VERSLAG over de invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) op de ontwikkeling

1.3.2006 - (2005/2162(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking
Rapporteur: Luisa Morgantini


Procedure : 2005/2162(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A6-0053/2006
Ingediende teksten :
A6-0053/2006
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) op de ontwikkeling

(2005/2162(INI))

Het Europees Parlement,

- gezien de te Cotonou op 23 juni 2000 ondertekende partnerschapsovereenkomst tussen de Groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) enerzijds en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds (de Overeenkomst van Cotonou)[1],

- gezien de ministeriële verklaring van de Afrikaanse Unie over de EPO-onderhandelingen die werd gedaan op de derde gewone vergadering van de AU-Conferentie van ministers van Handel, Caïro, van 5 tot 9 juni 2005 (AU/TI/MIN/DECL. (III)),

-    gezien de op de door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU op 21 maart 2002 goedgekeurde Verklaring van Kaapstad (ACS-EU/3382/02/def.)[2],

- gezien de verklaring van de 81ste vergadering van de ACS-Raad van Ministers, Brussel, op 21 en 22 juni 2005,

- gezien de slotrede van Sir John Kaputin op de vergadering van de Regionale EPO-onderhandelaars voor de ACS-landen, Londen, 4 oktober 2005,

- gezien het werkdocument van de diensten van de Europese Commissie met als titel 'Handels- en Ontwikkelingsaspecten van de onderhandelingen over EPO’s', van 9 november 2005 (SEC(2005)1459),

- gezien het gezamenlijk rapport over de fase van de onderhandelingen over EPO’s waarbij de EG en alle ACS-landen betrokken waren, Brussel, 2 oktober 2003 (ACP/00/118/03 Rev.1, ACP-EC/NG/43),

- gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 18 september 2000 die de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD’s) bepaalt als door de internationale gemeenschap vastgestelde criteria ter bestrijding van armoede,

- gezien de verklaring van de 'VN-wereldtop 2005' (Millennium + 5) van september 2005[3],

- gezien het rapport van de VN-millenniumwerkgroep onder leiding van professor Jeffrey Sachs "Investeren in ontwikkeling: een praktisch plan om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te bereiken",

- gezien het verslag van de Europese Commissie van 29 oktober 2004 over de millenniumontwikkelingsdoelstellingen 2000-2004 (SEC(2004)1379),

- gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 april 2005, getiteld “Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken - De bijdrage van de Europese Unie” (COM(2005)0132),

- gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 13 juli 2005, getiteld “Voorstel voor een gezamenlijke verklaring van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie - Het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie - De Europese consensus” (COM(2005)0311),

- gezien het economisch verslag over Afrika 2004 van de Economische Commissie voor Afrika van de VN, getiteld “Unlocking Africa’s Trade Potential”,

- gezien het vooruitgangsverslag van de persoonlijke vertegenwoordigers voor Afrika van de G8 over de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor Afrika, dat op 1 juli 2005 door de Groep van acht in Londen bekend is gemaakt,

- gezien het communiqué van Gleneagles, dat op 8 juli 2005 door de Groep van acht in Gleneagles bekend is gemaakt,

-    gezien de Besluiten van de Raad Algemene Zaken van 23-24 mei 2005,

- gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

-    gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0053/2006),

A. overwegende dat tussen 1975 en 2000 de handelsrelaties van de EU met de ACS-landen werden geregeld door de Overeenkomsten van Lomé, die de ACS-landen een unilaterale, preferentiële toegang tot de Europese markt verleenden,

B. overwegende dat de ondertekening van de Overeenkomst van Cotonou in 2000 een nieuw tijdperk van relaties tussen de ACS-landen en de EU inluidde, met bepalingen voor een nieuwe handelsrelatie,

C. overwegende dat de hoofddoelstelling van het partnerschap tussen de ACS-landen en de EU en de Overeenkomst van Cotonou het verbeteren van de vooruitzichten voor sociale en economische ontwikkeling van de ACS-landen is,

D. overwegende dat de EU gebonden blijft door de MOD’s en dat deze slechts als een eerste stap in de uitroeiing van armoede moeten worden beschouwd;

E.  overwegende dat de doelstellingen van de Overeenkomst van Cotonou en de EU duidelijk zijn; overwegende echter de geringe verwachte invloed van de EPO’s aangezien ze momenteel op zwakke ACS-economieën steunen en gezien de verschillende niveaus van ontwikkeling tussen de EU en de ACS-economieën; de rol van de EPO’s bij het bereiken van deze doelstellingen wordt steeds meer in twijfel getrokken door verscheidene hoofdrolspelers, zoals Afrikaanse ministers, sommige EU-lidstaten en de Europese maatschappij en het maatschappelijk middenveld in de ontwikkelingslanden,

F.  overwegende dat marktintegratie binnen de EU gepaard is gegaan met cohesiemaatregelen om de economisch zwakkere landen te ondersteunen,

G. overwegende dat in de Overeenkomst van Cotonou de noodzaak wordt onderstreept om de regionale integratie-initiatieven van de ACS-landen uit te bouwen, aangezien de totstandbrenging van grotere regionale markten en verdere regionale integratie een stimulans voor handelaars en investeerders zullen vormen,

H. overwegende dat de desbetreffende partijen in de Overeenkomst van Cotonou hebben afgesproken nieuwe, met de WTO compatibele handelsakkoorden te sluiten, waardoor de hindernissen voor onderlinge handel geleidelijk worden weggenomen en de samenwerking op alle handelsgerelateerde gebieden wordt bevorderd,

I.   overwegende dat de bestaande handelsregelingen (Bijlage V bij de Overeenkomst van Cotonou: "Handelsregeling die tijdens de in artikel 37, lid 1, bedoelde voorbereidingsperiode van toepassing is") worden beheerst door een schuldkwijtschelding door de WTO die eind 2007 zal verstrijken,

J.   overwegende dat van EPO’s wordt verondersteld dat er nieuwe handelsrelaties tussen de EU en de ACS-landen worden gedefinieerd, is het liberaliseren van de handel tussen ongelijke partners als een instrument voor ontwikkeling in het verleden echter ondoeltreffend en zelfs contraproductief gebleken,

K. overwegende dat het regionale aspect van de EPO’s essentieel is om niet alleen de noord-zuidhandel, maar ook de zuid-zuidhandel te versterken,

L.  overwegende dat de minst ontwikkelde landen (MOL’s) van de ACS-landen markttoegang tot de EU is verleend onder het programma “Alles behalve wapens” (EBA),

M. overwegende dat artikel 19 van de Overeenkomst van Cotonou het mogelijk maakt om het ACS-EU-samenwerkingskader op de individuele omstandigheden van elk ACS-land af te stemmen,

N. overwegende dat de EU-lidstaten het in de besluiten van de Europese Raad van november 2005 eens werden over de noodzaak om een verbeterd opvolgingsmechanisme in te stellen en door te voeren om de vorderingen ten aanzien van de doelstellingen binnen het EPO-proces te meten,

O. overwegende dat de ACS-landen krachtens artikel 37, lid 6 van de Overeenkomst van Cotonou het recht hebben alternatieven voor de EPO’s te onderzoeken,

P.  overwegende dat hoewel de EPO-onderhandelingen momenteel reeds vier jaar aan de gang zijn, het erop lijkt dat er nog vele hindernissen blijven bestaan als de onderhandelingen tegen 31 december 2007 moeten worden afgerond, zoals voorzien in de Overeenkomst van Cotonou; overwegende dat artikel XXIV van GATT een plan en een rooster vereist voor de voltooiing van een vrijhandelszone "binnen redelijke termijn",

1.  begrijpt dat de EPO-onderhandelingen voortvloeien uit de noodzaak om de handelsrelaties tussen de ACS-landen en de EU compatibel te maken met de WTO-regels, maar roept de Commissie op waakzaam te zijn dat de kwestie van de compatibiliteit niet de bovenhand krijgt ten opzichte van de algemene doelstelling van ontwikkeling; roept de Commissie op niet alleen oog te hebben voor compatibiliteit met de WTO-regels, maar er ook, in samenwerking met de ontwikkelingslanden, naar te streven de WTO-regels te verbeteren zodat ze beter op ontwikkeling zijn afgestemd;

2.  meent dat goed doordachte EPO's in staat zijn de handelsrelaties tussen de ACS-landen en de EU nieuw leven in te blazen, de economische diversificatie en regionale integratie in de ACS-landen kunnen bevorderen en de armoede aldaar kunnen terugdringen;

3.  juicht de herhaaldelijke protesten van de Commissie toe dat ontwikkeling de hoofddoelstelling van elke gesloten EPO blijft;

4.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de EPO/FTA-onderhandelingen zijn opgestart en in belangrijke fasen treden zonder dat in de meeste ACS-landen een echt democratisch debat wordt gevoerd; roept derhalve op tot een echt publiek debat tussen het maatschappelijk middenveld, wetgevers en overheidsinstellingen en tot correcte feedback en overlegmechanismen om aan deze toestand een einde te maken en democratische inspraak mogelijk te maken;

5.  meent dat deze ontwikkelingsdoelstellingen alleen kunnen worden bereikt als de EPO's primair gericht zijn op het aanmoedigen van goed economisch beheer, op het bevorderen van regionale integratie van de ACS-economieën en op het aantrekken en vasthouden van meer investeringen binnen de ACS-landen;

6.  roept de Commissie en de ACS-regio's dan ook op de EPO's op de volgende beginselen te funderen: asymmetrie ten gunste van de ACS-regio's, steun voor regionale integratie in de ACS-landen en de totstandbrenging van een goed doortimmerd en voorspelbaar kader ter bevordering van handel met en investeringen in de ACS-regio's;

7.  merkt echter op dat bij de onderhandelingen concrete ontwikkelingsvriendelijke resultaten uitblijven, zoals werd aangetoond door de geuite toenemende bezorgdheid en ontevredenheid van de ACS-landen met betrekking tot het uitblijven van maatregelen voor ontwikkelingssteun die nodig zijn om concrete voordelen uit een EPO te halen, zoals bindende toezeggingen inzake ontwikkelingssamenwerking, concrete correctiemaatregelen om de effecten van voorkeurserosie teniet te doen, technologieoverdracht en verbetering van de concurrentiekracht;

8.  benadrukt dat het resultaat van de EPO-onderhandelingen bescherming zou moeten bieden aan de binnenlandse en regionale markten van de ACS-producenten en de ACS-landen de nodige beleidsruimte zou moeten laten om hun eigen ontwikkelingsstrategieën te voeren;

9.  dringt er bij de Commissie op aan te handelen in overeenstemming met de doelstelling van Cotonou tot het uitroeien van armoede en het ondersteunen van de maatschappelijke en economische ontwikkeling in elk regionaal blok, vooral van de in economisch opzicht zwakste ACS-landen in elk regionaal blok, omdat deze anders op een zijspoor worden gezet; dringt er voorts op aan te aanvaarden dat er een grotere flexibiliteit nodig is – wat betreft het tijdsschema voor onderhandelingen over geleidelijke handelsopenstelling, duur van de overgangsperiode en de mate van productdekking – als duurzame ontwikkeling het uiteindelijke resultaat van de EPO’s moet zijn; benadrukt dat EPO’s de ACS-landen moeten helpen bij hun integratie in de wereldeconomie door hun ontwikkeling via handel te stimuleren en rekening te houden met de asymmetrie tussen hun economieën;

10. benadrukt dat de Beginselverklaring inzake ontwikkelingssamenwerking (DPS), in het bijzonder lid 36, een leidraad verschaft aan de EPO-onderhandelaars; dringt er in dat verband bij het Directoraat-generaal Handel op aan het beginsel van asymmetrie en flexibiliteit aan te houden om de "ontwikkelingslanden hun handelsbeleid in overeenstemming met hun ruimere plannen voor nationale ontwikkeling te laten uitstippelen en hervormen" en zijn onderhandelingsstrategie te herzien om deze verenigbaar te maken met het allesomvattende DPS-beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling;

11. benadrukt het belang van openbare diensten voor ontwikkeling en democratie en verzoekt de Commissie derhalve met voorzichtigheid op te treden indien ze overweegt de dienstensector vrij te maken, en in het bijzonder water, gezondheidszorg, onderwijs, vervoer en energie tegen liberalisering te beschermen;

12. erkent de zeer uiteenlopende economische ontwikkelingsniveaus van de EU en de ACS-landen en is er derhalve erg over bezorgd dat het te snel bereiken van een wederzijdse liberalisering van de handel tussen de EU en de ACS-landen een negatieve invloed zou kunnen hebben op kwetsbare ACS-economieën en staten, net op het moment dat de internationale gemeenschap haar uiterste best zou moeten doen om de staten in hun gedrevenheid om de MOD’s te halen, te steunen; en roept de Commissie derhalve op erop te letten dat de ACS-landen krachtens artikel 34, lid 4 van de Overeenkomst van Cotonou in de EPO’s een bijzondere en gerichte behandeling krijgen;

13. benadrukt dat het scheppen van fatsoenlijk werk waarbij de rechten van de werknemers volledig worden geëerbiedigd, een essentieel element is bij het bestrijden van armoede en het halen van de MOD’s, doordat dit de ontwikkeling van duurzame bestaansmiddelen bevordert, alsook de sociale voorwaarden waaronder gelijkheid en democratie kunnen worden versterkt;

14. benadrukt dat de Overeenkomsten van Lomé er niet in geslaagd zijn een gepaste ontwikkeling binnen de ACS-landen te stimuleren, dat verbeterde markttoegang op zich onvoldoende is om ontwikkeling te stimuleren en dat voorkeurserosie nieuwe instrumenten vereist; benadrukt echter ook dat EPO’s niet veel meer kans van slagen zullen hebben als deze niet volledig op duurzame ontwikkeling gericht zijn; en wenst derhalve dat de EPO-onderhandelingen werkelijk nieuwe en verbeterde markttoegangskansen scheppen voor de uitvoer van goederen en diensten uit de ACS-landen;

15. dringt er bij de Commissie op aan ambitieuze nieuwe initiatieven na te streven om de prijs van de grondstoffen te stabiliseren die van essentieel belang zijn voor ontwikkelingslanden en benadrukt het belang van initiatieven van de Commissie om productdiversificatie en productie met toegevoegde waarde te stimuleren;

16. dringt er bij de Commissie op aan haar steun te verlenen aan mechanismen waardoor producenten zoveel mogelijk betrokken worden bij en deelnemen aan prijsbepalingen, zoals in het compendium bij de Overeenkomst van Cotonou is vastgelegd; roept de EU op eerlijke handel te bevorderen als een mechanisme om de omstandigheden voor kleine en op een zijspoor gezette producenten en arme arbeiders te verbeteren;

17. dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met het begrotingsbelang van de inkomsten uit tarieven in vele ACS-staten die drastisch zullen dalen door iedere overeenkomst voor wederzijdse handel met de EU, wat kan leiden tot onmiddellijke besnoeiingen in de openbare uitgaven in gebieden zoals gezondheid en onderwijs, waardoor de inspanningen van de ACS-landen om de MOD’s te bereiken in het gedrang komen; roept de Commissie derhalve op brede fiscale hervormingsprogramma’s voor te stellen en te financieren voordat de wederzijdse markten volledig worden opengesteld; wenst de invoering van met de WTO compatibele waarborgmechanismen die ruimte laten voor tijdelijke invoerbeperkingen wanneer een binnenlandse industrietak als gevolg van een invoerpiek schade lijdt of dreigt te lijden;

18. erkent de mogelijkheid om dit verlies te compenseren door andere directe belastingen of BTW, maar benadrukt de degressieve aard van sommige van deze belastingstelsels die de armen op een evenredige manier zouden treffen evenals de technische problemen die met de invoering ervan en de praktische tenuitvoerlegging gepaard gaan;

19. roept de Commissie op een waarborgmechanisme in de EPO’s in te voeren om de ACS-landen voldoende beleidsruimte te laten en, indien nodig, de liberalisering tijdelijk op te schorten in geval van moeilijkheden op het gebied van de betalingsbalans of macro-economische schokken;

20. onderstreept hoe belangrijk het is dat de Commissie de toezegging van de heer Barroso nakomt om de ontwikkelingslanden 1 miljard euro aan handelssteun te verlenen en roept op indien nodig boven op de bestaande EOF-toezeggingen aanvullende gelden vrij te maken; betreurt dat zowel hiervoor onvoldoende voorzieningen werden getroffen als voor de voorgestelde 190 miljoen euro per jaar voor landen uit het Suikerprotocol in de overeenkomst van de Raad over de volgende financiële vooruitzichten;

21. dringt er bij de Commissie gezien het belang van investeringen voor de economische ontwikkeling van de ACS-landen op aan wijzigingen in de werking van de investeringsvoorziening van de EIB na te streven om aanvullende en ontwikkelingsbevorderende investeringen te stimuleren;

22. is van oordeel dat de verbetering van onderwijs en infrastructuur noodzakelijke vereisten zijn voor het openen van de ACS-markten en vraagt de Commissie derhalve om te garanderen dat er meer middelen en een mechanisme voor vroegtijdige uitbetaling worden voorzien voor de ACS-landen om de beperkingen aan de aanbodzijde, de externe effecten van de GLB-hervorming en de steeds veeleisender normen voor regelgeving van de EU aan te pakken;

23. roept de Commissie op bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van de MOL’s en aangepaste steun voor het scheppen van mogelijkheden te verlenen en beperkingen aan de aanbodzijde aan te pakken, opdat die landen de vruchten kunnen plukken van de markttoegang die in het kader van "Alles behalve wapens" is verleend;

24. vraagt dat de leiders van de ACS-landen de middelen op een doeltreffender manier gebruiken, in een kader van meer verantwoordelijkheid, behoorlijk bestuur en democratie;

25. roept ertoe op dat elke marktopenstelling wordt doorgevoerd binnen het kader van EPO’s die onderworpen worden aan het bereiken van specifieke ontwikkelingsdoelstellingen en het beschikbaar maken van gepaste middelen om te voorzien in alle extra kosten die ermee gepaard gaan;

26. benadrukt dat het bereiken van een degelijke intraregionale integratie belangrijker is dan het opstarten van een programma voor interregionale integratie;

27. dringt erop aan dat een tijdige en effectieve verlening van handelsgerelateerde bijstand aan de ACS-landen en regio’s wordt gewaarborgd om hun handelsmogelijkheden in de aanloop naar de EPO-onderhandelingen te versterken;

28. merkt op dat EPO-onderhandelingen in sommige gevallen hebben geleid tot de oprichting van nieuwe economische blokken, met landen van een aanzienlijk verschillend ontwikkelingsniveau, wat moeilijkheden in de ACS-landen met zich teweeg heeft gebracht en aan overlappende regionale economische gemeenschappen bijdraagt;

29. juicht de rol toe die de regionale integratieprocessen, die door de EPO’s worden gestimuleerd en in de Overeenkomst van Cotonou als een prioriteit worden erkend, spelen om de landen te helpen interne markten uit te bouwen, investeerders aan te trekken en beperkingen aan de aanbodzijde aan te pakken; roept de Commissie echter op rekening te houden met de noodzaak van overgangsperiodes teneinde strategische producten en industrieën te beschermen en met de WTO compatibele waarborgmechanismen in te voeren en gederfde tariefinkomsten te compenseren;

30. herinnert de Commissie eraan dat het wellicht niet voor alle regionale blokken haalbaar is om tegen 2008 met de geleidelijke tenuitvoerlegging van een asymmetrisch wederzijdse vrijhandelsovereenkomst met de EU te kunnen beginnen, tenzij gepaste steunmaatregelen worden genomen;

31. roept de Commissie op te zorgen voor meer coherentie en cohesie tussen de inhoud van de EPO’s op het gebied van handel, de begeleidende en correctiemaatregelen en de tijdige en effectieve verlening van bijstand; roept voorts op tot nauwere samenwerking tussen de Directoraten-generaal Ontwikkeling, Handel, EuropeAid, Dienst voor Samenwerking en Buitenlandse Betrekkingen evenals de EU-lidstaten over de beste manier om EPO-ontwikkelingssteun te verlenen;

32. dringt er bij de Commissie op aan haar aandacht te richten op en voorrang te geven aan de verbetering van de mogelijkheden op het gebied van productie en verwerking en van de nationale en regionale handel binnen de ACS-landen vooraleer eender welke wederzijdse EPO met de EU ten uitvoer te leggen;

33. betreurt de snelheid waarmee de eerste fase met alle ACS-landen van de EPO-onderhandeling was uitgevoerd en betreurt dat er toen geen echte besluiten konden worden genomen;

34. is van oordeel dat de rol van het ACS-secretariaat bij het coördineren van die onderhandelingen moet worden versterkt indien dit relevante informatie zou verschaffen over het onderhandelingsstadium in de verschillende ACS-regio’s;

35. roept de Commissie op de wensen van de ACS-leiders te respecteren als ze wensen de eerste fase met alle ACS-landen opnieuw op te starten en de nog steeds bestaande geschillen op te lossen;

36. roept de Commissie op alternatieven te verschaffen aan landen die niet bereid zijn EPO’s te ondertekenen, en in het bijzonder na te denken over een betere tenuitvoerlegging van een verbeterd algemeen preferentiesysteem;

37. herinnert eraan dat de Overeenkomst van Cotonou bepaalt dat een land of regio die geen EPO/FTA wenst af te sluiten, niet slechter af mag zijn in termen van markttoegang; roept de Commissie op alle alternatieve mogelijkheden te onderzoeken, met inbegrip van niet-wederzijdse regelingen zoals deze in artikel 37, lid 6 van de Overeenkomst van Cotonou worden vermeld, een bepaling die moet worden nageleefd als de ACS-landen deze hebben aanvaard;

38. vraagt de Commissie de EU en de ACS-landen samen als een blok te beschouwen dat sterk genoeg is om eventueel te eisen dat de WTO-regels worden herzien opdat ze rechtvaardiger en meer afgestemd zijn op de behoeften van zowel de ontwikkelingslanden als de kleine Europese producenten;

39. is verheugd over de debatten tussen ACS-landen en EU over regels inzake investeringen, concurrentie en doorzichtigheid in overheidsopdrachten onder het mandaat van de EPO’s om handel en ontwikkeling te bevorderen; benadrukt echter dat in de EPO-onderhandelingen geen nieuwe regels aan de ACS-regio’s mogen worden opgedrongen;

40. roept op tot meer doorzichtigheid met betrekking tot de vorderingen en de inhoud van de onderhandelingen, tot het verlenen van EPO-ontwikkelingsbijstand en tot meer betrokkenheid bij de onderhandelingen van het maatschappelijk middenveld van de ACS-landen, de privé-sector, de nationale parlementen, lokale overheden, het Europees Parlement en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (PPV);

41. verwelkomt de herziening van de EPO-onderhandelingen die in 2006 moeten plaatsvinden, zoals voorzien in artikel 37, lid 4 van de Overeenkomst van Cotonou, en vertrouwt erop dat dit zal worden gezien als een kans om een uitgebreide en oprechte evaluatie te maken over de mate waarin EPO’s de juiste voorwaarden zullen helpen scheppen voor de uitroeiing van de armoede en een bloeiende sociale en economische ontwikkeling op lange termijn;

42. herinnert aan en steunt de verklaring van Kaapstad, die in maart 2002 met eenparigheid van stemmen door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU werd aangenomen, waarin werd opgeroepen tot de oprichting van maatstaven voor ontwikkeling waarmee het verloop en de resultaten van de ACS-EU-handelsbesprekingen worden geëvalueerd; pleit voor het gebruik van dergelijke maatstaven bij alle beoordelingen van de geboekte vorderingen; deze maatstaven moeten sociale en milieu-indicatoren omvatten, met inbegrip van het scheppen van fatsoenlijk werk, gezondheid, onderwijs en genderinvloeden;

43. dringt er bij de Commissie op aan om in deze richting verder te gaan en een nieuw toezichtsmechanisme ten uitvoer te leggen, waarbij de parlementariërs en het maatschappelijk middenveld volledig betrokken zijn, om te verzekeren dat tijdens het onderhandelingsproces politiek toezicht en verantwoordelijkheid wordt gegarandeerd in verband met de ontwikkelingsdoelstellingen of gevestigde normen;

44. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de EU-lidstaten en van de ACS-landen, de ACS-EU-Raad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

  • [1]  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
  • [2]  PB C 231 van 27.9.2002, blz. 63.
  • [3]  http://www.un.org/ga/59/hl60_plenarymeeting.html.

TOELICHTING

Achtergrond en rechtsgrondslag

Van 1975 tot 2000 werden de handelsrelaties van de EU met de ACS-landen geregeld door de Overeenkomsten van Lomé, die de ACS-landen een unilaterale, preferentiële toegang tot de Europese markt verleenden. De voorrechten van de ACS-landen onder Lomé waren niet wederzijds. In 2000 werd de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou ondertekend, met als "centrale doelstelling armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te roeien, overeenkomstig de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie"[1].

Zoals bepaald in de Overeenkomst van Cotonou begonnen de EU- en ACS-landen in september 2002 te onderhandelen over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's), d.w.z. regionale vrijhandelsovereenkomsten, aangepast aan de regels van de WTO. Volgens de EPO's moeten de ACS-landen hun markten liberaliseren en deel gaan uitmaken van nieuwe, bilaterale en regionale handelsstelsels met de EU. Met het oog op de onderhandelingen en de nieuwe handelsregeling werd Afrika in vier regionale groepen ingedeeld, grotendeels gebaseerd op de volgende bestaande regionale organisaties: de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS), de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC), de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC) en Oostelijk en Zuidelijk Afrika (ESA). Het Caribische gebied en de Stille Oceaan staan elk voor één regionale groep.

Eén van de redenen om EPO's af te sluiten, is dat de eenzijdige handelsrelatie van de EU met de ACS-landen onder de Overeenkomsten van Lomé en in de tussenperiode onder de Overeenkomst van Cotonou, strijdig is met de "machtigingsclausule" van de WTO. Volgens deze clausule mogen industrielanden slechts aan twee categorieën van landen een eenzijdige voorkeursbehandeling geven: ofwel aan de ontwikkelingslanden, óf aan de minst ontwikkelde landen (MOL). Aangezien de ACS-regio's landen uit beide groepen omvatten, zijn de preferenties die oorspronkelijk aan de ACS-landen waren toegekend onverenigbaar met de huidige WTO-regels.

Bij de oprichting van de WTO in 1995 slaagden de EU- en ACS-landen erin een vrijstelling te verkrijgen voor de Overeenkomsten van Lomé, die daarna in 2001 in Doha werd verlengd voor de Overeenkomst van Cotonou. Door middel van EPO's kunnen de EU-ACS-handelsbetrekkingen op lange termijn toch in overeenstemming met de WTO gebracht worden. Onder de EPO's moeten de handelsbetrekkingen tussen de EU en de verschillende regionale ACS-groepen namelijk bilateraal worden; bijgevolg zullen de EPO's geregeld worden door artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst voor Handel en Tarieven (GATT), en niet door de "machtigingsclausule". Volgens artikel XXIV kunnen landen op een verschillend ontwikkelingsniveau een bilaterale vrijhandelsovereenkomst afsluiten op voorwaarde dat "vrijwel alle handel" binnen een "aanvaardbare tijdsspanne" wordt geliberaliseerd - wat de EPO's betreft, werd dit geïnterpreteerd als een liberalisering van ongeveer 90% van de handel binnen 10 à 12 jaar.

Voornaamste ontwikkelingen

Officiële onderhandelingsmandaten en -richtlijnen voor de EPO's werden pas twee jaar na de ondertekening in juni 2000 van de Overeenkomst van Cotonou door de EU en de ACS-staten goedgekeurd. In juni 2002 besloten de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU om de Europese Commissie een mandaat voor het sluiten van EPO's te geven; de ministers van Handel en Financiën van de ACS-landen bereikten een akkoord over de onderhandelingsrichtlijnen.

De eerste fase van de onderhandelingen (september 2002 - september 2003) waaraan de ACS-landen als geheel deelnamen, leidde niet tot een officieel akkoord zoals de ACS-landen hadden gehoopt. In plaats daarvan keurden de EU en de ACS-landen in september 2003 een gezamenlijk verslag goed waarin enkel convergenties en divergenties werden vermeld. Hoewel deze fase van overleg tussen de ACS-landen als geheel en de EU nooit werd afgesloten, begonnen in 2003 de regionale onderhandelingen tussen de EU en de ACS-landen, te beginnen met Centraal-Afrika en West-Afrika, in 2004 gevolgd door Oostelijk en Zuidelijk Afrika, het Caribische gebied en als laatste de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika.

De meeste regionale onderhandelingen hebben vanaf het begin een gelijkaardig verloop gekend aangezien tussen de EU en elke individuele ACS-regio een gezamenlijk stappenplan werd opgesteld. Deze stappenplannen bevatten de doelstellingen, principes, het verloop en de opeenvolging van de onderhandelingen voor elke EPO. Daarnaast hebben de regio's ook regionale voorbereidende taakgroepen opgericht (of zijn ze die aan het oprichten). Het huidige onderhandelingsproces - aangevat in het wettelijke kader van de Overeenkomst van Cotonou en met de armoedebestrijding als centrale doelstelling - moet leiden tot regionale vrijhandelsovereenkomsten die in overeenstemming zijn met de regels van de WTO en die voornamelijk gericht zijn op een progressieve liberalisering van de handel; met de ontwikkelingsdoelstellingen van de Overeenkomst van Cotonou wordt dus nauwelijks rekening gehouden.

Voornaamste geschilpunten en zorgen

Het hoofddoel van de Overeenkomst van Cotonou - en bij uitbreiding van de EPO's - is de vermindering en uitroeiing van armoede en het bereiken van duurzame ontwikkeling. Na bijna een jaar van regionale onderhandelingen hebben NGO's en vele ACS-regeringen hun grote ongerustheid uitgesproken over de invloed van EPO's op de fragiele ACS-economieën en over de doeltreffendheid van handelsliberalisering als een instrument voor ontwikkeling. Om er zeker van te zijn dat armoedevermindering het uiteindelijke resultaat is van de EPO's, moet een aantal zaken binnen de volgende twee onderhandelingsjaren aan de orde gesteld worden.

De eis tot een bilaterale handelsrelatie is het meest omstreden onderwerp met betrekking tot ontwikkeling. Het is duidelijk dat de uitvoering van een bilaterale vrijhandelsovereenkomst bijzonder moeilijk zal zijn voor de ACS-landen, waarvan het ontwikkelingsniveau ver onder dat van de EU ligt en daarenboven erg varieert binnen de regio's zelf. De omvang en de modaliteiten van de handelspreferenties toegekend onder de Overeenkomsten van Lomé werden grotendeels door de EU bepaald en maakten geen einde aan de daling van het ACS-marktaandeel, maar dit betekent niet dat bilaterale vrijhandel een betere oplossing is om de ACS-economieën sterker te maken. De vraag naar reciprociteit is de voornaamste verschuiving in de EU-benadering van ontwikkeling en van het handelsbeleid met ACS-partners, en gezien de negatieve invloed die voortijdige liberalisering kan hebben op partnerlanden - zoals nu wordt erkend door de meeste ontwikkelingsdeskundigen - moet er voorzichtig mee worden omgesprongen. De Europese Commissie en de ACS-landen moeten daarom samen aandringen op een herziening van artikel XXIV van de GATT waarin een speciale en differentiële behandeling voor ontwikkelingslanden wordt toegestaan. De EU moet gebruik maken van haar sterke positie in de WTO om meer flexibiliteit te eisen.

De Europese Commissie moet ook iets doen aan de ongerustheid van de ACS-landen over de huidige, rigide tijdslimieten. De Commissie wil de besprekingen over de EPO's tegen 2008 afsluiten om te voorkomen dat er met andere WTO-leden wordt onderhandeld over verdere vrijstellingen die de toegang van de ACS-markt tot de EU kunnen beïnvloeden. Toch moeten ontwikkeling en armoedebestrijding de prioriteiten blijven, in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou. Vasthouden aan een inflexibel tijdschema zal een negatieve impact hebben op de armoedevermindering. Bovendien kunnen de regels van de WTO aangaande de uitvoeringstermijn op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. In artikel XXIV, lid 5 wordt alleen bepaald dat een voorlopige overeenkomst voor een regionale handelsovereenkomst (RHO) een ontwerp en een tijdschema moet omvatten voor de opstelling van de RHO binnen een aanvaardbare periode. In het memorandum van overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXIV wordt "een aanvaardbare periode" omschreven als tien jaar en wordt gepreciseerd dat deze periode "slechts in uitzonderlijke gevallen" mag worden overschreden. De EPO's tussen de EU en de ACS-landen kunnen zeker als buitengewoon beschouwd worden, gezien het verschil in ontwikkelingsniveau tussen beide partijen. Een tenuitvoerlegging van slechts 10 jaar zou in sommige landen grote economische verwarring kunnen veroorzaken.

De ministers van de ACS-landen en onderhandelaars op regionaal niveau hebben herhaaldelijk hun bezorgdheid uitgesproken over het gebrek aan bestaansmiddelen. Er moet iets gedaan worden aan de aanbodbeperkingen en de institutionele tekortkomingen waaronder de zes ACS-regio's erg te lijden hebben. Met het oog op de EU-uitbreiding werden enorm veel middelen vrijgemaakt om ervoor te zorgen dat de nieuwe lidstaten de liberalisering van de handel met de EU zouden aankunnen. Op een analoge manier moet de EU overwegen om de ACS-landen te voorzien van extra middelen uit het EOF, eerst en vooral om hen te helpen het hoofd te bieden aan de belangrijke institutionele hervormingen die ze onder EPO's hebben moeten doorvoeren, en in de tweede plaats om de invloed van deze hervormingen op de ontwikkeling te beoordelen vóór het einde van de onderhandelingen.

Hoewel partnerschap één van de basiselementen is van de Overeenkomst van Cotonou en de EPO's, discussieert de Commissie niet graag over veel van de problemen die de ACS-partners ter sprake brengen, zoals op de bijeenkomst van de Afrikaanse ministers van Handel in Caïro in juni laatstleden. De ACS-landen benadrukken vooral dat het belangrijk is iets te doen aan de aanbodbeperkingen die vele ACS-landen momenteel moeten dulden en die hen kunnen beletten echt voordeel te halen uit een geliberaliseerde handelsregeling met de EU. Voor het ogenblik wordt er onvoldoende kapitaal opzij gelegd om deze beperkingen te verminderen. Er is ook meer financiering nodig om de ACS-economieën te helpen voldoen aan de steeds hoger wordende eisen van de EU wat technische, sanitaire en andere normen betreft. Daarnaast moeten er ook middelen voorzien worden om de sociale impact te verlichten van de economische hervormingen die de EPO's zullen teweegbrengen.

Vrije handel met de EU zou voor de ACS-landen ook tot aanzienlijke inkomstenverliezen leiden. De opbrengst van invoerrechten en -heffingen vertegenwoordigt in de ACS-landen een belangrijk deel van de nationale budgetten. In geval van verregaande handelsliberalisering moet die opbrengst vervangen worden door andere vormen van inkomsten, zoals directe belastingen of BTW. Sommige vormen van inkomsten zouden echter onverenigbaar kunnen blijken met de doelstelling van armoedebestrijding van de Overeenkomst van Cotonou en zelfs een achteruitgang op dit gebied kunnen betekenen. Bovendien zijn veel ACS-landen niet in staat een belastingstelsel in te voeren of hun huidige stelsel voldoende uit te breiden. De afschaffing van invoertarieven kan leiden tot goedkopere leveringen van goederen voor de binnenlandse productie (machines voor industriële productie enz.), maar de EPO-onderhandelingen kunnen niet worden afgesloten zonder een regeling ter compensatie van het inkomstenverlies voor de ACS-regeringen.

Het is duidelijk dat er voor de bovengenoemde uitgaven bijkomende financiering nodig zal zijn, veel meer dan wat op dit moment wordt overwogen in de financiële vooruitzichten of het tiende EOF. Het zou in dit opzicht nuttig zijn om triggers in te bouwen in de EPO-onderhandelingen zodat een fase pas kan beginnen als de middelen ervoor aanwezig zijn of als een bepaald resultaat bereikt is.

Op de ministersvergaderingen van de WTO wordt het voorstel om de zogenaamde Singapore-onderwerpen - in het bijzonder investeringen, overheidsopdrachten en concurrentiebeleid - onder het WTO-mandaat te brengen, steevast afgekeurd door de ontwikkelingslanden. De EU moet de eisen van haar ACS-partners eerbiedigen en de beloftes nakomen die ze op de WTO-vergadering in Doha gemaakt heeft door discussies over de Singapore-onderwerpen tijdens EPO-onderhandelingen achterwege te laten. Waarschijnlijk zou het opnemen van de Singapore-onderwerpen in een EPO immers dienen om bedrijven uit de EU meer rechten te geven ten koste van de nationale ACS-ontwikkelingsplannen.

Regionalisme is een kerndoel voor zowel de ACS-landen als de EU en staat centraal in de EPO-onderhandelingen. EPO's zouden ondersteuning moeten geven aan en gebaseerd moeten zijn op bestaande regionale integratie-initiatieven en -doelstellingen. Toch hebben EPO-onderhandelingen in sommige gevallen geleid tot de oprichting van nieuwe regionale economische gemeenschappen, die landen van sterk verschillende ontwikkelingsniveaus omvatten. Dit heeft voor grote moeilijkheden gezorgd in de ACS-landen, die de bescherming van strategische industrieën afzwakken omdat ze hun tarieven moeten aanpassen vóór het einde van de onderhandelingen in 2007. De ACS-landen zouden genoeg tijd moeten krijgen om hun regionale integratie-inspanningen af te ronden en te consolideren vooraleer die blootgesteld worden aan de concurrentie van de EU. In de praktijk betekent dit dat dergelijke overgangsperiodes voor intraregionale ontwikkeling onmogelijk zouden kunnen eindigen in 2008, wat de voorgestelde begindatum is voor de uitvoering van de EPO's.

De EU heeft het advies van de UNCTAD opgevolgd en heeft sinds 1971 het APS toegepast in haar handelsrelaties met ontwikkelingslanden. Als het naar behoren wordt toegepast, zou het nieuwe APS+ van de EU er voor kunnen zorgen dat milieu- en sociale normen een topprioriteit worden in handelsovereenkomsten met ACS- en andere ontwikkelingslanden die bepaalde internationale normen respecteren. Bovendien biedt het "alles behalve wapens" (EBA)-initiatief de minst ontwikkelde van de ACS-landen (MOL) op dit ogenblik een betere toegang tot de EU-markt dan de EPO's. Deze landen zijn dan ook niet erg gemotiveerd om actief deel te nemen aan de ontwikkeling van EPO's. Ze beschikken momenteel namelijk over een unilaterale toegang tot de markt en dit kan zo blijven als ze ervoor kiezen geen EPO's af te sluiten. Landen onder het APS genieten inderdaad bepaalde preferenties en zijn zo misschien wel beter af dan onder bilaterale EPO's. Als het de bedoeling is dat de EPO's verder worden uitgewerkt en de onderliggende ontwikkelingsdoelstellingen verwezenlijkt worden, moet de Europese Commissie deze kwestie aanpakken.

Volgens artikel 37, lid 4 van de Overeenkomst van Cotonou is er in 2006 een herziening van de EPO-onderhandelingen gepland, die belangrijk is omdat erin zou moeten worden beoordeeld in welke mate de onderhandelingen werkelijk tot deze doelstellingen bijdragen. Om ervoor te zorgen dat deze evaluatie voor alle belanghebbenden begrijpelijk en toegankelijk is, moet er meer doorzichtigheid komen over de vorderingen en de inhoud van de onderhandelingen. De onderhandelaars moeten de verklaring van Kaapstad in gedachte houden, die unaniem werd goedgekeurd op de paritaire parlementaire vergadering ACS-EU in maart 2002, en waarin werd aangedrongen op de opstelling van ontwikkelingscriteria aan de hand waarvan het verloop en het resultaat van de ACS-EU-handelsbesprekingen bepaald moeten worden. Regionale onderhandelingen zouden daarenboven naast de integratie in de wereldeconomie ook als doel moeten hebben de handel te ontwikkelen, de armoede te verminderen en de rechten van arbeiders en sociale basisrechten te doen respecteren. Er is dus een grote betrokkenheid nodig van het maatschappelijk middenveld in de ACS-landen, bijvoorbeeld door raadpleging via plaatselijke taakgroepen voor handelsonderzoek, en ook de permanente betrokkenheid van de nationale parlementen is onmisbaar. In dit opzicht zou het nuttig zijn om met de volle medewerking van de parlementsleden en het maatschappelijk middenveld een controlemechanisme in werking te stellen, om de kritische blik en het verantwoordelijkheidsgevoel van de politieke wereld tegenover de ontwikkelingsdoelstellingen en de vastgelegde criteria gedurende het hele onderhandelingsproces te garanderen.

Volgens het huidige tijdschema moeten de EPO-onderhandelingen ten laatste tegen december 2007 afgesloten worden, met een uitvoeringsfase die tussen 10 en 12 jaar mag duren en moet beginnen in januari 2008. Maar vóór deze datum moeten in de individuele EPO-onderhandelingen nog heel wat problemen opgelost worden, waarbij het absoluut noodzakelijk is dat alle onderhandelaars de centrale doelstelling van de Overeenkomst van Cotonou, namelijk de uitroeiing van de armoede, in elke overeenkomst voorop plaatsen. Om deze doelstelling te bereiken, zou er een nieuw wereldsysteem voor handel en economie moeten worden uitgedacht en uitgebouwd, waarin meer aandacht wordt besteed aan de bescherming van de landbouw in Afrikaanse landen en waarin zelfvoorziening en de garantie van een fatsoenlijk inkomen voor kleine boeren de prioriteiten zijn. De plaatselijke productie zou moeten toenemen om voedselzekerheid en sociale diensten voor de hele bevolking te waarborgen. Om de toegevoegde waarde in de ACS-economieën te behouden, is een ander systeem nodig, dat de productie voor de binnenlandse markt voorrang geeft boven productie voor de exportmarkt en de producent een inkomen garandeert.

  • [1]  Artikel 1, lid 2 van de Overeenkomst van Cotonou

PROCEDURE

Titel

De invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) op de ontwikkeling

Procedurenummer

2005/2162(INI)

Reglementsartikel(en)

art. 45

Commissie ten principale
  Datum bekendmaking

DEVE

29.9.2005

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

INTA

29.9.2005

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

INTA

11.10.2005

 

 

 

Nauwere samenwerking
  Datum bekendmaking

Nee

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Luisa Morgantini

24.5.2005

Behandeling in de commissie

20.2.2006

31.1.2006

1.12.2005

 

 

Datum goedkeuring

21.2.2006

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Thierry Cornillet, Alexandra Dobolyi, Michael Gahler, Glenys Kinnock, Ģirts Valdis Kristovskis, Maria Martens, Miguel Angel Martínez Martínez, Gay Mitchell, Luisa Morgantini, Józef Pinior, Pierre Schapira, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

John Bowis, Milan Gaľa, Fiona Hall, Linda McAvan, Manolis Mavrommatis, Karin Scheele, Anne Van Lancker, Anders Wijkman, Zbigniew Zaleski, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 178, lid 2)

Robert Sturdy

Datum indiening

1.3.2006

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)