschrijden, voor de samenstelling van hun vermogen mogen gebruiken..

    e) Er dient in de huidige procedure ter beoordeling van het Financieel Reglement of door wijziging van de verordening naar een beperkte uitzondering te worden gestreefd, waardoor het mogelijk wordt 25 % van de financiële middelen die voor een begrotingsjaar worden uitgetrokken, nog in het eerste kwartaal van het daaropvolgende jaar te besteden.

    f)  De starre verdeling van financiële middelen tussen de vijf categorieën en de beperkte overdracht van financiële middelen tussen deze categorieën voldoen niet aan de eisen van de Europese politieke partijen. Daarom is een aanpassing van de financieringsovereenkomst noodzakelijk, waarbij het mogelijk wordt een groter gedeelte van de financiële middelen tussen de categorieën onderling over te dragen, met dien verstande dat de administratieve rompslomp van deze procedure zo beperkt mogelijk blijft.

    g) Bovendien moet het mogelijk worden dat het jaarlijks werkprogramma dat door de partijen wordt ingediend, zo flexibel mogelijk wordt uitgevoerd, zodat de partijen tijdens hun politieke actie ook op onverwachte gebeurtenissen passend kunnen ingrijpen.

    h) Opdat de uitbetaling van de gelden efficiënt zou verlopen, dient de termijn waarbinnen de partijen hun eindverslagen moeten indienen, naar 15 mei van het daaropvolgende jaar te worden vervroegd.

    i)  Om als basis van de Europese democratie tot een versterking van de Europese politieke partijen te komen, en met de steeds groter wordende eisen die door de uitbreiding aan de politieke actie (vertaalkosten, verplaatsingskosten enz.) worden gesteld op de achtergrond, lijkt een adequate verdere evolutie van de financiële steun aan politieke partijen wenselijk;

    12.    acht het zinvol dat tijdens de overlegfase over de toekomst van de Europese Unie ook de volgende kwesties in vraag worden gesteld:

    a) Op welke manier kunnen Europese politieke instellingen worden gesubsidieerd, zodat ze kunnen helpen bij de politieke voorlichtings- en vormingsacties van de Europese politieke partijen? Het Parlement verzoekt de Commissie hieromtrent voorstellen in te dienen.

    b) Op welke manier kunnen de Europese lijsten van de Europese partijen voor de Europese verkiezingen worden samengesteld om een publieke discussie over Europese beleidsthema’s aan te wakkeren?

    c) Welke invloed kunnen de Europese politieke partijen uitoefenen op referenda over Europese thema's, op de verkiezingen voor het Europees Parlement en op de verkiezing van de voorzitter van de Commissie?

    d) Op welke manier kan de rol van de Europese politieke jeugdorganisaties en –bewegingen worden bevorderd en uitgebreid, die essentieel zijn voor de groei en de vorming van een Europese bewustmaking en een Europese identiteit onder de jongere generaties?

    °

    ° °

    13.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    • [1]  PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1.
    • [2]  Document PE 362.124/BUR/AN.2.
    • [3]  Gemeenschappelijk schrijven van 1 juni 2005 van Hoyer, Rasmussen, Martens, Francescato, Maes, Bertinotti, Kaminski, Bayrou en Ruttelli aan de Voorzitter van het Europees Parlement.
    • [4]  Document PE 362.124/BUR.
    • [5]  Bijlage 2 bij het Besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 29 maart 2004
      (PB C 155, 12.6.2004, blz. 1).

    ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

    voor de Commissie constitutionele zaken

    inzake de Europese politieke partijen
    (2005/2224(INI))

    Rapporteur voor advies: Antonio López-Istúriz White

    PA_NonLeg

    SUGGESTIES

    De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie constitutionele zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A. overwegende dat de Europese politieke partijen, net als alle andere organisaties met of zonder winstoogmerk, bij het maken van hun langetermijnplannen een minimum aan financiële zekerheid moeten hebben, met name omdat zij hun verplichtingen ten opzichte van werknemers, leveranciers en contractanten voor een langere periode moeten nakomen,

    B.  overwegende dat de Europese politieke partijen krachtens de bestaande regelgeving geen financiële garanties krijgen voor een periode langer dan één jaar; overwegende dat de subsidies voor de politieke partijen elk jaar opnieuw worden vastgelegd en dat de hoogte van die subsidies afhankelijk is van het aantal partijen dat erkenning aanvraagt en van het aantal Europese Parlementsleden per partij die een zetel in het parlement hebben; overwegende dat de desbetreffende subsidies van jaar tot jaar grote veranderingen kunnen ondergaan, wanneer nieuwe politieke partijen op het toneel verschijnen of een verschuiving optreedt met betrekking tot het aantal Europese Parlementsleden per partij die een zetel in het parlement hebben,

    C. overwegende dat twee nieuwe partijen onlangs verzoeken om erkenning en subsidieaanvragen bij het Europees Parlement hebben ingediend waardoor het aantal Europese politieke partijen van 8 tot 10 zou stijgen,

    D. overwegende dat het de Europese politieke partijen niet is toegestaan reserves op te bouwen door subsidiegelden of eigen financiële middelen opzij te leggen; overwegende dat, wanneer de jaarbalans van politieke partijen een positief financieel resultaat (winst) laat zien, een bedrag ter hoogte van het overschot van de uiteindelijke subsidie wordt afgetrokken,

    E.  overwegende dat de politieke partijen in de huidige situatie financieel gezien in grote mate afhankelijk zijn van het Europees Parlement, omdat zij hun langetermijnverplichtingen slechts kunnen financieren zolang er sprake is van een gestage en gegarandeerde subsidiëring door het Parlement,

    F.  overwegende dat de huidige situatie de Europese politieke partijen niet aanmoedigt om een behoorlijk financieel beheer te voeren, voorzover er geen echte stimulans bestaat om bij het uitgavenbeheer beginselen van economische efficiëntie te betrachten,

    G. overwegende dat de Europese politieke partijen is verzocht een jaarlijkse begroting in te dienen die in vijf categorieën is onderverdeeld; overwegende dat deze begrotingsstructuur door het Europees Parlement is voorgeschreven,

    H. overwegende dat artikel I.3.3 van het standaardformulier van de subsidieovereenkomst tussen het Europees Parlement en een Europese politieke partij[1] erin voorziet dat overschrijvingen tussen begrotingsrubrieken (categorieën) niet meer dan 20 % van het totale bedrag van de afzonderlijke categorieën mogen omvatten,

    I.   overwegende dat de beperking van de overschrijvingen tussen verschillende begrotingsrubrieken de Europese politieke partijen belet hun politieke prioriteiten in de loop van het begrotingsjaar te wijzigen,

    J.   overwegende dat de Europese politieke partijen nu de mogelijkheid hebben om een juridische status te verwerven op basis van de rechtspersoonlijkheid in het land waar zij zijn gevestigd; overwegende dat sommige partijen voor de rechtsvorm van een Belgische vereniging zonder winstoogmerk en andere voor de rechtsvorm van een internationale non-profit organisatie hebben gekozen,

    K. overwegende nochtans dat er een brede kloof blijft bestaan tussen de fiscale behandeling van de Europese politieke partijen en die van de Europese instellingen,

    L.  overwegende dat het gezien het verslag van de Secretaris-generaal zeer twijfelachtig is of artikel 191 van het EG-Verdrag een gepaste rechtsgrondslag vormt om de rechtspersoonlijkheid van Europese politieke partijen bij de communautaire wetgeving te regelen,

    1.  is verheugd over de in het verslag van de Secretaris-generaal gepresenteerde opties en voorstellen, die het resultaat van een grondige analyse van de bestaande situatie zijn en die over het geheel genomen een positief antwoord op de vragen, zorgen en opmerkingen van de Europese politieke partijen vormen;

    2.  is van oordeel dat de Europese politieke partijen een minimum aan financiële stabiliteit dient te worden gegeven en verwelkomt het voorstel om aan het begin van elke zittingsperiode een meerjarig financieel kader op te stellen ten aanzien van zowel het basisbedrag per partij (15 % van de totale begroting) als het aanvullende bedrag per Europees Parlementslid (85 % van de totale begroting) dat zij voor hun rekening nemen, teneinde de bestaande politieke partijen de nodige langetermijnplanning mogelijk te maken wat betreft hun politieke activiteiten, hun programma's en hun personeel en met betrekking tot de voor de uitvoering daarvan noodzakelijke middelen;

    3.  is ervan overtuigd dat de Europese politieke partijen, daar zij met openbare middelen en het geld van de belastingbetalers werken, moeten worden aangemoedigd om economisch efficiënt te werken en verwelkomt het idee om artikel 109, lid 2 van het Financieel Reglement (Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002)[2] en artikel 7, lid 3 van het besluit van het Bureau van 29 maart 2004 in die zin te wijzigen of een afwijkingsbepaling in Verordening (EG) nr. 2004/2003 op te nemen[3];

    4.  benadrukt dat het nodig is alle Europese politieke partijen toe te staan reserves op te bouwen en een limiet te stellen aan het bedrag dat opzij gelegd en naar het volgende begrotingsjaar overgedragen kan worden, en verwelkomt het voorstel van die politieke partijen om toe te staan dat 25 % van een eventueel overschot aan het einde van het jaar in reserve wordt gehouden;

    5.  acht de beperking van de overschrijving van gelden tussen de verschillende begrotingsrubrieken onaanvaardbaar, aangezien de activiteiten van de Europese politieke partijen de politieke werkelijkheid weerspiegelen en de politieke werkelijkheid kan veranderen (bijv. de verwerping van de Grondwet voor Europa in Frankrijk en Nederland), wat tot een extra stimulering van de communicatie kan nopen;

    6.  verwelkomt het voorstel om de drempel in beginsel op 20 % te houden, maar een overschrijving van middelen boven die drempel toe te laten in gemotiveerde uitzonderingsgevallen waarin de ordonnateur vooraf toestemming heeft verleend; is evenwel van oordeel dat dit nieuwe voorstel nog teveel bureaucratische rompslomp met zich meebrengt en de Europese politieke partijen niet in staat stelt het programma van hun politieke activiteiten flexibel aan te passen;

    7.  is van mening dat het verzoek van de Europese politieke partijen om hun status op één lijn te brengen met die van de Europese instellingen legitiem is, en verzoekt het Bureau van het Parlement de zaak verder te onderzoeken.

    PROCEDURE

    Titel

    Europese politieke partijen

    Procedurenummer

    2005/2224(INI)

    Commissie ten principale

    AFCO

    Medeadviserende Commissie
      Datum bekendmaking

    JURI
    15.12.2005

    Nauwere samenwerking

     

    Rapporteur voor advies
      Datum benoeming

    Antonio López-Istúriz White
    12.12.2005

    Vervangen rapporteur voor advies

     

    Behandeling in de commissie

    31.1.2006

     

     

     

     

    Datum goedkeuring

    31.1.2006

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    18

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Maria Berger, Bert Doorn, Giuseppe Gargani, Kurt Lechner, Klaus-Heiner Lehne, Katalin Lévai, Marcin Libicki, Hans-Peter Mayer, Aloyzas Sakalas, Francesco Enrico Speroni, Rainer Wieland, Nicola Zingaretti, Jaroslav Zvěřina, Tadeusz Zwiefka

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Alexander Nuno Alvaro, Nicole Fontaine, Jean-Paul Gauzès, Roland Gewalt, Eva Lichtenberger, Manuel Medina Ortega, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Michel Rocard

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

     

    • [1]               Bijlage 2 bij het Besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 29 maart 2004
      (PB C 155, 12.6.2004, blz. 1).
    • [2]               PB L 248, 16.9.2002, blz. 1.
    • [3]               PB L 297, 15.11.2003, blz. 1.

    PROCEDURE

    Titel

    Europese politieke partijen

    Procedurenummer

    2005/2224(INI)

    Rechtsgrondslag

    art. 45

    Commissie ten principale
      Datum bekendmaking van de
      goedkeuring

    AFCO
    15.12.2005

    Medeadviserende Commissie(s)
      Datum bekendmaking

    JURI
    15.12.2005

    Niet-uitgebracht advies
      Datum van het besluit

    CONT BUDG
    25.1.2006 1.2.2006

    Nauwere samenwerking
      Datum bekendmaking

    Neen

     

     

    Rapporteur
      Datum benoeming

    Jo Leinen
    24.11.2005

    Behandeling in de Commissie

    29.11.2005

    23.1.2006

    21.2.2006

     

     

    Datum goedkeuring

    22.2.2006

    Uitslag eindstemming

    +:

    -:

    0:

    20

    5

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    James Hugh Allister, Jens-Peter Bonde, Carlos Carnero González, Richard Corbett, Jean-Luc Dehaene, Panayiotis Demetriou, Andrew Duff, Maria da Assunção Esteves, Ingo Friedrich, Bronislaw Geremek, Genowefa Grabowska, Ignasi Guardans Cambó, Daniel Hannan, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Jo Leinen, Iñigo Méndez de Vigo, Andreas Mölzer, Borut Pahor, Rihards Pīks, Hans-Gert Poettering, Sérgio Sousa Pinto, Alexander Stubb, Bernard Piotr Wojciechowski

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Gérard Onesta, Jacek Protasiewicz, Jacques Toubon

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

     

    Datum van indiening – A6

    27.2.2006 A6-0042/2006